Waar gaat deze richtlijn over?

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven de beste zorg is voor patiënten met een primaire spontane klaplong. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

    • Ontstaanswijze, zoals risicofactoren, en ziektebeloop van een primaire spontane klaplong
    • Diagnostiek van een primaire spontane klaplong
    • Behandeling van een primaire spontane klaplong

 

Voor wie is deze richtlijn bedoeld?

Deze richtlijn is vooral bestemd voor longartsen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met een primaire spontane klaplong.

 

Voor patiënten

Pneumothorax is de medische term voor klaplong. Bij een klaplong is er in de borstholte naast de long ook vrije lucht aanwezig. Deze lucht drukt op de inwendige organen, dus ook op de long. De patiënt krijgt plotseling een scherpe snijdende pijn, ongeveer op de plaats van de pneumothorax. Primair wil zeggen dat  de oorzaak van de klaplong niet bekend is. Van een secundaire klaplong is de oorzaak wel bekend.

 

Meer informatie over klaplong is ook te vinden op Thuisarts:

http://www.thuisarts.nl/klaplong

 

Meer informatie over klaplong is ook te vinden op de website van het Longfonds:

https://www.longfonds.nl/klaplong

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT).

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 05-10-2001

Laatst geautoriseerd : 05-10-2001

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose

Doel en doelgroep

De doelgroep bestaat uit patiënten met een primaire SP. Patiënten met een secundaire SP of iatrogene pneumothorax vallen buiten de beschouwing van deze richtlijn. De richtlijn is primair bedoeld voor de klinisch werkzame longarts en richt zich op de pathogenese, etiologie, patho- fysiologie, diagnostiek en behandeling van de primaire SP.

Samenstelling werkgroep

De Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT) heeft een werkgroep ingesteld om de richtlijn 'Primaire spontane pneumothoraz' voor te bereiden.

 

DE LEDEN VAN DE WERKGROEP:

dr. F.M.N.H. Schramel (voorzitter)

St. Antonius ziekenhuis, Nieuwegein

J.T. Annema

Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden

G.P.M. Mannes

Twenteborg Ziekenhuis, Almelo

dr. J.M. Smit

Ziekenhuis Rijnstate, Arnhem

dr. L.N.A. Willems                                 

Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

Door middel van uitgebreid literatuur onderzoek wordt getracht antwoord te geven op klinisch relevante zaken aangaande de primaire SP. Conclusies en aanbevelingen zijn zoveel mogelijk evidence-based met vermelding van de mate van bewijs. Er wordt geen gebruik gemaakt van zogenaamde ‘expert opinions’, omdat een nationaal panel van deskundigen niet voorhanden of gevormd is. Een dergelijk panel zou ook niet mono- disciplinair kunnen zijn maar zou moeten bestaan uit verschillende specialismen, zoals ook recentelijk is gebruikt in de consensusstatement ‘Management of spontaneous pneumothorax’ van de American College of Chest Physicians.

 

Interventiestudies

A1

Meta-analyses die ten minste enkele onderzoeken van A2-niveau betreffen waarbij de resultaten van afzonderlijke onderzoeken consistent zijn.

A2

Gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit (gerandomiseerd, dubbelblind gecontroleerde trials) van voldoende omvang en consistentie.

B

Gerandomiseerde klinische trials van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerde studies, cohortstudies, patiëntcontrole- studies).

C

Niet-vergelijkend onderzoek.

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld werkgroepleden.

 

Diagnostische studies

A1

Vergelijkend onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten of onderzoek waarbij met behulp van besliskundige modellen of multivariate analyses de toegevoegde informatie wordt beoordeeld van de te onderzoeken test ten opzichte van een referentietest.

A2

Vergelijkend onderzoek waarbij van tevoren criteria zijn gedefinieerd voor de te onderzoeken test en voor een referentietest, met een beschrijving van de onderzochte klinische populatie; bovendien moet het een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten betreffen, moet gebruik zijn gemaakt van tevoren gedefinieerde afkapwaarden van de test, en dienen de resultaten van de test en gouden standaard onafhankelijk te zijn beoordeeld.

B

Vergelijking met een referentietest, beschrijving van de onderzochte test en van de onderzochte populatie, maar niet de kenmerken die verder onder niveau A staan genoemd.

C

Niet-vergelijkend onderzoek.

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld werkgroepleden.

 

Niveau en formulering van conclusies en aanbevelingen

1

Ondersteund door ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde studies van niveau A1 of A2 of een meta-analyse (A1).

2

Ondersteund door ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Niet ondersteund door voldoende onderzoek van niveau A of B.

4

Advies op grond van de mening van de werkgroepleden of van literatuur van niveau D.