Gebruik psychoactieve stoffen in strafzaken

Laatst beoordeeld: 01-01-2013

Uitgangsvraag

Methode om gebruik psychoactieve stoffen te categoriseren.

Aanbeveling

De rapporteur moet kennis hebben van psychoactieve middelen en hun effect op de psyche en het gedrag van mensen. Neem kennis van de 'state of the art' inzake verslaving, zoals ook omschreven in de betreffende richtlijnen van de NVvP.


In een pro Justitia-rapport mag een verslavingsanamnese niet ontbreken en bij langdurige verslaving zal rekening moeten worden gehouden met lichamelijke schade, die een neurologisch en/of neuropsychologisch onderzoek noodzakelijk maakt.


De rapporteur moet in het geval van middelenmisbruik in staat zijn het ontstaan van het middelenmisbruik te relateren aan eventueel aanwezige andere stoornissen en beperkingen. Hierbij moeten de comorbide stoornissen zo helder mogelijk worden onderscheiden evenals hun invloed op het gedrag inzake het ten laste gelegde.

Overwegingen

Bij deze module werden geen overwegingen geformuleerd.

Inleiding

Onderzoek naar de prevalentie van middelenmisbruik bij verdachten over wie is gerapporteerd, laat zien dat er bij meer dan de helft sprake is van misbruik tijdens of voorafgaand aan het plegen van het ten laste gelegde delict (Coid et al., 2006) en dat er bij een derde sprake is van verslavings­problematiek (Canton, 2004). Amerikaanse onderzoekers vinden iedere keer weer een sterk verband tussen middelengebruik en delinquentie onder jongeren (Huizinga et al., 2003). In een onderzoek onder Nederlandse jongeren in de eerste drie jaren van het voortgezet onderwijs, werd dit bevestigd (Junger-Tas et al., 2008). Jongeren die wekelijks alcohol drinken, plegen vaker gewelds- en vermogensdelicten dan jongeren die niet drinken (Trimbos-instituut, 2010).

 

Vanwege de hoge prevalentie van verslavingsproblematiek onder gedeti­neerden en de relatie tussen middelengebruik en criminaliteit (facilitering door drempelverlaging, verhoogde agressie en impulsiviteit, vermogensde­licten) is kennis van de gevolgen van gebruik, misbruik en afhankelijkheid van psychoactieve stoffen voor de pro Justitia-rapporteur onontbeerlijk. Het gaat hierbij zowel om de gevolgen op korte als op lange termijn. De werking van de verschillende middelen op het brein moet tot het kennis­arsenaal van de rapporteur behoren en hij dient kennis genomen te hebben van de richtlijnen over alcoholmisbruik en harddrugsverslaving van de NVvP. Verslaving wordt, vanwege de toenemende neurobiologische kennis van de laatste jaren, door gedragsdeskundigen gezien als een (chronische) hersenziekte (zie de multidisciplinaire richtlijnen Stoornissen in het gebruik van alcohol en Opiaatverslavingwww.nvvp.net). Hiermee in lijn is dat misbruik en afhankelijkheid van middelen in de DSM-IV-TR systematisch worden geclassificeerd als klinische stoornis (op As I). Deze stoornis gaat bij de meeste middelen na enige tijd gepaard met een destructieve levens­stijl (De Haan et al., 2008).

 

Door de rechtspraak wordt verslaving echter nog vaak gezien als een gedragsstoornis, met de bijpassende verantwoordelijkheid van degene die verslaafd is. Rapporteurs moeten zich dit goed realiseren bij de voorlich­ting aan de rechtbank.

Samenvatting literatuur

De anamnese

In een pro Justitia-onderzoek moet altijd naar het gebruik van psycho­actieve stoffen worden gevraagd. Het gaat hierbij niet alleen om het gebruik van psychoactieve stoffen ten tijde van het ten laste gelegde delict, maar ook gedurende het leven. Ook wanneer geen psychoactieve stoffen worden gebruikt, moet dit in de rapportage worden vermeld.

 

De justitiabele zal hierover niet altijd eerlijk zijn. Verslaving wordt ook wel de ziekte van de ontkenning genoemd (De Haan et al., 2008). Het is daarom van belang om niet bevooroordeeld en met gebruik van motive­rende technieken de anamnese af te nemen. Een heteroanamnese geeft daarnaast ook vaak aanvullende informatie.

 

Bij verslaving is de laatste jaren duidelijk aangetoond dat er sprake is van een erfelijke component. Het is daarom van belang dat ook de familieanamnese wordt uitgevraagd.

 

Er zijn verschillende gestructureerde vragenlijsten ontwikkeld, die echter nog nauwelijks op betrouwbaarheid en/of validiteit zijn onderzocht. Ook door andere disciplines, zoals reclasseringsmedewerkers, worden lijsten als de Recidive Inschattings Schalen (RISC) en de Measurements in the Addictions for Triage and Evaluation (MATE)-crimi gebruikt. Hieruit kan soms informatie worden gewonnen, maar omdat deze vragenlijsten nog zo weinig zijn onderzocht op validiteit, wordt geadviseerd ze niet als zodanig in de rapportage te gebruiken.

 

Nader onderzoek

Bij verslavingsproblematiek moet extra aandacht worden geschonken aan de gevolgen voor het lichaam en, meer specifiek, de hersenen. Een neuro­logisch en/of neuropsychologisch onderzoek gericht op detectie van cogni­tieve stoornissen is speciaal van belang bij chronisch gebruik van alcohol en vermoeden van een amnestisch syndroom.

 

Het bepalen van bloedspiegels en/of urinebepalingen zal veelal geen infor­matie meer opleveren over het middelengebruik ten tijde van het delict, maar kan wel een indicatie zijn voor blijvend middelengebruik. Afhankelijk van het middel verschilt de duur van de detectietijd waarin nog iets van de stof in het lichaam kan worden aangetroffen.

 

Comorbiditeit

Comorbiditeit is de norm bij middelenmisbruik en -verslaving. Van de detentiepopulatie heeft ongeveer de helft van de verslaafden een psychi­atrische stoornis (Koeter & Van Maastricht, 2006). Meer dan de helft van de adolescenten met problematisch middelengebruik heeft een gedrags­stoornis (Brook et al., 1995). Daarnaast moet rekening worden gehouden met het feit dat er veelal sprake is van het gebruik van verschillende psychoactieve middelen. Soms is er tegelijk ook sprake van een gok- of seksverslaving.

 

Het is niet altijd makkelijk om te beoordelen of een symptoom veroor­zaakt wordt door een psychiatrische stoornis, een aan middelen gebonden stoornis of door beide. Het is daarom van belang om de ontwikkeling van de afzonderlijke stoornissen ten opzichte van elkaar en in de loop van de tijd zo goed mogelijk te ontrafelen. De relaties tussen verslaving en comorbide psychiatrische stoornissen zijn bijna altijd complex en circulair van aard (De Haan et al., 2008). Heteroanamnestische gegevens zijn ook in deze zeer belangrijk. Klinische observatie kan relevante informatie ople­veren.

 

In de forensisch psychiatrische beschouwing kan dan de verslaving geïnte­greerd worden gewogen met de eventuele psychopathologie en consequen­ties ten aanzien van het advies over toerekenen en de recidive.

 

Het advies om toe te rekenen en het begrip 'culpa in causa’

Adviseren of onderzochte al dan niet toe te rekenen is, is geen eenvoudige zaak. Bijzondere aandacht verdienen situaties waarin de onderzochte, althans volgens juridische begrippen, zichzelf verwijtbaar in een situatie heeft gebracht waarin bij hem sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, die vervolgens van invloed is geweest bij het plegen van het ten laste gelegde. Juristen spreken in dit verband van culpa in causa. Het vaststellen is aan de rechter, de psychiater levert daarvoor de benodigde informatie aan. Het kan bijvoorbeeld gaan om de gebruiker van alcohol of cocaïne die weet wat er gebeurt onder invloed van het middel, of om de psychoticus die zijn medicatie niet inneemt terwijl hij had kunnen weten dat hij hierdoor gewelddadig kan worden.

 

Bij dit juridische culpa-in-causaprincipe wordt uitgegaan van het weet hebben van de gevolgen van bepaald gedrag. Daarbij speelt vaak de vraag hoe ver dit weten en ‘zich rekenschap geven van' teruggaat in de tijd. Als (juridisch) beoordelingsmoment voor de mate van toerekening wordt het moment dat de intoxicatie met de psychoactieve stof plaatsvond gekozen. Het is ook, in dit kader, van belang dat men zich houdt aan de eigen exper­tise als psychiater. Men moet steeds goed aangeven in hoeverre psychopa­thologie (toch) een rol heeft gespeeld in het middelengebruik, met andere woorden: in hoeverre het middelenmisbruik (mede) voortkomt uit de stoornis. Voor de huidige visie over de etiologie en de impact van verslavingsziekten wordt verwezen naar de NVvP-richtlijnen over alcoholgebruik en harddrugsverslaving.

 

De drie volgende vragen zijn aan de orde (De Haan et al., 2008):

  • Wist de betrokkene dat hij het middel had ingenomen (wetenschap van zelfintoxicatie)?

  • Is betrokkene bekend dan wel had hij bekend kunnen zijn met de (negatieve) effecten die (overmatig) gebruik of onttrekking van het middel op zijn gedrag zou kunnen hebben?

  • Zijn er factoren aanwijsbaar die de gedragsalternatieven van betrokkene op het moment van de inname van het middel hebben beperkt? Was er bijvoorbeeld sprake van een relatie met een psychiatrische stoornis?

Bij adolescenten die nog weinig ervaring hebben met het effect van een middel op hun handelen en die vaak onder druk van een groep experi­menteren met middelengebruik, zal de tweede vraag nogal eens negatief worden beantwoord. Jongeren of beginnende middelengebruikers hebben vaker (nog) weinig tot geen weet van het effect van middelengebruik op hun denken, voelen en handelen.

 

Ten slotte wordt van rapporteurs verwacht dat zij kennis hebben over de (toenemende) forensische behandelmogelijkheden van verslavingspro­blematiek. Zij zullen rekening houdend met de ernst van de verslaving en de mate van comorbiditeit in relatie tot het ten laste gelegde delict en het recidiverisico een goede afweging moeten maken ten aanzien van de behandelinstelling.

Referenties

  1. Coid, J., Yang, M., Roberts, A., Ullrich, S., Moran, P., Bebbeington, P. et al. (2006). Violence and psychiatric morbidity in the national household population of Britain: public health implications. British Journal of Psychiatry, 189, 12-19.
  2. Canton, W.J. (2004). Gerapporteerd… en dan? Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Breda: Twintype.
  3. Huizinga, D., Wulie Weiher, A., Esperitu, R. et al. (2003). Delinquency and crime: Some highlights from the Denver Youth Survey. In: T.P. Thornberry & M.D. Krohn (red.), Taking stock of delinquency - an overview of findings from contemporary longitudinal studies (p. 47-93). Kluwer Academic/Plenum Publishers.
  4. Junger-Tas, J., Steketee, M. & Moll, M. (2008). Achtergronden van jeugddelinquentie en middelengebruik. Utrecht: Verwey Jonker Instituut.
  5. Trimbos-instituut (2010). Preventie van schadelijk alcoholgebruik en drugsgebruik onder jongeren (rapport), www.trimbos.nl.
  6. Haan, H. de, Jong, C. de & Roeters, C. (2008). Misbruik en afhankelijkheid van psychoactieve stoffen. In: B.A. Blansjaar, M.M. Beukers & W.F. van Kordelaar (red.), Stoornis en delict. Handboek psychiatrische en psychologische rapportage in strafzaken (p. 69-90). Utrecht: De Tijdstroom.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2013

Laatst geautoriseerd : 01-01-2013

Uiterlijk in 2015 bepaalt het bestuur van de NVvP of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. De NVvP is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie

Doel en doelgroep

Doelstellingen van de richtlijn

In Nederland bestaat in ongeveer 30% van de strafrechtelijke meervoudige kamerzaken behoefte aan (gedragskundige) rapportage. In het algemeen betreft dit ernstige delicten (geweld, levens- of seksuele delicten en brandstichting). In 2008 werden 5.800 personen onderzocht en werden meer dan 8.000 psychiatrische en psychologische rapporten uitgebracht. In 25% van de personen en rapportages betrof het jongeren. Vrijwel alle rapportages worden verricht door zelfstandig werkende psychologen en psychiaters. In het Pieter Baan Centrum (waar psychiaters en psychologen in dienstverband onderzoek doen) werden in 2008 van 230 personen onderzoeksrapporten vervaardigd.

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) heeft, gezien het belang van het onderwerp en in het kader van een algemeen beleid van richtlijnontwikkeling, opdracht gegeven een monodisciplinaire richtlijn psychiatrische rapportage in het strafrecht voor meerderen minderjarigen op te stellen.

Deze richtlijn heeft de volgende doelstellingen.

  • Doelstelling 1: aansluiting bewerkstelligen van het psychiatrisch onderzoek en de rapportage pro Justitia bij de professioneel functionerende wetenschappelijke psychiatrische praktijk, die werkt met een stelsel van richtlijnen. 

  • Doelstelling 2: richtinggevende ondersteuning voor en uitleg over het onderzoek en rapportage pro Justitia door psychiaters. De richtlijn dient als hulpmiddel en uitdrukkelijk niet als protocol. 

  • Doelstelling 3: bieden van een gestructureerd professioneel kader, waardoor de psychiaterrapporteur zijn kennis en kunde beter kan inzetten. 

  • Doelstelling 4: bijdragen aan intercollegiale en interdisciplinaire communicatie over de positie van de psychiater in het onderzoeksproces. De rollen in het (vaak) multidisciplinaire rapportageproces kunnen er transparanter door worden. Om deze reden zijn psychologenrapporteurs ook in de werkgroep vertegenwoordigd. Voor opleiding van aio’s, intercollegiale toetsing en (toekomstige) intercollegiale visitatie heeft de richtlijn ook betekenis. Hiermee wordt kwaliteitsverbetering van professioneel handelen beoogd. 


 

Gebruikers van de richtlijn

Deze monodisciplinaire richtlijn is primair bedoeld voor (kinder- en jeugd-)psychiaters die in het kader van het strafrecht rapportages pro Justitia maken en voor arts-assistenten in hun opleiding tot psychiater. Daarnaast kan de richtlijn ook een hulpmiddel zijn voor psychologen die rapportages pro Justitia maken. 

Samenstelling werkgroep

De richtlijnwerkgroep bestond uit gemandateerde vertegenwoordigers
van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en twee psychologen en twee juristen, werkzaam bij het NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie), die betrokken zijn bij het onderzoek- en rapportageproces in strafzaken. Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de expertise van de werkgroepleden, de geografische spreiding en met een vertegenwoordiging van de diverse betrokken verenigingen en instanties.

 

  • Dr. P.J.A. van Panhuis, psychiater NIFP, voorzitter.

  • Ir. T.A. van Barneveld, epidemioloog, Orde van Medisch Specialisten.

  • Mr. C. Brouwer, juriste NIFP, locatie Groningen.

  • Dr. W.J. Canton, vrijgevestigd psychiater, lid van het adviescollege verloftoetsing tbs, destijds voorzitter van de Vereniging van Pro Justitia Rapporteurs (VVR).

  • Dr. N. Duits, kinder- en jeugdpsychiater, hoofd bureau Kwaliteit NIFP.

  • Dr. C.M. van Esch, juriste NIFP, locatie Arnhem, plv. rechter Dordrecht.
  • A.J. de Groot, psycholoog, FPC De Rooyse Wissel.
  • 
Dr. W.F.J.M. van Kordelaar, psycholoog, lid directieraad NIFP.
  • 
Prof.dr. H.J.C. van Marle, hoogleraar forensische psychiatrie, Erasmus Universiteit Rotterdam.
  • 
D. van der Meer, psychiater, Rotterdam.

  • E.M.M. Mol, psychiater, NIFP, locatie Maastricht.

  • A.G.S. de Ranitz, psychiater FPC De Tweelanden.

  • I.E. Troost, kinder- en jeugdpsychiater NIFP, locatie Groningen.

  • Dr. M. Wiznitzer, kinder- en jeugdpsychiater NIFP, locatie Amsterdam.

 

Met speciale dank aan prof.dr. C. Jonker, neuroloog, Amsterdam, voor zijn bijdrage aan het onderwerp ‘Indicatie neurologisch onderzoek’,
mr. R.M.S. Doppegieter, juridisch adviseur, voor haar bijdrage aan het hoofdstuk ‘Gezondheidsrechtelijke context’ en H. de Haan, psychiater, voor zijn bijdrage aan het aan het onderwerp ‘Gebruik van psychoactieve stoffen’.

 

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) is in 1871 opgericht door onder meer dr. J.N. Ramaer. Vijftig jaar later sloten de neurologen zich bij de vereniging aan en ging deze onder de naam Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en Neurologie verder tot december 1973, toen de vereniging zich in twee aparte verenigingen splitste. Deze splitsing was het gevolg van de in 1971 tot stand gekomen splitsing van het specialisme zenuw- en zielsziekten in een specialisme psychiatrie en een specialisme neurologie. In maart 1996 vierde de vereniging, als oudste en met meer dan 1.950 leden inmiddels de grootste wetenschappelijke vereniging van Nederland, het 125-jarig bestaan. 

Werkwijze

Intentieverklaring

Deze richtlijn is geen standaard die in alle omstandigheden van toepassing verklaard kan worden. Standaarden zijn dwingend en men dient er in principe niet van af te wijken. Van richtlijnen kan beredeneerd worden afgeweken. Ze zijn bedoeld om rationeel klinisch handelen te ondersteunen, en op basis van nieuwe inzichten verder door te ontwikkelen.

De richtlijn Psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken (‘pro Justitia’) is een binnen de psychiatrische beroepsgroep overeengekomen gedragslijn voor gepast medisch-psychiatrisch handelen, die zo veel mogelijk is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur en het inzicht van experts, en die gedragen wordt door de leden van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie.

De richtlijn is een leidraad voor psychiaters inzake het door hen uitgevoerde diagnostisch onderzoek in strafzaken, de diagnosestelling en de verslaglegging in de rapportage pro Justitia. Besproken worden onder andere de methoden en technieken van het forensisch psychiatrisch onderzoek, bijzondere aandachtsvelden zoals psychopathie, het begrip toerekeningsvatbaarheid, de risicotaxatie van geweldsrecidive en de (juridische) context, de manier waarop het forensisch psychiatrisch onderzoek en de diagnosestelling lege artis uitgevoerd dienen te worden met een specificatie voor het kinder- en jeugdpsychiatrisch onderzoek pro Justitia.

Deze richtlijn dient ter aanvulling en zo nodig ter verbijzondering van de in 2004 verschenen Richtlijn psychiatrisch onderzoek bij volwassenen (Sno et al., 2004). Er is nog geen richtlijn voor het psychiatrisch onderzoek bij kinderen en jongeren. Ook bij de huidige richtlijn geldt dat de volgorde en uitgebreidheid van voor het onderzoek te verzamelen informatie bepaald wordt door de situatie waarin het onderzoek plaatsvindt en de toestand van de onderzochte. Ook hier speelt de vaardigheid van de psychiater op het gebied van anamnese en onderzoek een rol.

 

Gezondheidszorg en strafrecht

Gezondheidszorg en strafrecht kennen verschillende denk- en handelingskaders (Van Kordelaar & Bulten, 2005; Duits & Van Kordelaar, 2007). Psychiaters en gezondheidszorgpsychologen zijn in meerderheid werkzaam in het curatieve domein van de (geestelijke) gezondheidszorg. Ze zijn opgeleid om psychische ziektes te onderkennen en te diagnosticeren en patiënten te behandelen. Binnen de gezondheidszorg geldt de empirische evidentie; er komen steeds meer richtlijnen die evidence-based zijn. Het gaat om waarschijnlijkheden, kansen en condities. Dit geldt voor het diagnostisch onderzoek, de differentiële diagnose, het behandelplan en de ingezette behandeling. Diagnostiek en behandeling worden bijgesteld op geleide van de bevindingen.

Het strafrecht beoogt de rechtsorde te herstellen en streeft gelijktijdig rechtsgelijkheid en rechtsbescherming na. De doelstellingen van sanctietoepassing zijn vergelding en het voorkomen van herhaling door algemene en speciale preventie. Het jeugdstrafrecht heeft ook een pedagogische doelstelling: het dient de ontwikkeling van de jongere te bevorderen. Juristen dienen in het domein van het strafrecht besluiten te nemen over schuld, straf en maatregel. Zij doen dat op basis van normatieve gronden, die zijn vastgelegd in de Wetboeken van Strafrecht (Sr) en Strafvordering (Sv) en gerelateerde jurisprudentie.

Rond het onderzoek pro Justitia zijn verschillende disciplines werkzaam, die vanuit verschillende kaders een ander jargon hanteren en bovendien een geheel andere invulling geven aan bepaalde begrippen en die bepaalde verwachtingen hebben van de mogelijkheden van het andere domein. Dat levert wel eens misverstanden op, zoals een jurist die het waarschijnlijkheidsadvies van de deskundige interpreteert als een categorale uitspraak, of een deskundige die zijn bevindingen presenteert in juridische categorieën. Een eerste aanbeveling kan zijn dat men zich hiervan moet vergewissen en erin moet zijn opgeleid. Een duidelijke opdracht en vraagstelling voor de deskundige is hierbij van wezenlijk belang om de ‘vertaalslag’ naar het juridische domein te kunnen maken.

 

De vraagstellingen

In de loop der jaren is gebleken dat het stellen van de juiste vragen van belang is voor de optimale inzet van specifieke psychiatrische deskundigheid ten dienste van de rechtspraak. Er is in het begin van de jaren negentig een vraagstelling ontwikkeld (Van Panhuis, 1994; 2000) en deze is verbijzonderd voor jongeren (Duits, 2000). Deze heeft zich in de loop van de jaren doorontwikkeld tot de huidige standaardvraagstelling. Later kwamen specifieke vraagstellingen voor (zesjaars)verlengingsrapportages in tbs en PIJ, vraagstellingen voor het toetsen van longstayindicaties in de tbs en over toetsingen van verlofmodaliteiten.
De (standaard)vraagstellingen zijn als aanverwant bij deze richtlijn opgenomen. 

 

Werkwijze

De principes van evidence-based richtlijnontwikkeling (Van Everdingen
et al., 2004) waren het uitgangspunt bij het opstellen van deze richtlijn. Deze manier van werken houdt in dat allereerst een inventarisatie wordt gemaakt van de knelpunten met betrekking tot het onderwerp van de richtlijn. Vervolgens worden uitgangsvragen opgesteld op basis waarvan
de wetenschappelijke literatuur systematisch in kaart wordt gebracht en beoordeeld, waarbij meestal een gradering van de bewijskracht (‘niveau van bewijs’) wordt aangegeven. De resultaten van deze beoordeling worden vervolgens zo expliciet mogelijk gewogen tegen het praktijkperspectief (de klinische ervaring) en het patiëntenperspectief. Deze weging resulteert uiteindelijk in de aanbeveling.

Genoemde werkwijze is door de commissie zo goed mogelijk gevolgd, met twee belangrijke wijzigingen. Bij het systematisch in kaart brengen van
de wetenschappelijke literatuur bleek de oogst van het literatuuronderzoek voor de meeste uitgangsvragen karig. Goed vergelijkend onderzoek ontbrak veelal en het merendeel van de literatuur was beschrijvend dan wel opiniërend van aard. Bovendien bleek veel internationale literatuur niet extrapoleerbaar naar de Nederlandse situatie. Het Nederlandse strafrecht onderscheidt zich ten opzichte van andere landen door de mogelijkheid om feiten gedeeltelijk toe te rekenen. In de Angelsaksische landen ligt een groter gewicht bij de keuze om een psychisch gestoorde verdachte wel of niet in staat te achten om berecht te worden (‘fit to stand trial’; een bepaling waar de Nederlandse wet overigens ook in voorziet) en het komt in deze landen bij ernstige psychiatrische stoornissen relatief vaker voor dat een verdachte zonder veroordeeld te worden een gedwongen behandeling ondergaat. Tevens wordt er vaak alleen gedifferentieerd tussen volledig toerekenen en volledig niet toerekenen. Door de Nederlandse hantering van een glijdende schaal van toerekenen, gebaseerd op de individuele door- werking van psychische stoornis op delictgedrag, wordt de vergelijking met onderzoeksresultaten uit het buitenland bemoeilijkt. De consequentie van het voorgaande is dat de aanbevelingen van deze richtlijn vaak gebaseerd zijn op expertise, ervaring en professionele meningsvorming (consensus). Dit heeft de commissie doen besluiten om een expliciete gradering van wetenschappelijke literatuur (‘niveau van bewijs’) achterwege te laten en de paragrafen af te ronden met aanbevelingen. In de tekst van de paragraaf zijn telkens de argumenten van de commissie voor de betreffende aanbevelingen terug te vinden met waar mogelijk een bespreking van wetenschappelijke literatuur.

Een tweede belangrijke afwijking van de gangbare methode van richtlijnontwikkeling is het patiëntenperspectief. In veel richtlijnen wordt voor de weging van het patiëntenperspectief een vertegenwoordiger van de patiëntenvereniging in de commissie opgenomen, dan wel een focusgroep met patiënten georganiseerd. In overleg met de NVvP is besloten hiervan af te zien. Bij het onderzoek pro Justitia gaat het om een niet georganiseerde, heterogene groep personen die verdacht worden van het plegen van een delict. Dit maakt een focusgroep lastig te organiseren en geeft een aanzienlijk risico op selectieve resultaten.