Betekenis en functie psychiatrisch onderzoek

Laatst beoordeeld: 01-01-2013

Uitgangsvraag

  • Wat is de betekenis en functie van het onderzoek pro Justitia voor het toerekenen door de rechter?
  • Hoe vindt de rapporteur daarin zijn of haar weg?
  • De uitgangsvragen van deze module worden aan de hand van de volgende onderwerpen besproken:
    • Juridische achtergrond 
    • Juridische oorzakelijkheid
    • Juridische probleemstelling 
    • Het gevaar voor recidive 
    • Het psychiatrisch onderzoek
    • Diagnostiek en classificatie
    • Reconstructie 

Aanbeveling

Bij het onderzoek naar de eventuele relatie tussen psychiatrische stoornis en ten laste gelegde moet men de psychiatrische symptomen van de onderzochte persoon zo goed mogelijk omschrijven, gedragsfunctioneel wegen en hun invloed beoordelen en beschrijven. Dat betreft dus ook de rol van en samenhang met comorbide symptomatologie.


De beschrijving van de eventuele relatie tussen een psychiatrische stoornis en het ten laste gelegde moet gebaseerd zijn op gedegen psychiatrisch onderzoek en dient inhoudelijk goed onderbouwd te zijn, zodat met de grootste mate van waarschijnlijkheid een advies kan worden gegeven.


De relatie tussen de psychiatrische stoornis(sen) en het ten laste gelegde moet in het kader van een pro Justitia-rapport zodanig worden beschreven dat de rechter daaraan een conclusie kan verbinden voor de juridische oorzakelijkheid.


Is er geen basis in het onderzoeksmateriaal om een causaal verband te beschrijven, maar wel om gelijktijdigheid aannemelijk te maken, dan moet de rapporteur hierbij blijven.

Overwegingen

Bij deze module werden geen overwegingen geformuleerd.

Samenvatting literatuur

Juridische achtergrond 

Schulduitsluiting op grond van een psychische stoornis wordt in alle Westers georiënteerde landen gebruikt als basisprincipe. In Nederland staat in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (Sr): ‘niet strafbaar is hij die een feit begaat dat hem wegens zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet valt toe te rekenen. Dit artikel is ook de reden geweest om vanaf de introductie ervan psychiaters en psychologen te vragen de geestesgesteldheid van een (vermoedelijke) dader te onderzoeken en daarover advies uit te brengen. Het toerekenen van een bepaald misdrijf gebeurt door de rechter en wordt tot uitdruk­king gebracht in de zwaarte van het vonnis. Dit kan tot uitdrukking komen in het achterwege blijven van straf (bij niet toerekenen) of in een lagere straf (bij verminderd toerekenen). Daarnaast opent een veroorzakende psychische stoornis de mogelijkheid van het opleggen van strafrechtelijke maatregelen. Zo kan bij de beoordeling van de verantwoordelijkheid van de dader in combinatie met een psychische stoornis de strafrechtelijke maatregel van de terbeschikkingstelling (tbs) worden opgelegd (art. 37a Sr) of kan er sprake zijn van een strafrechtelijke plaatsing in een psychi­atrisch ziekenhuis (art. 37 Sr). In tegenstelling tot artikel 39 Sr, waarin de psychische stoornis direct het misdrijf veroorzaakt, wordt er in artikel 37a Sr alleen geduid op een tijdsverband (‘tijdens'). Artikel 37 Sr kan echter alleen worden opgelegd wanneer er sprake is van een oorzakelijk verband (‘wegens'), zoals dat ook bij een gedwongen opname krachtens de Wet BOPZ van toepassing is.

 

In het jeugdstrafrecht is een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet noodzakelijk voor het opleggen van de maat­regel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ), maar het kan wel volgens artikel 77s Sr. Om dat vast te stellen dient een van de gedragsdes­kundigen een psychiater te zijn. De verlenging tot de maximale duur van zeven jaar is in principe alleen mogelijk indien de verdachte niet strafbaar was wegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens (art. 77s en 77t Sr).

 

Juridische oorzakelijkheid

De genoemde oorzakelijkheid (‘wegens') van artikel 37 Sr en artikel 77s Sr is een juridisch begrip. Het ziektebeeld heeft geleid tot, of is in de indivi­duele casus van de onderzochte in hoge mate bepalend geweest voor diens gedrag en daarmee tot het plegen van het ten laste gelegde. Met andere woorden: het psychiatrisch symptomencomplex (inclusief de gedragingen) kan (in een bepaalde mate, bij het onderzochte individu) gezien worden als de oorzaak van het strafrechtelijk feit. Als psychiatrisch begrip heeft ‘oorzaak' echter een totaal andere definitie. In de geneeskunde bestaat vaak niet één oorzaak van een ziekte, maar leiden meerdere en verschillende factoren tot gestoord gedrag, de zogeheten multicausaliteit of de multiconditionele bepaaldheid. Te onderscheiden zijn predisponerende (kwets­baar makend, zoals genetische factoren), luxerende (situatief bepaalde stressoren) en onderhoudende (in de omstandigheden tot uiting komend, zoals armoede) factoren. Deze factoren werken gezamenlijk, kwalitatief en kwantitatief, in op de persoon en zijn ziektebeeld, dat wil zeggen zij grijpen aan binnen het biopsychosociale ziektemodel.

 

Juridische probleemstelling 

Op grond van de genoemde wetsartikelen heeft de rechter de mogelijkheid de verantwoordelijkheid van de verdachte met een psychische stoornis voor een delict te beoordelen in het licht van verdere detentie en preventie van herhaling. Daaruit vloeien de volgende juridische vragen aan de gedragsdeskundigen voort:

  • Is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven?
  • Zo ja, hoe was dit ten tijde van het ten laste gelegde?
  • Zo ja, bestaat er een verband tussen deze gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en het ten laste gelegde feit?
  • Zo ja, hoe valt dit verband te omschrijven?
  • Is dit verband zo absoluut dat er gesproken kan worden van een oorzakelijk verband?

Deze vragen hebben al de elementen uit de wetgeving betreffende de straf­rechtelijke behandelingsmaatregelen in zich. In artikel 37a wordt gesproken van een gelijktijdigheidsverband (‘tijdens het begaan van het feit') en niet van een noodzaak tot een oorzakelijk verband tussen stoornis en delict.

 

De Hoge Raad heeft dit in uitspraken aan de orde gesteld (HR 22 januari 2008, LJN: BC1311, Hoge Raad, 00101/07). Dat wil echter niet zeggen dat er door de gedragsdeskundige rapporteur, niet gezocht moet worden naar een verklarend verband tussen de stoornis enerzijds en het ten laste gelegde misdrijf anderzijds. Dat is relevant voor het vermeerderen van het inzicht in het ten laste gelegde dat de rechter vraagt. Ook levert de omschrij­ving van het (eventuele) verband een diagnostische bijdrage aan de latere forensisch psychiatrische behandeling, die er immers op is gestoeld dat die behandeling een herhalingsdelict moet proberen te voorkomen. Is er geen basis in het onderzoeksmateriaal om een causaal verband te beschrijven maar wel om gelijktijdigheid aannemelijk te maken, dan moet de rappor­teur hierbij blijven. Het is dan aan de rechter te bepalen of dit in combi­natie met het voorspelde gevaar voor recidive op basis van de risicotaxatie (zie de modules over Risicotaxatie) als grond voor een eventueel op te leggen maatregel wordt gebruikt.

 

In dat licht is het natuurlijk van belang de invloed van de psychische stoornis op het misdrijf van meet af aan goed vast te leggen. Soms vindt de behandeling pas na enkele jaren plaats en dan ligt het misdrijf met zijn specifieke krachtenspel al heel ver in het verleden. Zowel de pathologie als de mens kunnen tegen die tijd veranderingen hebben ondergaan.

 

Het gevaar voor recidive 

De beoordeling van het gevaar voor herhaling van het ten laste gelegde, dat ook aan de gedragsdeskundige wordt gevraagd (art. 37a lid 1, 2: ‘de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van die maatregel') gaat uit van: ‘bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond’. Dat laat voor de beoordeling van het toekomstige risico wel de ruimte de algemene gedragskundige risicotaxatie-instrumenten te gebruiken waarin onder meer, zij het voor een klein gedeelte, de aanwezigheid, de aard en de ernst van een psychi­sche stoornis zijn opgenomen. Het behoort tot de huidige ‘state of the art' bij het onderzoek naar toekomstig gevaar bij de dader de bekende risico- en beschermende factoren te benoemen in het rapport, en natuurlijk die aangaande de psychische stoornis in het bijzonder. Een klinisch oordeel alleen is onvoldoende.

 

Het psychiatrisch onderzoek

Het forensisch psychiatrisch onderzoek is vooral gericht op het inter­preteren van de psychische stoornissen, namelijk of bij de verdachte de mogelijkheid bestond het ten laste gelegde na te laten of een andere wending aan zijn handelen te geven. Dit forensisch psychiatrisch onder­zoek is een aanvulling op het gewone psychiatrisch onderzoek. Allereerst dient immers volgens de regels van de kunst de aan- of afwezigheid van een psychische stoornis te worden vastgesteld. Als onderzoeksmethode gebruikt de psychiater het psychiatrisch onderzoek zoals dat in de Richtlijn psychiatrisch onderzoek bij volwassenen staat beschreven. Ook de foren­sische psychiatrie gebruikt het medische model dat hierbij centraal staat (de beoordeling tussen ziek en gezond). Dat wil zeggen: de toedracht ten tijde van het delict wordt beschouwd volgens het continuüm tussen gees­telijke gezondheid en geestelijke ziekte. Het medische model gaat uit van de aanname dat ziekte bij een patiënt aanleiding geeft tot disfunctioneren op de biopsychosociale terreinen. Dit disfunctioneren komt tot uitdruk­king in gestoorde verhoudingen in en tussen die gebieden en daardoor in een beperkt gezond functioneren. Het psychiatrisch onderzoek volgens het medische model dient zo veel mogelijk state of the art te worden gedaan. Hierbij valt de nadruk op de differentiaaldiagnostiek.

 

Diagnostiek en classificatie

Naast het gebruik van het reguliere psychiatrisch onderzoek zijn ook hulponderzoeken, waar nodig, geïndiceerd, zoals andersoortig medisch speci­alistisch onderzoek en (neuro)psychologisch onderzoek. De rapporterend deskundige vraagt consult en interpreteert de conclusie in het forensisch psychiatrisch onderzoek. De geconstateerde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt in het forensisch psychi­atrisch rapport vastgelegd in een structuurdiagnose (Kraus, 1968; Hengeveld & Schudel, 2003) en in een DSM-IV-classificatie. De diagnose geeft de geobjectiveerde bevindingen van het psychiatrisch onderzoek aan en het causaal verband tussen enerzijds symptomatologie en persoonlijkheid, en anderzijds de predisponerende, luxerende en onderhoudende factoren van die symptomatologie. De DSM-IV-classificatie geeft vervolgens de categorie aan binnen welke de stoornis van de patiënt zich bevindt. Door de combi­natie van diagnose en classificatie wordt een duidelijk beeld gegeven van de patiënt zelf evenals van de aard en ernst van de stoornis binnen de overige psychiatrische stoornissen.

 

Op basis van de, op deze wijze, verzamelde gegevens kan een uitspraak worden gedaan over de aan- of afwezigheid en objectiveerbaarheid van psychisch belastende ziekteverschijnselen ten tijde van het ten laste gelegde. De beschrijving van het al of niet aanwezige verband met het ten laste gelegde moet de invloed van deze ziekteverschijnselen op het delict­gedrag duidelijk maken door te tonen waar disfuncties in psychiatrische zin optreden in het gedrag van de betrokkene. De uitspraak over de verant­woordelijkheid van de daden voor het misdrijf kent geen ‘schaal, hetgeen een zekere empirische maatstaf zou impliceren (zoals de GAF-schaal (Globaal Algemeen Functioneren-schaal) op de DSM-IV), maar gebeurt in termen van beperkingen in het handelen: niet, wel of geheel beperkt of bepaald door de psychiatrische disfuncties of gebreken.

 

Reconstructie 

De rechtbank vraagt de gedragsdeskundige te adviseren over de psycho­pathologie in relatie tot het ten laste gelegde. Daarover moet de rechter immers oordelen. Dit houdt automatisch in dat de gedragsdeskundige in zijn onderzoek ook teruggaat naar het tijdstip van het ten laste gelegde.

 

Zijn kwalificatie ligt erin dat hij kennis heeft van psychopathologie en door het psychiatrisch onderzoek een stoornis weet te diagnosticeren op het moment van het onderzoek zelf. Vanuit de symptomatologie in het heden zal er een reconstructie moeten plaatsvinden waarbij gekeken wordt of de recente (of andere) symptomen aanwezig zijn geweest ten tijde van het ten laste gelegde. Een psychische stoornis in het heden kan ook na het ten laste gelegde zijn ontstaan en bijvoorbeeld zijn veroorzaakt door verblijf in detentie. In deze reconstructie dient er een zorgvuldige beoordeling gemaakt te worden van de invloed van psychiatrische symptomatologie op het al dan niet beperkte handelen van de onderzochte.

 

Sommige auteurs benadrukken dat het niet mogelijk is om op accurate wetenschappelijke wijze een reconstructie te maken van de geestestoestand van de verdachte tijdens het ten laste gelegde (Borum, 2003; Van Koppen, 2004). Het valt te betwisten of die reconstructie alleen op een strikt empi­rische wijze gemaakt moet worden. Het is wel nodig om in het rapport duidelijk te maken hoe men tot een reconstructie gekomen is.

 

Een best practice-beoordeling is mogelijk indien het onderzoek gestruc­tureerd is en niet alleen de onderzochte betreft met zijn visie over het ten laste gelegde, als alle van belang zijnde collaterale informatie (proces­verbaal, eerder onderzoek, voorgeschiedenis, heteroanamnese) wordt vergaard, en als de reconstructie zo kort mogelijk na het ten laste gelegde plaatsvindt en de gronden van de redenering over de relatie tussen stoornis en ten laste gelegde inzichtelijk worden opgeschreven (Giorgi-Guarnieri et al., 2002; Stafford & Ben-Porath, 2002; Rogers & Shuman, 2005).

 

Het is mogelijk dat tijdens het psychiatrisch onderzoek geen psychiatrische symptomatologie kan worden gediagnosticeerd, maar dat het bestaan van een psychische stoornis ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde wel kan worden vermoed. Bij het onderzoek naar de eventuele relatie tussen psychiatrische stoornis en ten laste gelegde gaat het niet om de oorzaken van de psychiatrische stoornis (of deze nu al of niet neurobiolo­gisch zijn), maar om de aard en de ernst van de psychiatrische symptomen (Hengeveld, 2003), of de gebreken en/of de specifieke relatie met het ten laste gelegde. Deze symptomen moeten zo goed mogelijk omschreven en gedragsfunctioneel gewogen en gekwantificeerd worden voor de persoon in kwestie (Van Panhuis, 1994). Tevens moet worden beschreven wat de rol is van comorbiditeit en welke samenhang en wisselwerking er is met de (primaire) morbiditeit. Indien de deskundige tot het oordeel komt dat er sprake is van een psychiatrische stoornis en dat die een relatie heeft met het ten laste gelegde, is het aangewezen dit oordeel en de relatie zo goed mogelijk te objectiveren en te verantwoorden. Speculaties of niet te veri­fiëren onderzoeksbevindingen (in feite: opvattingen) kunnen niet worden gebruikt als argumenten of bouwstenen voor de conclusie.

Referenties

  1. Kraus, G. (1968). Leerboek der psychiatrie. Leiden: Stenfert Kroese.
  2. Hengeveld, M.W., & Schudel, W.J. (2003). Het psychiatrisch onderzoek. Utrecht: De Tijdstroom.
  3. Borum, R. (2003). Not guilty by reason of insanity. In: T. Grisso (ed.), Evaluating competencies, forensic assessments and instruments (p. 193-228). New York: Springer.
  4. Koppen, P.J. van (2004). Weg van de toerekeningsvatbaarheid. Over rapportages over de verdachte. Trema, 21, 221-228.
  5. Giorgi-Guarnieri, D., Janofsky, J., Keram, E., Lawsky, S., Merideth, P., Mossman, D. et al. (2002). AAPL practice guideline for forensic psychiatric evaluation of defendants raising the insanity defense. American Academy of Psychiatry and the Law. The Journal of the Academy of Psychiatry and the Law, 30 (2 Suppl.), S3-40.
  6. Stafford, K.P., Ben-Porath, Y.S. (2002). Assessing criminal responsibility. In: J.N. Butcher (red.), Clinical personality assessment: practical approaches (p. 452-465). New York, NY, US: Oxford University Press.
  7. Rogers, R. & Shuman, D.W. (2005). Insanity defence & beyond insanity. In: R. Rogers & D.W. Shuman (red.), Fundamentals of forensic practice (p. 181-251). New York: Springer.
  8. Hengeveld, M.W., & Schudel, W.J. (2003). Het psychiatrisch onderzoek. Utrecht: De Tijdstroom.
  9. Panhuis, P.J.A. van. (1994). Van de gek, de wijzen en vooral de vragen: Over de pro Justitia-rapportage in het strafrecht. Proces, 10, 187-193.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2013

Laatst geautoriseerd : 01-01-2013

Uiterlijk in 2015 bepaalt het bestuur van de NVvP of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. De NVvP is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie

Doel en doelgroep

Doelstellingen van de richtlijn

In Nederland bestaat in ongeveer 30% van de strafrechtelijke meervoudige kamerzaken behoefte aan (gedragskundige) rapportage. In het algemeen betreft dit ernstige delicten (geweld, levens- of seksuele delicten en brandstichting). In 2008 werden 5.800 personen onderzocht en werden meer dan 8.000 psychiatrische en psychologische rapporten uitgebracht. In 25% van de personen en rapportages betrof het jongeren. Vrijwel alle rapportages worden verricht door zelfstandig werkende psychologen en psychiaters. In het Pieter Baan Centrum (waar psychiaters en psychologen in dienstverband onderzoek doen) werden in 2008 van 230 personen onderzoeksrapporten vervaardigd.

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) heeft, gezien het belang van het onderwerp en in het kader van een algemeen beleid van richtlijnontwikkeling, opdracht gegeven een monodisciplinaire richtlijn psychiatrische rapportage in het strafrecht voor meerderen minderjarigen op te stellen.

Deze richtlijn heeft de volgende doelstellingen.

  • Doelstelling 1: aansluiting bewerkstelligen van het psychiatrisch onderzoek en de rapportage pro Justitia bij de professioneel functionerende wetenschappelijke psychiatrische praktijk, die werkt met een stelsel van richtlijnen. 

  • Doelstelling 2: richtinggevende ondersteuning voor en uitleg over het onderzoek en rapportage pro Justitia door psychiaters. De richtlijn dient als hulpmiddel en uitdrukkelijk niet als protocol. 

  • Doelstelling 3: bieden van een gestructureerd professioneel kader, waardoor de psychiaterrapporteur zijn kennis en kunde beter kan inzetten. 

  • Doelstelling 4: bijdragen aan intercollegiale en interdisciplinaire communicatie over de positie van de psychiater in het onderzoeksproces. De rollen in het (vaak) multidisciplinaire rapportageproces kunnen er transparanter door worden. Om deze reden zijn psychologenrapporteurs ook in de werkgroep vertegenwoordigd. Voor opleiding van aio’s, intercollegiale toetsing en (toekomstige) intercollegiale visitatie heeft de richtlijn ook betekenis. Hiermee wordt kwaliteitsverbetering van professioneel handelen beoogd. 


 

Gebruikers van de richtlijn

Deze monodisciplinaire richtlijn is primair bedoeld voor (kinder- en jeugd-)psychiaters die in het kader van het strafrecht rapportages pro Justitia maken en voor arts-assistenten in hun opleiding tot psychiater. Daarnaast kan de richtlijn ook een hulpmiddel zijn voor psychologen die rapportages pro Justitia maken. 

Samenstelling werkgroep

De richtlijnwerkgroep bestond uit gemandateerde vertegenwoordigers
van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en twee psychologen en twee juristen, werkzaam bij het NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie), die betrokken zijn bij het onderzoek- en rapportageproces in strafzaken. Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de expertise van de werkgroepleden, de geografische spreiding en met een vertegenwoordiging van de diverse betrokken verenigingen en instanties.

 

  • Dr. P.J.A. van Panhuis, psychiater NIFP, voorzitter.

  • Ir. T.A. van Barneveld, epidemioloog, Orde van Medisch Specialisten.

  • Mr. C. Brouwer, juriste NIFP, locatie Groningen.

  • Dr. W.J. Canton, vrijgevestigd psychiater, lid van het adviescollege verloftoetsing tbs, destijds voorzitter van de Vereniging van Pro Justitia Rapporteurs (VVR).

  • Dr. N. Duits, kinder- en jeugdpsychiater, hoofd bureau Kwaliteit NIFP.

  • Dr. C.M. van Esch, juriste NIFP, locatie Arnhem, plv. rechter Dordrecht.
  • A.J. de Groot, psycholoog, FPC De Rooyse Wissel.
  • 
Dr. W.F.J.M. van Kordelaar, psycholoog, lid directieraad NIFP.
  • 
Prof.dr. H.J.C. van Marle, hoogleraar forensische psychiatrie, Erasmus Universiteit Rotterdam.
  • 
D. van der Meer, psychiater, Rotterdam.

  • E.M.M. Mol, psychiater, NIFP, locatie Maastricht.

  • A.G.S. de Ranitz, psychiater FPC De Tweelanden.

  • I.E. Troost, kinder- en jeugdpsychiater NIFP, locatie Groningen.

  • Dr. M. Wiznitzer, kinder- en jeugdpsychiater NIFP, locatie Amsterdam.

 

Met speciale dank aan prof.dr. C. Jonker, neuroloog, Amsterdam, voor zijn bijdrage aan het onderwerp ‘Indicatie neurologisch onderzoek’,
mr. R.M.S. Doppegieter, juridisch adviseur, voor haar bijdrage aan het hoofdstuk ‘Gezondheidsrechtelijke context’ en H. de Haan, psychiater, voor zijn bijdrage aan het aan het onderwerp ‘Gebruik van psychoactieve stoffen’.

 

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) is in 1871 opgericht door onder meer dr. J.N. Ramaer. Vijftig jaar later sloten de neurologen zich bij de vereniging aan en ging deze onder de naam Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en Neurologie verder tot december 1973, toen de vereniging zich in twee aparte verenigingen splitste. Deze splitsing was het gevolg van de in 1971 tot stand gekomen splitsing van het specialisme zenuw- en zielsziekten in een specialisme psychiatrie en een specialisme neurologie. In maart 1996 vierde de vereniging, als oudste en met meer dan 1.950 leden inmiddels de grootste wetenschappelijke vereniging van Nederland, het 125-jarig bestaan. 

Werkwijze

Intentieverklaring

Deze richtlijn is geen standaard die in alle omstandigheden van toepassing verklaard kan worden. Standaarden zijn dwingend en men dient er in principe niet van af te wijken. Van richtlijnen kan beredeneerd worden afgeweken. Ze zijn bedoeld om rationeel klinisch handelen te ondersteunen, en op basis van nieuwe inzichten verder door te ontwikkelen.

De richtlijn Psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken (‘pro Justitia’) is een binnen de psychiatrische beroepsgroep overeengekomen gedragslijn voor gepast medisch-psychiatrisch handelen, die zo veel mogelijk is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur en het inzicht van experts, en die gedragen wordt door de leden van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie.

De richtlijn is een leidraad voor psychiaters inzake het door hen uitgevoerde diagnostisch onderzoek in strafzaken, de diagnosestelling en de verslaglegging in de rapportage pro Justitia. Besproken worden onder andere de methoden en technieken van het forensisch psychiatrisch onderzoek, bijzondere aandachtsvelden zoals psychopathie, het begrip toerekeningsvatbaarheid, de risicotaxatie van geweldsrecidive en de (juridische) context, de manier waarop het forensisch psychiatrisch onderzoek en de diagnosestelling lege artis uitgevoerd dienen te worden met een specificatie voor het kinder- en jeugdpsychiatrisch onderzoek pro Justitia.

Deze richtlijn dient ter aanvulling en zo nodig ter verbijzondering van de in 2004 verschenen Richtlijn psychiatrisch onderzoek bij volwassenen (Sno et al., 2004). Er is nog geen richtlijn voor het psychiatrisch onderzoek bij kinderen en jongeren. Ook bij de huidige richtlijn geldt dat de volgorde en uitgebreidheid van voor het onderzoek te verzamelen informatie bepaald wordt door de situatie waarin het onderzoek plaatsvindt en de toestand van de onderzochte. Ook hier speelt de vaardigheid van de psychiater op het gebied van anamnese en onderzoek een rol.

 

Gezondheidszorg en strafrecht

Gezondheidszorg en strafrecht kennen verschillende denk- en handelingskaders (Van Kordelaar & Bulten, 2005; Duits & Van Kordelaar, 2007). Psychiaters en gezondheidszorgpsychologen zijn in meerderheid werkzaam in het curatieve domein van de (geestelijke) gezondheidszorg. Ze zijn opgeleid om psychische ziektes te onderkennen en te diagnosticeren en patiënten te behandelen. Binnen de gezondheidszorg geldt de empirische evidentie; er komen steeds meer richtlijnen die evidence-based zijn. Het gaat om waarschijnlijkheden, kansen en condities. Dit geldt voor het diagnostisch onderzoek, de differentiële diagnose, het behandelplan en de ingezette behandeling. Diagnostiek en behandeling worden bijgesteld op geleide van de bevindingen.

Het strafrecht beoogt de rechtsorde te herstellen en streeft gelijktijdig rechtsgelijkheid en rechtsbescherming na. De doelstellingen van sanctietoepassing zijn vergelding en het voorkomen van herhaling door algemene en speciale preventie. Het jeugdstrafrecht heeft ook een pedagogische doelstelling: het dient de ontwikkeling van de jongere te bevorderen. Juristen dienen in het domein van het strafrecht besluiten te nemen over schuld, straf en maatregel. Zij doen dat op basis van normatieve gronden, die zijn vastgelegd in de Wetboeken van Strafrecht (Sr) en Strafvordering (Sv) en gerelateerde jurisprudentie.

Rond het onderzoek pro Justitia zijn verschillende disciplines werkzaam, die vanuit verschillende kaders een ander jargon hanteren en bovendien een geheel andere invulling geven aan bepaalde begrippen en die bepaalde verwachtingen hebben van de mogelijkheden van het andere domein. Dat levert wel eens misverstanden op, zoals een jurist die het waarschijnlijkheidsadvies van de deskundige interpreteert als een categorale uitspraak, of een deskundige die zijn bevindingen presenteert in juridische categorieën. Een eerste aanbeveling kan zijn dat men zich hiervan moet vergewissen en erin moet zijn opgeleid. Een duidelijke opdracht en vraagstelling voor de deskundige is hierbij van wezenlijk belang om de ‘vertaalslag’ naar het juridische domein te kunnen maken.

 

De vraagstellingen

In de loop der jaren is gebleken dat het stellen van de juiste vragen van belang is voor de optimale inzet van specifieke psychiatrische deskundigheid ten dienste van de rechtspraak. Er is in het begin van de jaren negentig een vraagstelling ontwikkeld (Van Panhuis, 1994; 2000) en deze is verbijzonderd voor jongeren (Duits, 2000). Deze heeft zich in de loop van de jaren doorontwikkeld tot de huidige standaardvraagstelling. Later kwamen specifieke vraagstellingen voor (zesjaars)verlengingsrapportages in tbs en PIJ, vraagstellingen voor het toetsen van longstayindicaties in de tbs en over toetsingen van verlofmodaliteiten.
De (standaard)vraagstellingen zijn als aanverwant bij deze richtlijn opgenomen. 

 

Werkwijze

De principes van evidence-based richtlijnontwikkeling (Van Everdingen
et al., 2004) waren het uitgangspunt bij het opstellen van deze richtlijn. Deze manier van werken houdt in dat allereerst een inventarisatie wordt gemaakt van de knelpunten met betrekking tot het onderwerp van de richtlijn. Vervolgens worden uitgangsvragen opgesteld op basis waarvan
de wetenschappelijke literatuur systematisch in kaart wordt gebracht en beoordeeld, waarbij meestal een gradering van de bewijskracht (‘niveau van bewijs’) wordt aangegeven. De resultaten van deze beoordeling worden vervolgens zo expliciet mogelijk gewogen tegen het praktijkperspectief (de klinische ervaring) en het patiëntenperspectief. Deze weging resulteert uiteindelijk in de aanbeveling.

Genoemde werkwijze is door de commissie zo goed mogelijk gevolgd, met twee belangrijke wijzigingen. Bij het systematisch in kaart brengen van
de wetenschappelijke literatuur bleek de oogst van het literatuuronderzoek voor de meeste uitgangsvragen karig. Goed vergelijkend onderzoek ontbrak veelal en het merendeel van de literatuur was beschrijvend dan wel opiniërend van aard. Bovendien bleek veel internationale literatuur niet extrapoleerbaar naar de Nederlandse situatie. Het Nederlandse strafrecht onderscheidt zich ten opzichte van andere landen door de mogelijkheid om feiten gedeeltelijk toe te rekenen. In de Angelsaksische landen ligt een groter gewicht bij de keuze om een psychisch gestoorde verdachte wel of niet in staat te achten om berecht te worden (‘fit to stand trial’; een bepaling waar de Nederlandse wet overigens ook in voorziet) en het komt in deze landen bij ernstige psychiatrische stoornissen relatief vaker voor dat een verdachte zonder veroordeeld te worden een gedwongen behandeling ondergaat. Tevens wordt er vaak alleen gedifferentieerd tussen volledig toerekenen en volledig niet toerekenen. Door de Nederlandse hantering van een glijdende schaal van toerekenen, gebaseerd op de individuele door- werking van psychische stoornis op delictgedrag, wordt de vergelijking met onderzoeksresultaten uit het buitenland bemoeilijkt. De consequentie van het voorgaande is dat de aanbevelingen van deze richtlijn vaak gebaseerd zijn op expertise, ervaring en professionele meningsvorming (consensus). Dit heeft de commissie doen besluiten om een expliciete gradering van wetenschappelijke literatuur (‘niveau van bewijs’) achterwege te laten en de paragrafen af te ronden met aanbevelingen. In de tekst van de paragraaf zijn telkens de argumenten van de commissie voor de betreffende aanbevelingen terug te vinden met waar mogelijk een bespreking van wetenschappelijke literatuur.

Een tweede belangrijke afwijking van de gangbare methode van richtlijnontwikkeling is het patiëntenperspectief. In veel richtlijnen wordt voor de weging van het patiëntenperspectief een vertegenwoordiger van de patiëntenvereniging in de commissie opgenomen, dan wel een focusgroep met patiënten georganiseerd. In overleg met de NVvP is besloten hiervan af te zien. Bij het onderzoek pro Justitia gaat het om een niet georganiseerde, heterogene groep personen die verdacht worden van het plegen van een delict. Dit maakt een focusgroep lastig te organiseren en geeft een aanzienlijk risico op selectieve resultaten.