Medicatie negatieve symptomen schizofrenie

Laatst beoordeeld: 01-01-2012

Uitgangsvraag

  • Hoe effectief zijn de antipsychotica in de behandeling van de negatieve symptomen?
  • Welke additiestrategieën zijn effectief voor de behandeling van negatieve symptomen?

Aanbeveling

De werkgroep beveelt aan om additie met sommige antidepressiva (vooral mirtazapine) aan antipsychotica, of lamotrigineadditie aan clozapine, te overwegen bij de behandeling van patiënten met langdurig bestaande negatieve symptomen.


Glycine, D-serine en sarcosine zijn stoffen die toegevoegd aan antipsychotica een bescheiden verbetering laten zien van negatieve symptomen. Het kan de moeite waard zijn om in overleg met de patiënt een van deze middelen onder goed evalueerbare omstandigheden toe te voegen aan een antipsychoticum, waarbij men zich dient te realiseren dat het hier om stoffen gaat die niet als geneesmiddel geregistreerd zijn.

 

Aanbeveling onderzoek en beleid

Het is van belang zich te realiseren dat negatieve symptomen voortkomen uit diverse contribuerende factoren en dat zij soms moeilijk afgrensbaar zijn van depressie, demotivatie, extrapiramidale bijwerkingen, sociaal isolement en onderstimulatie. De werkgroep beveelt aan om geïntegreerde behandelingen voor negatieve symptomen te ontwikkelen, bestaande uit zowel farmacologische als niet-farmacologische interventies.

Overwegingen

De neurotransmitter glutamaat bindt op verschillende receptoren; een ervan is de NMDA-receptor. D-serine en glycine binden aan de NMDA-receptor. Sarcosine vergroot de beschikbaarheid van glycine voor de NMDA-receptor. Alle drie de stoffen vergroten de glutaminerge output. Het feit dat het niet om geregistreerde geneesmiddelen gaat en het feit dat deze farmaca commercieel weinig interessant zijn om in de toekomst geregis­treerd te worden, maken dat de toepassing van deze middelen en weten­schappelijk onderzoek hiernaar beperkt zijn. Er zijn dan ook onvoldoende gegevens over optimale dosering (behandelstudies met zeer hoge dose­ringen glycine worden momenteel uitgevoerd), behandelduur en lange­termijneffecten (Tumoninen et al., 2006; Duisterwinkel, 2008).

 

Lamotrigine is geregistreerd als anti-epilepticum. Over de werkzaamheid bij de additie van lamotrigine bij ander antipsychotica dan clozapine is de literatuur niet eenduidig. Naar de optimale dosering en behandelduur van lamotrigine toegevoegd aan clozapine is nader onderzoek nodig.

 

Over het toevoegen van antidepressiva aan antipsychotica ter verminde­ring van negatieve symptomen spreken reviews elkaar soms tegen (Duis­terwinkel, 2008; Jiawan, 2010; Rummel-Kluge, 2006; Sepehry, 2007). Selective serotonine reuptake inhibitors (SSRI's) lijken toegevoegd aan antipsychotica negatieve symptomen niet te verminderen (Sepehry, 2007; Jiawan, 2010), met misschien als uitzondering fluoxetine, dat in de meta-analyse van Singh werkzaam leek (Singh, 2010). Sommige andere antidepres­siva, onder andere mirtazapine, lijken wel een bescheiden vermindering (12-40% gemeten met de PANSS of SANS) te kunnen geven van negatieve symptomen (Singh, 2010; Jiawan, 2010; Rummel-Kluge, 2006). Ook blijkt - als men de studies verdeelt naar ernst van ziekte - er een matig effect van antidepressiva te vinden te zijn bij studies onder patiënten met een duide­lijk chronisch beloop (Sepehry, 2007). Concluderend is te overwegen een van de genoemde additiestrategieën in de praktijk toe te passen, waarbij goede monitoring van het effect moet voorkomen dat er zinloze polyfarmacie gaat ontstaan. Daarnaast dienen deze opties in wetenschappelijk onderzoek verder te worden ontwikkeld.

Conclusies

 

Niveau 1

Het is aangetoond dat amisulpride, clozapine en olanzapine een gunstig effect hebben op de negatieve symptomen, in vergelij­king met de andere antipsychotica.

A1: Leucht et al., 2009; Makinen, 2008.

 

 

Niveau 1

Van enkele additiestrategieën die werken op het glutamaat- systeem: D-cycloserine of D-serine, en glycine, is een geringe effectiviteit voor de behandeling van negatieve symptomen aangetoond.

A1: Duisterwinkel, 2008; Jiawan, 2010; Tiihonen, 2009.

 

 

Niveau 1

Het is aangetoond dat de additie van lamotrigine aan clozapine een matig groot effect laat zien op de afname van negatieve symptomen.

A1: Tiihonen, 2009.

 

 

Niveau 1

Het is aangetoond dat sommige antidepressiva, zoals mirta- zapine, toegevoegd aan antipsychotica kunnen leiden tot een vermindering van negatieve symptomen.

A1: Duisterwinkel, 2008; Jiawan, 2010; Rummel-Kluge, 2006; Sepehry, 2007; Singh, 2010.

Samenvatting literatuur

Effect antipsychotica

Hoewel recente reviewartikelen en meta-analyses het niet geheel met elkaar eens zijn, lijkt het erop dat amisulpride, clozapine en olanzapine, in vergelijking met de andere antipsychotica, een gunstig effect hebben op de negatieve symptomen (Leucht et al., 2009). Opvallend is dat ook haloperidol in de meta-analyse van Leucht een gunstig effect op de negatieve symptomen laat zien.

 

Bij deze conclusies is wel een aantal kanttekeningen te plaatsen. Zo stelt Murphy dat de kwaliteit van veel studies matig is en dat de resultaten teleurstellend zijn (Murphy et al., 2006). Hij vraagt zich af of de positieve resultaten op primaire of secundaire negatieve symptomen te vertalen zijn in klinisch betekenisvolle verbetering in kwaliteit van leven. Ook moet opgemerkt worden dat de conclusies in de meta-analyses vaak berusten op kortlopende (registratie)studies waarbij een afname op de negatieve-symptomenschaal van de PANSS als uitkomst wordt genomen en waarbij patiënten op dat moment aan het herstellen zijn van een acute psychose.

 

Studies die stabiele patiënten met persisterende negatieve symptomen onderzoeken op een verbetering van hun (primaire) negatieve symptomen, zijn maar zeer beperkt voor handen. De NICE-richtlijnen concluderen dan ook op grond van tien RCTS's met twaalfhonderd patiënten met persiste­rende negatieve symptomen dat er geen evidentie is voor klinisch signifi­cante verschillen in de werkzaamheid tussen de onderzochte antipsychotica wat betreft effecten op negatieve symptomen (NICE, 2010).

 

Additiestrategieën

Er zijn additiestrategieën onderzocht waarbij geneesmiddelen aan de antipsychotica zijn toegevoegd met als doel de negatieve symptomen te verminderen (Jaiwan et al., 2010; Duisterwinkel et al., 2008). Interven­ties op het glutamaatsysteem met de middelen als sarcosine, D-serine of glycine (hoge dosering) die zijn toegevoegd aan een antipsychoticum, laten in de meerderheid van de studies een geringe verbetering zien van nega­tieve symptomen (Tuominen et al., 2006; Duisterwinkel, 2008). Geen van deze stoffen is een geregistreerd geneesmiddel. Lamotrigine toegevoegd aan diverse antipsychotica laat vaak een geringe tot matige verbetering zien op negatieve symptomen. In een recente meta-analyse is een matig groot gunstig effect aangetoond voor de combinatie clozapine-lamotrigine ter verbetering van negatieve symptomen (Tiihonen et al., 2009).

 

Over het toevoegen van antidepressiva aan antipsychotica ter vermin­dering van negatieve symptomen is een aantal reviews en meta-analyses verschenen dat elkaar onder andere door verschillen in inclusiecriteria soms tegenspreekt (Duisterwinkel, 2008; Jiawan, 2010; Rummel-Kluge, 2006; Sepehry, 2007; Singh, 2010). Een beperkt gunstig effect op negatieve symptomen van een aantal antidepressiva lijkt waarschijnlijk; of dit ook voor SSRI's geldt, is omstreden. Andere potentieel werkzame additiestra­tegieën, zoals amfetamine (Nolte, 2004) ritanserine, selegiline, dehydroepiandrosteron (DHEA) en Ginkgo biloba zijn nog te weinig onderzocht om er stellige uitspraken over te kunnen doen (Jiawan, 2010).

Referenties

  1. Leucht, S., Kissling, W., & Davis, J. M. (2009c). Second-generation antipsychotics for schizophrenia: Can we resolve the conflict? Psychological medicine, 39(10), 1591-1602.
  2. NICE. (2010): National Collaborating Centre for Mental Health (NCCMH) (2010). Schizophrenia: The NICEguideline on core interventions in the treat- ment and management of schizophrenia in adults in primary and secondary care: Updated edition. London: British Psychological Society; Royal College of Psychiatrists.
  3. Duisterwinkel, G., Bosker, F.J., Scholte-Stalenhoef, A.N., Vervoort, M., & Knegtering, H. (2008). Antipsychotic augmentation strategies to ameliorate negative and cognitive symptoms in schizophrenia. Central nervous system agents in medicinal chemistry, 8(1), 10-25.
  4. Tuominen, H.J., Tiihonen, J., & Wahlbeck, K. (2006). Glutamatergic drugs for schizophrenia. Cochrane Database of Systematic Reviews 2005(2), Article CD003730. The Cochrane Library Database.
  5. Tiihonen, J., Wahlbeck, K., & Kiviniemi, V. (2009b). The efficacy of lamotrigine in clozapine-resistant schizophrenia: A systematic review and meta-analysis. Schizophrenia research, 109(1-3), 10-14.
  6. Rummel-Kluge, C., Stiegler-Kotzor, M., Schwarz, C., Hansen, W.P., & Kissling, W. (2008). Peer-counseling in schizophrenia: Patients consult patients. Patient education and counseling, 70(3), 357-362.
  7. Sepehry, A.A., Potvin, S., Elie, R., & Stip, E. (2007). Selective Serotonin Reuptake Inhibitor (SSRI) add-on therapy for the negative symptoms of schizophrenia: A meta-analysis. The Journal of clinical psychiatry, 68(4), 604-610.
  8. Singh, S.P.,Singh, V., Kar, N., & Chan, K. (2010). Efficacy of antidepressants in treating the negative symptoms of chronic schizophrenia: Meta-analysis. The British journal of psychiatry, 197(3), 174-179.
  9. Nolte, S., Wong, D., & Lachford, G. (2004). Amphetamines for schizophrenia. Cochrane Database of Systematic Reviews 2004(3), Article CD004964. The Cochrane Library Database.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2012

Laatst geautoriseerd : 01-01-2012

Herziening

Vanaf heden zal de Multidisciplinaire richtlijn schizofrenie vanuit de Nederlandse beroepsvereniging voor psychiaters (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, NVvP) worden ontwikkeld als ‘levende richtlijn’, waarbij jaarlijks een update zal verschijnen van een deel van de richtlijn. De kern­groep en methodologische ondersteuners zullen doorlopend bij dit traject betrokken blijven. De agenda voor de updates van de eerstkomende jaren zal bekend gemaakt worden door de NVvP.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

Algemene gegevens

Voorwoord

Deze herziene Multidisciplinaire richtlijn schizofrenie is in opdracht van ZonMw, voor het programma Kennisbeleid Kwaliteit en Curatieve Zorg (KKCZ), ontwikkeld door de werkgroep Multidisciplinaire richtlijn Schi­zofrenie. In de werkgroep, voorgezeten door drs. W. van Ewijk, waren beroepsverenigingen en organisaties vertegenwoordigd die betrokken zijn bij de zorg voor mensen met schizofrenie. De werkgroep is methodologisch en organisatorisch ondersteund door medewerkers van het Trimbos-instituut en het Kenniscentrum Phrenos. De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) trad op als hoofdaannemer.

 

Aanleiding en uitgangspunten

Een belangrijke aanleiding voor deze herziening vormen de knelpunten bij het invoeren in de praktijk van effectieve interventies uit de Multi­disciplinaire richtlijn schizofrenie uit 2005. Sinds 2006 hebben in twee doorbraakprojecten 30 teams uit 28 verschillende ggz-instellingen erva­ringen opgedaan met het invoeren van de richtlijn. De implementatie leverde mooie resultaten op: de schizofreniezorg is volop in beweging, waarbij het invoeren van de richtlijn een belangrijk uitgangspunt vormt. Tijdens de doorbraakprojecten bleek echter wel dat de richtlijn van 2005 belangrijke steken laat vallen in een toepasbare uitwerking van aanbeve­lingen en in de samenhang tussen onderzoeksbevindingen en aanbeve­lingen.

 

Een tweede, niet minder belangrijke aanleiding vormt de kennis over nieuwe wetenschappelijke inzichten. Voor de richtlijn uit 2005 is gezocht naar tot juni 2003 verschenen publicaties. Vanaf die datum is voor verschil­lende onderwerpen nieuwe evidentie verschenen. Deze nieuwe inzichten kunnen leiden tot wezenlijke aanpassing in de zorg voor mensen met schizofrenie. Op basis van een voorstudie van Cees Slooff (psychiater, verbonden aan de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en de Schi­zofrenie Stichting Nederland) kan geconcludeerd worden dat in een update herziening gewenst is van diverse effectieve interventies, zoals vaktherapieën, elektroconvulsieve therapie, psychotherapie, rehabilitatie en FACT (Functional (functie-) Assertive Community Treatment). Actueel onderzoek wijst uit dat bij deze interventies gezondheidswinst behaald kan worden, zoals verbetering van sociaal functioneren, informatieverwerking, kennis, domeinvaardigheden, compliance, coping met symptomen, en heropnames. Daarnaast dienen ook conclusies over nieuwe interventies toegevoegd te worden, zoals over transcraniële magnetische stimulatie en hallucinatiegerichte integratieve therapie (HIT). Gezondheidswinst hier betreft afname in ernst en frequentie van hallicunaties, en minder bijwerkingen. De werkgroep Multidisciplinaire richtlijn Schizofrenie heeft deze herziene multidisciplinaire richtlijn opgesteld volgens een tweetal uitgangspunten.

  • Richtlijnontwikkeling is geen doel op zich is, maar dient op de eerste en de laatste plaats de kwaliteit van zorg.
  • De patiënt moet er beter van worden en de hulpverlener moet er daadwerkelijk steun van ondervinden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling een bureaucratisch keurslijf van regelgeving te ontwerpen dat in iedere spreekkamer een blok aan het been is en waarin ook patiënten zich niet herkennen.

Doel en doelgroep

Deze richtlijn is ontwikkeld als hulpmiddel. Het is in het algemeen een document met aanbevelingen en handelingsinstructies: voor herkenning, diagnostiek, behandeling en herstel van mensen met schizofrenie. Deze richtlijn geeft aanbevelingen ter ondersteuning van de praktijkvoering van alle professionals die betrokken zijn bij de zorgverlening voor mensen met schizofrenie. Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen geeft de richtlijn een overzicht van goed (‘opti­maal') handelen, als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De richtlijn kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor weten­schappelijk onderzoek op het gebied van schizofrenie.

 

Dit document heeft tot doel een leidraad te geven voor diagnostiek en behandeling van volwassenen met schizofrenie. Het moet gezien worden als een moederrichtlijn, waarvan een vertaling kan plaatsvinden naar monodisciplinaire richtlijnen van afzonderlijke beroepsgroepen, en waarin aanknopingspunten te vinden zijn voor lokale protocollen. De werkgroep moedigt het opstellen van lokale protocollen op basis van deze richtlijn aan, omdat dat bevorderlijk is voor de implementatie van de in de richtlijn beschreven optimale zorg. Indien de aanbevelingen uit deze richtlijn in de concrete situatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt, moet het in principe mogelijk zijn beredeneerd af te wijken van de richt­lijn, tenzij de wensen of behoeften van de patiënt naar de mening van de behandelaar de patiënt kunnen schaden, dan wel geen nut hebben.

Samenstelling werkgroep

Leden kerngroep

  • Dr. R. Bruggeman, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
  • Drs. W.M. van Ewijk, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) (voorzitter kerngroep en werkgroep).
  • Prof.dr. M. van der Gaag, Nederlands Instituut van Psychologen (NIP).
  • M. Lansen BN, Vereniging Anoiksis.
  • Dr. B.K.G. van Meijel, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN).
  • Prof. dr. J.P. Selten, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
  • Dr. C.J.A.J. Slooff, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
  • Prof. dr. J. van Weeghel, Kenniscentrum Phrenos.

 

Overige werkgroepleden

De werkgroep bestond uit de leden van de kerngroep en de volgende leden.

  • C. van Alphen, Vereniging Anoiksis.
  • M. Ammeraal Msc, Ergotherapie Nederland (EN).
  • C. Blanke, Vereniging Anoiksis.
  • Drs. N. Boonstra, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN).
  • Drs. H. Boumans, Vereniging Ypsilon.
  • Drs. F.L. Dekker, Nederlandse Vereniging Verzekeringsgeneeskunde (nvvg).
  • R. van Gool (Master Aavanced Nursing Practice), Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN).
  • Dr. O. de Haas, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
  • Dr. C. Henquet, Nederlands Instituut van Psychologen (NI P).
  • Dr. H. Knegtering, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
  • Drs. M.J. Krans, Nederlandse Vereniging van artsen somatisch werkzaam in de psychiatrie (NVASP).
  • Prof.dr. A.J.M. Loonen, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
  • Drs. P.D. Meesters, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), afdeling ouderenpsychiatrie.
  • Drs. G. Miltenburg, Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB).
  • Dr. M.J.T. Oud, Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG).
  • Drs. J. van der Plas, Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP).
  • Drs. D. Rammers, voorzitter V&VN Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundigen, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN).
  • Ir. I.M.F. Rentenaar, Federatie Vaktherapeutische Beroepen (FVB) (agendalid).
  • Drs. G.W. van Santen, Vereniging voor VerslavingsGeneeskunde Nederland (VVGN).
  • Drs. T.W. Scheewe, Federatie Vaktherapeutische Beroepen (FVB).
  • Dr. P. Vlaminck, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
  • Dr. H. Vollaard, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (nvza).
  • Dr. T. van Wel, Nederlands Instituut van Psychologen (NIP).

 

Methodologische ondersteuning

  • Dr. S. Castelein (Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), Afdeling Psychiatrie), epidemiologisch onderzoeker.
  • Drs. D. van Duin (Trimbos-instituut), projectleider en richtlijnadviseur.
  • Dr. M.L.M. Hermens (Trimbos-instituut), wetenschappelijk medewerker epidemiologie.
  • Drs. T. Ketelaars (Trimbos-instituut), Epidemiologisch onderzoeker en informatiespecialist.
  • R. Lochy, (Regiocoördinator Parnassia Bavo Academie Noord-Holland), onderzoeker praktijkdeel.
  • Drs. C.F. de Pater (Denk en Doewerk), secretaris van de kerngroep en de werkgroep.
  • Drs. A. Peterse (Trimbos-instituut), informatiespecialist.
  • Drs. C. Stoop (Trimbos-instituut), wetenschappelijk medewerker epidemiologie.
  • N. van Zon (Trimbos-instituut), projectassistent.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Toepassing van richtlijnen

Een hulpverlener die te maken krijgt met de hulpvraag van een patiënt, moet samen met de patiënt vaststellen wat passende hulp is. Dit gebeurt in de eerste lijn en in de tweede lijn (voordeur). De aanbevelingen uit de richtlijn kunnen bij dit proces van indicatiestelling richtinggevend zijn. Zorgprogramma's zijn gedefinieerd als een samenhangend hulpaanbod voor een omschreven doelgroep. Bij het opstellen van een zorgprogramma kunnen de richtlijnen worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de verschillende behandelmodules en de stappen in het zorgprogramma zo veel mogelijk evidence-based zijn.

 

Richtlijngebruikers

De ontwikkeling van de multidisciplinaire richtlijnen voor de ggz geschiedt primair vanuit een inhoudelijke invalshoek, ten behoeve van de verbe­tering van de kwaliteit van de zorgverlening. De gebruikers van deze richtlijn zijn in de eerste plaats professionals die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten die lijden aan schizofrenie, of waarbij men schizofrenie vermoedt. In de werkgroep waren echter ook patiëntenorganisaties en familieverenigingen vertegenwoordigd. Daarmee heeft het perspectief van patiënt en familie een plaats gekregen in deze richtlijn en kunnen ook niet- professionele zorgverleners, patiëntenorganisaties en familieverenigingen deze richtlijn gebruiken.

Werkwijze

Afbakening

Deze richtlijn betreft schizofrenie (volgens de DSM-IV- of ICD-10-criteria) en de schizofreniforme stoornis (DSM-IV-criteria). Studies over personen vanaf 12 jaar zijn meegenomen. In de vorige Multidisciplinaire richtlijn schizofrenie (2005) is literatuur opgenomen tot en met 2002. In de huidige richtlijn is daarom gezocht naar literatuur vanaf 1 januari 2003 tot juli 2009. Nog niet gepubliceerde studies zijn niet meegenomen (maar wel studies in druk). Per uitgangsvraag is bepaald welke data­banken doorzocht moesten worden.

 

Uitgangsvragen

Deze richtlijn is ontwikkeld op geleide van uitgangsvragen. Die uitgangsvragen zijn voortgekomen uit de ervaren knelpunten in de zorg voor mensen met schizofrenie. De richtlijn is geen leerboek waarin zo veel mogelijk beschikbare kennis over een onderwerp wordt opgenomen, maar een document met praktische aanbevelingen voor knelpunten uit de prak­tijk. Dat betekent dat praktijkproblemen zo veel mogelijk het uitgangspunt zijn van de teksten in de richtlijn. Het betekent ook dat de wijze waarop die praktijkproblemen worden opgelost, meer aandacht krijgt dan de vraag welke persoon die problemen aanpakt of oplost. De richtlijn is een docu­ment waarin staat hoe optimale zorg er - inhoudelijk - uitziet.

 

Werkgroep en werkwijze

Voor het ontwikkelen van deze richtlijn was een multidisciplinaire werk­groep samengesteld, onder voorzitterschap van drs. W. van Ewijk. Binnen de werkgroep was een kerngroep samengesteld. In totaal vertegenwoor­digden 8 kerngroepleden plus 23 werkgroepleden de beroepsverenigingen die zich bezighouden met herkenning, diagnostiek en behandeling van schizofrenie. Een volledig overzicht van de werkgroepleden en de vereni­gingen en organisaties die zij vertegenwoordigen, treft u aan onder kopje ’samenstelling werkgroep’.

 

De kerngroep kwam twaalf keer bijeen in een periode van achttien maanden, de werkgroep zesmaal in een periode van twaalf maanden. De leden van de kern- en werkgroep hadden daarnaast contact met elkaar via e-mail, telefonische vergaderingen en de digitale projectomgeving. De werkgroep werd methodologisch en organisatorisch ondersteund door medewerkers van het Trimbos-instituut en kenniscentrum Phrenos: een projectleider, een richtlijnadviseur, informatiespecialisten, epidemiologisch onderzoekers, een onderzoeker praktijkdeel en een projectassistent. Aan de werkgroep was een secretaris verbonden met de taak om voorstellen te doen voor de tekst en de structuur van de richtlijn. De informatiespecia­listen verrichtten in overleg en samenwerking met de werkgroepleden op systematische wijze literatuuronderzoek. De epidemiologen beoordeelden de kwaliteit en inhoud van de aldus verkregen literatuur en verwerkten deze in evidencetabellen, beschrijvingen van de wetenschappelijke onder­bouwing en wetenschappelijke (gewogen) conclusies. Vervolgens schreven de kerngroepleden, in overleg met de werkgroepleden, een paragraaf of hoofdstuk voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten aan elkaar en aan de werkgroep toe, dachten mee, en discussieerden over andere hoofd­stukken.

 

De uiteindelijke teksten vormden de conceptrichtlijn die ter discussie openbaar is gemaakt. Op basis van de binnengekomen commentaren is door een redactiecommissie een aangepaste versie gemaakt van de richt­lijn, die op een werkgroepbijeenkomst is besproken. Na het doorvoeren van op deze bijeenkomst voorgestelde wijzigingen is de definitieve richtlijn aan de opdrachtgever aangeboden. Hierop volgde in 2011 autorisatie door de beroepsverenigingen en in 2012 druk en verspreiding.

 

Wetenschappelijke onderbouwing van de aanbevelingen

Deze richtlijn is ontwikkeld volgens de methodiek van de evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO). Om de uitgangsvragen te beantwoorden, hebben informatiespecialisten van het Trimbos-instituut gezocht naar relevante onderzoeksbevindingen, door het verrichten van systematische zoekacties. Er is hierbij gezocht naar publicaties van januari 2003 tot juli 2009. Onder de publicatiedatum ‘heden' vallen artikelen die ten tijde van de ontwikkelfase (uiterlijk februari 2010) zijn geaccepteerd door een tijdschrift. Als uitgangspunt is gezocht naar bestaande (buitenlandse) evidence-based richtlijnen voor de zorg voor mensen met schizofrenie, en systematische reviews of meta-analyses.

 

NICE is een onafhankelijke Engelse organisatie die richtlijnen ontwikkelt voor de gezondheidszorg. Deze instantie heeft in 2010 een herziene richt­lijn voor schizofrenie gepubliceerd. De huidige richtlijn is zo veel mogelijk afgestemd op deze NICE-richtlijn. De informatie uit de bestaande richt­lijnen, systematische reviews en meta-analyses is aangevuld met informatie uit oorspronkelijk recent onderzoek (vanaf de datum van de laatste syste­matische review over een onderwerp) van hoog bewijsniveau (gecontro­leerde trials en prospectief cohortonderzoek).

 

In de literatuursearches is gezocht naar literatuur in de Engelse, Neder­landse, Franse en Duitse taalgebieden. In de bijlage op de website www.ggzrichtlijnen.nl is een overzicht van alle zoektermen opgenomen. Daar­naast zijn artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van geselecteerde artikelen. Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in combinatie met overige overwegingen van de werkgroepleden en erva­ringskennis van patiënten en familie zijn conclusies getrokken en aanbeve­lingen geformuleerd. Voor het zoeken naar publicaties is gebruikgemaakt van de volgende informatiebronnen.

  • Richtlijnen: National Guidelines Clearinghouse en Guidelines International Network.
  • Systematic reviews: de Cochrane database of systematic reviews van de Cochrane Library.
  • Systematic reviews en oorspronkelijk onderzoek van hoog bewijsniveau: Medline (Pubmed), PsychInfo en Embase.

 

De kwaliteit van de gebruikte artikelen is beoordeeld met voor het betref­fende onderzoekstype relevante checklists die zijn gebaseerd op checklists van het EBRO-platform (Handleiding voor werkgroepleden: CBO, 2005). Daarna zijn ze geordend naar mate van methodologische kwaliteit. Hierbij is de indeling gebruikt die is weergegeven in tabel 1.1. 

 

Tabel 1.1 Indeling van methodologische kwaliteit van indivi­duele studies

Classifi­

catie

 Interventie

Diagnostisch

accuratesseonderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1

Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd

dubbelblind vergelijkend klinisch onder-

zoek van goede kwaliteit van voldoende

omvang.

Onderzoek ten opzichte

van een referentietest

(een ‘gouden standaard')

met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en

onafhankelijke beoorde­ling van de resultaten van test en gouden stan­daard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohortonderzoek van voldoende

omvang en follow-

up, waarbij adequaat

gecontroleerd is voor

confounding en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met

alle kenmerken als

genoemd onder A2

(hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek).

Onderzoek ten opzichte

van een referentietest,

maar niet met alle

kenmerken die onder A2

zijn genoemd.

Prospectief cohortonderzoek, maar niet met alle

kenmerken als genoemd

onder A2, of retrospectief cohortonderzoek, of

patiënt-controleonderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek.

D

Mening van deskundigen.

 

De werkgroep sluit zich aan bij de voor ggz-richtlijnen veel toegepaste interpretatie van tabel 1.1, waarbij ook single blind rct's in de richtlijn een A-niveau toegekend krijgen. Omdat onderzoek naar psychologische inter­venties niet dubbelblind uitgevoerd kan worden, is de indeling van methodologische kwaliteit anders niet volledig van toepassing op onderzoek naar psychologische interventies.

 

Tabel 1.2 Niveau van bewijs van conclusies

Niveau

Gebaseerd op

1

Minimaal één onderzoek van A1-niveau of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

2

Minimaal één onderzoek van A2-niveau, of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van B-niveau.

3

Minimaal één onderzoek van B- of C-niveau.

4

Mening van deskundigen.

 

De beoordeling van de verschillende artikelen staat in de modules over 'diagnostiek van schizofrenie' tot en met 'zorgorganisatie' onder het kopje ‘Wetenschappelijke onderbouwing’. Na de technische samenvatting van de wetenschappelijke onderbouwing volgt de klinisch inhoudelijke conclusie. De belangrijkste literatuur waarop de conclusie is gebaseerd, staat bij de conclusie vermeld, inclusief het niveau van bewijs. De aanbevelingen zijn gebaseerd op wetenschappelijk bewijs en op overige overwegingen, zoals voorkeuren van patiënten en familie, kosten, beschikbaarheid (in verschillende echelons) en organisatorische aspecten. Zie hiervoor het kopje ‘Overige overwegingen' in de modules over 'diagnostiek van schizofrenie' tot en met 'zorgorganisatie'. Deze structuur verhoogt de transparantie van de richtlijn en vergroot de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.