Uitgangsvraag

Hoe hoog is het risico op schildklierschade bij 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom, en wat zijn de risicofactoren hiervoor?

Aanbeveling

Bij wie?

Patiënten behandeld voor hodgkinlymfoom met radiotherapie op de schildklierregio (hals, bovenste mediastinum, total body irradiation)

 

Mogelijke aandoeningen

Hypothyreoïdie (5-60%)

    • Hoogste risico binnen 10 jaar na radiotherapie, echter nog verhoogd tot tenminste 25 jaar daarna
    • Hoger risico bij hogere stralingsdosis, vrouwen en leeftijd 15-30 jaar tijdens behandeling

 

Hyperthyreoïdie (1-4%)

 

Schildkliernoduli (3%)

    • 2-23% van nieuw ontstane noduli is maligne

 

Schildkliercarcinoom

    • Vanaf ~5 jaar na radiotherapie, risico neemt toe in de tijd
    • Zeldzaam, absoluut exces risico (AER) 0,2-3,0 per 10.000 overlevenden per jaar

Inleiding

De behandeling van het hodgkinlymfoom met radiotherapie op de hals kan gepaard gaan met een verhoogd risico op allerlei schildklierafwijkingen, zoals (subklinische) hypothyreoïdie, hyperthyreoïdie, schildkliernoduli en schildkliercarcinoom. Deze afwijkingen worden in deze richtlijn beschreven. Voor het schildkliercarcinoom wordt daarnaast verwezen naar de BETER-richtlijn Tweede tumoren na hodgkinlymfoom.

 

Schildklieraandoeningen die worden meegenomen:

  • Hypothyreoïdie
  • Hyperthyreoïdie
  • Schildkliernoduli
  • Schildkliercarcinoom (zie BETER-richtlijn Tweede tumoren)

 

Gebruikte definities:

  • Hypothyreoïdie: verhoogd serum-TSH en verlaagd serum-FT4
  • Subklinische hypothyreoïdie: verhoogd serum-TSH en normaal serum-FT4
  • Hyperthyreoïdie: verlaagd serum-TSH en verhoogd serum-FT4
  • Subklinische hyperthyreoïdie: verlaagd serum-TSH en normaal serum-FT4
  • Normaalwaarden: volgens referentiewaarden laboratorium

Conclusies

Niveau 1

Het is aangetoond dat het risico op hypothyreoïdie verhoogd is bij overlevers van hodgkinlymfoom na radiotherapie op de schildklierregio.
[A2 Hancock 199111, A2 Illés 20039]

 

Niveau 1

Het is aangetoond dat het risico op hypothyreoïdie niet verhoogd is bij overlevers van hodgkinlymfoom in de periode tot 13 jaar na behandeling met chemotherapie alleen.

[A2 Hancock 199111, A2 Illés 20039]

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat het risico op hypothyreoïdie toeneemt met een toenemende stralingsdosis op de schildklierregio.

[A2 Hancock 199111]

Samenvatting literatuur

Hypothyreoïdie

De prevalentie van een manifeste hypothyreoïdie in de algemene bevolking bedraagt 0.3%-0.4%; voor een subklinische hypothyreoïdie varieert dit prevalentiecijfer in de literatuur tussen de 4%-8.5%.2-5 In de Nederlandse huisartsenpraktijk hebben 14/1.000 patiënten een hypothyreoïdie.6 Bij overlevers van hodgkinlymfoom die zijn behandeld met radiotherapie op de schildklierregio is  na een gemiddelde follow-up van 6-14 jaar het risico op hypothyreoïdie  5-8%,terwijl een subklinische hypothyreoïdie bij 17-59% voorkomt.7-10 In een Amerikaanse studie onder 1787 hodgkinlymfoom-overlevers was het actuariële risico op hypothyreoïdie 44% na 25 jaar.11 Een (subklinische) hypothyreoïdie ontwikkelt zich gemiddeld binnen 10 jaar na radiotherapie, maar kan ook tot meer dan 20 jaar daarna ontstaan.7,10,11

 

Factoren die het risico op hypothyreoïdie beïnvloeden, zijn:

  • Radiotherapie: Het risico op hypothyreoïdie is verhoogd bij overlevers van hodgkinlymfoom na radiotherapie op de schildklierregio, met een duidelijke dosisafhankelijkheid.9-11
  • Chemotherapie:In studies met een follow-upduur van 6-13 jaar was het risico op hypothyreoïdie na chemotherapie alleen niet verhoogd.7,9,11
  • Gecombineerdebehandeling:Over het effect van chemotherapie in combinatie met radiotherapie op de schildklierfunctie worden wisselende resultaten beschreven. In een grote Amerikaanse studie was het risico op hypothyreoïdie significant hoger bij een combinatietherapie met radiotherapie en chemotherapie in vergelijking met radiotherapie alleen (actuarieel risico na 20 jaar 49% versus 40%).11 Uit kleinere studies blijkt echter dat chemotherapie bij de combinatiebehandeling met radiotherapie geen toegevoegd effect heeft op de schildklierfunctie.7,9,10
  • Lymfangiografie: Het risico op een hypothyreoïdie is extra verhoogd wanneer radiotherapie voorafgegaan wordt door een lymfangiografie.8
  • Leeftijd bij behandeling: Het risico op een hypothyreoïdie is het hoogst bij bestraling op de schildklier tussen de leeftijd van 15-30 jaar.11
  • Geslacht: Vrouwelijke overlevers van hodgkinlymfoom hebben een anderhalf maal zo hoog risico op hypothyreoïdie als mannen.9,11

 

Hyperthyreoïdie

Ook het risico op hyperthyreoïdie is verhoogd na radiotherapie op de schildklierregio. De prevalentie van hyperthyreoïdie in de Nederlandse huisartsenpraktijk is 2/1.000 patiënten.6 Het risico op een hyperthyreoïdie na hodgkinlymfoom is 1-4%.7,9,11,12 De hyperthyreoïdie kan weken tot vele jaren na de behandeling van het hodgkinlymfoom ontstaan.11 In verschillende studies bleken leeftijd bij diagnose, geslacht, stralingsdosis en blootstelling aan chemotherapie geen significante risicofactoren voor hyperthyreoïdie.11,12

 

Schildkliernoduli en –carcinoom (zie ook BETER-richtlijn Tweede tumoren na hodgkinlymfoom)

Het risico op een schildkliernodus na hodgkinlymfoom is ongeveer 3%.11,13 Bij het ontstaan van een nieuwe schildkliernodus na behandeling voor een hodgkinlymfoom is er afhankelijk van de detectiemethode (palpatie danwel echografie) in 2-23% van de gevallen sprake van een carcinoom, versus 5% in de algemene bevolking.14,15 Het absolute excess risico (AER) op schildkliercarcinoom is 0,2-3,0 per 10.000 overlevenden per jaar. Vrijwel alle schildkliercarcinomen na hodgkinlymfoom waarvan de histologie is beschreven hebben een papillaire (63-75%) of folliculaire (25-37%) histologie, met een goede prognose.12,16-19 De belangrijkste risicofactoren voor schildkliercarcinoom zijn radiotherapie, een lagere leeftijd bij behandeling en geslacht.20

Zoeken en selecteren

Na analyse van de knelpunten door de werkgroepen zijn de uitgangsvragen voor de wetenschappelijke onderbouwing opgesteld. Hierbij werd gebruik gemaakt van de PICO-systematiek (PICO = patient problem or population, intervention, comparison (C), outcome(s)).1 Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden is er een systematische literatuuranalyse verricht naar de wetenschappelijke vraagstelling met PICO:

P: 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom met leeftijd van diagnose ≥15 jaar en huidige leeftijd ≤75 jaar indien nog in leven en bestraald op hals en/of bovenste mediastinum of TBI.
O1: Risico op schildklierschade ≥5 jaar na diagnose van hodgkinlymfoom: relatief risico (RR), standardized incidence ratio (SIR), cumulative (actuarial estimated) risk, absolute excess risk (AER)
O2: Risicofactoren op schildklierschade ≥5 jaar na diagnose van hodgkinlymfoom
Studiedesign: cohort studies, case-control studies

 

 

Referenties

  1. 1 - Razvi S, Shakoor A, Vanderpump M, Weaver JU, Pearce SH. The influence of age on the relationship between subclinical hypothyroidism and ischemic heart disease: a metaanalysis. The Journal of clinical endocrinology and metabolism. 2008;93(8):2998-3007.
  2. 2 - Canaris GJ, Manowitz NR, Mayor G, Ridgway EC. The Colorado thyroid disease prevalence study. Archives of internal medicine. 2000;160(4):526-34.
  3. 3 - Hollowell JG, Staehling NW, Flanders WD, Hannon WH, Gunter EW, Spencer CA, et al. Serum TSH, T(4), and thyroid antibodies in the United States population (1988 to 1994): National Health and Nutrition Examination Survey (NHANES III). The Journal of clinical endocrinology and metabolism. 2002;87(2):489-99.
  4. 4 - Hoogendoorn EH, Hermus AR, de Vegt F, Ross HA, Verbeek AL, Kiemeney LA, et al. Thyroid function and prevalence of anti-thyroperoxidase antibodies in a population with borderline sufficient iodine intake: influences of age and sex. Clinical chemistry. 2006;52(1):104-11.
  5. 5 - Surks MI, Ortiz E, Daniels GH, Sawin CT, Col NF, Cobin RH, et al. Subclinical thyroid disease: scientific review and guidelines for diagnosis and management. JAMA : the journal of the American Medical Association. 2004;291(2):228-38.
  6. 6 - Wessels P. Schildklieraandoeningen in zes huisartspraktijken. Huisarts Wet. 2000;43:203-6.
  7. 7 - Bethge W, Guggenberger D, Bamberg M, Kanz L, Bokemeyer C. Thyroid toxicity of treatment for Hodgkin's disease. Annals of hematology. 2000;79(3):114-8.
  8. 8 - Fein DA, Hanlon AL, Corn BW, Curran WJ, Jr., Coia LR. The influence of lymphangiography on the development of hypothyroidism in patients irradiated for Hodgkin's disease. International journal of radiation oncology, biology, physics. 1996;36(1):13-8.
  9. 9 - Illes A, Biro E, Miltenyi Z, Keresztes K, Varoczy L, Andras C, et al. Hypothyroidism and thyroiditis after therapy for Hodgkin's disease. Acta haematologica. 2003;109(1):11-7.
  10. 10 - Peerboom PF, Hassink EA, Melkert R, DeWit L, Nooijen WJ, Bruning PF. Thyroid function 10-18 years after mantle field irradiation for Hodgkin's disease. European journal of cancer. 1992;28A(10):1716-8.
  11. 11 - Hancock SL, Cox RS, McDougall IR. Thyroid diseases after treatment of Hodgkin's disease. The New England journal of medicine. 1991;325(9):599-605.
  12. 12 - Khoo VS, Liew KH, Crennan EC, D'Costa IM, Quong G. Thyroid dysfunction after mantle irradiation of Hodgkin's disease patients. Australasian radiology. 1998;42(1):52-7.
  13. 13 - Valagussa P, Santoro A, Bonadonna G. Thyroid, pulmonary, and cardiac sequelae after treatment for Hodgkin's disease. Annals of oncology : official journal of the European Society for Medical Oncology / ESMO. 1992;3 Suppl 4:111-5.
  14. 14 - Eden K, Mahon S, Helfand M. Screening high-risk populations for thyroid cancer. Medical and pediatric oncology. 2001;36(5):583-91.
  15. 15 - Metzger ML, Howard SC, Hudson MM, Gow KW, Li CS, Krasin MJ, et al. Natural history of thyroid nodules in survivors of pediatric Hodgkin lymphoma. Pediatric blood & cancer. 2006;46(3):314-9.
  16. 16 - Bhatia S, Yasui Y, Robison LL, Birch JM, Bogue MK, Diller L, et al. High risk of subsequent neoplasms continues with extended follow-up of childhood Hodgkin's disease: report from the Late Effects Study Group. Journal of clinical oncology : official journal of the American Society of Clinical Oncology. 2003;21(23):4386-94.
  17. 17 - Mackenzie EJ, Mortimer RH. 6: Thyroid nodules and thyroid cancer. The Medical journal of Australia. 2004;180(5):242-7.
  18. 18 - Munker R, Grutzner S, Hiller E, Aydemir U, Enne W, Dietzfelbinger H, et al. Second malignancies after Hodgkin's disease: the Munich experience. Annals of hematology. 1999;78(12):544-54.
  19. 19 - Sklar C, Whitton J, Mertens A, Stovall M, Green D, Marina N, et al. Abnormalities of the thyroid in survivors of Hodgkin's disease: data from the Childhood Cancer Survivor Study. The Journal of clinical endocrinology and metabolism. 2000;85(9):3227-32.
  20. 20 - Swerdlow AJ, Barber JA, Hudson GV, Cunningham D, Gupta RK, Hancock BW, et al. Risk of second malignancy after Hodgkin's disease in a collaborative British cohort: the relation to age at treatment. Journal of clinical oncology : official journal of the American Society of Clinical Oncology. 2000;18(3):498-509.
  21. 21 - Friedman M, Skolnik EM, Baim HM, Becker SP, Katz AH, Mantravadi RV. Thyroid carcinoma. The Laryngoscope. 1980;90(12):1991-2003.
  22. 22 - Hamming JF, Goslings BM, van Steenis GJ, van Ravenswaay Claasen H, Hermans J, van de Velde CJ. The value of fine-needle aspiration biopsy in patients with nodular thyroid disease divided into groups of suspicion of malignant neoplasms on clinical grounds. Archives of internal medicine. 1990;150(1):113-6.
  23. 23 - Staunton MD, Greening WP. Clinical diagnosis of thyroid cancer. British medical journal. 1973;4(5891):532-5.
  24. 24 - NHG. NHG-Standaard Schildklieraandoeningen 2006. Available from: http://www.nhg.org.
  25. 25 - Huber G, Staub JJ, Meier C, Mitrache C, Guglielmetti M, Huber P, et al. Prospective study of the spontaneous course of subclinical hypothyroidism: prognostic value of thyrotropin, thyroid reserve, and thyroid antibodies. The Journal of clinical endocrinology and metabolism. 2002;87(7):3221-6.
  26. 26 - CBO. Richtlijn Schildklierfunctiestoornissen 2012. Available from: http://www.med-info.nl.
  27. 27 - Kouvaraki MA, Shapiro SE, Fornage BD, Edeiken-Monro BS, Sherman SI, Vassilopoulou-Sellin R, et al. Role of preoperative ultrasonography in the surgical management of patients with thyroid cancer. Surgery. 2003;134(6):946-54; discussion 54-5.
  28. 28 - Sandhu A, Constine LS, O'Mara RE, Hinkle A, Muhs AG, Woolf PD. Subclinical thyroid disease after radiation therapy detected by radionuclide scanning. International journal of radiation oncology, biology, physics. 2000;48(1):181-8.
  29. 29 - Haff RC, Schecter BC, Armstrong RG, Evans WE. Factors increasing the probability of malignancy in thyroid nodules. American journal of surgery. 1976;131(6):707-9.
  30. 30 - Koizumi M, Taguchi H, Goto M, Nomura T, Watari T. Thallium-201 scintigraphy in the evaluation of thyroid nodules. A retrospective study of 246 cases. Annals of nuclear medicine. 1993;7(3):147-52.
  31. 31 - Kountakis SE, Skoulas IG, Maillard AA. The radiologic work-up in thyroid surgery: fine-needle biopsy versus scintigraphy and ultrasound. Ear, nose, & throat journal. 2002;81(3):151-4.
  32. 32 - Wong CK, Wheeler MH. Thyroid nodules: rational management. World journal of surgery. 2000;24(8):934-41.
  33. 33 - CBO. Richtlijn Schildkliercarcinoom 2007. Available from: http://www.oncoline.nl.
  34. 34 - Gemsenjager E, Perren A, Seifert B, Schuler G, Schweizer I, Heitz PU. Lymph node surgery in papillary thyroid carcinoma. Journal of the American College of Surgeons. 2003;197(2):182-90.
  35. 35 - Lerch H, Schober O, Kuwert T, Saur HB. Survival of differentiated thyroid carcinoma studied in 500 patients. Journal of clinical oncology : official journal of the American Society of Clinical Oncology. 1997;15(5):2067-75.
  36. 36 - Vanderpump MP, Tunbridge WM, French JM, Appleton D, Bates D, Clark F, et al. The incidence of thyroid disorders in the community: a twenty-year follow-up of the Whickham Survey. Clinical endocrinology. 1995;43(1):55-68.
  37. 37 - Villar HC, Saconato H, Valente O, Atallah AN. Thyroid hormone replacement for subclinical hypothyroidism. The Cochrane database of systematic reviews. 2007(3):CD003419.
  38. 38 - Vissenberg R, Goddijn M, Mol BW, Van der Post JA, Fliers E, Bisschop PH. Schildklierdisfunctie bij zwangeren: Klinische dilemma’s. Nederlands tijdschrift voor geneeskunde. 2012;156:A5163.
  39. 39 - NVOG. Richtlijn Schildklier en zwangerschap 2010. Available from: http//www.nvog.nl.

Evidence tabellen

Voor schildkliercarcinoom, zie BETER-richtlijn Tweede tumoren

Auteur, jaartal publicatie

Type onderzoek

Mate van bewijs

Patienten-populatie

Aantal patienten

Follow-up

Risicofactoren

Uitkomstmaat

Inhoudelijk resultaat risico

Inhoudelijk resultaat risicofactoren

Referentie

Hancock,

1991

Prospectief cohort-onderzoek

A2

-         Diagnose: hodgkinlymfoom

-         Stanford University (VS)

-         Diagnosejaren: 1961-1989

-         Leeftijd bij diagnose: 2-82 jaar

-         Niet overleden aan progressie HL

1787

Gemiddeld 9,8 jaar

Geslacht, leeftijd bij diagnose HL, radiotherapie, chemotherapie

Actuarieel risico hypothyreoïdie, hyperthyreoïdie, schildkliernoduli

Actuarieel risico 26 jaar na RT op hals:

-         Hypothyreoïdie: 47,0%

(mediaan 4 jaar na diagnose)

-         Hyperthyreoïdie: 4,4%

(mediaan 4-8 jaar na diagnose)

-         Schildkliernoduli: 6,2%

(mediaan 8-14 jaar na diagnose)

 

Hypothyreoïdie:

- Vrouw: RR 1,60 t.o.v. man

- RT+chemo: RR 1,42 t.o.v. RT

- RT-dosis: RR 1,02/Gy

 

Hyperthyreoidie:

Risicofactoren niet significant

 

Schildkliernoduli:

Risicofactoren niet beschreven

11

Illés,

2003

Prospectief cohort-onderzoek

A2

-         Diagnose: hodgkinlymfoom

-         University of Debrecen (Hongarije)

-         Diagnosejaren: 1970-2000

-         Leeftijd bij diagnose: 11-75 jaar

-         Minimaal 1 jaar in remissie

 

151

Niet beschreven

Geslacht, leeftijd bij diagnose HL, radiotherapie, chemotherapie, histologie, ziektestadium, lymfangiografie

Absoluut risico hypothyreoïdie, hyperthyreoïdie

Absoluut risico hypothyreoïdie (meeste > 5 jaar na diagnose):

-         Klinisch: 8,0%

-         Subklinisch: 17,2%

 

Absoluut risico hyperthyreoïdie: 1,3%

Schildklierdysfunctie (alle):

- RT op hals met of zonder chemotherapie

 

9

Fein,

1996

Prospectief cohort-onderzoek

A2

-         Diagnose: hodgkinlymfoom

-         Fox Chase Cancer Center (VS)

-         Diagnosejaren: 1980-1993

-         Leeftijd bij diagnose: mediaan 23 jaar (11-63 jaar)

-         Behandeld met RT op de hals

104

Mediaan 43 maanden (7-170 maanden)

Lymfangiografie, RT-dosis, RT-dosis per fractie, RT-energie, stadium HL, chemotherapie, leeftijd niet significant

Actuarieel risico op hypothyreoïdie, 2 en 5 jaar na diagnose

Actuarieel risico hypothyreoïdie:

-         Na 2 jaar: 18%

-         Na 5 jaar: 37%

Actuarieel risico hypothyreoïdie:

-         Na 2 jaar: 23% met lymfangiografie, 9% zonder

-         Na 5 jaar: 42% met lymfangiografie, 28% zonder

RT-dosis, RT-dosis per fractie, RT-energie, stadium HL, chemotherapie, leeftijd niet significant

8

Khoo,

1998

Combinatie pro- en retrospectief cohort-onderzoek

B

-         Diagnose: hodgkinlymfoom

-         Peter MacCallum Cancer Institute (VK)

-         Diagnosejaren: 1970-1989

-         Behandeld met RT mantelveld

 

170/698 retro-spectief, 150 pro-spectief

Mediaan 9 jaar (1-23 jaar)

Geslacht, leeftijd, stadium HL, histologie, RT-dosis, lymfangiografie, chemotherapie

Absoluut risico hypothyreoïdie, hyperthyreoïdie, schildkliernoduli

Absoluut risico hypothyreoïdie:

-         Klinisch: 8% (pro) – 12% (retro)

-         Subklinisch: 12% (retro) – 40% (pro)

Absoluut risico hyperthyreoïdie: 3% (retro) – 5% (pro)

 

Absoluut risico schildkliernoduli: 2% totaal, 0,6% benigne

Risico op hypothyreoïdie: Geslacht, leeftijd, stadium HL, histologie, lymfangiografie, chemotherapie niet significant

Onvoldoende informatie over RT-dosis voor analyses

12

Sandhu,

2000

Prospectief cohort-onderzoek

B

-         Diagnose: kanker waarvoor RT op hals

-         University of Rochester Medical Center (VS)

-         Leeftijd bij behandeling: gemiddeld 20,0 jaar (2,1-50,7 jaar)

-         Geen schildklierafwijkingen (palpatie niet afwijkend, euthyreoot)

34 (25 met hodgkin-lymfoom)

Gemiddeld 13,0 jaar (5,3-26,6 jaar)

 

Geslacht, leeftijd bij diagnose primaire tumor

Absoluut risico op schildkliernoduli en schildkliercarcinoom met 99mTc TcO4-scan

 

Schildkliernoduli:

-         Absoluut risico: 20,6%

-         Tijd sinds HL: gemiddeld 15,6 jaar (6,5-23,5 jaar)

 

Schildkliercarcinoom:

-         Absoluut risico: 5,9%

-         Tijd sinds HL: gemiddeld 9,8 jaar (6,5-13,1 jaar)

 

Geslacht, leeftijd bij diagnose primaire tumor: geen significantie beschreven

28

Bethge,

2000

Retrospectief cohort-onderzoek

B

-         Diagnose: hodgkinlymfoom

-         German Hodgkin’s Disease Study Group (Duitsland)

-         Diagnosejaren: 1970-1994

-         Leeftijd bij diagnose: niet beschreven

-         Leeftijd bij follow-up: mediaan 38 jaar (18-74 jaar)

-         Minimaal 1 jaar in remissie

-         Normale schildklierfunctie bij inclusie

 

177

Mediaan 70 maanden (12-243 maanden)

Geslacht, leeftijd bij behandeling HL, radiotherapie, chemotherapie

Absoluut risico hypothyreoïdie, hyperthyreoïdie

Absoluut risico hypothyreoïdie:

-         Klinisch: 6,8%

-         Subklinisch: 20,3%

Absoluut risico hyperthyreoïdie: 1,7%

Radiotherapie met of zonder chemotherapie

 

Geslacht en leeftijd bij behandeling niet significant

7

Peerboom, 1992

Case-controle-onderzoek

B

-         Diagnose: hodgkinlymfoom

-         Controlegroep: gezonde bezoekers ziekenhuis

-         Nederlands Kanker Instituut (Nederland)

-         Diagnosejaren: 1972-1980

-         Leeftijd bij diagnose: niet beschreven

-         Leeftijd bij follow-up: HL 25-72 jaar, bezoekers 21-81 jaar

81 HL en 109 bezoe-kers

Gemiddeld 14 jaar

(10-18 jaar)

Geslacht, leeftijd bij behandeling, radiotherapie, chemotherapie, tijd sinds behandeling

Absoluut risico verhoogd TSH

Absoluut risico verhoogd TSH:

- HL: 58,0%

- Bezoekers: 4,6%

Chemotherapie, geslacht, leeftijd bij diagnose en tijd sinds behandeling niet significant

10

 

Afkortingen:

RR = relatief risico; RT = radiotherapie

Overwegingen

Voor deze module zijn geen overwegingen geformuleerd.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-12-2016

Laatst geautoriseerd : 01-12-2016

Uiterlijk in 2017 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO) of deze richtlijn of module nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De NVRO is als houder van deze richtlijn(module) de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Algemene gegevens

Deze richtlijn werd ontwikkeld in het kader van het BETER-project (Beter na Hodgkin: Evaluatie van de langeTermijnEffecten van chemo- en Radiotherapie). De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd met een subsidie van KWF-Alpe d’HuZes (projectnummer NKI 2011-5270).

Doel en doelgroep

Het doel van de BETER-richtlijnen is het ondersteunen van hoogkwalitatieve en uniforme langetermijn-nazorg voor overlevers van hodgkinlymfoom die behandeld zijn op de leeftijd van 15-70 jaar en ten minste 5 jaar ziektevrij zijn. De richtlijnen gaan over relevante late effecten waarvan bekend is dat zij relatief vaak optreden na behandeling voor hodgkinlymfoom.

Samenstelling werkgroep

Voor elk van de BETER-richtlijnen is in 2011 een multidisciplinaire werkgroep opgericht, bestaande uit leden van het BETER-consortium en waar nodig aangevuld met externe experts. Elke werkgroep had twee voorzitters en werd ondersteund door één van de BETER-projectcoördinatoren voor het uitwerken van de richtlijnen en de wetenschappelijke onderbouwing. Voor de BETER-richtlijn Schildklierschade bestond de werkgroep uit:

  • Dr. C.P.M. Janus, radiotherapeut-oncoloog, Erasmus MC, Rotterdam
  • Dr. M. Beijert, radiotherapeut-oncoloog, UMCG, Groningen
  • Prof. dr. J. Smit, internist-endocrinoloog, Erasmus MC, Rotterdam
  • Dr. J. M. Roesink, radiotherapeut-oncoloog, UMC Utrecht, Utrecht
  • Dr. N. Dekker, arts en coördinator BETER-project, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. Tevens is navraag gedaan naar persoonlijke financiële belangen, belangen door persoonlijke relaties, belangen d.m.v. reputatiemanagement, belangen vanwege extern gefinancierd onderzoek, en belangen door kennisvalorisatie. De belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten (KiMS), een overzicht vindt u hieronder:

 

Naam werkgroeplid

Belangen

Toelichting

Dr. C.P.M. Janus

Lid EORTC lymphoma group

Onbetaald

Dr. M. Beijert

Geen

 

Prof. dr. J. Smit

Geen

 

Dr. J.M. Roesink

Geen

 

Dr. N. Dekker

Geen

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de inbreng van afgevaardigden van patiëntenorganisatie Stichting Hematon tijdens de commentaar- en autorisatiefase van de BETER-richtlijnen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

 

De BETER-richtlijnen worden gratis beschikbaar gesteld via de landelijke richtlijnendatabase van KiMS en IKNL. De huidige versie van de richtlijnen is bedoeld voor zorgverleners. Een versie voor de overlevers van hodgkinlymfoom zelf en een Engelstalige versie voor zorgverleners worden in 2015 ontwikkeld. De implementatie van de richtlijnen zal verder bevorderd worden door het gebruik van een persoonlijk nazorgplan op de BETER-poliklinieken en het aanbieden van een applicatie waarmee zorgverleners kunnen bepalen voor welke nazorg de hodgkinlymfoom-overlevers in aanmerking komen. Daarnaast zullen er publicaties aangeboden worden in Nederlandse en internationale medische tijdschriften, om de kennis van zorgverleners over het BETER-project en deze richtlijnen te vergroten. Ook zullen de richtlijnen worden besproken tijdens vergaderingen en congressen. Het vergroten van deze kennis leidt niet alleen tot een betere toepassing van de richtlijnen op de BETER-poliklinieken, maar ook tot een beter bewustzijn bij zorgverleners over het verwijzen van hun patiënten naar deze nazorgpoliklinieken.

 

 

 

Werkwijze

 

Voor het ontwikkelen van alle BETER-richtlijnen is gebruik gemaakt van de Richtlijn voor Richtlijnen van de Regieraad Kwaliteit van Zorg 2012.

 

In 2010-2011 is door de richtlijnwerkgroepen binnen het BETER-consortium een samenvatting gemaakt met de belangrijkste aanbevelingen voor alle BETER-richtlijnen. In 2012-2014 is de wetenschappelijke onderbouwing uitgewerkt door de projectcoördinatoren en voorzitters van de werkgroepen. De verschillende versies van deze richtlijnen zijn per e-mail rondgestuurd en in landelijke vergaderingen van het BETER-consortium besproken. De richtlijnen zijn in 2013-2014 geaccordeerd door het BETER-consortium. De richtlijnen zijn in 2014 overgenomen door de Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie en in 2014-2015 ter accordering naar de betreffende wetenschappelijke en beroepsverenigingen gestuurd.

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.