Diagnostiek schildklierschade Hodgkinlymfoom

Laatst beoordeeld: 01-12-2016

Uitgangsvraag

Wat zijn de symptomen en consequenties van schildklierafwijkingen?


Zijn er adequate methoden om schildklierafwijkingen bij 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom vroeg op te sporen?

 

Wat zijn de effecten van screening naar schildklierschade bij 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom op de prognose van de schildklierafwijkingen?

Aanbeveling

Bij wie?

Patiënten behandeld voor hodgkinlymfoom met radiotherapie op de schildklierregio (hals, bovenste mediastinum, total body irradiation)

 

Diagnostiek

Lichamelijk onderzoek 1x per 3 jaar door BETER-arts of huisarts

    • Palpatie schildklierregio (omvang, noduli)

 

Laboratoriumonderzoek 1x per jaar door BETER-arts of huisarts

    • TSH, indien afwijkend FT4
    • Bij 1e TSH-verhoging (6-12 mU/l): na ½ jaar herhalen

 

Beeldvormend onderzoek door BETER-arts of internist / endocrinoloog

    • Bij aanwezigheid palpabele schildkliernoduli: echo, evt. gecombineerd met cytologische punctie

Overwegingen

Voor deze module zijn geen overwegingen geformuleerd.

Inleiding

De behandeling van het hodgkinlymfoom met radiotherapie op de hals kan gepaard gaan met een verhoogd risico op allerlei schildklierafwijkingen, zoals (subklinische) hypothyreoïdie, hyperthyreoïdie, schildkliernoduli en schildkliercarcinoom. Deze afwijkingen worden in deze richtlijn beschreven. Voor het schildkliercarcinoom wordt daarnaast verwezen naar de BETER-richtlijn Tweede tumoren na hodgkinlymfoom.

 

Schildklieraandoeningen die worden meegenomen:

  • Hypothyreoïdie
  • Hyperthyreoïdie
  • Schildkliernoduli
  • Schildkliercarcinoom (zie BETER-richtlijn Tweede tumoren)

 

Gebruikte definities:

  • Hypothyreoïdie: verhoogd serum-TSH en verlaagd serum-FT4
  • Subklinische hypothyreoïdie: verhoogd serum-TSH en normaal serum-FT4
  • Hyperthyreoïdie: verlaagd serum-TSH en verhoogd serum-FT4
  • Subklinische hyperthyreoïdie: verlaagd serum-TSH en normaal serum-FT4
  • Normaalwaarden: volgens referentiewaarden laboratorium

Conclusies

Niveau 1: Het is aangetoond dat er na radiotherapie op de hals meer schildkliercarcinomen gedetecteerd worden met echografie in combinatie met palpatie van de schildklier door een zorgverlener dan met palpatie alleen.[A1 Eden 2001(14)]

 

 

 

Samenvatting literatuur

Wat zijn de symptomen en consequenties van schildklierafwijkingen?

Algemeen

De schildklier produceert schildklierhormonen, welke het metabolisme beïnvloeden. Deze schildklierhormonen spelen o.a. een rol bij de hartslagregulatie, vetverbranding, bloeddrukregulatie, energieverbruik en het geestelijk welzijn.

 

Hypothyreoïdie

Een onbehandelde (sub)klinische hypothyreoïdie geeft door een vertraagde stofwisseling aspecifieke en daardoor vaak onbegrepen klachten. Voorbeelden hiervan zijn een droge huid, haaruitval, koude-intolerantie, geheugenstoornissen, depressieve gevoelens, obstipatie, gewichtstoename, heesheid, menstruatiestoornissen, paresthesieën, spierpijn en langzamer denken en handelen. Uit een meta-analyse onder 2531 mensen met subklinische hypothyreoïdie in de algemene bevolking blijkt dat de aanwezigheid van een subklinische hypothyreoïdie bij mensen jonger dan 65 jaar mogelijk geassocieerd is met een verhoogde cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit.(1) Vanwege de invloed op de gezondheid en de kwaliteit van leven is het belangrijk om een hypothyreoïdie vroeg te detecteren en te behandelen.

 

Hyperthyreoïdie

Hyperthyreoïdie veroorzaakt door een teveel aan schildklierhormonen een versnelde stofwisseling met klachten zoals bijvoorbeeld gewichtsverlies (ondanks goede eetlust), warmte-intolerantie, diarree, hartkloppingen, vermoeidheid, gejaagdheid en menstruatiestoornissen. Een uitgesproken beeld met klassieke symptomen is in de praktijk echter zeldzaam.

 

Schildkliernoduli en -carcinoom

Zowel benigne als maligne schildkliernoduli uiten zich meestal als een palpabele zwelling in de hals. Vaak wordt de zwelling per toeval gevonden. Bij mechanische druk op de luchtpijp of slokdarm kan de zwelling klachten geven van dyspneu of slikproblemen. Sporadisch kan er sprake zijn van heesheidsklachten.

 

Zijn er adequate methoden om schildklierafwijkingen bij 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom vroeg op te sporen? Wat zijn de effecten van screening naar schildklierschade bij 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom op de prognose van de schildklierafwijkingen?

Er zijn verschillende methoden om schildklierafwijkingen op te sporen: anamnese en lichamelijk onderzoek (palpatie van de hals), laboratoriumonderzoek (TSH, FT4, antistoffen), en beeldvorming zoals echografie en schildklierscintigrafie.

 

Anamnese en lichamelijk onderzoek

Zoals beschreven in de CBO-richtlijn schildkliercarcinoom is fixatie van een solide nodus aan de omgeving het meest suggestief voor een maligniteit, gevolgd door aanwezigheid van een pathologische lymfklier en heesheid. Wel blijkt dat heesheid een minder betrouwbaar criterium voor schildkliercarcinoom is dan veelal wordt gedacht. Het heeft een lage sensitiviteit (17%) en komt daarnaast ook bij benigne aandoeningen voor (specificiteit 93%).(21-23)

 

Bij palpatie van de schildklier wordt naast de grootte vooral gelet op de aanwezigheid van één of meerdere schildkliernoduli. Van de gepalpeerde schildkliernoduli bij overlevers van hodgkinlymfoom is 8-23% maligne.(14, 15) De sensitiviteit van palpatie (met echografie als gouden standaard) is 10-41%; deze is hoger naarmate de grootte van de schildkliernodus toeneemt.(14) De specificiteit van schildklierpalpatie is 95-100%.

 

Laboratoriumonderzoek

Bepaling van het TSH is de belangrijkste screeningstest voor de schildklierfunctie. Een normaal TSH-gehalte sluit een schildklierfunctiestoornis vrijwel uit. Een afwijkende uitslag is reden voor verdere diagnostiek. Voor het stellen van de diagnose subklinische hypothyreoïdie volstaat laboratoriumdiagnostiek (TSH en FT4).(24) Voor het stellen van de diagnose (subklinische) hyperthyreoïdie is naast laboratoriumonderzoek verder onderzoek naar de oorzaak van de hyperthyreoïdie geïndiceerd.(24)Bij iedere hodgkinlymfoom-overlever met een nieuw ontstane schildkliernodus dient een TSH-spiegel te worden bepaald.

 

Bij auto-immuunstoornissen van de schildklier kunnen verschillende autoantistoffen aantoonbaar zijn, zoals TSH-receptorstimulerende antistoffen (TSI) bij M. Graves en thyroïdperoxidaseantistoffen (anti-TPO) bij een thyreoïditis van Hashimoto. In een Hongaarse studie onder 151 hodgkinlymfoom-overlevers hadden 28 overlevers (19%) positieve autoantistoffen.(9) Van de overlevers met positieve autoantistoffen had 54% een schildklierfunctiestoornis, versus 20% van de overlevers zonder deze autoantistoffen. Er was geen relatie met het soort behandeling (radiotherapie en/of chemotherapie). De auteurs geven als mogelijke verklaring dat de veranderingen in het immuunsysteem bij hodgkinlymfoom-overlevers tevens een rol spelen bij het ontstaan van thyreoïditis, met hypothyreoïdie tot gevolg. Bij een subklinische hypothyreoïdie heeft de aanwezigheid van TPO-antistoffen een voorspellende waarde voor het manifest worden van een hypothyreoïdie. De functionele betekenis van deze antistoffen is nog niet volledig opgehelderd; in de normale bevolking zou de bepaling van deze TPO-antistoffen meegewogen kunnen worden in de besluitvorming al dan niet te starten met schildklierhormoonsubstitutie. Screening naar schildklierafwijkingen door middel van deze antistoffen wordt daarentegen niet aanbevolen.(25, 26)

 

Echografie (zie ook BETER-richtlijn Tweede tumoren na hodgkinlymfoom)

Hoewel de aanwezigheid van de hierboven beschreven klinische kenmerken de kans op een schildkliermaligniteit vergroot, is het ontbreken daarvan geen garantie voor een benigne nodus. Echografie kan goed gebruikt worden om te bepalen of een palpabele afwijking in de hals uitgaat van de schildklier; of een schildkliernodus cysteus, solide of gemengd solide-cysteus is; en of er vergrote lymfklieren in de hals zijn. Echografie is belangrijk om bij een schildklierpunctie de locatie van de punctie te bepalen. De betrouwbaarheid van de echografie van de hals is sterk afhankelijk van de ervaring van de echografist.(27) Van de met echografie gedetecteerde schildkliernoduli bij hodgkinlymfoom-overlevers is 2-10% maligne.(14, 15) Daarom is er bij een nieuw ontstane schildkliernodus indicatie voor een echogeleide cytologische punctie (Fine Needle Aspiration Cytology, FNAC).

 

In een systematische review werd gekeken naar de effectiviteit van palpatie en echografie om een schildkliercarcinoom te detecteren bij patiënten die op de schildklierregio waren bestraald.(14) Op basis van deze gegevens werd een keuzemodel ontwikkeld. Uit deze studie bleek dat wanneer echografie aan screening met palpatie wordt toegevoegd, er meer schildkliercarcinomen worden opgespoord (275 versus 125 per 10.000 gescreende patiënten). Wel wordt er dan 3,5 keer zo vaak gebiopteerd in vergelijking met palpatie alleen (1.689 versus 480 per 10.000 gescreende patiënten).

 

Scintigrafie

Bij een hyperthyreoïdie kan eventueel aanvullend een schildklierscintigrafie worden verricht om te differentiëren tussen M. Graves, (multi)nodulair struma, stille of pijnloze lymfocytaire thyreoïditis en toxisch adenoom als oorzaak.

Er is weinig literatuur beschikbaar over de diagnostische accuratesse van het gebruik van scintigrafie met 131I, technetium of andere isotopen voor primaire diagnostiek van schildkliercarcinoom, laat staan voor screening. Er is een Amerikaanse studie verricht onder 34 vijfjaarsoverlevers van kanker (25 met hodgkinlymfoom), die 99mTc TcO4-scans ondergingen zonder dat zij klinische of biochemische aanwijzingen voor schildklierafwijkingen vertoonden.(28) Zeven overlevers (21%) had een afwijkende scan: vijf met een hyperperfusie, waarvan twee met een schildkliercarcinoom (één hodgkinlymfoomoverlever), één overlever met benigne hypofunctionele noduli, en één met een beginnend multinodulair struma. Afwijkende schildklierscans werden vaker gezien bij kinderen en bij vrouwen.

 

Uit de gepubliceerde studies blijkt dat scintigrafie een sensitiviteit van 83% heeft en een specificiteit van 36%.(29-32) In de CBO-richtlijn Schildkliercarcinoom wordt geconcludeerd dat een schildklierscan te weinig discriminerend is in de diagnostiek bij verdenking op schildkliercarcinoom om therapeutische beslissingen mee te onderbouwen.(33)

 

Prognose na screening

Het is niet waarschijnlijk dat vroege detectie van het schildkliercarcinoom leidt tot een verbeterde overleving, omdat de meest voorkomende schildkliercarcinomen (papillair en folliculair) ook in een later stadium goed te behandelen zijn.(34, 35) Wel is bij detectie van een schildkliercarcinoom in een vroeger stadium een minder uitgebreide behandeling nodig, met minder morbiditeit en een betere kwaliteit van leven.

 

Screeningsadvies

Geadviseerd wordt om jaarlijks te screenen op schildklierfunctiestoornissen (TSH) bij overlevers van hodgkinlymfoom die zijn behandeld met radiotherapie op de hals. Palpatie van de schildklier dient één keer per 1-3 jaar te gebeuren. Indien er voor de overlever geen aanleiding is om op de BETER-polikliniek te komen, kunnen deze controles door de huisarts gedaan worden. Uiteraard is dit ook afhankelijk van regionale transmurale afspraken.

 

Vanwege de zeldzaamheid van het schildkliercarcinoom, het hoge risico op overdiagnostiek en het ontbrekende bewijs voor effectiviteit van screening wordt screening op schildkliercarcinoom met echografie niet standaard aanbevolen voor overlevers van hodgkinlymfoom.

Individuele screeningsadviezen zullen worden opgenomen in het persoonlijk nazorgplan zodra dat beschikbaar is.

Zoeken en selecteren

Na analyse van de knelpunten door de werkgroepen zijn de uitgangsvragen voor de wetenschappelijke onderbouwing opgesteld. Hierbij werd gebruik gemaakt van de PICO-systematiek (PICO = patient problem or population, intervention, comparison (C), outcome(s)).1 Om de uitgangsvragen te beantwoorden is er een systematische literatuuranalyse verricht naar de volgende uitgangsvragen:

1)     Zijn er adequate methoden om schildklierafwijkingen bij 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom vroeg op te sporen?

PICO:

P: 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom bestraald op hals en/of bovenste mediastinum of TBI
I Hypothyreoïdie: Anamnese, lichamelijk onderzoek (palpatie hals), laboratoriumonderzoek (TSH, FT4), X-thorax, schildklierscan
I Hyperthyreoïdie: Anamnese, lichamelijk onderzoek (palpatie hals), laboratoriumonderzoek (TSH, FT4), X-thorax, schildklierscan
I Schildkliernoduli: Anamnese, lichamelijk onderzoek (palpatie hals), laboratoriumonderzoek (TSH, FT4), X-thorax, schildklierscan
I Schildkliercarcinoom: Anamnese, lichamelijk onderzoek (palpatie hals), laboratoriumonderzoek (TSH, FT4), X-thorax, schildklierscan
C: geen screening, onderlinge vergelijking van verschillende screeningsmethoden
O: voorspellende waarde screeningsmethoden voor schildklier aandoeningen
Studiedesign: gerandomiseerde studies, cross-sectionele studies, case-control studies

 

“2) Wat zijn de effecten van screening naar schildklierschade bij 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom op de prognose van de schildklierafwijkingen? PICO:

P: 5-jaarsoverlevers van hodgkinlymfoom bestraald op hals en/of bovenste mediastinum of TBI-       I Hypothyreoïdie: Anamnese, lichamelijk onderzoek (palpatie hals), laboratoriumonderzoek (TSH, FT4), X-thorax, schildklierscan-
I Hyperthyreoïdie: Anamnese, lichamelijk onderzoek (palpatie hals), laboratoriumonderzoek (TSH, FT4), X-thorax, schildklierscan-
I Schildkliernoduli: Anamnese, lichamelijk onderzoek (palpatie hals), laboratoriumonderzoek (TSH, FT4), X-thorax, schildklierscan-
I Schildkliercarcinoom: Anamnese, lichamelijk onderzoek (palpatie hals), laboratoriumonderzoek (TSH, FT4), X-thorax, schildklierscan-
O: Prognose van de schildklieraandoeningen-
Studiedesign: survival studies, gerandomiseerde studies, cross-sectionele studies, case-control studies”
 

Voor de beantwoording van de uitgangsvraag hebben wij gezocht naar systematische reviews, boeken over de late effecten van hodgkinlymfoom, en naar Nederlandse en internationale richtlijnen over de desbetreffende aandoeningen. Daarnaast zijn artikelen gebruikt uit over de desbetreffende aandoeningen die getraceerd zijn via Pubmed in september-december 2012 (gebruikte zoekterm: thyroid hodgkin). Hierbij is literatuur met publicatiedatum vanaf 1990 geïncludeerd, tenzij er te weinig artikelen werden gevonden of juist te veel.

 

Op basis van de titel, abstract en volledige tekst is beoordeeld of het artikel voldeed aan de gestelde PICO-criteria (zie uitgangsvragen). Indien dit het geval was, is het artikel door twee beoordelaars (dr. M. van ’t Veer en dr. N. Dekker) onafhankelijk van elkaar gescoord. Bij verschillen in beoordeling is door onderlinge discussie getracht tot een gezamenlijke conclusie te komen. De definitieve conclusies zijn hier op gebaseerd en voorzien van een evidence-niveau (1-3 of gebrek aan bewijs).

 

Voor het indelen van de methodologische kwaliteit van individuele studies en de niveaus van de conclusies is gebruik gemaakt van de door het CBO ontwikkelde Evidence-based richtlijnontwikkeling-methodiek (EBRO).

 

 

Referenties

  1. 1 - Razvi S, Shakoor A, Vanderpump M, Weaver JU, Pearce SH. The influence of age on the relationship between subclinical hypothyroidism and ischemic heart disease: a metaanalysis. The Journal of clinical endocrinology and metabolism. 2008;93(8):2998-3007.
  2. 2 - Canaris GJ, Manowitz NR, Mayor G, Ridgway EC. The Colorado thyroid disease prevalence study. Archives of internal medicine. 2000;160(4):526-34.
  3. 3 - Hollowell JG, Staehling NW, Flanders WD, Hannon WH, Gunter EW, Spencer CA, et al. Serum TSH, T(4), and thyroid antibodies in the United States population (1988 to 1994): National Health and Nutrition Examination Survey (NHANES III). The Journal of clinical endocrinology and metabolism. 2002;87(2):489-99.
  4. 4 - Hoogendoorn EH, Hermus AR, de Vegt F, Ross HA, Verbeek AL, Kiemeney LA, et al. Thyroid function and prevalence of anti-thyroperoxidase antibodies in a population with borderline sufficient iodine intake: influences of age and sex. Clinical chemistry. 2006;52(1):104-11.
  5. 5 - Surks MI, Ortiz E, Daniels GH, Sawin CT, Col NF, Cobin RH, et al. Subclinical thyroid disease: scientific review and guidelines for diagnosis and management. JAMA : the journal of the American Medical Association. 2004;291(2):228-38.
  6. 6 - Wessels P. Schildklieraandoeningen in zes huisartspraktijken. Huisarts Wet. 2000;43:203-6.
  7. 7 - Bethge W, Guggenberger D, Bamberg M, Kanz L, Bokemeyer C. Thyroid toxicity of treatment for Hodgkin's disease. Annals of hematology. 2000;79(3):114-8.
  8. 8 - Fein DA, Hanlon AL, Corn BW, Curran WJ, Jr., Coia LR. The influence of lymphangiography on the development of hypothyroidism in patients irradiated for Hodgkin's disease. International journal of radiation oncology, biology, physics. 1996;36(1):13-8.
  9. 9 - Illes A, Biro E, Miltenyi Z, Keresztes K, Varoczy L, Andras C, et al. Hypothyroidism and thyroiditis after therapy for Hodgkin's disease. Acta haematologica. 2003;109(1):11-7.
  10. 10 - Peerboom PF, Hassink EA, Melkert R, DeWit L, Nooijen WJ, Bruning PF. Thyroid function 10-18 years after mantle field irradiation for Hodgkin's disease. European journal of cancer. 1992;28A(10):1716-8.
  11. 11 - Hancock SL, Cox RS, McDougall IR. Thyroid diseases after treatment of Hodgkin's disease. The New England journal of medicine. 1991;325(9):599-605.
  12. 12 - Khoo VS, Liew KH, Crennan EC, D'Costa IM, Quong G. Thyroid dysfunction after mantle irradiation of Hodgkin's disease patients. Australasian radiology. 1998;42(1):52-7.
  13. 13 - Valagussa P, Santoro A, Bonadonna G. Thyroid, pulmonary, and cardiac sequelae after treatment for Hodgkin's disease. Annals of oncology : official journal of the European Society for Medical Oncology / ESMO. 1992;3 Suppl 4:111-5.
  14. 14 - Eden K, Mahon S, Helfand M. Screening high-risk populations for thyroid cancer. Medical and pediatric oncology. 2001;36(5):583-91.
  15. 15 - Metzger ML, Howard SC, Hudson MM, Gow KW, Li CS, Krasin MJ, et al. Natural history of thyroid nodules in survivors of pediatric Hodgkin lymphoma. Pediatric blood & cancer. 2006;46(3):314-9.
  16. 16 - Bhatia S, Yasui Y, Robison LL, Birch JM, Bogue MK, Diller L, et al. High risk of subsequent neoplasms continues with extended follow-up of childhood Hodgkin's disease: report from the Late Effects Study Group. Journal of clinical oncology : official journal of the American Society of Clinical Oncology. 2003;21(23):4386-94.
  17. 17 - Mackenzie EJ, Mortimer RH. 6: Thyroid nodules and thyroid cancer. The Medical journal of Australia. 2004;180(5):242-7.
  18. 18 - Munker R, Grutzner S, Hiller E, Aydemir U, Enne W, Dietzfelbinger H, et al. Second malignancies after Hodgkin's disease: the Munich experience. Annals of hematology. 1999;78(12):544-54.
  19. 19 - Sklar C, Whitton J, Mertens A, Stovall M, Green D, Marina N, et al. Abnormalities of the thyroid in survivors of Hodgkin's disease: data from the Childhood Cancer Survivor Study. The Journal of clinical endocrinology and metabolism. 2000;85(9):3227-32.
  20. 20 - Swerdlow AJ, Barber JA, Hudson GV, Cunningham D, Gupta RK, Hancock BW, et al. Risk of second malignancy after Hodgkin's disease in a collaborative British cohort: the relation to age at treatment. Journal of clinical oncology : official journal of the American Society of Clinical Oncology. 2000;18(3):498-509.
  21. 21 - Friedman M, Skolnik EM, Baim HM, Becker SP, Katz AH, Mantravadi RV. Thyroid carcinoma. The Laryngoscope. 1980;90(12):1991-2003.
  22. 22 - Hamming JF, Goslings BM, van Steenis GJ, van Ravenswaay Claasen H, Hermans J, van de Velde CJ. The value of fine-needle aspiration biopsy in patients with nodular thyroid disease divided into groups of suspicion of malignant neoplasms on clinical grounds. Archives of internal medicine. 1990;150(1):113-6.
  23. 23 - Staunton MD, Greening WP. Clinical diagnosis of thyroid cancer. British medical journal. 1973;4(5891):532-5.
  24. 24 - NHG. NHG-Standaard Schildklieraandoeningen 2006. Available from: http://www.nhg.org.
  25. 25 - Huber G, Staub JJ, Meier C, Mitrache C, Guglielmetti M, Huber P, et al. Prospective study of the spontaneous course of subclinical hypothyroidism: prognostic value of thyrotropin, thyroid reserve, and thyroid antibodies. The Journal of clinical endocrinology and metabolism. 2002;87(7):3221-6.
  26. 26 - CBO. Richtlijn Schildklierfunctiestoornissen 2012. Available from: http://www.med-info.nl.
  27. 27 - Kouvaraki MA, Shapiro SE, Fornage BD, Edeiken-Monro BS, Sherman SI, Vassilopoulou-Sellin R, et al. Role of preoperative ultrasonography in the surgical management of patients with thyroid cancer. Surgery. 2003;134(6):946-54; discussion 54-5.
  28. 28 - Sandhu A, Constine LS, O'Mara RE, Hinkle A, Muhs AG, Woolf PD. Subclinical thyroid disease after radiation therapy detected by radionuclide scanning. International journal of radiation oncology, biology, physics. 2000;48(1):181-8.
  29. 29 - Haff RC, Schecter BC, Armstrong RG, Evans WE. Factors increasing the probability of malignancy in thyroid nodules. American journal of surgery. 1976;131(6):707-9.
  30. 30 - Koizumi M, Taguchi H, Goto M, Nomura T, Watari T. Thallium-201 scintigraphy in the evaluation of thyroid nodules. A retrospective study of 246 cases. Annals of nuclear medicine. 1993;7(3):147-52.
  31. 31 - Kountakis SE, Skoulas IG, Maillard AA. The radiologic work-up in thyroid surgery: fine-needle biopsy versus scintigraphy and ultrasound. Ear, nose, & throat journal. 2002;81(3):151-4.
  32. 32 - Wong CK, Wheeler MH. Thyroid nodules: rational management. World journal of surgery. 2000;24(8):934-41.
  33. 33 - CBO. Richtlijn Schildkliercarcinoom 2007. Available from: http://www.oncoline.nl.
  34. 34 - Gemsenjager E, Perren A, Seifert B, Schuler G, Schweizer I, Heitz PU. Lymph node surgery in papillary thyroid carcinoma. Journal of the American College of Surgeons. 2003;197(2):182-90.
  35. 35 - Lerch H, Schober O, Kuwert T, Saur HB. Survival of differentiated thyroid carcinoma studied in 500 patients. Journal of clinical oncology : official journal of the American Society of Clinical Oncology. 1997;15(5):2067-75.
  36. 36 - Vanderpump MP, Tunbridge WM, French JM, Appleton D, Bates D, Clark F, et al. The incidence of thyroid disorders in the community: a twenty-year follow-up of the Whickham Survey. Clinical endocrinology. 1995;43(1):55-68.
  37. 37 - Villar HC, Saconato H, Valente O, Atallah AN. Thyroid hormone replacement for subclinical hypothyroidism. The Cochrane database of systematic reviews. 2007(3):CD003419.
  38. 38 - Vissenberg R, Goddijn M, Mol BW, Van der Post JA, Fliers E, Bisschop PH. Schildklierdisfunctie bij zwangeren: Klinische dilemma’s. Nederlands tijdschrift voor geneeskunde. 2012;156:A5163.
  39. 39 - NVOG. Richtlijn Schildklier en zwangerschap 2010. Available from: http//www.nvog.nl.

Evidence tabellen

Auteur, jaartal publicatie

Type onderzoek

Mate van bewijs

Patienten-populatie

Aantal patienten

Diagnostische test

Referentietest

Uitkomstmaat

Resultaten

Referentie

Eden,

2001

Systematic review + keuzemodel

A1

-         Diagnose: kanker, waarvoor RT op hals

-         Internationale literatuur uit MEDLINE

-         Leeftijd bij diagnose: kinderleeftijd (grens niet beschreven)

-         Screening op schildklierkanker na 6-35 jaar

Niet duidelijk beschreven

Palpatie door zorgverlener en “fine needle aspiration cytology” (FNAC)

Echografie

Systematische review: Sensitiviteit, specificiteit

 

Keuzemodel:

Aantal noduli ≥ 1 cm, operaties en gevallen van schildklierkanker bij screening van 10.000 mensen na medische RT op hals

Palpatie door zorgverlener:

-         Sensitiviteit: 10-41%, hoger bij grotere noduli

-         Specificiteit: 95-100%

 

FNAC:

-         Sensitiviteit: 71-95%

-         Specificiteit: 52-99% (NB: FNAC met onduidelijke uitslag meestal geëxcludeerd)

 

Keuzemodel:

Bij echografie als eerste screeningsmethode:

-         2741 noduli op echo

-         1689 onnodige operatie

-         275 schildklierkanker

 

Bij palpatie, gevolgd door echografie:

-         1560 palpabele noduli

-         1329 noduli op echo

-         3904 noduli gemist

-         480 onnodige operatie

-         125 schildklierkanker

14

Illés,

2003

Prospectief cohort-onderzoek

A2

-         Diagnose: hodgkinlymfoom

-         University of Debrecen (Hongarije)

-         Diagnosejaren: 1970-2000

-         Leeftijd bij diagnose: 11-75 jaar

-         Minimaal 1 jaar in remissie

 

151

Antistoffen schildklier (antithyroid peroxidase antibody, antithyro-globulin antibody, anti-TSH receptor antibody)

TSH, FT3, FT4

Sensitiviteit en specificiteit voor voorspellen hypothyreoïdie en hyperthyreoïdie

Hypothyreoïdie (n=13):

-         Sensitiviteit: 11,7%

-         Specificiteit: 65,8%

 

Hyperthyreoïdie (n=2):

-         Sensitiviteit: 100%

-         Specificiteit: 65,8%

 

9

Metzger,

2006

Retrospectief cohort-onderzoek

B

-         Diagnose: hodgkinlymfoom

-         St. Jude Children’s Research Hospital (VS)

-         Leeftijd bij diagnose: mediaan 12,6 jaar (3,7-21,3 jaar)

-         Behandeling met RT op hals met of zonder chemotherapie

646 HL, waarvan 67 met schildklier-noduli

Palpatie door zorgverlener en/of klachten (n=26)

Echografie (n=41)

Absoluut risico op schildkliernoduli en schildkliercarcinoom

Schildkliernoduli:

-         Absoluut risico: 10,4% (n=6/41 met echo, n=15/26 met palpatie)

-         Tijd sinds HL: mediaan 10,5 jaar (0,2-24,8 jaar)

 

Schildkliercarcinoom:

-         Absoluut risico: 1,1% (n=1/41 met echo, n=6/26 met palpatie)

-         Tijd sinds HL: mediaan 19,2 jaar (8,4-23,7 jaar)

15

Afkortingen:

RT = radiotherapie

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-12-2016

Laatst geautoriseerd : 01-12-2016

Uiterlijk in 2017 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO) of deze richtlijn of module nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De NVRO is als houder van deze richtlijn(module) de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Algemene gegevens

Deze richtlijn werd ontwikkeld in het kader van het BETER-project (Beter na Hodgkin: Evaluatie van de langeTermijnEffecten van chemo- en Radiotherapie). De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd met een subsidie van KWF-Alpe d’HuZes (projectnummer NKI 2011-5270).

Doel en doelgroep

Het doel van de BETER-richtlijnen is het ondersteunen van hoogkwalitatieve en uniforme langetermijn-nazorg voor overlevers van hodgkinlymfoom die behandeld zijn op de leeftijd van 15-70 jaar en ten minste 5 jaar ziektevrij zijn. De richtlijnen gaan over relevante late effecten waarvan bekend is dat zij relatief vaak optreden na behandeling voor hodgkinlymfoom.

Samenstelling werkgroep

Voor elk van de BETER-richtlijnen is in 2011 een multidisciplinaire werkgroep opgericht, bestaande uit leden van het BETER-consortium en waar nodig aangevuld met externe experts. Elke werkgroep had twee voorzitters en werd ondersteund door één van de BETER-projectcoördinatoren voor het uitwerken van de richtlijnen en de wetenschappelijke onderbouwing. Voor de BETER-richtlijn Schildklierschade bestond de werkgroep uit:

  • Dr. C.P.M. Janus, radiotherapeut-oncoloog, Erasmus MC, Rotterdam
  • Dr. M. Beijert, radiotherapeut-oncoloog, UMCG, Groningen
  • Prof. dr. J. Smit, internist-endocrinoloog, Erasmus MC, Rotterdam
  • Dr. J. M. Roesink, radiotherapeut-oncoloog, UMC Utrecht, Utrecht
  • Dr. N. Dekker, arts en coördinator BETER-project, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. Tevens is navraag gedaan naar persoonlijke financiële belangen, belangen door persoonlijke relaties, belangen d.m.v. reputatiemanagement, belangen vanwege extern gefinancierd onderzoek, en belangen door kennisvalorisatie. De belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten (KiMS), een overzicht vindt u hieronder:

 

Naam werkgroeplid

Belangen

Toelichting

Dr. C.P.M. Janus

Lid EORTC lymphoma group

Onbetaald

Dr. M. Beijert

Geen

 

Prof. dr. J. Smit

Geen

 

Dr. J.M. Roesink

Geen

 

Dr. N. Dekker

Geen

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de inbreng van afgevaardigden van patiëntenorganisatie Stichting Hematon tijdens de commentaar- en autorisatiefase van de BETER-richtlijnen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

 

De BETER-richtlijnen worden gratis beschikbaar gesteld via de landelijke richtlijnendatabase van KiMS en IKNL. De huidige versie van de richtlijnen is bedoeld voor zorgverleners. Een versie voor de overlevers van hodgkinlymfoom zelf en een Engelstalige versie voor zorgverleners worden in 2015 ontwikkeld. De implementatie van de richtlijnen zal verder bevorderd worden door het gebruik van een persoonlijk nazorgplan op de BETER-poliklinieken en het aanbieden van een applicatie waarmee zorgverleners kunnen bepalen voor welke nazorg de hodgkinlymfoom-overlevers in aanmerking komen. Daarnaast zullen er publicaties aangeboden worden in Nederlandse en internationale medische tijdschriften, om de kennis van zorgverleners over het BETER-project en deze richtlijnen te vergroten. Ook zullen de richtlijnen worden besproken tijdens vergaderingen en congressen. Het vergroten van deze kennis leidt niet alleen tot een betere toepassing van de richtlijnen op de BETER-poliklinieken, maar ook tot een beter bewustzijn bij zorgverleners over het verwijzen van hun patiënten naar deze nazorgpoliklinieken.

 

 

 

Werkwijze

 

Voor het ontwikkelen van alle BETER-richtlijnen is gebruik gemaakt van de Richtlijn voor Richtlijnen van de Regieraad Kwaliteit van Zorg 2012.

 

In 2010-2011 is door de richtlijnwerkgroepen binnen het BETER-consortium een samenvatting gemaakt met de belangrijkste aanbevelingen voor alle BETER-richtlijnen. In 2012-2014 is de wetenschappelijke onderbouwing uitgewerkt door de projectcoördinatoren en voorzitters van de werkgroepen. De verschillende versies van deze richtlijnen zijn per e-mail rondgestuurd en in landelijke vergaderingen van het BETER-consortium besproken. De richtlijnen zijn in 2013-2014 geaccordeerd door het BETER-consortium. De richtlijnen zijn in 2014 overgenomen door de Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie en in 2014-2015 ter accordering naar de betreffende wetenschappelijke en beroepsverenigingen gestuurd.

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.