Prostaatcarcinoom - Te verwachten uitkomsten bij actief volgen

Laatst beoordeeld: 16-04-2014

Uitgangsvraag

Wat is de te verwachten uitkomst bij actief volgen?

Aanbeveling

Bij patiënten met een laag-risico (T1c-2a, Gleason score <7, iPSA <10 ng/mL en slechts 1 of 2 positieve biopten) verdient een beleid van actief volgen de voorkeur. Men dient uit te leggen dat de kans op significant worden van de tumor erg klein is en dat er bij progressie (PSA stijging of meerdere positieve biopten tijdens de follow-up) altijd nog een in opzet genezende behandeling kan worden ingesteld. Actief volgen is dus iets anders dan een afwachtend beleid, waar men gaat behandelen als er symptomen van het prostaatcarcinoom gaan optreden. In de meeste gevallen zal dan een hormonale behandeling worden gestart. Ook bij patiënten met een matig- of hoog-risico wordt actief volgen overwogen indien er naast de leeftijd sprake is van duidelijke comorbiditeit die de levensverwachting negatief beïnvloedt.

Overwegingen

Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen actief volgen en waakzaam afwachten. Bij het eerste beleid zal bij progressie altijd nog een behandeling met curatieve intentie plaatsvinden en bij het tweede beleid zal pas behandeld worden als er symptomatische progressie optreedt. Het laatste beleid zal bij dit stadium van prostaatcarcinoom in de meeste gevallen gevolgd worden bij patiënten op oudere leeftijd of indien er sprake is van significante comorbiditeit.

Uit de Canadese studie van Klotz et al [2005] en screeningsstudies kan afgeleid worden dat bij patiënten met gunstige prognostische factoren overbehandeling voorkomen moet worden. Als het niet behandelen of afwachten tot optreden van kenmerken van progressie overwogen wordt bij mannen met een laag-risico prostaatcarcinoom en een gevorderde leeftijd, moeten wellicht ook objectievere maatstaven gehanteerd worden dan alleen 'de levensverwachting' op basis van de gegevens van het bureau voor de statistiek. Comorbiditeit scores kunnen daarbij behulpzaam zijn [de Groot et al 2003].

Mannen die worden 'behandeld' volgens het principe van actief volgen lijken meer behoefte te hebben aan psychosociale ondersteuning dan mannen die behandeld worden met chirurgie of radiotherapie [Galbraith et al 2001].

 

Conclusies

Het is aannemelijk dat bij een gelokaliseerd prostaatcarcinoom actief volgen niet tot een hogere sterfte leidt dan operatieve behandeling; wel is de ziekte-specifieke sterfte hoger.
Niveau 2 A2 Bill-Axelson 2005, B Hugoson 1997, Johansson 1997

Het is aannemelijk dat actief volgen verantwoord is bij mannen met een laag-risico prostaatcarcinoom (Gleason score <7, beperkte tumoromvang en PSA <10 ng/mL).
Niveau 2 B Wilt 2012, Albertsen 1998, Steinberg 1998

 

Samenvatting literatuur

Uit Scandinavisch onderzoek is gebleken dat actief volgen van patiënten zonder aangetoonde metastasen die een niet curatieve behandeling of geen behandeling kregen een kanker-specifieke mortaliteit van 50% liet zien na 15 jaar. Van de 65 patiënten die meer dan 10 jaar overleefden was de mortaliteit ten gevolge van prostaatcarcinoom 63% [Aus 1995, Hugosson 1997]. In een Deens onderzoek werd gekeken naar het natuurlijk beloop bij 719 patiënten met een prostaatcarcinoom zonder behandeling [Borre 1997]. Van de groep patiënten had 31% een gelokaliseerde tumor. Ziekte-specifieke overleving voor de gehele groep patiënten was na 5 jaar 38% en na 10 jaar 17%. Voor de gelokaliseerde tumoren waren deze cijfers respectievelijk 71% en 42%. Van een groep van 223 patiënten zonder behandeling, beschreven door Johansson, ontwikkelde slechts 13% metastasen na een volgtijd van 15 jaar en overleed 11%. Echter na 15 jaar stegen deze getallen duidelijk van 15 tot 44 per 1000 persoonsjaren. De kleine groep patiënten die wel behandeld was door middel van operatie of bestraling had geen betere resultaten wat betreft metastasering of overleving [Johansson 1997, 2004].
Albertsen et al hebben gekeken naar de kans op overlijden aan prostaatcarcinoom in relatie tot tumorkenmerken. Hieruit blijkt dat voor de laag-risico groep de kans te overlijden gelijk is aan die van mannen zonder aangetoond prostaatcarcinoom in dezelfde leeftijdsgroep. In een update van deze studie wordt geen toename van de mortaliteit gezien na een follow-up van meer dan 15 jaar [Albertsen 1998, 2005]. Neulander et al hebben een groep van 54 patiënten met gelokaliseerd prostaatcarcinoom gevolgd. Hormonale therapie werd gegeven bij duidelijke progressie en was noodzakelijk bij 28 patiënten [52%], waarvan 10 biochemische progressie toonden, 11 lokale progressie, 4 beide en 3 metastasen. De gemiddelde tijd tot progressie was 35 maanden. Statistisch significante voorspellende factoren waren PSA >10 ng/mL en Gleason score >6 [Neulander 2000]. McLaren et al beschreven de rol van de PSA-verdubbelingstijd (PSAdt) en de kans op klinische tumorprogressie [bepaald door middel van rectaal toucher] bij patiënten waar tot actief volgen was besloten. Circa 40% van de patiënten met een T1 en 51% met een cT2 tumor waren klinisch progressief na 2 jaar, oplopend tot 60% na 3 jaar. Ongeveer 50% van de patiënten met een PSAdt van <18 maanden toonden progressie binnen 6 maanden [McLaren 1998].
Klotz vond een mediane PSAdt van 7 jaar; 42% had een PSAdt van meer dan 10 jaar. De auteur adviseert om bij een PSAdt van minder dan 3 jaar te behandelen [Klotz 2005].
Choo et al deden een prospectieve studie naar de resultaten van actief volgen. Na 5 jaar was 70% van de patiënten nog zonder actieve behandeling. Er werd een groot verschil gevonden in PSAdt met een mediaan van ruim 6.5 jaar [Choo 2002]. Bij 88 patiënten met een gelokaliseerd prostaatcarcinoom, beschreven in een artikel van Patel et al ontwikkelden 22 patiënten na mediaan 44 maanden progressie en werden vervolgens alsnog behandeld [17 prostatectomie, 13 radiotherapie en 1 hormonale behandeling]. Slechts bij één patiënt na radiotherapie ontstond vervolgens biochemische progressie [Patel 2004].
Steinberg et al concludeerden na een literatuurstudie dat actief volgen het meest verantwoord is bij patiënten met een goed [misschien ook matig] gedifferentieerd prostaatcarcinoom in een vroeg stadium en een levensverwachting van minder dan 10 jaar. Bij patiënten met een langere levensverwachting en agressieve of uitgebreide vorm van al actief volgen echter leiden tot een groter aantal sterfgevallen ten gevolge van prostaatcarcinoom [Steinberg 1998].
Bill-Axelson et al gaven recent een update van de resultaten van een eerdere gerandomiseerde studie beschreven door Holmberg tussen afwachten en radicale prostatectomie bij een groep van 695 patiënten met klinisch gedetecteerde prostaatcarcinoom. 
Na een mediane volgtijd van 8.2 jaar was de totale sterfte voor actief volgen en radicale prostatectomie, respectievelijk 106 en 83 patiënten en de sterfte aan prostaatcarcinoom 50 en 30. Ook was de kans op het ontstaan van metastasen lager na operatie [RR: 0.60; 95%BI: 0.42-0.86]. Patiënten met een pT1b, T1c en cT2 tumor werden geïncludeerd in deze studie, waarbij echter 76% een cT2 tumor had [Bill-Axelson 2005, Holmberg 2002]. Wilt et al rapporteerden een gerandomiseerde studie waarbij door screening ontdekte patiënten met prostaatcarcinoom een radicale prostatectomie ondergingen of geobserveerd werden [Wilt, 2012] Radicale prostatectomie verminderde de algehele of prostaatcarcinoom-specifieke mortaliteit niet na 12 jaar follow-up in de laag-risico groep.

Tegenwoordig wordt prostaatcarcinoom in circa 75% van de gevallen gevonden op grond van een verhoogd PSA zonder palpabele afwijking en daarmee mogelijk tenminste vijf jaar eerder gediagnosticeerd. In dat verband is een studie van Carter et al van belang, waar 81 mannen werden gevolgd met T1c prostaatcarcinoom door middel van halfjaarlijkse PSA-controle, rectaal toucher en jaarlijkse biopten [follow-up 12-58 maanden]. Bij 25 [31%] vonden zij progressie, waarvan 13 werden geopereerd [Carter 2002]. Van de Bergh et al hebben ook aangetoond dat tot 40% van de mannen met prostaatcarcinoom geen behandeling behoefden in de screeningsstudie van de ESRPC [Bergh, 2009].

 

Tabel 1: Samenvatting van resultaten van studies naar afwachtend beleid bij patiënten met gelokaliseerd prostaatcarcinoom

Referentie   

Studie opzet

Aantal patiënten

Resultaten

Belangrijkste factor/predictor

 

Borre 1997

cohort studie

719

42% ziekte-vrije overleving na

10 jaar

niet aangegeven

 

Hugosson1997

 

prospectieve

studie

514

50% kanker-specifieke

mortaliteit na 15 jaar

niet aangegeven

McLaren 1998

prospectieve

studie

113

68% totale overleving

5 jaar zonder behandeling

PSAdt <18 maanden

 

Neulander

2000

prospectieve

studie

 

 

52% progressie na gemiddeld

35 maanden

IPSA >10,

Gleason score 6

 

Carter 2002

prospectieve

studie

81

31% progressie bij T1c

tumoren

herhaalde positieve

biopten

Patel 2004

 

retrospectieve

studie

88

25% progressie na gemiddeld

44 maanden

iPSA en positieve

herhalingsbiopten

 

Johansson 2004

cohort studie

223

daling cumulatieve

progressie-vrije overleving van

45% naar 36% na >15 jaar bij   onbehandelde patiënten

langere volgtijd

 

Bill-Axelson

2005

gerandomiseerde

studie

695

grotere kans op kankersterfte

[30 na operatie tegen 50 zonder

behandeling]

operatie versus geen

behandeling

 

Wilt 2012

Gerandomiseerde studie

731

Geen verschil in algehele of prostaatcarcinoom-specifieke   overleving

 

 

Uit een Nederlandse studie van Post [2001] bleek dat comorbiditeit de belangrijkste factor voor overleving was bij een cohort van 894 patiënten voor patiënten jonger dan 75 jaar.

Wat betreft de verschillende series voor actief volgen is het probleem dat er verschillende inclusiecriteria bestaan en vergelijking daarom moeilijk zal zijn. De eerste resultaten van de gerandomiseerde studies worden verwacht rond 2020.

 

Tabel 2

 

N

Gemiddelde leeftijd

Criteria

Dall’Era   [35]

376

62

Gleason   ≤3+3, PSAdt ≤0.15 ng/dL, ≤T2, ≤33% biopten positief, ≤ 50% biopten

Van   den Berg [36]

616

66

Gleason ≤3+3, PSA ≤10 ng/mL, PSAdt ≤0,2   ng/dL, ≤T2, ≤2 biopten positief

Van   As [37]

326

67

Gleason ≤3+4, PSA ≤15 ng/mL, ≤T2a, ≤50%   biopten positief

Soloway [38]

230

64

Gleason ≤6, PSA ≤10 ng/mL, ≤T2, ≤2 biopten   positief, ≤ 20% biopten positief

Klotz [34]

453

70

Gleason ≤6, PSA ≤10 ng/mL [tot 1999: Gleason   ≤3+4, PSA ≤15 ng/mL], <3 biopten positief, <50% elk biopt

Tosoain [39]

633

66

Gleason ≤3+3, PSAdt ≤0.15 ng/mL, T1,  ≤2 biopten positief, ≤50% biopten

Adamy [40]

238

64

Gleason ≤3+3, PSA ≤10 ng/mL, ≤T2a, ≤3   biopten positief, ≤50% lengte

Tabel 3

 

 

Progressie

 

Overleving [%]

 

Mediane follow-up

[maanden]

Biopsie [%]

PSA /

PSAdt

Verzoek

patiënt

OS

CSS

PFS

Dall’Era   [35]

47

35

5

8

97

100

54

Van   den Berg [36]

52

-

13

18

91

100

68

Van   As [37]

22

13

18

2

98

100

73

Soloway [38]

32

10

-

-

100

100

73

Klotz [34]

82

9

14

3

68

97

70

Tosoain [39]

32

14

-

9

98

100

54

Adamy [40]

22

13

14

11

-

-

-

 

PSAdt: PSA verdubbelingstjd; OS: algehele overleving; CSS: kanker-specifieke overleving; PFS: progressie-vrije overleving

Referenties

  1. 1 - Aus G, Hugosson J, Norlen L. Long-term survival and mortality in prostate cancer treated with noncurative intent. J Urol 1995;154:460-5.
  2. 2 - Hugosson J, Aus G. Natural course of localized prostate cancer. A personal view with a review of published papers. Anticancer Res 1997;17:1441-8.
  3. 3 - Borre M, Nerstrøm B, Overgaard J. The natural history of prostate carcinoma based on a Danish population treated with no intend to cure. Cancer 1997;80:917-28.
  4. 4 - Johansson JE, Holmberg L, Johansson S, et al. Fifteen-year survival in prostate cancer: a prospective, population based study in Sweden. JAMA 1997;277:467-71.
  5. 5 - Johansson JE, Andren O, Andersson SO, et al. Natural history of early, localized prostate cancer. JAMA 2004;291:2713-9.
  6. 6 - Albertsen PC, Hanley JA, Gleason DF, Barry MJ. Competing risk analysis of men aged 55 to 74 years at diagnosis managed conservatively for clinically localized prostate cancer. JAMA 1998;280:975-80.
  7. 7 - Albertsen PC, Hanley JA, Fine J. 20-year outcomes following conservative management of clinically localized prostate cancer. JAMA 2005;293:2095-101.
  8. 8 - Neulander EZ, Duncan RC, Tiguert R, et al. Deferred treatment of localized prostate cancer in the elderly: the impact of the age and stage at the time of diagnosis on the treatment decision. BJU 2000;85:699-704.
  9. 9 - McLaren DB, McKenzie M, Duncan G, Pickles T. Watchful waiting or watchful progression? Prostate specific antigen doubling times and clinical behavior in patients with early untreated prostate carcinoma. Cancer 1990;82:342-8.
  10. 10 - Klotz l. Active surveillance for prostate cancer: for whom? J Clin Oncol 2005;23:8165-9.
  11. 11 - Choo R, Klotz L, Danjoux C, et al. Feasibility study: watchful waiting for localized low to intermediate grade prostate carcinoma with selective delayed intervention based on prostate specific antigen, histological and/or clinical progression. J Urol 2002;167:1664-9.
  12. 12 - Patel MI, DeConcini DT, Lopez-Corona E, et al. An analysis of men with clinically localized prostate cancer who deferred definitive therapy. J Urol 2004;171:1520-4.
  13. 13 - Steinberg GD, Bales GT, Brendler CB. An analysis of watchful waiting for clinically localized prostate cancer. J Urol 1998;159:1431-6.
  14. 14 - Bill-Axelson A, Holmberg L, Ruutu M, et al. Radical prostatectomy versus watchful waiting in early prostate cancer. NEJM 2005;352:1977-84.
  15. 15 - Holmberg L, Bill-Axelson A, Helgesen F, et al. A randomized trial comparing radical prostatectomy with watchful waiting in early prostate cancer. NEJM 2002;347:781-9.
  16. 16 - Carter HB, Walsh PC, Landis P, Epstein JI. Expectant management of nonpalpable prostate cancer with curative intent: preliminary results. J Urol 2002;167:1231-4.
  17. 17 - Post PN, Hansen BE, Kil PJ, et al. The independent prognostic value of comorbidity among men aged < 75 years with localized prostate cancer: a population-based study. BJU 2001;87:821-6.
  18. 18 - Groot V de, Beckerman H, Lankhorst GJ, Bouter LM. How to measure comorbidity. A critical review of available methods. J Clin Epidemiol 2003;56:221-9.
  19. 19 - Gailbraith ME., Ramiez JM., Pedro LW. Quality of life, health outcomes, and identity for prostate cancer in five different treatmens groups. Oncology Nursing Forum 200;28:552-60.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 16-04-2014

Laatst geautoriseerd : 16-04-2014

De ontwikkelingen op het gebied diagnostiek, behandeling en begeleiding van (mannen met) prostaatcarcinoom volgen elkaar in steeds sneller tempo op. Het schrijven van een (concept) richtlijn is nog niet klaar, of er verschijnen alweer nieuwe mogelijk relevante artikelen. Een deel van de tijdens de consultatiefase ontvangen commentaren op de concept richtlijn bevestigen dit beeld opnieuw. Het slechts eenmaal per vier of vijf jaar (volledig) reviseren van een richtlijn past hier niet meer bij. Snellere tussentijdse ‘modulaire’ revisies van specifieke onderdelen van een richtlijn hebben de toekomst.

 

De kerngroep richtlijn prostaatcarcinoom (bestaande uit aantal leden van de richtlijnwerkgroep en de procesbegeleider van IKNL) wil daarom ook na autorisatie van de richtlijn intact blijven. Deze kerngroep vergadert tenminste eenmaal per jaar (zo nodig vaker) om op basis van eigen inzichten en/of signalen uit het veld te beoordelen of hernieuwde aanvulling en/of revisie van (onderdelen van) de richtlijn gewenst is. Als dat aan de orde is, zal de kerngroep de meest bij het desbetreffende onderwerp betrokken vereniging(en) verzoeken de revisie te financieren, bijvoorbeeld door middel van een hierop gericht beroep op SKMS gelden. 

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Urologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire geneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Algemene gegevens

Initiatief

Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU)


Organisatie
Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL)

 

Betrokken verenigingen

Nederlandse Internisten Vereniging (NIV) / Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie (NVMO)

Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG)

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO)

Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP)

Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR)

Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU)

ProstaatKankerStichting

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

Autoriserende verenigingen (autorisatie in aanvraag)

Nederlandse Internisten Vereniging (NIV)

Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG)

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO)

Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP)

Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR)

Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU)

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

 

De volgende verenigingen stemmen in met de inhoud

ProstaatKankerStichting.nl en de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties stemmen in met de inhoud van de richtlijn met uitzondering van de conclusies in het hoofdstuk Behandeling castratie-resistent prostaatcarcinoom (CRPC).

 

Financiering

De revisie van de richtlijn vond plaats op basis van een door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) aan de NVU toegekende subsidie.

 

Houderschap

De houder van de richtlijn moet kunnen aantonen dat de richtlijn zorgvuldig en met de vereiste deskundigheid tot stand is gekomen. Onder houder wordt verstaan de verenigingen van beroepsbeoefenaren die de richtlijn autoriseren.

Het Integraal Kankercentrum Nederland draagt zorg voor het beheer en de ontsluiting van de richtlijn.

 

Juridische betekenis

De richtlijn bevat aanbevelingen van algemene aard. Het is mogelijk dat deze aanbevelingen in een individueel geval niet van toepassing zijn. Er kunnen zich feiten of omstandigheden voordoen waardoor het wenselijk is dat in het belang van de patiënt van de richtlijn wordt afgeweken.

Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd gedocumenteerd te worden.

De toepasbaarheid en de toepassing van de richtlijnen in de praktijk is de verantwoordelijkheid van de behandelend arts.

 

Doel en doelgroep

Doelstelling

Een richtlijn is een aanbeveling ter ondersteuning van de belangrijkste knelpunten uit de dagelijkse praktijk. Deze richtlijn is zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek of consensus. Deze richtlijn bevat aanbevelingen gericht op het verbeteren van de kwaliteit van zorg en kwaliteit van leven voor mannen met (verdenking op) prostaatcarcinoom. Ongeveer 1 op de 9 mannen in Nederland krijgt ooit in zijn leven de diagnose prostaatcarcinoom. Dit zijn meer dan 10.000 patiënten per jaar en dit aantal neemt naar verwachting toe tot meer dan 17.000 patiënten in 2020. Bijna de helft (48%) van alle patiënten is 70 jaar of ouder.

 

De aanbevelingen betreffen zowel diagnostiek (inclusief lokaal recidief), behandeling als begeleiding. Het onderwerp behandeling is opgesplitst in modules met betrekking tot de stadia T1-2 Nx-0 Mx-0, T3-4 Nx-1 M0, M1a-c, castratie-resistent prostaatcarcinoom (CRPC), lokaal recidief.

 

Doelgroep

Deze richtlijn is bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van mannen met (verdenking op) prostaatcarcinoom, zoals urologen, radiologen, nucleair geneeskundigen, pathologen, radiotherapeuten, internist-oncologen, oncologieverpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, huisartsen, maatschappelijk werkers en psychologen.

 

Deze richtlijn is primair geschreven voor bovenstaande (groepen) professionals en daardoor mogelijk minder makkelijk leesbaar voor patiënten. Zoals onder het kopje ‘Inbreng patiëntenperspectief’  beschreven, is het patiëntenperspectief uiteraard wel meegenomen bij de revisie van deze richtlijn.

 

KWF Kankerbestrijding geeft makkelijker leesbare patiëntenbrochures uit, die gebaseerd zijn op door IKNL gepubliceerde richtlijnen. Naar aanleiding van het verschijnen van een geheel of gedeeltelijk gereviseerde richtlijn bepaalt KWF of de bestaande patiëntenbrochure herzien wordt.

Samenstelling werkgroep

Alle werkgroepleden zijn afgevaardigd namens wetenschappelijke verenigingen of namens patiëntenverenigingen en hebben daarmee het mandaat voor hun inbreng. Bij de samenstelling van de werkgroep is zo veel mogelijk rekening gehouden met landelijke spreiding en inbreng van betrokkenen uit zowel academische als algemene ziekenhuizen/instellingen.

 

Leden werkgroep richtlijn 2013:

Kernteam

  • Prof. dr. Th.M. de Reijke, uroloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, voorzitter
  • Prof. dr. R.J.A. van Moorselaar, uroloog, VU Medisch Centrum Amsterdam
  • Prof. dr. M. van Vulpen, radiotherapeut-oncoloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht

 

Overige leden

  • Prof. dr. J.O. Barentsz, radioloog, Universitair Medisch Centrum St. Radboud Nijmegen
  • Drs. J.L.L.M. Coenen, medisch oncoloog, Isala klinieken, Zwolle
  • Prof. dr. J.A. Gietema, medisch oncoloog, Universitair Medisch Centrum, Groningen
  • Mw. dr. C.A. Hulsbergen-van de Kaa, patholoog, Universitair Medisch Centrum St. Radboud,
  • Nijmegen
  • Dr. L. Incrocci, radiotherapeut, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
  • Dr. I.J. de Jong, uroloog, Universitair Medisch Centrum Groningen
  • C. Laarakker, ProstaatKankerStichting
  • Mw. dr. I. van Oort, uroloog, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen
  • Prof. dr. R.C.M. Pelger, uroloog, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden
  • Mw. dr. E. Rociu, radioloog, St. Franciscus Gasthuis, Rotterdam
  • Mw. C. Tillier, verpleegkundig specialist, Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam
  • J. Vierdag, ProstaatKankerStichting
  • Drs. R. Vink, patholoog, Stichting Laboratorium voor Pathologie, Enschede
  • Dr. W.V. Vogel, nucleair geneeskundige, Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam

 

Naast bovenstaande leden maakte dr. E. van Lin (radiotherapeut, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen) in eerste instantie ook deel uit van de werkgroep.

 

Behalve bovenstaande leden van de werkgroep heeft ook een aantal niet leden (op onderdelen) een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van deze richtlijn. De werkgroep dankt in het bijzonder:

Prof. dr. C.H. Bangma en dr. M.J. Roobol (afdeling urologie Erasmus MC Rotterdam) voor hun bijdrage aan het hoofdstuk over screening en vroeg-detectie; Radiotherapeuten dr. J.L. Noteboom (UMC Utrecht), dr. F.J. Pos (NKI-AvL) en drs. H.A.M. Vanhauten (UMC Groningen) voor hun bijdragen aan de paragrafen over radiotherapie, Arts-onderzoeker/promovendus drs. M. de Rooij (afdeling radiologie UMC St. Radboud Nijmegen) voor zijn bijdrage aan de paragraaf over beeldvorming, onderdeel MRI.

 

Medewerkers van IKNL waren verantwoordelijk voor de procesbegeleiding en secretariële ondersteuning.

 

Ondersteuning

  • Drs. J. de Groot, adviseur, Integraal Kankercentrum Nederland
  • Drs. T. van Vegchel, adviseur, Integraal Kankercentrum Nederland
  • Mw. H.W.G. Hamelers-Paulus, secretaresse, Integraal Kankercentrum Nederland

 

Onderzoekers patiëntenparticipatie

  • T. Brouwer, onderzoeker/GZ psycholoog, Brouwer Bruggenbouwer in de zorg (tot oktober 2012)
  • T. de Lange MSc, onderzoeker, Vrije Universiteit, Amsterdam (vanaf oktober 2012)
  • J. van de Meijden, onderzoeker, Vrije Universiteit, Amsterdam (vanaf oktober 2012)
  • C.A.C.M. Pittens MSc, onderzoeker, Vrije Universiteit, Amsterdam (tot oktober 2012)

Belangenverklaringen

Alle leden van de richtlijnwerkgroep hebben een belangenverklaring ingevuld en daarbij aangegeven onafhankelijk gehandeld te hebben bij het opstellen van de richtlijn.

Inbreng patiëntenperspectief

Twee vertegenwoordigers van de ProstaatKankerStichting maakten deel uit van de richtlijnwerkgroep en leverden een actieve bijdrage aan met name de inventarisatie van knelpunten (beginfase) en het becommentariëren van concept teksten (eindfase). Een van beide vertegenwoordigers was actief betrokken bij het schrijven van concept teksten voor het hoofdstuk informatie en nazorg.

 

Onderzoekers van het Athena Instituut (Vrije Universiteit Amsterdam) bezochten de vergaderingen van de richtlijnwerkgroep in het kader van een project gericht op het optimaliseren van patiëntenparticipatie in richtlijnwerkgroepen.

Methode ontwikkeling

Consensus based

Implementatie

Het bevorderen van het gebruik van de richtlijn begint met een brede verspreiding van de richtlijn. Er wordt een mailing verstuurd naar de professionals via de (wetenschappelijke) verenigingen en de werkgroepen van IKNL. Ook is de richtlijn gepubliceerd op www.richtlijnendatabase.nl. Tevens is er een artikel of manuscript ter publicatie aangeboden aan het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Ook in andere tijdschriften of bij bijvoorbeeld nascholingsbijeenkomsten wordt de richtlijn onder de aandacht gebracht. Om het gebruik in de dagelijkse praktijk te bevorderen is er een samenvattingskaart van de richtlijn gemaakt. Daarnaast beschikt IKNL over een toolbox ter ondersteuning van de IKNL adviseurs netwerken c.q. professionals in het veld voor de implementatie van de richtlijn. De toolbox bevat:

Een overzicht van de aanbevelingen. De kernboodschappen (belangrijkste inhoudelijke boodschappen). Een basis PowerPoint presentatie voor IKNL adviseurs netwerken en werkgroepleden van deze richtlijn. Een implementatieplan voor deze richtlijn (incl. indicatoren voor evaluatie van deze richtlijn). Dit plan bevat voor de belangrijkste aanbevelingen uit de richtlijn een overzicht van belemmerende en bevorderende factoren voor de implementatie. Op basis hiervan beschrijft het plan de belangrijkste doelgroepen en (adviezen voor) concrete acties om implementatie te bevorderen. Een training aan de IKNL adviseurs netwerken.

 

Evaluatie

Tijdens de ontwikkeling van de richtlijn zijn indicatoren voor de evaluatie van de aanbevelingen in de richtlijn opgesteld.  Met gegevens uit de NKR en eventuele andere bronnen (NVU registratie, het door KWF gesubsidieerde IKNL/UMC St. Radboud onderzoek naar de kwaliteit van prostaatkankerzorg in Nederland dat eind 2013 start) worden deze indicatoren geregistreerd. Hiermee wordt vastgesteld in hoeverre de richtlijn wordt nageleefd. De resultaten van de evaluatie kunnen aanknopingspunten vormen voor de volgende revisie van de richtlijn en/of voor tussentijdse aanpassing van het implementatieplan.

Werkwijze

Gebaseerd op de uitkomsten van een knelpunteninventarisatie in het veld, formuleerde de werkgroep een aantal uitgangsvragen voor evidence based revisie. Voor de desbetreffende onderdelen zorgde een externe methodoloog/onderzoeker (in overleg met een aantal direct betrokken werkgroepleden) voor de systematische literatuursearch, selectie, beoordeling en beschrijving van relevante literatuur en de daaruit voortvloeiende conclusies. De werkgroep formuleerde vervolgens de bijbehorende overige overwegingen en aanbevelingen.

 

Voor de overige (niet evidence based uitgewerkte) onderdelen vond een “consensus-based” revisie plaats, waarbij werkgroepleden zelf de literatuursearch uitvoerden, zorgden voor selectie, beoordeling en beschrijving van literatuur. Voor bepaalde onderdelen, bijvoorbeeld het nieuwe hoofdstuk ‘Screening en vroeg-detectie’, werd daarbij een beroep gedaan op specifieke expertise van niet-werkgroepleden.

 

Eind mei 2013 nodigde de werkgroep diverse betrokkenen uit het veld uit om vóór medio augustus commentaar te geven op de concept versie van de richtlijn. Circa veertig respondenten (zowel individuen als groepen) maakten van deze mogelijkheid gebruik.

 

Verantwoording

Het Integraal Kankercentrum Nederland bevordert  dat mensen met kanker en hun naasten zo dicht mogelijk bij huis toegang hebben tot een samenhangend en kwalitatief verantwoord zorgaanbod.

Het Integraal Kankercentrum Nederland is opgericht om behandeling, zorg en klinisch onderzoek binnen de oncologie te verbeteren. Daarnaast heeft het een taak in het opzetten en ondersteunen van netwerken voor palliatieve zorg. 

 

Het Integraal Kankercentrum Nederland  werkt aan multidisciplinaire richtlijnontwikkeling voor de oncologische en palliatieve zorg. Naast deze ontwikkeling van richtlijnen faciliteert het Integraal Kankercentrum Nederland ook het onderhoud, het beheer, de implementatie en de evaluatie van deze richtlijnen.

 

De leidraad voor de ontwikkeling van de richtlijnen voor oncologische en palliatieve zorg is het AGREE instrument. Dit instrument is gemaakt voor de beoordeling van bestaande, nieuwe en herziene richtlijnen.

Het AGREE Instrument beoordeelt zowel de kwaliteit van de verslaglegging als de kwaliteit van bepaalde aspecten van de aanbevelingen. Het beoordeelt de kans dat een richtlijn zijn gewenste doel zal behalen, maar niet de daadwerkelijke impact op patiëntuitkomsten.

 

Het AGREE Instrument is opgebouwd uit 23 items verdeeld over zes domeinen. Elk domein beslaat een aparte dimensie van kwaliteit van richtlijnen, namelijk:

Onderwerp en doelbetreft het doel van de richtlijn, de specifieke klinische vragen waarop de richtlijn een antwoord geeft en de patiëntenpopulatie waarop de richtlijn van toepassing is.

Betrokkenheid van belanghebbendenricht zich op de mate waarin de richtlijn de opvattingen van de beoogde gebruikers weerspiegelt.

Methodologiehangt samen met het proces waarin bewijsmateriaal is verzameld en samengesteld en met de gebruikte methoden om aanbevelingen op te stellen en te herzien.

Helderheid en presentatiegaat over het taalgebruik en de vorm van de richtlijn.

Toepassinghoudt verband met de mogelijke organisatorische, gedragsmatige en financiële consequenties van het toepassen van de richtlijn.

Onafhankelijkheid van de opstellersbetreft de onafhankelijkheid van de aanbevelingen en erkenning van mogelijke conflicterende belangen van leden van de werkgroep.

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.