Schildklierfunctiestoornissen

Initiatief: NIV Aantal modules: 81

Subklinische hypothyreoïdie

Uitgangsvraag

[Revisie 2012] 

Subklinische hypothyreoïdie

Aanbeveling

[Revisie 2012] Gezien het ontbreken van bewijs voor positieve effecten van toediening van levothyroxine op belangrijke klinische uitkomstmaten (cardiovasculaire events, mortaliteit), wordt geadviseerd om personen met subklinische hypothyreoïdie niet routinematig te behandelen.

 

Gegeven het fluctueren van TSH wordt geadviseerd om bij een subklinische hypothyreoïdie deze waarde eenmalig opnieuw te bepalen.

 

Bij persisterende subklinische hypothyreoïdie en klachten kan in samenspraak met de patiënt een proefbehandeling van minimaal drie maanden worden gestart; een dergelijke behandeling dient alleen in geval van verbetering van klachten te worden gecontinueerd.

Overwegingen

[Revisie 2012]Indien tot een proefbehandeling wordt besloten moet L-thyroxine op geleide van de TSH spiegel worden getitreerd. Het streven is een TSH in het referentiegebied waarbij iedere 4-6 weken op geleide van TSH en FT4 de dosis wordt aangepast (eerder is gezien de lange halfwaardetijd van L-thyroxine zinloos). Voor de praktijk is het verdedigbaar om bij patiënten met persisterende klachten te streven naar een TSH in het laagnormale gebied. Bij stabiel ingestelde patiënten kan worden volstaan met jaarlijkse controle van het TSH. Bij behandeling van subklinische hypothyreoïdie bestaat een risico van overbehandeling; van alle met L-thyroxine behandelde patiënten heeft 14-23% een subklinische hyperthyreoïdie (De Whalley, 1995; Parle et al, 1993; Ross et al, 1990).

Onderbouwing

Subklinische hypothyreoïdie is gedefinieerd als de situatie waarin het TSH verhoogd is en de waarde van vrij T4 normaal is (Surks et al, 2004). Andere oorzaken voor een verhoogd TSH dienen te zijn uitgesloten; voorbeelden hiervan zijn: herstel na ernstige ziekte (‘non-thyroidal illness’, zie hoofdstuk 1), herstel van thyreoïditis (subacuut/destructief of postpartum), behandeling met injecties recombinant-TSH, recente aanpassing in schildklierhormoonsubstitutie (waarbij nog geen evenwicht is bereikt). Vaak wordt er aan deze definitie nog toegevoegd ‘zoals bepaald op twee verschillende tijdstippen’. Patiënten kunnen zowel symptomatisch als asymptomatisch zijn. Klachten zijn vaak aspecifiek, zoals vermoeidheid en gewichtstoename (Surks et al, 2004; Corssmit & Wieringa, 2003). Een mogelijke verklaring voor het gegeven dat sommige patiënten met een subklinische hypothyreoïdie wel en anderen (met vaak dezelfde FT4-waarde) geen klachten hebben, kan zijn dat de inter-individuele variatie van de FT4-spiegels veel groter is dan de intra-individuele variatie (Andersen et al, 2002). Dit betekent dat bij de interpretatie van individuele schildklierhormoonwaarden het gebruik van op populatiestudies gebaseerde normaalwaarden een simplificatie inhoudt (Corssmit & Wieringa, 2003, Andersen et al, 2002). Ieder individu heeft een relatief klein referentieinterval dat bij de interpretatie van de schildklieruitslagen niet als zodanig bekend is (Corssmit & Wieringa, 2003).

 

Niveau 3

 

Subklinische hypothyreoïdie is vooral bij vrouwen een prevalente aandoening.

 

B1   Surks, 2004; Canaris, 2000

Niveau 3

 

De kans op ontwikkeling van een manifeste hypothyreoïdie is afhankelijk van het TSH: TSH < 6 mU/l: nihil; TSH > 6 en < 12 mU/l ruim 40%; bij een TSH > 12 mU/l ruim 75%.

 

B1  Huber, 2002; Vanderpump, 1995

Niveau 3

Bepaling van TPO-antistoffen kan van nut zijn om het risico van manifeste hypothyreoïdie in te schatten, met name indien het TSH > 6 en < 12 mU/l is.

 

B1  Huber, 2002; Diez, 2004

 

[Revisie 2012]

Kwaliteit van bewijs:

Laag

Hoewel levothyroxine de symptomen van hypothyroïdie, cognitief functioneren en kwaliteit van leven lijkt te verbeteren, zijn deze effecten echter zelfs in een meta-analyse veelal niet statistisch significant. De meeste effectgroottes van de beschouwde uitkomstmaten zelf doen ook geen klinisch relevant (effectgrootte > 0,5) effect vermoeden.[1]

 

De uitkomsten met betrekking tot hartfunctie en lipiden zijn niet eenduidig.

 

Aan de bijwerkingen van levothyroxine is in de meeste studies nauwelijks aandacht geschonken.

 

Villar, 2007; Ravzi, 2007; Parle, 2010

[1] Voor effectgroottes berekend als standardized mean differences of Cohen’s D wordt 0,5 (een halve standaarddeviatie) veelal als ondergrens voor klinische relevantie van een effect aangehouden.

Prevalentie

De prevalentie van subklinische hypothyreoïdie varieert in de diverse studies van 4 tot 8,5%. De prevalentie van een verhoogd TSH neemt zowel bij vrouwen als mannen toe met de leeftijd; bij vrouwen ouder dan 60 jaar worden prevalentiecijfers tot 20% beschreven (Surks et al, 2004).  Bij mannen ouder dan 74 jaar is de prevalentie vrijwel identiek als bij vrouwen tussen de 65 en 74 jaar (Canaris et al, 2000).

 

Natuurlijk beloop

Ontwikkeling van manifeste hypothyreoïdie: Van alle patiënten met subklinische hypothyreoïdie zal per jaar 2 tot 5% een manifeste hypothyreoïdie (verhoogd TSH en verlaagd FT4) ontwikkelen (Surks et al, 2004). In het natuurlijk beloop gaat 3 tot 55% van alle patiënten met een subklinische hypothyreoïdie op den duur over in manifeste hypothyreoïdie. Belangrijke determinanten voor progressie naar manifeste hypothyreoïdie zijn de hoogte van het TSH, aanwezigheid van TPO-antistoffen en voorgaande behandeling met radioactief jodium.

Huber et al (2002) beschrijven dat gedurende een periode van 10 jaar 28% van de 82 patiënten (allen vrouwen) met subklinische hypothyreoïdie manifest hypothyreoot geworden zijn; 68% bleef een subklinische hypothyreoïdie houden; en 4 % was genormaliseerd. Uit deze studie blijkt ook dat van patiënten met een TSH-gehalte < 6 mU/L niemand manifest hypothyreoot was geworden (Huber et al, 2002). Na exclusie van de patiënten met een TSH-gehalte < 6 mU/L was de cumulatieve incidentie van manifeste hypothyreoïdie na 10 jaar 55,3%. Van patiënten met een TSH tussen 6 en 12 mU/L was na 10 jaar 43% en van de patiënten met een TSH >12 mU/L was na 10 jaar 77% manifest hypothyreoot.

 In de studie van Vanderpump et al (1995). – met een follow-up duur van 20 jaar – blijkt dat 33% van de vrouwen met een bij inclusie bestaand TSH > 6 mU/L na 20 jaar een manifeste hypothyreoïdie heeft ontwikkeld; indien bij inclusie ook TPO-antistoffen aantoonbaar zijn is dit 55%. Ook in de studies van Huber et al (2002) en Diez et al (2004) wordt aangetoond dat de aanwezigheid van TPO-antistoffen een onafhankelijke risicofactor is voor de ontwikkeling van manifeste hypothyreoïdie. Hierbij is de toegevoegde waarde van de aanwezigheid van TPO-antistoffen afhankelijk van de uitgangswaarde van het TSH: bij een TSH < 6 mU/L neemt het risico op manifeste hypothyreoïdie in de aanwezigheid van TPO-antistoffen met 40% toe; bij een TSH > 6 en < 12 mU/L neemt het risico op manifeste hypothyreoïdie in de aanwezigheid van TPO-antistoffen met 80% toe en bij TSH > 12 mU/L neemt het risico op manifeste hypothyreoïdie in de aanwezigheid van TPO-antistoffen met 40% toe (Huber et al (2002).

Het probleem bij de bestudering van de meeste studies is dat niet alleen patiënten in de studies zijn opgenomen met spontane – vrijwel altijd auto-immuun - hypothyreoïdie maar ook patiënten met in de voorgeschiedenis behandeling met radioactief jodium vanwege hyperthyreoïdie of een schildklieroperatie. Deze patiënten kunnen in principe een ander natuurlijk beloop hebben.

 

[Revisie 2012] Mortaliteit en cardiovasculair risico: Verschillende meta-analyses hebben de relatie tussen subklinische hypothyreoïdie en 1. mortaliteit en 2. cardiovasculair risico onderzocht (Haentjes et al, 2008; Ochs et al, 2008; Razvi et al, 2008; Singh et al, 2008). Deze meta-analyses zijn gebaseerd op observationele cohortstudies. Er lijkt een 10-20% verhoogd mortaliteitsrisico te zijn bij patiënten met subklinische hypothyreoïdie, hoewel dit mogelijk niet geldt bij de 85+ populatie (Gussekloo et al, 2004). Het risico op cardiovasculaire events is ook met ongeveer 20% verhoogd. Hoewel deze data gebaseerd zijn op vier meta-analyses, dient wel te worden opgemerkt dat deze meta-analyses grotendeels op dezelfde studies en data gebaseerd zijn. Daarnaast geven deze meta-analyses geen antwoord op de vraag of behandeling van subklinische het verhoogde cardiovasculaire risico en mortaliteitsrisico weer normaliseert. Daarvoor zijn gerandomiseerde studies nodig.

 

[Revisie 2012]Effect van behandeling Er zijn meerdere gerandomiseerde studies uitgevoerd die het effect van levothyroxine bij subklinische hypothyreoïdie onderzoeken (Caraccio et al, 2002; Caraccio et al, 2005; Cooper et al, 1984; Jaeschke et al, 1996; Jorde et al, 2006; Kong et al, 2002; Meier et al, 2001; Monzani et al, 2001; Monzani et al, 2004; Nystrom et al, 1988; Ross, 1993; Yazici et al, 2004). Villar et al publiceerden in 2007 een systematische review en meta-analyse van deze RCTs. In elf van de twaalf geïncludeerde studies werd levothyroxine met placebo vergeleken. Geen van de twaalf studies (N=350; follow-up duur: 6-14 maanden) onderzocht het effect op klinisch relevante uitkomsten als (cardiovasculaire) sterfte en morbiditeit. Gekeken werd naar symptoomverbetering, stemming, kwaliteit van leven, cognitief functioneren, lipiden, echocardiografische parameters, en bijwerkingen. Na de meta-analyse zijn er nog twee, eveneens kleine, op intermediaire eindpunten gerichte studies gepubliceerd (Razvi et al, 2007; Parle et al, 2010). De kwaliteit bewijs is voor alle uitkomstmaten laag, vooral vanwege het gebrek aan precisie van de uitkomsten als gevolg van de geringe studieomvang.

De uitkomsten van gerandomiseerde studies kunnen als volgt kort worden samengevat:

  • levothyroxine lijkt een positief maar gering effect op cognitief functioneren en kwaliteit van leven te hebben.
  • de uitkomsten met betrekking tot hartfunctie en lipiden zijn niet eenduidig.

De patiëntenpopulatie van deze studies is inhomogeen (iatrogene hypothyreoïdie na ablatieve behandeling met radioactief jodium of chirurgie, auto-immuunhypothyreoïdie). De TSH-range bij de geïncludeerde patiënten is erg groot, 5 – 50 mU/l, en de bestudeerde populatie betrof voornamelijk vrouwen met een leeftijd rond de 55 jaar (Cooper et al, 1984; Jaeschke et al, 1996; Kong et al, 2002; Meier et al, 2001; Nystrom et al, 1988).

Of de aanwezigheid van klachten die niet anders te verklaren zijn (denk in geval van de aanwezigheid van schildklierantistoffen aan andere auto-immuunaandoeningen) een indicatie vormt voor behandeling met schildklierhormoon is controversieel (Surks et al, 2004). De commissie is van oordeel dat bij klachten van vermoeidheid en/of klachten van depressieve of cognitieve aard een proefbehandeling met schildklierhormoon gedurende tenminste drie maanden valt te overwegen (Corssmit & Wieringa, 2003). 

  1. 1 - Corssmit EP, Wiersinga WM. [Subclinical functional disorders of the thyroid gland]. Ned Tijdschr Geneeskd 2003; 147(24):1162-1167.
  2. 2 - Danese MD, Ladenson PW, Meinert CL, Powe NR. Clinical review 115: effect of thyroxine therapy on serum lipoproteins in patients with mild thyroid failure: a quantitative review of the literature. J Clin Endocrinol Metab 2000; 85(9):2993-3001.
  3. 3 - De Whalley P. Do abnormal thyroid stimulating hormone level values result in treatment changes? A study of patients on thyroxine in one general practice. Br J Gen Pract 1995; 45(391):93-95.
  4. 4 - Diez JJ, Iglesias P. Spontaneous subclinical hypothyroidism in patients older than 55 years: an analysis of natural course and risk factors for the development of overt thyroid failure. J Clin Endocrinol Metab 2004; 89(10):4890-4897.
  5. 5 - Gussekloo J, van EE, de Craen AJ, Meinders AE, Frolich M, Westendorp RG. Thyroid status, disability and cognitive function, and survival in old age. JAMA 2004; 292(21):2591-2599.
  6. 6 - Haentjens P, Van MA, Poppe K, Velkeniers B, Haentjens P, Van Meerhaeghe A, et al (2008). Subclinical thyroid dysfunction and mortality: an estimate of relative and absolute excess all-cause mortality based on time-to-event data from cohort studies. European Journal of Endocrinology 159[3], 329-341.
  7. 7 - Huber G, Staub JJ, Meier C, Mitrache C, Guglielmetti M, Huber P et al Prospective study of the spontaneous course of subclinical hypothyroidism: prognostic value of thyrotropin, thyroid reserve, and thyroid antibodies. J Clin Endocrinol Metab 2002; 87(7):3221-3226.
  8. 8 - Imaizumi M, Akahoshi M, Ichimaru S, Nakashima E, Hida A, Soda M et al Risk for ischemic heart disease and all-cause mortality in subclinical hypothyroidism. J Clin Endocrinol Metab 2004; 89(7):3365-3370.
  9. 9 - Jaeschke R, Guyatt G, Gerstein H, Patterson C, Molloy W, Cook D et al Does treatment with L-thyroxine influence health status in middle-aged and older adults with subclinical hypothyroidism? J Gen Intern Med 1996; 11(12):744-749.
  10. 10 - Jorde R, Waterloo K, Storhaug I, Nyrnes A, Sundsfjrd J, Jenssen G. Neuropsychological function and symptoms in subjects with subclinical hypothyroidism and the effect of thyroxine treatment. The Journal of Clinical Endocrinology and Metabolism 2006;91:145–53.
  11. 11 - Kong WM, Sheikh MH, Lumb PJ, Naoumova RP, Freedman DB, Crook M et al A 6-month randomized trial of thyroxine treatment in women with mild subclinical hypothyroidism. Am J Med 2002; 112(5):348-354.
  12. 12 - Meier C, Staub JJ, Roth CB, Guglielmetti M, Kunz M, Miserez AR et al TSH-controlled L-thyroxine therapy reduces cholesterol levels and clinical symptoms in subclinical hypothyroidism: a double blind, placebo-controlled trial (Basel Thyroid Study). J Clin Endocrinol Metab 2001; 86(10):4860-4866.
  13. 13 - Monzani F, Bello V, Caraccio N, Bertini A, Giorgi D, Giusti C, et alEffect of levothyroxine on cardiac function and structure in subclinical hypothyroidism: a double blind, placebo-controlled study. The Journal of Clinical Endocrinology and Metabolism 2001;86:1110–5.
  14. 14 - Monzani F, Caraccio N, Kozakowa M, Dardano A, Vittone F, Virdis A. Effect of levothyroxine on lipid profile and intima-media thickness in subclinical hypothyroidism: a duble-blind, placebo-controlled study. The Journal of Clinical Endocrinology and Metabolism 2004;89:2099–106.
  15. 15 - Nystrom E, Caidahl K, Fager G, Wikkelso C, Lundberg PA, Lindstedt G. A double-blind cross-over 12-month study of L-thyroxine treatment of women with 'subclinical' hypothyroidism. Clin Endocrinol (Oxf) 1988; 29(1):63-75.
  16. 16 - Ochs N, Auer R, Bauer DC, Nanchen D, Gussekloo J, Cornuz J, et al (2008). Meta-analysis: subclinical thyroid dysfunction and the risk for coronary heart disease and mortality. Annals of Internal Medi-cine 148[11], 832-845.
  17. 17 - Parle JV, Franklyn JA, Cross KW, Jones SR, Sheppard MC. Thyroxine prescription in the community: serum thyroid stimulating hormone level assays as an indicator of undertreatment or overtreatment. Br J Gen Pract 1993; 43(368):107-109.
  18. 18 - Razvi S, Shakoor A, Vanderpump M, Weaver JU, Pearce SH, Razvi S, et al (2008). The influence of age on the relationship between subclinical hypothyroidism and ischemic heart disease: a metaanal-ysis. Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism 93[8], 2998-3007.
  19. 19 - Ross DS, Daniels GH, Gouveia D. The use and limitations of a chemiluminescent thyrotropin assay as a single thyroid function test in an out-patient endocrine clinic. J Clin Endocrinol Metab 1990; 71(3):764-769.
  20. 20 - Ross, D. Bone density is not reduced during the short-term administration of levothyroxine to postmenopausal women with subclinical hypothyroidism: a randomized, prospective study. The American Journal of Medicine 1993;95:385–8.
  21. 21 - Singh S, Duggal J, Molnar J, Maldonado F, Barsano CP, Arora R, et al (2008). Impact of subclinical thyroid disorders on coronary heart disease, cardiovascular and all-cause mortality: a meta-analysis. International Journal of Cardiology 125[1], 41-48.
  22. 22 - Surks MI, Ortiz E, Daniels GH, Sawin CT, Col NF, Cobin RH et al Subclinical thyroid disease: scientific review and guidelines for diagnosis and management. JAMA 2004; 291(2):228-238.
  23. 23 - Tanis BC, Westendorp GJ, Smelt HM. Effect of thyroid substitution on hypercholesterolaemia in patients with subclinical hypothyroidism: a reanalysis of intervention studies. Clin Endocrinol (Oxf) 1996; 44(6):643-649.
  24. 24 - Vanderpump MP, Tunbridge WM, French JM, Apple!on D, Bates D, Clark F et al The incidence of thyroid disorders in the community: a twenty-year follow-up of the Whickham Survey. Clin Endocrinol (Oxf) 1995; 43(1):55-68.
  25. 25 - Vanderpump MP, Tunbridge WM, French JM, Apple!on D, Bates D, Clark F et al The development of ischemic heart disease in relation to autoimmune thyroid disease in a 20-year follow-up study of an English community. Thyroid 1996; 6(3):155-160.
  26. 26 - Yazici M, Gorgulu S, Sertbas Y, Erbilen E, Albayarak S, Yildiz O. Effects of thyroxine therapy on cardiac function i patients with subclinical hypothyroidism: index of myocardial performance in the evaluation of left ventricular function. International Journal of Cardiology 2004;95: 135–43.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 03-12-2012

Laatst geautoriseerd  : 03-12-2012

Uiterlijk 5 jaar na verschijnen van de richtlijn wordt door de NIV beoordeeld of deze richtlijn nog actueel is.  De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen wanneer nieuwe ontwikkelingen het nodig maken om eerder een herzieningstraject te starten. Van de commissie die deze revisie heeft uitgebracht zijn enkele leden belast met het bijhouden van nieuwe ontwikkelingen, zowel van de literatuur als van het veld. Behoefte aan aanvullingen of onjuistheden kunnen tevens worden gesignaleerd door de sectie endocrinologie van de NIV. In overleg met het NIV-bureau en de commissie Richtlijnen zal worden bepaald of deze nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn voor een update.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire geneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van diagnostiek en behandeling van patiënten met primaire schildklierfunctiestoornissen. De richtlijn is vooral gericht op de behandeling van deze patiënten in de tweede lijn. Deze richtlijn is afgestemd met een geactualiseerde versie van de NHG standaard Schildklierfunctiestoornissen, die adviezen geeft voor de behandeling in de eerste lijn.

Doelgroep

De richtlijn is primair geschreven voor internisten. De richtlijn is ook te gebruiken door andere specialismen die in hun dagelijkse praktijk te maken krijgen met patiënten met schildklierfunctiestoornissen, alsmede door patiënten. 

Samenstelling werkgroep

Er is in juli 2011 een commissie gevormd bestaande uit internisten en een vertegenwoordiger van Schildklierorganisaties Nederland (SON). Tevens is een klankbordgroep samengesteld, waarin andere disciplines zijn vertegenwoordigd die bij de diagnostiek of behandeling van schildklierfunctiestoornissen betrokken zijn. De leden van klankbordgroep is bij het uitbrengen van de eerste en de definitieve conceptversie om inhoudelijk commentaar gevraagd.

 

Alle leden van de commissie en de klankbordgroep zijn door de wetenschappelijke verenigingen respectievelijk de patiëntenverenigingen aangewezen als hun vertegenwoordiger. 

 

Richtlijncommissie

  • Prof. dr. A.R.M.M. Hermus, Voorzitter. Internist-endocrinoloog, Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen, NIV
  • Dr. O.M. Dekkers,  Endocrinoloog/epidemioloog, Leids Universitair Medisch Centrum, NIV.
  • Dr. A. Berghout, Internist-endocrinoloog, Maasstad ziekenhuis, Rotterdam, NIV
  • Dr. A.F. Muller, Internist-endocrinoloog, Diakonessenhuis, Utrecht, NIV
  • Prof. dr. J.W.A. Smit, Internist-endocrinoloog, Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen, NIV
  • Prof. dr. W.M. Wiersinga, Internist-endocrinoloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, NIV
  • Dr. R.P. Peeters, Internist-endocrinoloog, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam, NIV
  • Dr.ir. M.J. van der Ploeg / drs. N.W. de Jong, Voorzitter kenniscommissie Schildklierorganisaties Nederland / Secretaris Schildklierorganisaties Nederland, Schildklierorganisaties Nederland (SON)

 

Klankbordgroep

  • Prof. dr. J.F. Hamming, Chirurg, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden, NVvH
  • Dr. B. Felix-Schollaerts, Huisarts, NHG
  • Dr. M. Goddijn, Voortplantingsgynaecoloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, NVOG
  • Dr. D.A.K.C.J.M. Huysmans, Nucleair geneeskundige, Catharina Ziekenhuis, Eindhoven, NVNG
  • Dr. E.G.W.M. Lentjes, Klinisch chemicus, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht, NVKC
  • Drs. A.E. van ‘t Riet, Bedrijfsarts, NVAB

 

Methodologische ondersteuning:

  • Dr. ir. J.J.A. de Beer, senior richtlijnmethodoloog (CBO)
  • Dr. L.M. Verweij, medior richtlijnmethodoloog (CBO)
  • Drs. R. Deurenberg, senior informatiespecialist (CBO)

Belangenverklaringen

De leden van de werkgroep die deze richtlijn heeft ontwikkeld, hebben een belangenverklaring ingevuld. Deze zijn opvraagbaar bij het NIV-bureau.

 

De financierende instantie had geen invloed op de inhoud van de richtlijn.

Inbreng patiëntenperspectief

Voor de ontwikkeling van een kwalitatief goede richtlijn is de input van patiënten nodig. Een behandeling moet immers voldoen aan de wensen en eisen van patiënten en zorgverleners. Patiënten kunnen zorgverleners die een richtlijn ontwikkelen helpen om te begrijpen hoe het is om met een ziekte of aandoening te leven of om er mee geconfronteerd te worden. Op deze manier kan bij het ontwikkelen van een richtlijn beter rekening gehouden worden met de betekenis van verschillende vormen van diagnostiek, behandeling en zorg voor patiënten. In deze revisie heeft een vertegenwoordiger van Schildklierorganisaties Nederland (SON) het patiëntenperspectief ingebracht.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

De aanbevelingen in deze richtlijn beschrijven de optimale zorgverlening waarmee beoogd wordt dat bij implementatie in de praktijk een ‘state-of-the-art’ zorgproces gerealiseerd wordt. In de bijlage (zie onderstaand) ‘Verspreiding en implementatie' wordt specifiek gekeken naar de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. In de verschillende fasen van de herziening van deze richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. 

ACHTERGROND

De implementatie van multidisciplinaire richtlijnen is in Nederland vooralsnog niet intensief onderzocht. Onderzoek naar de implementatie van standaarden (voor huisartsen) is iets beter beschikbaar. Uit deze onderzoeken kunnen conclusies getrokken worden, die waarschijnlijk ook relevant zijn voor de implementatie van multidisciplinaire richtlijnen.

In een onderzoeksrapport ‘Effectieve implementatie: theorieën en strategieën’ zijn belemmerende en bevorderende factoren voor de implementatie van standaarden en richtlijnen weergegeven (Hulscher 2000). In dit onderzoeksrapport en in een eerder rapport worden overzichtsartikelen met betrekking tot verschillende implementatiestrategieën becommentarieerd (Hulscher 2000, Grol 2003).

 

Uit dit onderzoek blijkt dat richtlijnen die gemaakt en verspreid worden door erkende specialisten op dat gebied, die recht doen aan de gangbare praktijk en die ‘interactief’ verspreid worden relatief succesvol blijken. Uiteraard hebben ook vorm en inhoud van een richtlijn belangrijke invloed op de acceptatie van de richtlijn en - na acceptatie - op de implementatie (Grol 1998).

 

Ideale richtlijnen zijn valide, betrouwbaar, reproduceerbaar, multidisciplinair, toepasbaar en flexibel, duidelijk, eenduidig en goed gedocumenteerd. Verder is het bevorderlijk voor de kwaliteit van een richtlijn dat een testtraject voor implementatie wordt uitgezet, dat de uitvoering ervan evalueerbaar is en op basis daarvan aangepast kan worden. Van belang is tevens dat in de richtlijn, waar relevant, behalve aan het zorgverlenerperspectief ook aandacht wordt geschonken aan patiëntperspectief en aan het maatschappelijk perspectief (bijvoorbeeld: kosten en organisatie van zorg). Tenslotte is het van belang dat de richtlijn na implementatie ook daadwerkelijk geëvalueerd wordt en, indien nodig aangepast aan nieuwe inzichten. Een instrument ter controle van deze items is beschikbaar (AGREE-instrument).

 

De richtlijn ‘Schildklierfunctiestoornissen – revisie 2012’ is zoveel mogelijk opgesteld aan de hand van deze AGREE-criteria. De richtlijn is transparant in de argumentatie voor wat betreft de balans tussen wetenschappelijke overwegingen en overige overwegingen, zoals praktijkorganisatie, patiëntwensen en voorkeuren en maatschappijbelang.

Naast een intrinsiek optimaal opgestelde richtlijn kunnen meerdere maatregelen de implementatie van de richtlijn bevorderen.

De belangrijkste conclusies ten aanzien van de effectiviteit van implementatiestrategieën van richtlijnen zijn (NHS 1999; Bero 1998; Wensing 1994; Wensing 1998):

  • Voor optimale implementatie van de richtlijn moet aandacht worden besteed aan factoren die compliantie met de richtlijn kunnen bevorderen of belemmeren (pér doelgroep en/of setting); een goede analyse van deze bevorderende en belemmerende factoren is noodzakelijk vóór implementatie.
  • Er bestaat geen één-op-één relatie tussen de theorieën betreffende de implementatie en de concrete implementatiestrategieën.
  • Het is onmogelijk om één optimale interventie (enkelvoudig of samengesteld) aan te bevelen voor het bevorderen van implementatie van vernieuwing of verandering (richtlijn), meerdere strategieën zullen moeten worden gecombineerd.

 

IMPLEMENTATIE RICHTLIJN

De werkgroep rekent het niet tot haar taak exact weer te geven hoe deze richtlijn geïmplementeerd moet worden. Wel wil zij in deze beknopte bijdrage een aantal voorstellen ter bevordering van de implementatie doen. De volgende activiteiten zijn reeds ondernomen of in gang gezet ter bevordering van de implementatie van de richtlijn schildklierfunctiestoornissen – revisie 2012:

  • Om de implementabiliteit van de aanbevelingen te vergroten is gebruik gemaakt van de zogeheten GuideLine Implementability Appraisal –GLIA- tool (Shiffman et al, 2005).  Hierbij worden de volgende criteria toegepast: uitvoerbaarheid (wat moet precies gebeuren); beslisbaarheid (onder welke condities, zoals leeftijd, sekse, of klinische bevindingenmoet iets gebeuren), validiteit (mate waarin aanbevelingen het bewijs en andere factoren weerspiegelt); flexibiliteit (mate waarin een aanbeveling ruimte biedt voor alternatieven); meetbaarheid (mate waarin de effecten van een aanbeveling zijn na te gaan)
  • Het gebruik van de richtlijn wordt vergemakkelijkt door stroomdiagrammen voor diagnostiek en behandeling en een samenvatting van de richtlijn op te nemen.
  • De richtlijn zal zo intensief mogelijk worden verspreid onder de leden van de verschillende beroepsverenigingen.
  • Voorgesteld wordt om in samenwerking met de patiëntenverenigingen een patiëntenfolder te ontwikkelen.
  • Informatie over de richtlijn zal worden verstrekt in publicaties in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.
  • De NIV zal jaarlijks de inhoud van de richtlijn toetsen en beoordelen of gehele of gedeeltelijke bijstelling noodzakelijk is.
  • De richtlijn komt integraal op het internet op de website van NIV, SON, CBO, Kwaliteitskoepel Medisch Specialisten en de betrokken beroepsverenigingen.
  • Een E-learning module in het kader van na- en bijscholingsactiviteiten ten behoeve van de richtlijn is –in de vorm van een geaccrediteerde richtlijntoets – in de maak.

 

De werkgroep stelt de volgende activiteiten voor ter bevordering van de implementatie van de richtlijn schildklierfunctiestoornissen – revisie 2012.

  • Presentatie van de aanbevelingen van de richtlijn op wetenschappelijke bijeenkomsten van betrokken beroepsorganisaties.
  • Op eerstkomende wetenschappelijke jaarvergaderingen van de deelnemende verenigingen de bespreking van de richtlijn agenderen om ‘startproblemen’ met de richtlijn te inventariseren en bijstelling mogelijk te maken.
  • Ontwikkeling en gebruik van hulpmiddelen voor de implementatie van de richtlijn in de dagelijkse praktijk, zoals bijvoorbeeld een PDA-versie van de richtlijn.
  • Ontwikkeling van patiëntenvoorlichtingsmateriaal ter ondersteuning van de richtlijn.
  • De werkgroep adviseert –waar relevant- delen van de richtlijn om te zetten in protocollen, rekening houdend met lokale omstandigheden.
  • De lokale implementatie van de richtlijn in de lokale protocollen zal tijdens visitaties voor kwaliteit van zorg en opleiding worden geëvalueerd.
  • Regelmatige evaluatie van de voortgang in implementatie en navolging van de richtlijn; dit kan onder meer met de geformuleerde indicatoren (zie volgende paragraaf).
  • Gerichte uitleg van de richtlijn in de media, zodat patiënten via eenvoudige en frequent geraadpleegde bronnen (tijdschriften, kranten) op de hoogte zijn van verandering in beleid.

 

Literatuurlijst

  • Bero LA, Grilli R, Grimshaw JM, Harvey E, Oxman AD, Thomson MA. Closing the gap between research and practice: an overview of systematic reviews of interventions to promote the implementation of research findings. The Cochrane Effective Practice and Organization of Care Review Group. BMJ 1998;317:465-8.
  • Gezondheidsraad: Van Implementeren naar leren; het belang van tweerichtingsverkeer tussen praktijk en wetenschap in de gezondheidszorg. Gezondheidsraad: Den Haag, 2000 publicatie nr 2000/18.
  • Grol R, Dalhuijsen J, Thomas S, Veld C, Rutten G, Mokkink H. Attributes of clinical guidelines that influence use of guidelines in general practice: observational study. BMJ 1998;317:858-61.
  • Grol R, Grimshaw J. From best evidence to best practice: effective implementation of change in patients' care. Lancet 2003;362:1225-30.
  • Hulscher M, Wensing M, Grol R: Effectieve implementatie: Theorieën en strategieën. Nijmegen: Werkgroep Onderzoek Kwaliteit, 2000.
  • NHS centre for reviews and dissemination. Getting evidence into practice. Effect. Health Care 1999. (feb)
  • Shiffman RN, Dixon J, Brandt C, Essaihi A, Hsiao A, Michel G, O'Connell R. The GuideLineImplementability Appraisal (GLIA): development of an instrument to identify obstacles to guideline implementation. BMC Med Inform Decis Mak. 2005 Jul 27;5:23.
  • The AGREE collaboration. Agree instrument. www.agreecollaboration.org (NEJM in press 2001).
  • Wensing M, Grol R. Single and combined strategies for implementing changes in primary care: a literature review. Int J Qual Health Care 1994;6:115-32.
  • Wensing M, Weijden T van der, Grol R. Implementing guidelines and innovations in general practice: which interventions are effective? Br J Gen Pract 1998;48:991-7.

Werkwijze

Aanleiding voor het maken van de richtlijn

Uit een interne knelpuntenanalyse in het kader van periodieke herziening van de richtlijn, kwam nieuwe literatuur naar voren die mogelijk leidt tot een bijstelling van de aanbevelingen. 

Knelpuntenanalyse

Deze betrof de inventarisatie van nieuwe literatuur die mogelijk tot een bijstelling van aanbevelingen voor diverse onderwerpen zou kunnen leiden. Deze inventarisatie heeft geleid tot de eerder genoemde 52 uitgangsvragen. Deze actualisatie van de richtlijn uit 2007 betreft een selectieve update. De onderdelen van de tekst die geactualiseerd zijn, zijn als volgt herkenbaar. In de titel van het hoofdstuk en de daarbij horende paragrafen is in blauw aangegeven [Revisie 2012]. De geactualiseerde tekst, conclusie of aanbeveling wordtvoorafgegaan door [Revisie 2012] en is in de kleur blauw. 

Methode richtlijnontwikkeling

De herziening van de (concept)richtlijn is – met uitzondering van het hoofdstuk over schildklierfunctiestoornissen in de zwangerschap en postpartumperiode (dit betrof de adapatatie van een buitenlandse richtlijn) –  opgesteld aan de hand van het Procedureboek NIV richtlijnen die aansluit bij het “Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II” (AGREE II) instrument. Dit instrument is een breed (internationaal) geaccepteerd instrument voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen. 

Strategie voor zoeken naar en selectie van literatuur

De strategieën die zijn ontwikkeld voor het zoeken naar literatuur voor de richtlijn van 2007 zijn opnieuw gebruikt voor de actualisatie. De gebruikte bronnen zijn Cochrane Library, Medline en Embase.

 

De systematische zoekacties hadden betrekking op de periode 2005 tot december 2011. Nadien hebben werkgroepleden enkele in 2012 gepubliceerde studies aangedragen.
Er is voor de uitgangsvragen 1 t/m 8 gezocht naar systematische reviews van RCTs en oorspronkelijke RCTs voor zover het de effectiviteit en bijwerkingen op de korte termijn betrof, en naar systematische reviews van observationele studies voor zover het bijwerkingen op lange termijn betrof.


Er golden de volgende taalrestricties: Nederlands, Engels, Frans en Duits. Voor de uitgangsvragen 1 t/m 8 werden voorts drie in 2012 gepubliceerde studies door de leden van de richtlijncommissie aangedragen.

 

Vanwege de uitgebreidheid van uitgangsvraag 9 en 10 en de beperkte looptijd van het actualisatietraject (12 maanden) heeft de richtlijncommissie hiervoor gebruik gemaakt van de ‘Guidelines of the American Thyroid Association for the Diagnosis and Management of Thyroid Disease During Pregnancy and Postpartum’. De tekst van deze richtlijn is vertaald en bewerkt, waarbij

  • zowel de literatuur als de bewijskracht hiervan (kwaliteit van bewijs) zijn overgenomen en, daar waar in deze richtlijn werd gewezen op in uitvoering zijnd onderzoek,  aangevuld met publicaties hierover;
  • werd nagegaan of de aanbevelingen:
    • strookten met de gepresenteerde literatuur,
    • aansloten bij de percepties van Nederlandse patiënten over gunstige en ongunstige effecten van voorgestelde behandelwijzen en wijzen van begeleiding;
    • compatibel waren met de door de betrokken clinici gehanteerde waarden en attitudes;
    • toepasbaar zouden zijn in de context van de Nederlandse gezondheidszorg.

Voor de uitgangsvragen 1 t/m 8 is per uitgangsvraag een evidence report gemaakt dat als separaat document digitaal beschikbaar is. Hierin is ook de gedetailleerde beoordelingen van de kwaliteit van bewijs opgenomen. 

Beoordeling van de kwaliteit van studies

In de richtlijn van 2007 werd de bewijskracht van afzonderlijke studies en de hierop gebaseerde conclusie geclassificeerd conform de indeling die in tabel 1 en 2 staat vermeld.

 

Tabel 1. Mate van bewijs op basis van gepubliceerde literatuur

Bewijskracht

Criteria

 

 

 Studies betreffende diagnose / diagnostiek

A1

Onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten bij een prospectief gevolgde goed gedefinieerde patiëntengroep met een tevoren gedefinieerd beleid op grond van de te onderzoeken testuitslagen, of besliskundig onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten, waarbij resultaten van onderzoek van A2-niveau als basis worden gebruikt en voldoende rekening wordt gehouden met onderlinge afhankelijkheid van diagnostische tests

A2

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, waarbij van tevoren criteria zijn gedefinieerd voor de te onderzoeken test en voor een referentietest, met een goede beschrijving van de test en de onderzochte klinische populatie; het moet een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten betreffen, er moet gebruik zijn gemaakt van tevoren gedefinieerde afkapwaarden en de resultaten van de test en de ‘gouden standaard’ moeten onafhankelijk zijn beoordeeld

B

Vergelijking met een referentietest, beschrijving van de onderzochte test en populatie, maar niet de kenmerken die verder onder niveau A staan genoemd

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

 

Studies betreffende preventie of behandeling

A1

Systematische reviews die ten minste enkele onderzoeken van A2-niveau betreffen, waarbij de resultaten van afzonderlijke onderzoeken consistent zijn

A2

Gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit (gerandomiseerde, dubbelblind gecontroleerde trials) van voldoende omvang en consistentie

B

Gerandomiseerde klinische trials of systematische reviews, die niet voldoen aan de niveau A criteria

C

Niet-gerandomiseerd onderzoek of cohortonderzoek

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

 

 Studies betreffende etiologie en prognose

B1

Vergelijkend observationeel onderzoek (cohortonderzoek, patiëntcontroleonderzoek) van goede kwaliteit

B2

Vergelijkend observationeel onderzoek (cohortonderzoek, patiëntcontroleonderzoek) van matige kwaliteit

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

Tabel 2. Niveau van bewijs van de conclusies

Niveau van bewijs

Criteria

Niveau 1

Gebaseerd op één systematische review (A1) of ten minste twee, onafhankelijk van elkaar uitgevoerde, onderzoeken van niveau A2

Niveau 2

Gebaseerd op ten minste twee, onafhankelijk van elkaar uitgevoerde, onderzoeken van niveau B

Niveau 3

Gebaseerd op één onderzoek van niveau A2 of B of onderzoek van niveau C

Niveau 4

Gebaseerd op de mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

Voor de actualisatie van deze richtlijn is gebruik gemaakt van de meer geavanceerde GRADE-benadering die inmiddels internationaal geaccepteerd is. In deze benadering worden de volgende definities gehanteerd.

 

Quality of evidence (Kwaliteit van bewijs)

‘The quality of evidence reflects the extent of our confidence that the estimates of the effect of an intervention are correct’

 

Quality

Interpretation

High

We are very confident that the true effect lies close to that of the estimate of the effect.

Moderate

We are moderately confident in the effect estimate: The true effect is likely to be close to the estimate of the effect, but there is a possibility that it is substantially different

Low

Our confidence in the effect estimate is limited: The true effect may be substantially different from the estimate of the effect.

Very low

We have very little confidence in the effect estimate: The true effect is likely to be substantially different from the estimate of effect.

 

Voor de beoordeling van studies worden in de GRADE-benadering RCTs initieel als high quality evidence geclassificeerd. Vervolgens wordt aan de hand van vijf criteria beoordeeld of afwaardering met een of twee niveaus noodzakelijk is. De beoordeling geschiedt voor de body of evidence en per uitkomstmaat (en niet per studie). De criteria zijn:

  • Beperkingen in opzet en uitvoering van studies.
    Beperkingen in de opzet en uitvoering van studies kunnen zorgen voor vertekening van het effect van een interventie. Belangrijke beperkingen zijn: inadequate randomisatie en blindering van de toewijzing aan interventie- en controlegroep, aanzienlijke loss to follow-up, geen blindering van de degene die de interventie uitvoert, of de uitkomsten vastlegt of deze analyseert.
  • Inconsistentie.
    Inconsistentie verwijst naar onverklaarde heterogeniteit van de uitkomsten. Grote verschillen tussen de uitkomsten van verschillende studies suggereren werkelijke verschillen in het onderliggende effect van de behandeling. Dit kan erop wijzen dat de bestudeerde patiënten, de bestudeerde interventies of de bestudeerde uitkomstmaten van studie tot studie verschillen.
  • Indirect bewijs.
    De uitgangsvraag (PICO) wijkt af van het beschikbare bewijs qua populatie, interventie, vergelijking of uitkomstmaat.
  • Onnauwkeurigheid.
    Resultaten zijn onnauwkeurig wanneer studies betrekkelijk weinig patiënten en weinig ‘events’ hebben, en derhalve wijde betrouwbaarheidsintervallen rond de effectschatting hebben.
  • Publicatiebias.
    Publicatiebias is een systematische onderschatting of overschatting van het onderliggende gunstige of ongunstige effect ten gevolge van selectieve publicatie van studies.

Zoals eerder werd gesteld zijn voor uitgangsvraag 9 en 10 de ‘Guidelines of the American Thyroid Association for the Diagnosis and Management of Thyroid Disease During Pregnancy and Postpartum’ benut.  Hiervan is de literatuur en de beoordeling van de bewijskracht overgenomen.

 

In deze richtlijn worden zowel kwaliteit van bewijs als aanbevelingen geclassificeerd. Daartoe is onderstaand classificatieschema gebruikt.

 

Aanbevelingen

Strongly Recommended: The USPSTF strongly recommends that clinicians provide [the service] to eligible patients. The USPSTF found good evidence that [the service] improves important health outcomes and concludes that benefits substantially outweigh harms.

 

Recommended: The USPSTF recommends that clinicians provide [the service] to eligible patients. The USPSTF found at least fair evidence that [the service] improves important health outcomes and concludes that benefits outweigh harms.

 

No Recommendation: The USPSTF makes no recommendation for or against routine provision of [the service]. The USPSTF found at least fair evidence that [the service] can improve health outcomes but concludes that the balance of benefits and harms is too close to justify a general recommendation.

 

Not Recommended: The USPSTF recommends against routinely providing [the service] to asymptomatic patients. The USPSTF found at least fair evidence that [the service] is ineffective or that harms outweigh benefits.

 

Insufficient Evidence to Make a Recommendation: The USPSTF concludes that the evidence is insufficient to recommend for or against routinely providing [the service]. Evidence that the [service] is effective is lacking, of poor quality, or conflicting and the balance of benefits and harms cannot be determined.

 

 

 

Quality of Evidence

 

 

The USPSTF grades the quality of the overall evidence for a service on a 3-point scale (good, fair, poor):

 

Good:   Evidence includes consistent results from well-designed, well-conducted studies in representative populations that directly assess effects on health outcomes.

 

Fair:       Evidence is sufficient to determine effects on health outcomes, but the strength of the evidence is limited by the number, quality, or consistency of the individual studies, generalizability to routine practice, or indirect nature of the evidence on health outcomes.

Poor:     Evidence is insufficient to assess the effects on health outcomes because of limited number or power of studies, important flaws in their design or conduct, gaps in the chain of evidence, or lack of information on important health outcomes

 

 

Formuleren van aanbevelingen

Voor het opstellen van aanbevelingen is naast het wetenschappelijk bewijs ook gekeken naar andere factoren, zoals organisatorische aspecten, voorkeuren van patiënten, beschikbaarheid van expertise of technieken, en maatschappelijke consequenties. Deze factoren zijn, waar van toepassing, beschreven onder het kopje ‘overige overwegingen’. De conclusie op basis van de literatuur wordt hier in de context van de dagelijkse praktijk geplaatst, er kan een afweging van voor- en nadelen plaatsvinden. De uiteindelijke aanbeveling is het resultaat van de geformuleerde `evidence` in combinatie met deze factoren.

 

Bij de herziening van de aanbevelingen is het kostenaspect niet systematisch geëvalueerd. De commissie is niettemin van mening dat de gewijzigde aanbevelingen niet of nauwelijks tot extra kosten zullen leiden.

 

Voor het opstellen van de aanbevelingen zijn geen formele methoden zoals een Delphi-methode gehanteerd. Deze zijn op informele wijze tot stand gekomen. 

 

Procedure voor commentaar en autorisatie

De commissie heeft gedurende ruim 1 jaar aan de conceptrichtlijn gewerkt, waarbij de klankbordgroep tweemaal gevraagd is om schriftelijk commentaar op een concept te leveren. De concepten zijn in vergaderingen plenair besproken en door de commissie geaccordeerd.

Op de conceptrichtlijn hebben de deelnemende wetenschappelijke verenigingen en patiëntenorganisatie hun commentaar kunnen leveren. De werkgroep heeft de ontvangen reacties beoordeeld, verwerkt in de definitieve conceptrichtlijn, en de verenigingen en organisaties geïnformeerd over hetgeen is verwerkt.

De richtlijn is vervolgens in december 2012 geautoriseerd.

Volgende:
Schildklierstoornis zwangerschap & postpartum