Schouderprothese

Initiatief: NOV Aantal modules: 19

Postoperatieve fysiotherapie bij schouderprothese

Uitgangsvraag

Wat is de waarde van postoperatieve fysiotherapie na plaatsing van een schouderprothese?

Aanbeveling

Aanbeveling 1

Adviseer patiënten die een schouderprothese hebben ontvangen een behandeltraject te starten bij een fysiotherapeut, bij voorkeur gespecialiseerd in schouderrevalidatie.

 

Aanbeveling 2

Zoek vanuit het orthopedische team afstemming met de eerste lijn zorgverleners waarbij in de overdracht de voor hen relevante informatie volledig aan bod komt. Deze overdrachtsafstemming zou bij voorkeur de volgende aspecten moeten bevatten:

  • pre-operatieve actieve schouderfunctie;
  • postoperatieve instructies;
  • type implantaat;
  • integriteit van de rotator cuff; en/of
  • gelijktijdig uitgevoerde rotator cuff refixatie of peestransfers.

 

Aanbeveling 3

Zoek een balans tussen immobiliseren en mobiliseren na plaatsing van een schouderprothese, rekening houdend met de postoperatieve instructie, wondherstel en weefselreactiviteit, waarbij in het geval van een prothese mét een refixatie van de subscapularispees in de beginfase een gecontroleerd revalidatieprogramma gewenst is.

 

Aanbeveling 4

Overweeg om de frequentie en totale duur van het post-klinische fysiotherapeutische traject af te stemmen op de gezondheidsvaardigheden, persoonlijke voorkeuren en de functionele doelstellingen van de patiënt.

Overwegingen

Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs

Op basis van de literatuurzoekopdracht van de NICE richtlijn is geen literatuur gevonden die een directe vergelijking maakte tussen begeleide postoperatieve fysiotherapie en onbegeleid zelfstandig postoperatief revalideren. Hier ligt een kennislacune. De aanbevelingen zijn derhalve gebaseerd op expert opinion, waar mogelijk ondersteund door niet-systematisch gezochte literatuur.

 

De werkgroep is tevreden over de huidige standaardzorg, die bestaat uit het aanbieden van begeleide postoperatieve fysiotherapie na plaatsing van een schouderprothese. Er is ten eerste geen bewijs of sterk argument voor het veranderen van deze standaardzorg. Ten tweede is de werkgroep van mening dat de fysiotherapeut bij uitstek geschikt is om het herstelproces te begeleiden. Tegenover een onbegeleid oefenprogramma ziet de werkgroep diverse voordelen van fysiotherapeutische revalidatie. De fysiotherapeut biedt maatwerk en stemt de informatievoorziening, adviezen, tips en oefenvormen af op de individuele patiënt. Dit draagt bij aan een adequate omgang met de geopereerde schouder. Deze zorg op maat voorkomt te trage of te snelle opbouw van belastingen, waardoor uiteindelijk de meest optimale schouderfunctie en patiënttevredenheid behaald kan worden. In de fysiotherapeutische revalidatie dient rekening te worden gehouden met het type prothese en van de operatieve benaderingswijze.

 

Type prothese en operatieve benaderingswijze

Totale schouderprothese en hemi-schouderprothese

Bij een totale- en bij een hemi-schouderprothese wordt over het algemeen een deltopectorale benadering toegepast waarbij de subscapularispees wordt doorgenomen en opnieuw gefixeerd. Voor de fysiotherapeut is het van belang om te weten dat het respecteren van de fixatie essentieel is in de eerste postoperatieve revalidatiefase, met name met betrekking tot het vermijden van glenohumerale exorotatie. Verder blijft de originele biomechanica gehandhaafd en zijn de overige rotator cuff pezen intact.

 

Omgekeerde schouderprothese

Bij een omgekeerde schouderprothese zijn meer overwegingen waar de fysiotherapeut van op de hoogte dient te zijn. Ten eerste is de biomechanica van de schouder bij dit type prothesen volledig veranderd. Er is een shift in momentsarm en lengte-spanning verhouding van de deltoideus en, over het algemeen, een (functioneel) niet-intacte supraspinatus. De deltoideus wordt hierdoor de belangrijkste heffer van de schouder en de recruitment van deze spier is van wezenlijk belang voor de uiteindelijke schouderfunctie (Li, 2020). Ten tweede is het voor de fysiotherapeut van belang om te weten voor welke benaderingswijze is gekozen, deltopectoraal of anterosuperior. In geval van een deltopectorale benadering kan gekozen zijn voor doornemen met of zonder refixatie van de subscapularispees (Bigdon, 2019). Ten derde is het belangrijk dat de fysiotherapeut zich ervan bewust is dat, hoe zeldzaam ook, bij omgekeerde schouderprothesen in de vroege fase een risico bestaat op luxatie waardoor voorzichtigheid in progressief mobiliseren en specifieke schouderbewegingen (gecombineerde extensie/adductie/endorotatie) gewenst is (Boudreau, 2007).

 

Fysiotherapie na plaatsing van een schouderprothese wordt onderverdeeld in de klinische en post-klinische fase, zoals hieronder toegelicht.

 

Klinische fase

De opnameduur na diverse orthopedische operaties is de afgelopen jaren sterk afgenomen. Het blijkt dat spoedig ontslag uit het ziekenhuis niet leidt tot een toename van medische complicaties (Goncalvez-Bradley, 2017). Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een licht positief effect op patiënttevredenheid (Goncalvez-Bradley, 2017). De zorg die normaal gesproken in de klinische setting plaatsvindt, dient in dit geval te worden opgevangen door de eerste lijn (Goncalvez-Bradley, 2017). Hierbij verdient het aanbeveling dat er goede afstemming en overdracht is vanuit het ziekenhuis naar de eerstelijnszorgverleners zoals huisarts en fysiotherapeut. De werkgroep adviseert dan ook dat de chirurg of klinische fysiotherapeut afstemt met de behandelend fysiotherapeut in de eerste lijn. Deze overdrachtsafstemming zou volgens de werkgroep de volgende aspecten moeten bevatten: pre-operatieve schouderfunctie, type implantaat, postoperatieve instructies, integriteit van de rotator cuff en/of gelijktijdig uitgevoerde rotator cuff refixatie of peestransfers.

 

Daarnaast is de fysiotherapeutische rol in de klinische setting voornamelijk van coachende aard en omvat instructie in sling gebruik en uitvoering van basisvaardigheden voor algemene dagelijkse levensverrichtingen, het aanleren van mobilisatie oefeningen van de niet geopereerde delen van de schoudergordel en het aanleren van de veilige bewegingszone van de geopereerde schouder.

 

In het geval van beperkte gezondheidsvaardigheden of fysieke beperkingen kan besloten worden om bijvoorbeeld de behandeling te intensiveren (Murugesu, Nivel, ZonMW rapport, 2018), de patiënt thuis te bezoeken of een ergotherapeut in te schakelen. Tevens kan overwogen worden om via digitale middelen zoals videoconsulten een patiënt te begeleiden.

 

Post-klinische fase

Het post-klinische revalidatieprotocol bij schouderprothese verschilt per orthopedisch team. Meestal is het een gefaseerd tijdscontingent protocol waarbij de fasen overeenkomen met die van bijvoorbeeld een rotator cuff refixatie. Hoewel plaatsing van een schouderprothese en een rotator cuff refixatie wezenlijk andere ingrepen zijn, zijn er duidelijke overeenkomsten in het postoperatieve beleid. In beide gevallen dient in de eerste fase het weefsel te worden beschermd en vervolgens gradueel te worden blootgesteld aan oefenvormen om te komen tot een hogere functionele belastbaarheid. De intensiteit waarmee oefenvormen kunnen worden aangeboden wordt ten dele bepaald door de fase waarin het weefselherstel zich bevindt. Het verdient de voorkeur om dit met name te laten afhangen van het bereiken van bepaalde criteria zoals de mate van weefselreactiviteit (Kelley, 2009), pijn, mobiliteit en wondherstel, met respect voor de biologische hersteltijden van het weefsel. Deze criteria kunnen “groene vlaggen” genoemd worden om progressie in de revalidatie te legitimeren.

 

Vroeg of laat mobiliseren

Ook bestaat er tussen de orthopedische teams veel variatie in sling gebruik en het wel of niet spoedig aanvangen van mobiliserende oefeningen van de geopereerde schouder. De repair van de subscapularis pees speelt hierin een belangrijke overweging. Het vroeg starten van mobiliserende oefenvormen zou gunstig zijn voor de mobiliteit, terwijl laat starten de refixatie beter zou bewaken. Zowel het volledig immobiliseren, als het te vroeg mobiliseren heeft negatieve gevolgen voor de mechanische eigenschappen van de refixatie. De RCT van Denard (2016) laat een kortdurend positief effect op pijn en functie zien bij vroeg postoperatief (1 tot 4 weken) starten met passieve en geleid actieve mobiliserende oefeningen in vergelijking met een meer conservatieve aanpak (4 tot 8 weken). Echter, na 12 weken is dit verschil niet meer aanwezig. Bovendien wordt bij de vroege mobilisatie groep meer het niet vastgroeien van de subscapularis refixatie gezien (Denard, 2016). Deze bevindingen komen overeen met evidentie van revalidatie na een rotator cuff refixatie. Indien er überhaupt geen immobilisatie wordt toegepast (Tirefort, 2019) of vroeg postoperatief wordt gemobiliseerd, wordt een negatief effect gezien op peesgenezing (Li, 2017). De werkgroep beveelt daarom een balans aan tussen immobiliseren en mobiliseren na schouderprothese met een refixatie van de subscapularispees. Agressief mobiliseren en exorotatie rekkingen dienen in ieder geval te worden vermeden gedurende de eerste 4 tot 6 weken postoperatief. Het wordt algemeen geaccepteerd om de schouder regelmatig uit de sling te halen (Fusaro, 2013). De werkgroep is van mening dat dit beperkt moet zijn tot gecontroleerde situaties.

 

In het geval van een omgekeerde schouderprothese zónder subscapularispees refixatie toonde de studie van Hagen (2020) geen verschil aan tussen vroeg (direct) of laat (na 6 weken) starten met mobiliseren van de schouder. In het geval van dit type operatie mag het postoperatieve mobilisatie/immobilisatie beleid op geleide van weefselreactiviteit plaatsvinden met bewaking van risico op trauma en luxatie.

 

Naast het glenohumeraal (im)mobiliseren is het aandeel van de scapulothoracale functie van groot belang in uiteindelijke mobiliteit van de schoudergordel. Zeker omdat moet worden verwacht dat de glenohumerale mobiliteit partieel beperkt blijft na een schouderprothese operatie (Wilcox, 2005; Boudreau, 2007), is het scapulothoracale compensatievermogen belangrijk voor het bereiken van een optimaal bewegingspotentieel van de schoudergordel. Alta toont in zijn proefschrift (2014) ook aan dat bij patiënten met een schouderprothese een groter aandeel van de schouderfunctie scapulothoracaal plaatsvindt. De werkgroep beveelt aan om in de postoperatieve revalidatie aandacht te hebben voor de scapulothoracale mobiliteit en ziet geen restricties om in de direct postoperatieve fase deze functie te faciliteren.

 

Frequentie, vorm en duur

Aangezien er vanuit de literatuur geen uitspraak kan worden gedaan over de aan te bevelen frequentie, vorm en duur van de post klinische behandeling adviseert de werkgroep om dit individueel per patiënt te bepalen. De frequentie van de behandelingen en de totale duur van het traject worden met name bepaald door het verloop van het herstelproces en de persoonlijke doelstellingen van de patiënt. Hierbij dienen verwachtingen van de patiënt te worden besproken om realistische doelen te stellen.

 

Kosten (middelenbeslag)

Er is geen bewijs gevonden dat postoperatieve revalidatie kosteneffectief is. Fysiotherapie na een operatieve ingreep valt tegenwoordig voor een deel onder zorg vanuit de aanvullende verzekering. Dit is voor een deel van de patiëntengroep een financiële drempel waardoor de toegankelijkheid van de fysiotherapeutische zorg na een operatie is afgenomen. Goede informatievoorziening aan de patiënt over deze kosten voorafgaand aan de operatie is van belang zodat men hierop voorbereid is. Voor de groep die niet in de gelegenheid is zich hierop voor te bereiden, valt een onbegeleid postoperatief oefenprogramma te overwegen.

 

Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie

Het aanbieden van begeleide postoperatieve fysiotherapie na plaatsing van een schouderprothese is standaardzorg. De werkgroep benadrukt het belang van een goede overdracht van specifieke gegevens van de klinische setting naar de eerste lijn, zodat de behandelend fysiotherapeut op de hoogte is van de pre- en perklinische functie. Deze bevindingen zijn van belang voor het juist op maat afstemmen van de post-klinische fase. De fysiotherapeut in de eerste lijn dient op de hoogte te zijn van de verschillende schouderprothesen en operatieve benaderingswijzen zodat de patiënt met een schouderprothese correct kan worden geadviseerd en begeleid.

 

Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies

Aanbeveling 1

Begeleide revalidatie door een (gespecialiseerde) fysiotherapeut verdient de voorkeur om de belasting in de verschillende herstelprocessen verantwoord op te bouwen en tot een optimale functie te komen. De fysiotherapeut biedt zorg op maat, waarin een onbegeleid oefenprogramma niet kan voorzien. Daarnaast is er geen bewijs of sterk argument voor het veranderen van deze standaardzorg.

 

Aanbeveling 2

De behandelend fysiotherapeut in de eerste lijn dient op de hoogte te zijn van een aantal specifieke pre- en peroperatieve bevindingen. Deze bevindingen zijn van belang voor het op maat afstemmen van de behandeling in de post klinische fase.

 

Aanbeveling 3

Er is veel variatie in het postoperatieve (im)mobilisatiebeleid na plaatsing van een schouderprothese. De refixatie van de subscapularis pees speelt hierin een belangrijke rol. Het vroeg starten van mobiliserende oefenvormen zou gunstig zijn voor de mobiliteit, terwijl laat starten de refixatie beter zou bewaken.

 

Aanbeveling 4

Er is geen bewijs over de beste frequentie en duur van de postoperatieve fysiotherapeutische behandeling. De behandeling dient daarom per patiënt te worden bepaald.

Onderbouwing

Patiënten worden doorgaans na het plaatsten van een schouderprothese naar een fysiotherapeut verwezen voor postoperatieve revalidatie. Patiënten krijgen oefentherapie om schoudergordel- en armfunctie te verbeteren, gericht op de individuele doelen die worden gesteld om zo spoedig mogelijk weer terug te komen in de werkende of sociale maatschappij. Echter, het is niet bekend wat de effectiviteit van postoperatieve fysiotherapie na plaatsing van een schouderprothese is. Daarnaast is geen nationale consensus voor de richtlijnen die worden gehanteerd.

No studies were found that directly compared supervised post-operative rehabilitation with unsupervised post-operative rehabilitation in people who have undergone shoulder joint replacement surgery. Therefore, recommendations will be based on expert opinion, if possible, supported by (indirect) literature.

The following question was investigated:

In adults who have undergone primary elective shoulder replacement, what is the clinical effectiveness of supervised rehabilitation versus self-directed rehabilitation?

 

P: adults who have undergone primary shoulder joint replacement;

I: individual or group based supervised post-operative rehabilitation;

C: self-directed rehabilitation;

O: pain, quality of life, function, complications, patient satisfaction.

 

Relevant outcome measures

The guideline development group considered pain and quality of life as critical outcomes for decision making; and complications and patient satisfaction as important outcomes for decision making.

 

A priori, the working group did not define the outcome measures listed above but used the definitions used in the studies. The working group defined 25% as a minimal clinically (patient) important difference, unless stated otherwise.

 

Search and select (Methods)

No literature search was performed for this question. The NICE guideline Joint replacement (primary): hip, knee and shoulder published in 2020 included the same research question. Therefore, the scientific evidence analysis of the NICE guideline was followed. We refer to the NICE guideline for the search strategy. The guideline committee interpreted the scientific evidence for the Dutch clinical situation.

  1. Alta TD, de Toledo JM, Veeger HE, Janssen TW, Willems WJ. The active and passive kinematic difference between primary reverse and total shoulder prostheses. J Shoulder Elbow Surg. 2014 Sep;23(9):1395-402. doi: 10.1016/j.jse.2014.01.040. Epub 2014 Apr 13. PubMed PMID: 24739793.
  2. Bigdon, S. F., Bolliger, L., Albers, C. E., Collin, P., & Zumstein, M. A. (2019). Subscapularis in Reverse Total Shoulder Arthroplasty. Journal of Shoulder and Elbow Arthroplasty. https://doi.org/10.1177/2471549219834192.
  3. Boudreau S, Boudreau ED, Higgins LD, Wilcox RB 3rd. Rehabilitation following reverse total shoulder arthroplasty. J Orthop Sports Phys Ther. 2007 Dec;37(12):734-43. doi: 10.2519/jospt.2007.2562. Epub 2007 Aug 28. Review. PubMed PMID: 18560182.
  4. Denard PJ, Lädermann A. Immediate versus delayed passive range of motion following total shoulder arthroplasty. J Shoulder Elbow Surg. 2016 Dec;25(12):1918-1924. doi: 10.1016/j.jse.2016.07.032. Epub 2016 Oct 7. PubMed PMID: 27727055.
  5. Fusaro I, Orsini S, Stignani S, Creta D, Cava FC, Benedetti MG; Società Italiana di Chirurgia della Spalla e del Gomito. Proposal for SICSeG guidelines for rehabilitation after anatomical shoulder prosthesis in concentric shoulder osteoarthritis. Musculoskelet Surg. 2013 Jun;97 Suppl 1:31-7. doi: 10.1007/s12306-013-0257-0. Epub 2013 Apr 16. PubMed PMID: 23588829.
  6. Gonçalves-Bradley DC, Iliffe S, Doll HA, Broad J, Gladman J, Langhorne P, Richards SH, Shepperd S. Early discharge hospital at home. Cochrane Database Syst Rev. 2017 Jun 26;6:CD000356. doi: 10.1002/14651858.CD000356.pub4. Review. PubMed PMID: 28651296; PubMed Central PMCID: PMC6481686.
  7. Hagen MS, Allahabadi S, Zhang AL, Feeley BT, Grace T, Ma CB. A randomized single-blinded trial of early rehabilitation versus immobilization after reverse total shoulder arthroplasty. J Shoulder Elbow Surg. 2020 Mar;29(3):442-450. doi: 10.1016/j.jse.2019.10.005. Epub 2020 Jan 7. PubMed PMID: 31924519.
  8. Kelley MJ, McClure PW, Leggin BG. Frozen shoulder: evidence and a proposed model guiding rehabilitation. J Orthop Sports Phys Ther. 2009 Feb;39(2):135-48. doi: 10.2519/jospt.2009.2916. Review. PubMed PMID: 19194024.
  9. Li H, Yoon SH, Lee D, Chung H. Relation between preoperative electromyographic activity of the deltoid and upper trapezius muscle and clinical results in patients treated with reverse shoulder arthroplasty. J Shoulder Elbow Surg. 2020 Jan;29(1):195-201. doi: 10.1016/j.jse.2019.05.032. Epub 2019 Aug 13. PubMed PMID: 31420222.
  10. Li S, Sun H, Luo X, Wang K, Wu G, Zhou J, Wang P, Sun X. The clinical effect of rehabilitation following arthroscopic rotator cuff repair: A meta-analysis of early versus delayed passive motion. Medicine (Baltimore). 2018 Jan;97(2):e9625. doi: 10.1097/MD.0000000000009625. PMID: 29480870; PMCID: PMC5943887. https://doi.org/10.1097/MD.0000000000009625.
  11. Murugesu, L., Heijmans, M., Fransen, M., Rademakers, J. Beter omgaan met beperkte gezondheidsvaardigheden in de curatieve zorg: kennis, methoden en tools. Utrecht: Nivel, 2018.
  12. Tirefort J, Schwitzguebel AJ, Collin P, Nowak A, Plomb-Holmes C, Lädermann A. Postoperative Mobilization After Superior Rotator Cuff Repair: Sling Versus No Sling: A Randomized Prospective Study. J Bone Joint Surg Am. 2019 Mar 20;101(6):494-503. doi: 10.2106/JBJS.18.00773. PubMed PMID: 30893230.
  13. Wilcox RB, Arslanian LE, Millett P. Rehabilitation following total shoulder arthroplasty. J Orthop Sports Phys Ther. 2005 Dec;35(12):821-36. Review. PubMed PMID: 16848103.

No literature search was performed for this question. The NICE guideline Joint replacement (primary): hip, knee and shoulder published in 2020 included the same research question. Therefore, the scientific evidence analysis of the NICE guideline was followed.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 11-10-2021

Laatst geautoriseerd  : 11-10-2021

Geplande herbeoordeling  : 01-01-2027

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
Geautoriseerd door:
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • ReumaNederland
  • Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland

Algemene gegevens

De herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2019 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten die een schouderprothese krijgen.

 

Werkgroep

  • dr. J.J.A.M. van Raaij, orthopedisch chirurg bij Martini Ziekenhuis (voorzitter), NOV
  • dr. T.D.W. Alta, orthopedisch chirurg bij Spaarne Gasthuis, NOV
  • dr. C.P.J. Visser, orthopedisch chirurg bij Alrijne Ziekenhuis en Eisenhower Kliniek, NOV
  • dr. O.A.J. van der Meijden, orthopedisch chirurg bij Albert Schweitzer Ziekenhuis, NOV
  • dr. C. Th. Koorevaar, orthopedisch chirurg bij Deventer Ziekenhuis, NOV
  • dr. H.J. van der Woude, radioloog bij OLVG, NVvR
  • R. Schuurmans, Diagnostisch Fysiotherapeut en MSK echografist bij Flevoziekenhuis en Bergman Clinics Naarden, KNGF
  • K.M.C. Hekman, fysiotherapeut en manueel therapeut bij Schoudercentrum IBC Amstelland, KNGF
  • drs. G. Willemsen, voorzitter Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland
  • N. Lopuhaä, beleidsmedewerker Patiëntbelangen, ReumaNederland

 

Met ondersteuning van

  • dr. M. de Weerd, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (tot september 2019)
  • drs. T. Geltink, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (tot december 2020)
  • dr. M.S. Ruiter, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf september 2019)

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

 

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Van Raaij (voorzitter)

Orthopedisch chirurg Martini Ziekenhuis Groningen

Opleider orthopedie Martiniziekenhuis Groningen;

secretaris/vice voorzitter ROGO orthopedie Noordoost;

voorzitter COC Martiniziekenhuis Groningen;

lid regionale COC OOR Noordoost;

secretaris concilium orthopedicum, lid RGS orthopedie;

bestuurslid werkgroep schouder/elleboog NOV;

lid LEARN Rijksuniversiteit Groningen (onderzoeksgroep opleiding/onderwijs);

docent Hanzehogeschool Groningen;

reviewer diverse orthopedische tijdschriften;

beoordelaar/reviewer ingediende projecten ZonMW;

lid editorial board Orthopedics (orthopedisch journal);

voorzitter stichting ortho research noord (extern gefinancierd door Smith en Nephew en door wetenschapscommissie Martiniziekenhuis Groningen)

Geen

Geen actie

Willemsen-de Mey

Voorzitter Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland

Geen

Geen

Geen actie

Lopuhaä

Beleidsmedewerker Patiëntenbelangen ReumaNederland

Geen

Geen

Geen actie

Visser

Orthopedisch chirurg Alrijne Ziekenhuis, Leiden
Orthopedisch chirurg Eisenhower Kliniek Den Haag

Reviewer diverse orthopedische tijdschriften;

Geen

Geen actie

Van der Meijden

Orthopedisch chirurg; Albert Schweitzer Ziekenhuis Dordrecht

Reviewer diverse orthopedische tijdschrijften

Geen

Geen actie

Van der Woude

Radioloog, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (Oost) Amsterdam

Lid/consulent Nederlandse Commissie voor Beentumoren (onbezoldigd)

Geen

Geen actie

Alta

Orthopedisch chirurg Spaarne Gasthuis (Haarlem/Hoofddorp)

Congres Commissie Nederlandse Vereniging voor Arthroscopie

 

Bestuurslid Europese schouder en elleboog society en hoofd Health Care Delivery committeer

 

Wetenschappelijke commissie wereld schouder en elleboog congres

Geen

Geen actie

Koorevaar

Orthopedisch chirurg Deventer Ziekenhuis

Opleider Orthopedie Deventer Ziekenhuis. Reviewer diverse orthopedische tijdschriften.

Geen

Geen actie

Schuurmans

Flevoziekenhuis: Diagnostisch Fysiotherapeut en MSK echografist poli Orthopedie; Bergman Clinics: Diagnostisch Fysiotherapeut en MSK echografist op de schouderpoli van dr. van der List;
Schoudercentrum IBC Amstelland: Fysio-manueeltherapeut;
EchoLokaal: Diagnostisch Fysiotherapeut en MSK echografist 1e lijn.

Voorzitter Schouder Netwerk Flevoland (onbetaald)

Geen

Geen actie

Hekman

Fysio, -manueeltherapeut; Schoudercentrum IBC Amstelland

 Advanced clinical practioner; MC Jan van Goyen

Bestuursvoorzitter Schouder Netwerken Nederland : onbetaald

Gastdocent Nederlands Paramedisch Instituut : betaald

Geen

Geen actie

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntperspectief door Patiëntenfederatie Nederland en andere relevante patiëntenorganisaties uit te nodigen voor een schriftelijke knelpuntenanalyse. Het verslag hiervan (zie bijlagen) is besproken in de werkgroep. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen. Bovendien werd het patiëntperspectief vertegenwoordigd door afvaardiging van patiëntenorganisaties ReumaNederland en Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland in de werkgroep. Tot slot werden de modules voor commentaar voorgelegd aan Patiëntenfederatie Nederland en andere relevante patiëntenorganisaties en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).

 

Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten in de zorg voor patiënten die een schouderprothese krijgen. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door stakeholders door middel van een schriftelijke knelpuntenanalyse. Een verslag hiervan is opgenomen in de bijlagen. Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep concept-uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.

 

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur en de beoordeling van de risk-of-bias van de individuele studies is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

 

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello, 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE-methodiek.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.

 

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE-gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

 

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet.

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen.

 

Organisatie van zorg

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijnmodule is expliciet aandacht geweest voor de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, mankracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van deze specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijnmodule werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnmodule aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodule werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

  • Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.
  • Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.
  • Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.
  • Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.
  • Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.
  • Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit. https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site.html
  • Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.
  • Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Patiëntverwachtingen