(On)toerekeningsvatbaarheid bij strafzaken

Laatst beoordeeld: 01-01-2013

Uitgangsvraag

  • Wat is de betekenis en functie van het onderzoek pro Justitia voor het toerekenen door de rechter?
  • Hoe vindt de rapporteur daarin zijn of haar weg?

 

De uitgangsvragen worden in deze module aan de hand van de volgende onderwerpen besproken:

  • (On)toerekeningsvatbaarheid of het advies niet toe te rekenen

  • Wilsbekwaamheid en toerekeningsvatbaarheid

  • Het advies over het toerekenen

Aanbeveling

De beschrijving van de eventuele relatie tussen een psychiatrische stoornis en het ten laste gelegde is een advies aan de rechter. Om dat te benadrukken, kan men beter spreken van het aanreiken van gedragskundige argumenten om het ten laste gelegde niet of met beperking toe te rekenen.

 

Het begrip (on)toerekeningsvatbaarheid leidt makkelijk tot verwarring: het suggereert ten onrechte een meetbare eigenschap ('vatbaarheid'). De commissie adviseert te formuleren in termen van 'advies ten behoeve van het toerekenen', waarbij inhoudelijke psychiatrische argumenten worden gegeven die de rechter bij het toerekenen van een delict kan meewegen.

 

Voor de advisering aan de rechtbank over het toerekenen van het ten laste gelegde wordt uitgegaan van een continuüm in de wederzijdse beïnvloeding tussen psychopathologie en situatieve factoren als causaliteit. De uitersten ervan bestaan uit louter psychopathologie als oorzaak en de afwezigheid van enige psychische stoornis. Dit geeft aanleiding om het advies al dan niet of verminderd toe te rekenen.

 

Dit gebeurt aan de hand van een zo objectiveerbaar mogelijke beschrijving van de psychiatrische pathologie en inzichtelijke onderbouwing van de betekenis ervan voor het ten laste gelegde.

Overwegingen

Bij deze module werden geen overwegingen geformuleerd.

Samenvatting literatuur

(On)toerekeningsvatbaarheid of het advies niet toe te rekenen

Het begrip (on)toerekeningsvatbaarheid leidt makkelijk tot verwarring: het suggereert een losstaande en te objectiveren eigenschap ('vatbaarheid'), terwijl het dat niet is. Toerekeningsvatbaarheid is niet een vast te stellen kenmerk van een delict, het is geen eigenschap van de onderzochte, noch zegt het iets over diens mate van functioneren in het dagelijks leven en evenmin is het een vast te stellen symptoom van een stoornis. De beoorde­ling van de eventuele relatie tussen stoornis(sen) en ten laste gelegde is een advies aan de rechter. Het lijkt daarom juister om te spreken van een advies in het toerekenen van de stoornis, en de mate waarin deze heeft bijge­dragen aan de totstandkoming van het ten laste gelegde, te betrekken.

 

De commissie realiseert zich dat het begrip 'toerekeningsvatbaarheid' in Nederland zo is ingeburgerd dat veel rapporteurs en gebruikers van rapportages het niet makkelijk kunnen of willen loslaten. Vanuit die reali­teit beveelt de commissie aan wel de hiervoor beschreven (functionele) benadering te volgen alvorens (toch) in termen van 'toerekeningsvatbaar­heid' een eindconclusie te formuleren.

 

Wilsbekwaamheid en toerekeningsvatbaarheid

Wilsvrijheid is al door de eeuwen heen een filosofisch begrip (Meijnen, 2009; Hondius, 2009). De psychiatrie operationaliseert dat vervolgens (alle filosofische discussies ten spijt) in het klinisch onderzoek naar het 'willen en handelen' als de conatieve hersenfuncties (naast de cognitieve en de affectieve functies). Vandaar de termen wilszwakte, wilsonmacht en wilsonbekwaamheid (Hondius, Zuyderhoudt & Honig, 2005; Zuyderhoudt, 2004). Vandaar ook dat de discussie over het al dan niet bestaan van een vrije wil niet het forensisch psychiatrisch onderzoek raakt: dat gaat, volgens het medisch model van de glijdende schaal tussen gezondheid en ziekte, op zoek naar wilsuitingen in de geest en in het handelen. Het willen, wensen, verlangen, de drang en dwang zijn als wilsmanifestaties als zodanig onderwerp van het psychiatrisch onderzoek naar klachten, symptomen en beperkingen.

 

In overeenstemming met het voorgaande over het begrip 'toerekenings­vatbaarheid' adviseren Hondius et al. (2005) het moeilijk onderzoekbare begrip 'wilsonbekwaamheid' als bestaand te beschouwen, maar te opera­tionaliseren in het wel te onderzoeken begrip 'oordeelsbekwaamheid' (Hondius, 2009). In ieder geval wordt vervolgens op basis van de bete­kenis van de pathologie voor het gedrag ten tijde van het ten laste gelegde (sommigen spreken hier van 'doorwerking') een kwantitatieve afweging gemaakt. Deze kan door de rechter worden betrokken wanneer hij het delict toerekent.

 

Het advies over het toerekenen

Door psychiatrisch onderzoek is het soms mogelijk inzichtelijk te maken wat de oorzakelijke betekenis is voor het ten laste gelegde van psychische aandoeningen en functiestoornissen. Deze betekenis is bijvoorbeeld rele­vant wanneer de symptomen van en disfuncties door de psychiatrische stoornis direct en onmiskenbaar inhoud geven aan het misdrijf, zoals achtervolgingswanen die leiden tot een agressieve aanval op de vermeende achtervolger. (Iets wat men overigens zo zuiver vrijwel nooit tegenkomt. Vaker is er een combinatie van invloeden van bijvoorbeeld alcohol en/of drugs actief.)

 

Wanneer het ten laste gelegde niet ondubbelzinnig voortvloeit uit de psychiatrische symptomatologie, disfuncties of ziekte, kan hoogstens worden vastgesteld dat er tot op zekere hoogte een verband bestaat tussen de stoornis en het ten laste gelegde. Andere, door de situatie en omstandig­heden bepaalde factoren kunnen ook een oorzakelijke rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het ten laste gelegde.

 

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er geen duidelijke relaties te leggen zijn tussen specifieke psychopathologie en het advies over toere­kenen, de relatie en het verband zijn sterk individueel bepaald en hangen af van het individuele onderzoek (Giorgi-Guarnieri et al., 2002; Borum, 2003; Stafford & Ben-Porath, 2002). Mogelijkheden tot een geobjectiveerde clas­sificatie binnen het gebied van die verminderde beïnvloeding van het delict zijn dan ook niet mogelijk.

 

Hieruit vloeit voort dat een gradering in vijf 'schalen', zoals deze binnen de Nederlandse strafrechtspraktijk is ontstaan (toerekeningsvatbaar, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar, verminderd toerekeningsvatbaar, sterk verminderd toerekeningsvatbaar en ontoerekeningsvatbaar), vanuit de huidige stand van de medische wetenschap niet kan worden onderbouwd, omdat het forensisch psychiatrisch onderzoek geen basis biedt voor een schaalverdeling. Wat met deze methodiek betrouwbaar kan worden aangetoond, is de afwezigheid van psychopathologie ('normaliteit') en het ten laste gelegde dat volledig wordt gemotiveerd vanuit een (ernstige) psychi­sche stoornis ('het ten laste gelegde als symptoom van de ziekte') (zelden). Daartussenin is sprake van een door psychopathologie gemotiveerd en door situatieve factoren bepaald handelen in relatie tot het ten laste gelegde. De verhouding tussen beide invloeden op het misdrijf ('de doorwerking') is in elke individuele casus weer anders. Met andere woorden, er bestaat geen evidentie voor welke schaalverdeling dan ook, geen vijfpunts- en geen drie-puntsschaal. Bij de verminderde toerekeningsvatbaarheid is elk geval zijn eigen referentie (n = 1-studie), en kan er niet worden teruggegrepen op (schijnzekere) standaarden. De richtlijn bepleit een zo verregaand mogelijke analyse van de mentale functies, al dan niet pathologisch of compenserend ten tijde van het ten laste gelegde.

 

In de strafrechtpraktijk heeft het advies 'enigszins verminderd toereke­ningsvatbaar' of 'sterk verminderd toerekeningsvatbaar' andere consequen­ties gekregen dan het advies 'verminderd toerekeningsvatbaar', terwijl het onderscheid tussen die categorieën vanuit psychiatrisch onderzoek en de bestaande wetenschappelijke kennis niet goed (dat wil zeggen objectiveer­baar en reproduceerbaar) afgrensbaar is.

 

Het psychiatrisch onderzoek levert gedifferentieerde bevindingen op. Binnen een continuüm van ernst en mate van impact van de pathologie zijn drie categorieën te onderscheiden. Over de operationalisering van de uitersten bestaat consensus, namelijk: afwezigheid van psychiatri­sche pathologie leidt tot een advies toe te rekenen, en het advies niet toe rekenen is aan de orde indien iemand door zijn pathologie bij het ten laste gelegde niet in staat was anders te handelen dan hij deed en hij door zijn stoornis absoluut disfunctioneerde. Op deze wijze wordt het middengebied afgegrensd. Het advies aan de rechter valt hierdoor per definitie binnen een van deze drie opties: er is geen psychische stoornis die van invloed is geweest op het ten laste gelegde (advies: toerekenen), er is een psychische stoornis die het ten laste gelegde heeft veroorzaakt (advies: niet toere­kenen), of er is sprake van een psychische stoornis die weliswaar invloed uitoefende op het ten laste gelegde, maar daar niet als enige factor toe heeft geleid (advies: gedeeltelijk niet toerekenen).

 

De psychiater die pro Justitia rapporteert, dient in alle gevallen zo nauw­keurig en objectiveerbaar mogelijk een functionele beschrijving te geven van de relatie tussen individuele pathologie en symptomatologie met het ten laste gelegde. De mate van invloed op het gedrag moet zo goed moge­lijk omschreven en onderbouwd worden. Dit dient zodanig te gebeuren dat de rechter kan afwegen wat dat betekent voor het toerekenen van het ten laste gelegde aan de verdachte en voor het opleggen van een sanctie. Dat biedt ook de mogelijkheid om ter rechtszitting het verband tussen stoornis en ten laste gelegde duidelijk te behandelen, door het bevragen van de gedragsdeskundige. Op deze manier worden de rollen en verantwoordelijk­heden van psychiater en rechter beter onderscheiden.

Referenties

  1. Meijnen, G. (2009). De vrije wil in de forensische psychiatrie. Tijdschrift voor Psychiatrie, 51, 873-881.
  2. Hondius, A.J.K. (2009). Vrije wil niet te negeren in de forensische psychiatrie. Tijdschrift voor Psychiatrie, 51, 883-885.
  3. Hondius, A.J.K., Zuyderhoudt, R.H. & Honig, A. (2005). Wilsonbekwaamheid vaststellen, een casus en stappenplan. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 60, 597-607.
  4. Zuyderhoudt, R.H. (2004). Stoornis en de BOPZ. In: R.B.M. Keurentjes, & R.H. Zuyderhoudt (red.), Praktijkreeks BOPZ. Den Haag: SduUitgevers.
  5. Giorgi-Guarnieri, D., Janofsky, J., Keram, E., Lawsky, S., Merideth, P., Mossman, D. et al. (2002). AAPL practice guideline for forensic psychiatric evaluation of defendants raising the insanity defense. American Academy of Psychiatry and the Law. The Journal of the Academy of Psychiatry and the Law, 30 (2 Suppl.), S3-40.
  6. Stafford, K.P., Ben-Porath, Y.S. (2002). Assessing criminal responsibility. In: J.N. Butcher (red.), Clinical personality assessment: practical approaches (p. 452-465). New York, NY, US: Oxford University Press.
  7. Borum, R. (2003). Not guilty by reason of insanity. In: T. Grisso (ed.), Evaluating competencies, forensic assessments and instruments (p. 193-228). New York: Springer.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2013

Laatst geautoriseerd : 01-01-2013

Uiterlijk in 2015 bepaalt het bestuur van de NVvP of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. De NVvP is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie

Doel en doelgroep

Doelstellingen van de richtlijn

In Nederland bestaat in ongeveer 30% van de strafrechtelijke meervoudige kamerzaken behoefte aan (gedragskundige) rapportage. In het algemeen betreft dit ernstige delicten (geweld, levens- of seksuele delicten en brandstichting). In 2008 werden 5.800 personen onderzocht en werden meer dan 8.000 psychiatrische en psychologische rapporten uitgebracht. In 25% van de personen en rapportages betrof het jongeren. Vrijwel alle rapportages worden verricht door zelfstandig werkende psychologen en psychiaters. In het Pieter Baan Centrum (waar psychiaters en psychologen in dienstverband onderzoek doen) werden in 2008 van 230 personen onderzoeksrapporten vervaardigd.

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) heeft, gezien het belang van het onderwerp en in het kader van een algemeen beleid van richtlijnontwikkeling, opdracht gegeven een monodisciplinaire richtlijn psychiatrische rapportage in het strafrecht voor meerderen minderjarigen op te stellen.

Deze richtlijn heeft de volgende doelstellingen.

  • Doelstelling 1: aansluiting bewerkstelligen van het psychiatrisch onderzoek en de rapportage pro Justitia bij de professioneel functionerende wetenschappelijke psychiatrische praktijk, die werkt met een stelsel van richtlijnen. 

  • Doelstelling 2: richtinggevende ondersteuning voor en uitleg over het onderzoek en rapportage pro Justitia door psychiaters. De richtlijn dient als hulpmiddel en uitdrukkelijk niet als protocol. 

  • Doelstelling 3: bieden van een gestructureerd professioneel kader, waardoor de psychiaterrapporteur zijn kennis en kunde beter kan inzetten. 

  • Doelstelling 4: bijdragen aan intercollegiale en interdisciplinaire communicatie over de positie van de psychiater in het onderzoeksproces. De rollen in het (vaak) multidisciplinaire rapportageproces kunnen er transparanter door worden. Om deze reden zijn psychologenrapporteurs ook in de werkgroep vertegenwoordigd. Voor opleiding van aio’s, intercollegiale toetsing en (toekomstige) intercollegiale visitatie heeft de richtlijn ook betekenis. Hiermee wordt kwaliteitsverbetering van professioneel handelen beoogd. 


 

Gebruikers van de richtlijn

Deze monodisciplinaire richtlijn is primair bedoeld voor (kinder- en jeugd-)psychiaters die in het kader van het strafrecht rapportages pro Justitia maken en voor arts-assistenten in hun opleiding tot psychiater. Daarnaast kan de richtlijn ook een hulpmiddel zijn voor psychologen die rapportages pro Justitia maken. 

Samenstelling werkgroep

De richtlijnwerkgroep bestond uit gemandateerde vertegenwoordigers
van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en twee psychologen en twee juristen, werkzaam bij het NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie), die betrokken zijn bij het onderzoek- en rapportageproces in strafzaken. Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de expertise van de werkgroepleden, de geografische spreiding en met een vertegenwoordiging van de diverse betrokken verenigingen en instanties.

 

  • Dr. P.J.A. van Panhuis, psychiater NIFP, voorzitter.

  • Ir. T.A. van Barneveld, epidemioloog, Orde van Medisch Specialisten.

  • Mr. C. Brouwer, juriste NIFP, locatie Groningen.

  • Dr. W.J. Canton, vrijgevestigd psychiater, lid van het adviescollege verloftoetsing tbs, destijds voorzitter van de Vereniging van Pro Justitia Rapporteurs (VVR).

  • Dr. N. Duits, kinder- en jeugdpsychiater, hoofd bureau Kwaliteit NIFP.

  • Dr. C.M. van Esch, juriste NIFP, locatie Arnhem, plv. rechter Dordrecht.
  • A.J. de Groot, psycholoog, FPC De Rooyse Wissel.
  • 
Dr. W.F.J.M. van Kordelaar, psycholoog, lid directieraad NIFP.
  • 
Prof.dr. H.J.C. van Marle, hoogleraar forensische psychiatrie, Erasmus Universiteit Rotterdam.
  • 
D. van der Meer, psychiater, Rotterdam.

  • E.M.M. Mol, psychiater, NIFP, locatie Maastricht.

  • A.G.S. de Ranitz, psychiater FPC De Tweelanden.

  • I.E. Troost, kinder- en jeugdpsychiater NIFP, locatie Groningen.

  • Dr. M. Wiznitzer, kinder- en jeugdpsychiater NIFP, locatie Amsterdam.

 

Met speciale dank aan prof.dr. C. Jonker, neuroloog, Amsterdam, voor zijn bijdrage aan het onderwerp ‘Indicatie neurologisch onderzoek’,
mr. R.M.S. Doppegieter, juridisch adviseur, voor haar bijdrage aan het hoofdstuk ‘Gezondheidsrechtelijke context’ en H. de Haan, psychiater, voor zijn bijdrage aan het aan het onderwerp ‘Gebruik van psychoactieve stoffen’.

 

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) is in 1871 opgericht door onder meer dr. J.N. Ramaer. Vijftig jaar later sloten de neurologen zich bij de vereniging aan en ging deze onder de naam Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en Neurologie verder tot december 1973, toen de vereniging zich in twee aparte verenigingen splitste. Deze splitsing was het gevolg van de in 1971 tot stand gekomen splitsing van het specialisme zenuw- en zielsziekten in een specialisme psychiatrie en een specialisme neurologie. In maart 1996 vierde de vereniging, als oudste en met meer dan 1.950 leden inmiddels de grootste wetenschappelijke vereniging van Nederland, het 125-jarig bestaan. 

Werkwijze

Intentieverklaring

Deze richtlijn is geen standaard die in alle omstandigheden van toepassing verklaard kan worden. Standaarden zijn dwingend en men dient er in principe niet van af te wijken. Van richtlijnen kan beredeneerd worden afgeweken. Ze zijn bedoeld om rationeel klinisch handelen te ondersteunen, en op basis van nieuwe inzichten verder door te ontwikkelen.

De richtlijn Psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken (‘pro Justitia’) is een binnen de psychiatrische beroepsgroep overeengekomen gedragslijn voor gepast medisch-psychiatrisch handelen, die zo veel mogelijk is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur en het inzicht van experts, en die gedragen wordt door de leden van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie.

De richtlijn is een leidraad voor psychiaters inzake het door hen uitgevoerde diagnostisch onderzoek in strafzaken, de diagnosestelling en de verslaglegging in de rapportage pro Justitia. Besproken worden onder andere de methoden en technieken van het forensisch psychiatrisch onderzoek, bijzondere aandachtsvelden zoals psychopathie, het begrip toerekeningsvatbaarheid, de risicotaxatie van geweldsrecidive en de (juridische) context, de manier waarop het forensisch psychiatrisch onderzoek en de diagnosestelling lege artis uitgevoerd dienen te worden met een specificatie voor het kinder- en jeugdpsychiatrisch onderzoek pro Justitia.

Deze richtlijn dient ter aanvulling en zo nodig ter verbijzondering van de in 2004 verschenen Richtlijn psychiatrisch onderzoek bij volwassenen (Sno et al., 2004). Er is nog geen richtlijn voor het psychiatrisch onderzoek bij kinderen en jongeren. Ook bij de huidige richtlijn geldt dat de volgorde en uitgebreidheid van voor het onderzoek te verzamelen informatie bepaald wordt door de situatie waarin het onderzoek plaatsvindt en de toestand van de onderzochte. Ook hier speelt de vaardigheid van de psychiater op het gebied van anamnese en onderzoek een rol.

 

Gezondheidszorg en strafrecht

Gezondheidszorg en strafrecht kennen verschillende denk- en handelingskaders (Van Kordelaar & Bulten, 2005; Duits & Van Kordelaar, 2007). Psychiaters en gezondheidszorgpsychologen zijn in meerderheid werkzaam in het curatieve domein van de (geestelijke) gezondheidszorg. Ze zijn opgeleid om psychische ziektes te onderkennen en te diagnosticeren en patiënten te behandelen. Binnen de gezondheidszorg geldt de empirische evidentie; er komen steeds meer richtlijnen die evidence-based zijn. Het gaat om waarschijnlijkheden, kansen en condities. Dit geldt voor het diagnostisch onderzoek, de differentiële diagnose, het behandelplan en de ingezette behandeling. Diagnostiek en behandeling worden bijgesteld op geleide van de bevindingen.

Het strafrecht beoogt de rechtsorde te herstellen en streeft gelijktijdig rechtsgelijkheid en rechtsbescherming na. De doelstellingen van sanctietoepassing zijn vergelding en het voorkomen van herhaling door algemene en speciale preventie. Het jeugdstrafrecht heeft ook een pedagogische doelstelling: het dient de ontwikkeling van de jongere te bevorderen. Juristen dienen in het domein van het strafrecht besluiten te nemen over schuld, straf en maatregel. Zij doen dat op basis van normatieve gronden, die zijn vastgelegd in de Wetboeken van Strafrecht (Sr) en Strafvordering (Sv) en gerelateerde jurisprudentie.

Rond het onderzoek pro Justitia zijn verschillende disciplines werkzaam, die vanuit verschillende kaders een ander jargon hanteren en bovendien een geheel andere invulling geven aan bepaalde begrippen en die bepaalde verwachtingen hebben van de mogelijkheden van het andere domein. Dat levert wel eens misverstanden op, zoals een jurist die het waarschijnlijkheidsadvies van de deskundige interpreteert als een categorale uitspraak, of een deskundige die zijn bevindingen presenteert in juridische categorieën. Een eerste aanbeveling kan zijn dat men zich hiervan moet vergewissen en erin moet zijn opgeleid. Een duidelijke opdracht en vraagstelling voor de deskundige is hierbij van wezenlijk belang om de ‘vertaalslag’ naar het juridische domein te kunnen maken.

 

De vraagstellingen

In de loop der jaren is gebleken dat het stellen van de juiste vragen van belang is voor de optimale inzet van specifieke psychiatrische deskundigheid ten dienste van de rechtspraak. Er is in het begin van de jaren negentig een vraagstelling ontwikkeld (Van Panhuis, 1994; 2000) en deze is verbijzonderd voor jongeren (Duits, 2000). Deze heeft zich in de loop van de jaren doorontwikkeld tot de huidige standaardvraagstelling. Later kwamen specifieke vraagstellingen voor (zesjaars)verlengingsrapportages in tbs en PIJ, vraagstellingen voor het toetsen van longstayindicaties in de tbs en over toetsingen van verlofmodaliteiten.
De (standaard)vraagstellingen zijn als aanverwant bij deze richtlijn opgenomen. 

 

Werkwijze

De principes van evidence-based richtlijnontwikkeling (Van Everdingen
et al., 2004) waren het uitgangspunt bij het opstellen van deze richtlijn. Deze manier van werken houdt in dat allereerst een inventarisatie wordt gemaakt van de knelpunten met betrekking tot het onderwerp van de richtlijn. Vervolgens worden uitgangsvragen opgesteld op basis waarvan
de wetenschappelijke literatuur systematisch in kaart wordt gebracht en beoordeeld, waarbij meestal een gradering van de bewijskracht (‘niveau van bewijs’) wordt aangegeven. De resultaten van deze beoordeling worden vervolgens zo expliciet mogelijk gewogen tegen het praktijkperspectief (de klinische ervaring) en het patiëntenperspectief. Deze weging resulteert uiteindelijk in de aanbeveling.

Genoemde werkwijze is door de commissie zo goed mogelijk gevolgd, met twee belangrijke wijzigingen. Bij het systematisch in kaart brengen van
de wetenschappelijke literatuur bleek de oogst van het literatuuronderzoek voor de meeste uitgangsvragen karig. Goed vergelijkend onderzoek ontbrak veelal en het merendeel van de literatuur was beschrijvend dan wel opiniërend van aard. Bovendien bleek veel internationale literatuur niet extrapoleerbaar naar de Nederlandse situatie. Het Nederlandse strafrecht onderscheidt zich ten opzichte van andere landen door de mogelijkheid om feiten gedeeltelijk toe te rekenen. In de Angelsaksische landen ligt een groter gewicht bij de keuze om een psychisch gestoorde verdachte wel of niet in staat te achten om berecht te worden (‘fit to stand trial’; een bepaling waar de Nederlandse wet overigens ook in voorziet) en het komt in deze landen bij ernstige psychiatrische stoornissen relatief vaker voor dat een verdachte zonder veroordeeld te worden een gedwongen behandeling ondergaat. Tevens wordt er vaak alleen gedifferentieerd tussen volledig toerekenen en volledig niet toerekenen. Door de Nederlandse hantering van een glijdende schaal van toerekenen, gebaseerd op de individuele door- werking van psychische stoornis op delictgedrag, wordt de vergelijking met onderzoeksresultaten uit het buitenland bemoeilijkt. De consequentie van het voorgaande is dat de aanbevelingen van deze richtlijn vaak gebaseerd zijn op expertise, ervaring en professionele meningsvorming (consensus). Dit heeft de commissie doen besluiten om een expliciete gradering van wetenschappelijke literatuur (‘niveau van bewijs’) achterwege te laten en de paragrafen af te ronden met aanbevelingen. In de tekst van de paragraaf zijn telkens de argumenten van de commissie voor de betreffende aanbevelingen terug te vinden met waar mogelijk een bespreking van wetenschappelijke literatuur.

Een tweede belangrijke afwijking van de gangbare methode van richtlijnontwikkeling is het patiëntenperspectief. In veel richtlijnen wordt voor de weging van het patiëntenperspectief een vertegenwoordiger van de patiëntenvereniging in de commissie opgenomen, dan wel een focusgroep met patiënten georganiseerd. In overleg met de NVvP is besloten hiervan af te zien. Bij het onderzoek pro Justitia gaat het om een niet georganiseerde, heterogene groep personen die verdacht worden van het plegen van een delict. Dit maakt een focusgroep lastig te organiseren en geeft een aanzienlijk risico op selectieve resultaten.