Prostaatcarcinoom - Extended pelviene lymfeklierdissectie

Laatst beoordeeld: 16-04-2014

Uitgangsvraag

Extended pelviene lymfeklierdissectie (ePLND)

Aanbeveling

De conclusie van het pathologie verslag dient minimaal de volgende items te vermelden:

  • totaal aantal uitgenomen lymfeklieren
  • aantal lymfeklieren met metastasen
  • diameter van de grootste metastase

 

Er is geen norm voor het minimaal aantal lymfeklieren dat moet worden gevonden. Wel kan overwogen worden om bij minder dan 10 lymfeklieren ook het vetweefsel totaal in te sluiten.

 

Het wordt aanbevolen om bij het tellen van het aantal lymfeklieren macroscopische dissectie en microscopische beoordeling te integreren, en een lymfeklier pas als zodanig te benoemen als er tenminste een kapsel en/of sinus aanwezig is.

 

Overwegingen

Addendum. Pathologie pelviene lymfeklierdissectie

Bij macroscopisch onderzoek worden de lymfeklieren door palpatie geïdentificeerd in het vetweefsel, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat pelviene lymfeklieren soms langgerekt en sterk vervet kunnen zijn. Indien identificatie door palpatie niet goed mogelijk is, wordt het weefsel gelamelleerd in 4 mm plakken en alsnog een poging gedaan om lymfeklieren in zijn geheel te reconstrueren. Per cassette wordt aan gegeven hoeveel delen van een lymfeklier worden ingesloten, zodat bij microscopische evaluatie en telling hiermee rekening kan worden gehouden.

Alle lymfeklieren worden totaal ingesloten. De afmeting van een metastase wordt gedocumenteerd, macroscopisch (indien zichtbaar) en microscopisch. Indien minder dan 10 lymfeklieren worden gevonden kan overwogen worden om het resterende vetweefsel totaal in te sluiten.

In de conclusie van het PA-verslag moeten vermeld worden: het aantal gevonden lymfeklieren, het aantal positieve lymfeklieren en de diameter van de grootste metastase. Het vermelden van extranodale uitbreiding en de Gleason score van de metastase is optioneel.

 

Conclusies

Het is aangetoond dat extended PLND een groter aantal lymfeklieren oplevert met twee of drie keer zoveel kans op detectie van lymfekliermetastasen.
Niveau 1 Masterson 2006, Heidenreich 2002, Allaf 2004; Touijer 2007, Briganti 2007, Briganti 2009

Het is aannemelijk dat het aantal gevonden lymfeklieren sterk varieert tussen verschillende centra als gevolg van verschillen in klinische praktijk tussen zowel urologen onderling als pathologen en PA-laboratoria. Er bestaat geen officiële norm voor het aantal lymfeklieren dat gevonden moet worden.
Niveau 2 Masterson 2006, Stein 2007, Parkash 2010, Meijer 2012


Het is aannemelijk dat de diameter (of volume) van de metastase een onafhankelijke voorspellende waarde heeft voor kanker-specifieke overleving. Extranodale extensie (ENE) heeft dit niet.
Niveau 2 Cheng 2000, Boormans 2008, Fleischmann 2008


Het is aannemelijk dat het aantal positieve lymfeklieren (1, 2 of >2) een onafhankelijke voorspellende waarde heeft voor kanker-specifieke overleving.
Niveau 2 Cheng 2001, Masterson 2006, Briganti 2009, Von Bodman 2010

De werkgroep is van mening dat er onvoldoende bewijs is dat de Gleason score van een lymfekliermetastase een onafhankelijke voorspellende waarde heeft voor kanker-specifieke overleving.
Niveau 4

 

Samenvatting literatuur

Aantal gevonden lymfeklieren

De extended pelviene lymfeklierdissectie (ePLND) is de beste stageringsmethode. Het aantal lymfeklieren dat gevonden wordt varieert sterk tussen verschillende centra als gevolg van verschillen in klinische praktijk tussen zowel urologen onderling als pathologen en PA-laboratoria [Masterson 2006, Parkash 2010, Meijer 2012]. De verklaring voor deze verschillen vanuit de urologische praktijk, kunnen liggen in de techniek en de uitgebreidheid van de lymfeklierdissectie en de wijze van aanleveren – per zijde en bloc in één container of in meerdere containers per regio verdeeld, hetgeen een hogere opbrengst geeft [Masterson 2006, Stein 2007]. Extended PLND levert een groter aantal lymfeklieren op met twee of drie keer zoveel kans op detectie van lymfekliermetastasen [Briganti 2009b, Masterson 2006, Heidenreich 2002, Allaf 2004; Touijer 2007]. Briganti et al [2007] vond in een studie van 858 patiënten waarbij ePLND was gedaan dat de kans op detectie van lymfekliermetastasen toenam met het aantal uitgenomen lymfeklieren [mediaan van 14 lymfeklieren bij N0 en 18 lymfeklieren bij N1 (p<0.001). Masterson et al [2006] vonden in een studie van 5038 patiënten, 175 patiënten met lymfekliermetastasen (3.8%), ook een significante relatie tussen het aantal verwijderde lymfeklieren en het aantal positieve lymfeklieren (p<0.0005; mediaan van 9 lymfeklieren). Er bestaat geen officiële norm voor het aantal lymfeklieren dat gevonden moet worden, maar sommige studies leveren een gemiddelde van 20 (SD 6.6) lymfeklieren per patiënt [Weingärtner 1996]. In een onderzoek van de International Society of Urological Pathologists (ISUP) onder pathologen, bleek dat het aantal in de praktijk gevonden lymfeklieren grote verschillen toonde: 46% vond <5 lymfeklieren per RP; 40% vond 5-10 lymfeklieren; 8% vond 11-15 lymfeklieren en 3% vond >15 lymfeklieren [Berney 2011]. Verschillen in gevonden aantallen lymfeklieren kunnen ook ontstaan door verschillen in de pathologie praktijk. In dezelfde ISUP survey bleek 27% van de pathologen al het ingezonden materiaal in te sluiten en te onderzoeken, en 60% alleen macroscopisch identificeerbare lymfeklieren, terwijl 8% slechts één coupe uit iedere lymfeklier nam. In de ISUP 2010 consensus bijeenkomst over dit onderwerp werd dit laatste algemeen inadequaat gevonden. Er werd geen consensus bereikt over het al (41% pro) dan niet (59% tegen) geheel onderzoeken van al het ingezonden weefsel (inclusief vet). Bij prostaatcarcinoom worden in ongeveer 6.5% van PLND metastasen gevonden in niet-palpabele lymfeklieren alsook in het vetweefsel [Epstein 1986, Montironi 2003]. Ook de dissectie techniek van de patholoog kan tot verschillen in gevonden aantallen leiden, waarbij de sterke vervetting met slechts een kleine rand van resterend perifeer lymfeklierweefsel, soms ook nog discontinue, en de axiaal afgeplatte en longitudinaal relatief lange vorm van de pelviene lymfeklieren complicerende factoren zijn bij de identificatie en preparatie uit het omliggende vetweefsel en de microscopische reconstructie na lamelleren en inbedden [Wintanley 2002]. Eén lymfeklier kan derhalve gemakkelijk geïnterpreteerd worden als meerdere lymfeklieren. Ook blijkt dat de definitie van een lymfeklier verschillend wordt gehanteerd waarbij voor de ene patholoog een kapsel en sinus een minimale eis is, en voor de ander een lymfocyten aggregaat al voldoende is [Parkash 2010]. Parkash et al [2010] onderzochten de variabiliteit in tellen tussen 10 verschillende pathologen en vond bij een gemiddelde van 5.7 lymfeklieren een standaardvariatie van 1.3 met een 95% betrouwbaarheidsinterval van ± 2.6.

 

Diameter metastase

In de ISUP 2010 consensus bijeenkomst werd wel consensus bereikt over het vermelden van het aantal gevonden lymfeklieren (95%) en het vermelden van de maximale diameter van de grootste lymfekliermetastase (81%). Drie studies tonen aan dat de diameter (of volume) van de metastase in multivariaat analyse een onafhankelijke voorspellende waarde heeft voor kanker-specifieke overleving (CSS) en niet extranodale extensie (ENE). Cheng et al includeerde 212 patiënten en rapporteerde een mediaan van 14 lymfeklieren en 57% ENE, Boormans et al. includeerde 142 patiënten en rapporteerde gemiddeld 10 lymfeklieren en 44.4% ENE en Fleischmann et al. includeerde 102 patiënten en rapporteerde een mediaan van 21 lymfeklieren en 70% ENE. Een studie van Griebling et al. uit 1997 includeerde 60 patiënten en rapporteerde 57% ENE en vond wel een onafhankelijke voorspellende waarde voor extranodale extensie en CSS. De cut-off level van de diameter van de metastase varieerde echter per studie van 2 mm [Cheng 2000, Cheng 2012], 3 mm [Boormans 2008] tot 6 mm [Fleischmann 2008].

 

Aantal positieve lymfeklieren

Het aantal positieve lymfeklieren (1, 2 of >2) heeft eveneens een voorspellende waarde [Cheng 2001, Masterson 2006, Briganti 2009a, Von Bodman 2010]. Masterson et al [2006] vonden in een studie met 175 lymfeklier positieve patiënten een significante correlatie tussen het aantal positieve lymfeklieren en aantal biochemische recidieven, met verdubbeling van de HR bij meer dan 1 positieve lymfeklier. In de studie van Briganti et al [532 patiënten] was de 15 jaars kanker-specifieke overleving voor 1 of 2 positieve lymfeklieren 84% versus 62% voor >2 positieve lymfeklieren [p< 0.001]. In de studie van Von Bodman et al [207 patiënten] was de 2-jaars recidief-vrije overleving 65% bij één positieve lymfeklier, 48% bij twee en 10% bij drie positieve lymfeklieren. Er zijn ook indicaties dat lymfeklier dichtheid een grotere voorspellende waarde heeft. Cai et al [2011] vonden bij 124 lymfeklier positieve patiënten [gemiddeld 5.2 lymfeklieren] dat niet het aantal positieve lymfeklieren, maar wel de lymfeklier dichtheid een onafhankelijke voorspellende factor was voor biochemisch recidief. De huidige TNM classificatie geeft op dit moment nog geen substratificatie voor positieve lymfeklieren. De incidentie van lymfeklier metastasen is laag, en de gepubliceerde studies betreffen case series, en geen gerandomiseerde multicenter trials.

 

Gleason score metastase

In een studie met 242 geïncludeerde patiënten had 45% in de metastase een hogere Gleason score dan in de primaire tumor [Cheng 1999]. Hoewel in univariate analyse er wel een significant slechtere overleving was (RR 1.8; BI: 0.7-4.7), bleek dit in de multivariaat analyse met correctie voor tumorvolume van de metastase niet meer een onafhankelijke prognostische factor. In een studie met 142 geïncludeerde patiënten werd in multivariaat analyse wel een correlatie gevonden voor zowel Gleason score (≤7 versus >7) als tumorvolume (≤3 mm versus >3 mm) van de metastase respectievelijk HR 1.8, CI: 1.1–3.1, p=0.021en HR 2.2,CI: 1.0–4.7,p=0.046 [Boormans 2008]. In een studie met 201 geïncludeerde patiënten was de Gleason score ook in univariate analyse, maar niet in multivariaat analyse, een predictieve factor [Hofer 2006]. Voor tumor volume en ENE werd geen correlatie gevonden.

 

Referenties

  1. 1 - Kankerregistratiegegevens via www.iknl.nl 
  2. 2 - Van Oers JAM (eindred). Gezondheid op koers? Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002. RIVM rapportnr. 270551001. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2002.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 16-04-2014

Laatst geautoriseerd : 16-04-2014

De ontwikkelingen op het gebied diagnostiek, behandeling en begeleiding van (mannen met) prostaatcarcinoom volgen elkaar in steeds sneller tempo op. Het schrijven van een (concept) richtlijn is nog niet klaar, of er verschijnen alweer nieuwe mogelijk relevante artikelen. Een deel van de tijdens de consultatiefase ontvangen commentaren op de concept richtlijn bevestigen dit beeld opnieuw. Het slechts eenmaal per vier of vijf jaar (volledig) reviseren van een richtlijn past hier niet meer bij. Snellere tussentijdse ‘modulaire’ revisies van specifieke onderdelen van een richtlijn hebben de toekomst.

 

De kerngroep richtlijn prostaatcarcinoom (bestaande uit aantal leden van de richtlijnwerkgroep en de procesbegeleider van IKNL) wil daarom ook na autorisatie van de richtlijn intact blijven. Deze kerngroep vergadert tenminste eenmaal per jaar (zo nodig vaker) om op basis van eigen inzichten en/of signalen uit het veld te beoordelen of hernieuwde aanvulling en/of revisie van (onderdelen van) de richtlijn gewenst is. Als dat aan de orde is, zal de kerngroep de meest bij het desbetreffende onderwerp betrokken vereniging(en) verzoeken de revisie te financieren, bijvoorbeeld door middel van een hierop gericht beroep op SKMS gelden. 

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Urologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire geneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Algemene gegevens

Initiatief

Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU)


Organisatie
Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL)

 

Betrokken verenigingen

Nederlandse Internisten Vereniging (NIV) / Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie (NVMO)

Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG)

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO)

Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP)

Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR)

Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU)

ProstaatKankerStichting

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

Autoriserende verenigingen (autorisatie in aanvraag)

Nederlandse Internisten Vereniging (NIV)

Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG)

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO)

Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP)

Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR)

Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU)

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

 

De volgende verenigingen stemmen in met de inhoud

ProstaatKankerStichting.nl en de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties stemmen in met de inhoud van de richtlijn met uitzondering van de conclusies in het hoofdstuk Behandeling castratie-resistent prostaatcarcinoom (CRPC).

 

Financiering

De revisie van de richtlijn vond plaats op basis van een door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) aan de NVU toegekende subsidie.

 

Houderschap

De houder van de richtlijn moet kunnen aantonen dat de richtlijn zorgvuldig en met de vereiste deskundigheid tot stand is gekomen. Onder houder wordt verstaan de verenigingen van beroepsbeoefenaren die de richtlijn autoriseren.

Het Integraal Kankercentrum Nederland draagt zorg voor het beheer en de ontsluiting van de richtlijn.

 

Juridische betekenis

De richtlijn bevat aanbevelingen van algemene aard. Het is mogelijk dat deze aanbevelingen in een individueel geval niet van toepassing zijn. Er kunnen zich feiten of omstandigheden voordoen waardoor het wenselijk is dat in het belang van de patiënt van de richtlijn wordt afgeweken.

Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd gedocumenteerd te worden.

De toepasbaarheid en de toepassing van de richtlijnen in de praktijk is de verantwoordelijkheid van de behandelend arts.

 

Doel en doelgroep

Doelstelling

Een richtlijn is een aanbeveling ter ondersteuning van de belangrijkste knelpunten uit de dagelijkse praktijk. Deze richtlijn is zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek of consensus. Deze richtlijn bevat aanbevelingen gericht op het verbeteren van de kwaliteit van zorg en kwaliteit van leven voor mannen met (verdenking op) prostaatcarcinoom. Ongeveer 1 op de 9 mannen in Nederland krijgt ooit in zijn leven de diagnose prostaatcarcinoom. Dit zijn meer dan 10.000 patiënten per jaar en dit aantal neemt naar verwachting toe tot meer dan 17.000 patiënten in 2020. Bijna de helft (48%) van alle patiënten is 70 jaar of ouder.

 

De aanbevelingen betreffen zowel diagnostiek (inclusief lokaal recidief), behandeling als begeleiding. Het onderwerp behandeling is opgesplitst in modules met betrekking tot de stadia T1-2 Nx-0 Mx-0, T3-4 Nx-1 M0, M1a-c, castratie-resistent prostaatcarcinoom (CRPC), lokaal recidief.

 

Doelgroep

Deze richtlijn is bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van mannen met (verdenking op) prostaatcarcinoom, zoals urologen, radiologen, nucleair geneeskundigen, pathologen, radiotherapeuten, internist-oncologen, oncologieverpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, huisartsen, maatschappelijk werkers en psychologen.

 

Deze richtlijn is primair geschreven voor bovenstaande (groepen) professionals en daardoor mogelijk minder makkelijk leesbaar voor patiënten. Zoals onder het kopje ‘Inbreng patiëntenperspectief’  beschreven, is het patiëntenperspectief uiteraard wel meegenomen bij de revisie van deze richtlijn.

 

KWF Kankerbestrijding geeft makkelijker leesbare patiëntenbrochures uit, die gebaseerd zijn op door IKNL gepubliceerde richtlijnen. Naar aanleiding van het verschijnen van een geheel of gedeeltelijk gereviseerde richtlijn bepaalt KWF of de bestaande patiëntenbrochure herzien wordt.

Samenstelling werkgroep

Alle werkgroepleden zijn afgevaardigd namens wetenschappelijke verenigingen of namens patiëntenverenigingen en hebben daarmee het mandaat voor hun inbreng. Bij de samenstelling van de werkgroep is zo veel mogelijk rekening gehouden met landelijke spreiding en inbreng van betrokkenen uit zowel academische als algemene ziekenhuizen/instellingen.

 

Leden werkgroep richtlijn 2013:

Kernteam

  • Prof. dr. Th.M. de Reijke, uroloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, voorzitter
  • Prof. dr. R.J.A. van Moorselaar, uroloog, VU Medisch Centrum Amsterdam
  • Prof. dr. M. van Vulpen, radiotherapeut-oncoloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht

 

Overige leden

  • Prof. dr. J.O. Barentsz, radioloog, Universitair Medisch Centrum St. Radboud Nijmegen
  • Drs. J.L.L.M. Coenen, medisch oncoloog, Isala klinieken, Zwolle
  • Prof. dr. J.A. Gietema, medisch oncoloog, Universitair Medisch Centrum, Groningen
  • Mw. dr. C.A. Hulsbergen-van de Kaa, patholoog, Universitair Medisch Centrum St. Radboud,
  • Nijmegen
  • Dr. L. Incrocci, radiotherapeut, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
  • Dr. I.J. de Jong, uroloog, Universitair Medisch Centrum Groningen
  • C. Laarakker, ProstaatKankerStichting
  • Mw. dr. I. van Oort, uroloog, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen
  • Prof. dr. R.C.M. Pelger, uroloog, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden
  • Mw. dr. E. Rociu, radioloog, St. Franciscus Gasthuis, Rotterdam
  • Mw. C. Tillier, verpleegkundig specialist, Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam
  • J. Vierdag, ProstaatKankerStichting
  • Drs. R. Vink, patholoog, Stichting Laboratorium voor Pathologie, Enschede
  • Dr. W.V. Vogel, nucleair geneeskundige, Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam

 

Naast bovenstaande leden maakte dr. E. van Lin (radiotherapeut, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen) in eerste instantie ook deel uit van de werkgroep.

 

Behalve bovenstaande leden van de werkgroep heeft ook een aantal niet leden (op onderdelen) een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van deze richtlijn. De werkgroep dankt in het bijzonder:

Prof. dr. C.H. Bangma en dr. M.J. Roobol (afdeling urologie Erasmus MC Rotterdam) voor hun bijdrage aan het hoofdstuk over screening en vroeg-detectie; Radiotherapeuten dr. J.L. Noteboom (UMC Utrecht), dr. F.J. Pos (NKI-AvL) en drs. H.A.M. Vanhauten (UMC Groningen) voor hun bijdragen aan de paragrafen over radiotherapie, Arts-onderzoeker/promovendus drs. M. de Rooij (afdeling radiologie UMC St. Radboud Nijmegen) voor zijn bijdrage aan de paragraaf over beeldvorming, onderdeel MRI.

 

Medewerkers van IKNL waren verantwoordelijk voor de procesbegeleiding en secretariële ondersteuning.

 

Ondersteuning

  • Drs. J. de Groot, adviseur, Integraal Kankercentrum Nederland
  • Drs. T. van Vegchel, adviseur, Integraal Kankercentrum Nederland
  • Mw. H.W.G. Hamelers-Paulus, secretaresse, Integraal Kankercentrum Nederland

 

Onderzoekers patiëntenparticipatie

  • T. Brouwer, onderzoeker/GZ psycholoog, Brouwer Bruggenbouwer in de zorg (tot oktober 2012)
  • T. de Lange MSc, onderzoeker, Vrije Universiteit, Amsterdam (vanaf oktober 2012)
  • J. van de Meijden, onderzoeker, Vrije Universiteit, Amsterdam (vanaf oktober 2012)
  • C.A.C.M. Pittens MSc, onderzoeker, Vrije Universiteit, Amsterdam (tot oktober 2012)

Belangenverklaringen

Alle leden van de richtlijnwerkgroep hebben een belangenverklaring ingevuld en daarbij aangegeven onafhankelijk gehandeld te hebben bij het opstellen van de richtlijn.

Inbreng patiëntenperspectief

Twee vertegenwoordigers van de ProstaatKankerStichting maakten deel uit van de richtlijnwerkgroep en leverden een actieve bijdrage aan met name de inventarisatie van knelpunten (beginfase) en het becommentariëren van concept teksten (eindfase). Een van beide vertegenwoordigers was actief betrokken bij het schrijven van concept teksten voor het hoofdstuk informatie en nazorg.

 

Onderzoekers van het Athena Instituut (Vrije Universiteit Amsterdam) bezochten de vergaderingen van de richtlijnwerkgroep in het kader van een project gericht op het optimaliseren van patiëntenparticipatie in richtlijnwerkgroepen.

Methode ontwikkeling

Consensus based

Implementatie

Het bevorderen van het gebruik van de richtlijn begint met een brede verspreiding van de richtlijn. Er wordt een mailing verstuurd naar de professionals via de (wetenschappelijke) verenigingen en de werkgroepen van IKNL. Ook is de richtlijn gepubliceerd op www.richtlijnendatabase.nl. Tevens is er een artikel of manuscript ter publicatie aangeboden aan het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Ook in andere tijdschriften of bij bijvoorbeeld nascholingsbijeenkomsten wordt de richtlijn onder de aandacht gebracht. Om het gebruik in de dagelijkse praktijk te bevorderen is er een samenvattingskaart van de richtlijn gemaakt. Daarnaast beschikt IKNL over een toolbox ter ondersteuning van de IKNL adviseurs netwerken c.q. professionals in het veld voor de implementatie van de richtlijn. De toolbox bevat:

Een overzicht van de aanbevelingen. De kernboodschappen (belangrijkste inhoudelijke boodschappen). Een basis PowerPoint presentatie voor IKNL adviseurs netwerken en werkgroepleden van deze richtlijn. Een implementatieplan voor deze richtlijn (incl. indicatoren voor evaluatie van deze richtlijn). Dit plan bevat voor de belangrijkste aanbevelingen uit de richtlijn een overzicht van belemmerende en bevorderende factoren voor de implementatie. Op basis hiervan beschrijft het plan de belangrijkste doelgroepen en (adviezen voor) concrete acties om implementatie te bevorderen. Een training aan de IKNL adviseurs netwerken.

 

Evaluatie

Tijdens de ontwikkeling van de richtlijn zijn indicatoren voor de evaluatie van de aanbevelingen in de richtlijn opgesteld.  Met gegevens uit de NKR en eventuele andere bronnen (NVU registratie, het door KWF gesubsidieerde IKNL/UMC St. Radboud onderzoek naar de kwaliteit van prostaatkankerzorg in Nederland dat eind 2013 start) worden deze indicatoren geregistreerd. Hiermee wordt vastgesteld in hoeverre de richtlijn wordt nageleefd. De resultaten van de evaluatie kunnen aanknopingspunten vormen voor de volgende revisie van de richtlijn en/of voor tussentijdse aanpassing van het implementatieplan.

Werkwijze

Gebaseerd op de uitkomsten van een knelpunteninventarisatie in het veld, formuleerde de werkgroep een aantal uitgangsvragen voor evidence based revisie. Voor de desbetreffende onderdelen zorgde een externe methodoloog/onderzoeker (in overleg met een aantal direct betrokken werkgroepleden) voor de systematische literatuursearch, selectie, beoordeling en beschrijving van relevante literatuur en de daaruit voortvloeiende conclusies. De werkgroep formuleerde vervolgens de bijbehorende overige overwegingen en aanbevelingen.

 

Voor de overige (niet evidence based uitgewerkte) onderdelen vond een “consensus-based” revisie plaats, waarbij werkgroepleden zelf de literatuursearch uitvoerden, zorgden voor selectie, beoordeling en beschrijving van literatuur. Voor bepaalde onderdelen, bijvoorbeeld het nieuwe hoofdstuk ‘Screening en vroeg-detectie’, werd daarbij een beroep gedaan op specifieke expertise van niet-werkgroepleden.

 

Eind mei 2013 nodigde de werkgroep diverse betrokkenen uit het veld uit om vóór medio augustus commentaar te geven op de concept versie van de richtlijn. Circa veertig respondenten (zowel individuen als groepen) maakten van deze mogelijkheid gebruik.

 

Verantwoording

Het Integraal Kankercentrum Nederland bevordert  dat mensen met kanker en hun naasten zo dicht mogelijk bij huis toegang hebben tot een samenhangend en kwalitatief verantwoord zorgaanbod.

Het Integraal Kankercentrum Nederland is opgericht om behandeling, zorg en klinisch onderzoek binnen de oncologie te verbeteren. Daarnaast heeft het een taak in het opzetten en ondersteunen van netwerken voor palliatieve zorg. 

 

Het Integraal Kankercentrum Nederland  werkt aan multidisciplinaire richtlijnontwikkeling voor de oncologische en palliatieve zorg. Naast deze ontwikkeling van richtlijnen faciliteert het Integraal Kankercentrum Nederland ook het onderhoud, het beheer, de implementatie en de evaluatie van deze richtlijnen.

 

De leidraad voor de ontwikkeling van de richtlijnen voor oncologische en palliatieve zorg is het AGREE instrument. Dit instrument is gemaakt voor de beoordeling van bestaande, nieuwe en herziene richtlijnen.

Het AGREE Instrument beoordeelt zowel de kwaliteit van de verslaglegging als de kwaliteit van bepaalde aspecten van de aanbevelingen. Het beoordeelt de kans dat een richtlijn zijn gewenste doel zal behalen, maar niet de daadwerkelijke impact op patiëntuitkomsten.

 

Het AGREE Instrument is opgebouwd uit 23 items verdeeld over zes domeinen. Elk domein beslaat een aparte dimensie van kwaliteit van richtlijnen, namelijk:

Onderwerp en doelbetreft het doel van de richtlijn, de specifieke klinische vragen waarop de richtlijn een antwoord geeft en de patiëntenpopulatie waarop de richtlijn van toepassing is.

Betrokkenheid van belanghebbendenricht zich op de mate waarin de richtlijn de opvattingen van de beoogde gebruikers weerspiegelt.

Methodologiehangt samen met het proces waarin bewijsmateriaal is verzameld en samengesteld en met de gebruikte methoden om aanbevelingen op te stellen en te herzien.

Helderheid en presentatiegaat over het taalgebruik en de vorm van de richtlijn.

Toepassinghoudt verband met de mogelijke organisatorische, gedragsmatige en financiële consequenties van het toepassen van de richtlijn.

Onafhankelijkheid van de opstellersbetreft de onafhankelijkheid van de aanbevelingen en erkenning van mogelijke conflicterende belangen van leden van de werkgroep.

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.