Primaire artrose van de duimbasis

Initiatief: NVPC Aantal modules: 30

Effect van fysiotherapeutische interventies

Uitgangsvraag

Wat is het effect van fysiotherapeutische interventies bij patiënten met duimbasisartrose?

Aanbeveling

Het is niet aangetoond dat fysiotherapeutische interventies op de langere termijn een toegevoegde waarde hebben in de conservatieve behandeling van symptomatische duimbasisartrose. Er zijn wel studies die effect laten zien op (zeer) korte termijn, maar omdat lange termijn studies ontbreken, dienen studies met langere follow-up eerst te worden uitgevoerd alvorens er meer duidelijkheid kan komen betreffende de effectiviteit van fysiotherapie. Tot die tijd worden fysiotherapeutische interventies niet aanbevolen.

Overwegingen

Er zijn slechts weinig studies van hoog niveau gepubliceerd over het effect van fysiotherapeutische interventies. De RCTs die erover gepubliceerd zijn, hebben een (zeer) korte follow-up duur en specifieke patiëntenpopulatie (70-90 jaar). Conclusies over de effectiviteit ervan (op de langere termijn) kunnen dan ook moeilijk worden gegeven en naar aanleiding van de beschikbare literatuur kunnen geen conclusies worden getrokken over de plaats van deze interventies in de behandeling van duimbasisartrose.

Onderbouwing

Het is aangetoond dat fysiotherapeutische interventies op (zeer) korte termijn kunnen leiden tot minder pijnklachten (Villafañe e.a. 2011, 2012-1, 2012-2, 2013-1 en 2013-2) (niveau 1). Er zijn echter weinig RCT's over gepubliceerd. Gezien de (zeer) korte follow-up duur en de onderzochte patiëntenpopulatie (70-90 jaar) in de beschikbare RCT's, is het niet mogelijk hier gedegen conclusies uit te trekken over de plaats van deze interventies in de behandeling van duimbasisartrose. Multimodale behandeling lijkt pijnreductie te geven (Villafañe e.a. 2013-1) (niveau 2).

Het effect van fysiotherapeutische interventies is in 4 gerandomiseerde studies onderzocht door Villafañe e.a. (Tabel 4.1 onder Evidence tabellen). Al deze studies werden uitgevoerd bij patiënten tussen de 70 en 90 jaar en in alle studies kreeg de controlegroep ultrageluid behandeling op een niet-therapeutisch niveau. In één studie (Villafañe e.a. 2011) werd het effect van Kaltenborn manuele therapie onderzocht (n=14). De follow up duur was 2 weken. Kaltenborn manuele therapie leidde tot een afname van pijn, maar gaf geen verandering in motorische functie (gemeten met lateral pinch, 3-puntspinch en knijpkracht).

In een andere studie (Villafañe e.a. 2012-1) vond passieve mobilisatie plaats (n=14). Na 2 weken werd gezien dat deze passieve mobilisatie de pijngrens verhoogde, maar niet leidde tot een toename in motorische functie.

In hun derde RCT (Villafañe e.a. 2012-2) vond mobilisatie van de n. radialis plaats (n=30). Dit gaf na 2 maanden vermindering van de pijn sensitiviteit en toename van de tip pinch kracht. Tevens toonden zij aan, dat ook contralateraal een afname van pijn werd geïnduceerd (Villafañe e.a. 2013-2).

In de 4e gerandomiseerde studie (Villafañe e.a. 2013-1) kregen patiënten (n=30) een multimodale behandeling, bestaande uit Kaltenborn gewrichtsmobilisatie, neurodynamische technieken en een oefenprotocol. Na 2 maanden was er een significante verbetering in pijnscore in deze groep, er waren geen verschillen in kracht of pijndrempel scores.

  1. Villafañe JH, Silva GB, Fernandez-Carnero J. (1) Effect of thumb joint mobilization on pressure pain threshold in elderly patients with thumb carpometacarpal osteoarthritis. J Manipulative Physiol Ther. 2012; 35: 110-120.
  2. Villafañe JH, Silva GB, Bishop MD, Fernandez-Carnero J. (2) Radial nerve mobilization decreases pain sensitivity and improves motor performance in patients with thumb carpometacarpal osteoarthritis: a randomized controlled trial. Arch Phys Med Rehabil. 2012; 93: 396-403.
  3. Villafañe JH, Silva GB, Diaz-Parreño SA, Fernandez-Carnero J. Hypoalgesic and motor effects of Kaltenborn mobilization on elderly patients with secondary thumb carpometacarpal osteoarthritis: a randomized controlled trial. J Manipulative Physiol Ther. 2011; 34: 547-556.
  4. Villafañe JH, Cleland JA, Fernández-de-las-Peñas C. (1) The effectiveness of a manual therapy and exercise protocol in patients with thumb carpometacarpal osteoarthritis: A randomized controlled trial. J Orthop Sports Phys Ther. 2013; 43(4): 204-213.
  5. Villafañe JH, Bishop MD, Fernández-de-las-Peñas, Langford D. (2) Radial nerve mobilisation had bilateral sensory effects in people with thumb carpometacarpal osteoarthritis: a randomised trial. Journal of Physiotherapy 2013; 59: 25-30.

Tabel 4.1 Fysiotherapeutische interventies

Auteurs

Studie classificatie

Stadium artrose

Aantal patiënten per groep

Behandeling

 

Auteurs conclusies

 

 

Villafañe et al. 2013 (1)

Level II

III-IV

30

 

 

 

  

30

Multimodale manuele behandeling: Kaltenborn mobilisatie, neurodynamische technieken, oefen protocol

 

Controle (ultrageluid op niet-therapeutisch niveau)

12 sessies in 4 weken, follow-up 2 maanden

Significante verbetering in pijn, geen verschil in grip of pinch kracht

 

PM. Patiënten 65-90 (gemiddeld 82) jaar 

Villafañe e.a. 2012 (1)

Level III

III-IV

14

 

 

14

Passieve mobilisatie

 

 

Controle (ultrageluid op niet-therapeutisch niveau)

Passieve accessoire mobilisatie verhoogt de pijngrens, maar leidt niet tot toename in motorische functie (na 2 weken).

 

PM. Patiënten 70-90 jaar

Villafañe e.a. 2012 (2) en

Villafañe et al. 2013 (2)

Level II

III-IV

30

 

 

30

Mobilisatie n. radialis

 

 

Controle (ultrageluid op niet-therapeutisch niveau)

Mobilisatie van de n. radialis vermindert pijn sensitiviteit en leidt tot toename van tip pinch kracht (na 2 maanden).

Het geeft ook pijnvermindering aan de contralaterale hand.

 

PM. Patiënten 70-90 jaar

Villafañe e.a. 2011

Level III

III-IV

14

 

 

15

Kaltenborn mobilisatie

 

 

Controle (ultrageluid op niet-therapeutisch niveau)

Kaltenborn manuele therapie leidt tot afname van pijn. Er werd echter geen toename in motorische functie gezien. Follow-up 2 weken.

 

PM. Patiënten 70-90 jaar

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-04-2015

Laatst geautoriseerd  : 01-04-2015

Uiterlijk in 2019 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Handchirurgie of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De Nederlandse Vereniging voor Handchirurgie is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende Wetenschappelijk Verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen

Algemene gegevens

Naast bovengenoemde verenigingen ook:

 

GEAUTORISEERD DOOR

Nederlandse Vereniging voor Handchirurgie (NVVH)

Vereniging voor Bewegingswetenschappen Nederland (VvBN)

 

IN SAMENWERKING MET

Nederlandse Vereniging voor Handchirurgie (NVVH)

Nederlands Gezelschap voor Handtherapie (NGHT)

Vereniging voor Bewegingswetenschappen Nederland (VvBN)

 

MET ONDERSTEUNING VAN

Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten

 

FINANCIERING

De richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun van de Orde van Medisch Specialisten in het kader van het programma ‘Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO)’.

Doel en doelgroep

Doelstelling

Vanwege de frequentie van voorkomen van duimbasis artrose, is het van belang om de best mogelijke evidence based behandeling te verzorgen op landelijk niveau. Deze richtlijn beoogt deze lacune te vullen evenals advies te verstrekken over het implementeren van de geformuleerde adviezen.

Deze richtlijn is opgesteld op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Handchirurgie met als doel een hanteerbaar overzicht op te stellen met aanbevelingen aangaande de diagnose en behandeling van duimbasis artrose. Per hoofdstuk wordt een overzicht van de literatuur gegeven met vervolgens een conclusie die naast een samenvatting van de literatuur ook de mening van de werkgroep weergeeft. Dit zodat de uiteindelijke aanbevelingen zowel gebaseerd zijn op de wetenschappelijke literatuur als op aansluitende meningsvorm van de werkgroep. Uiteraard staat steeds duidelijk beschreven hoe tot een aanbeveling gekomen is. Tenslotte geeft de richtlijn advies bij het implementeren van de geformuleerde aanbevelingen.

 

Richtlijngebruikers

De richtlijn werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Nederlandse Orthopedische Vereniging, de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie, de Nederlandse Vereniging voor Revalidatieartsen en de Vereniging voor Bewegingswetenschappen Nederland. Daarnaast is ondersteuning verkregen van het Nederlands gezelschap voor Handtherapie. De leden van deze verenigingen zijn de beoogde gebruikers van deze richtlijn.

Samenstelling werkgroep

In 2012 is op iniatief van de Nederlandse Vereniging voor Handchirurgie (een overkoepelende organisatie met vertegenwoordigers uit alle specialismen die betrokken zijn bij hand problematiek) een multidisciplinaire werkgroep samengesteld bestaande uit vertegenwoordigers van die specialismen die betrokken zijn bij de conservatieve en operatieve behandeling van duimbasis artrose.

Bij het samenstellen van de werkgroep is zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen, ‘scholen’ en academische achtergrond.

De voorgestelde samenstelling van de werkgroep is goedgekeurd door de deelnemende wetenschappelijke verenigingen en de werkgroepleden zijn door de wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname aan deze werkgroep. Gezamenlijk zijn de werkgroepleden integraal verantwoordelijk voor de tekst van deze conceptrichtlijn.

 

Kerngroep:

  • drs. J. van Uchelen, plastisch en handchirurg, Isala Zwolle (voorzitter)
  • dr. A. Beumer, orthopaedisch en handchirurg, Amphia Ziekenhuis Breda
  • drs. S.M. Brink, bewegingswetenschapper, Isala Zwolle
  • dr. P. Hoogvliet, revalidatiearts, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam
  • dr. T.M. Moojen, plastisch en handchirurg, Xpert Clinic Nederland
  • drs. A.J. Spaans, AIOS orthopaedie, Amphia Ziekenhuis Breda
  • dr. G.M. Vermeulen, plastisch en handchirurg, Xpert Clinic Hilversum

 

Adviesgroep:

  • dr. T.A.R. Schreuders, Nederlands Gezelschap voor Handtherapie
  • dr. R.W. Selles, Vereniging voor Bewegingswetenschap Nederland

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Er is rekening gehouden met implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen in de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling door uitdrukkelijk te letten op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

De richtlijn wordt na accordering door de beroepsverenigingen verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen. Een samenvatting van de richtlijn wordt voor publicatie aangeboden aan het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in de vaktijdschriften van de deelnemende wetenschappelijk verenigingen. De richtlijn is te downloaden vanaf de website van het CBO: www.cbo.nl.

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende 2 jaar (8 vergaderingen) aan de tot stand koming van de conceptrichtlijn. De werkgroepleden hebben systematisch literatuur gezocht en beoordeeld op kwaliteit en inhoud. Vervolgens schreven de werkgroepleden een paragraaf of hoofdstuk voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De uiteindelijke teksten vormen samen de hier voorliggende conceptrichtlijn.

 

Probleemomschrijving en uitgangsvragen

De werkgroep heeft problemen in kaart gebracht en vragen geformuleerd betreffende het hele proces van diagnostiek, conservatieve en operatieve therapie zoals dat door de patiënt chronologisch wordt doorlopen. Deze zijn geformuleerd in uitgangsvragen die steeds staan vermeld aan het begin van elk hoofdstuk.

 

Samenvatting literatuur

Voor zover mogelijk is de richtlijn gebaseerd op evidence uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. In een enkel geval werd zodanige waarde aan een ander onderzoek gehecht (in press of recet gepubliceerd) dat dit werd meegenomen. Dit wordt dan specifiek in de tekst genoemd. Door middel van systematisch zoeken in de Cochrane database, Medline, en Embase werden relevante artikelen gezocht. Uit de referentielijsten van opgevraagde literatuur werden eveneens artikelen ter analyse opgenomen. Deze geselecteerde artikelen zijn door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. De geselecteerde artikelen zijn de basis voor de verschillende hoofdstukken en de onderbouwing van de verschillende conclusies. Voor verdere toelichting wordt u verwezen naar het aanverwant ‘Specifieke inleiding’.

De beoordeling van de verschillende artikelen zijn in de teksten terug te vinden onder het kopje ‘samenvatting literatuur’. Het wetenschappelijk bewijs is kort samengevat in een ‘conclusie’. De belangrijkste literatuur en de mate van bewijs waarop deze conclusie is gebaseerd staan bij de conclusie vermeld.

Naast wetenschappelijk bewijs zijn voor een aanbeveling vaak ook andere aspecten van belang, zoals patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid en organisatorische aspecten. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘overige overwegingen’. Het is evident dat in de ‘overige overwegingen’ de ervaring en opvattingen van de werkgroepleden een rol spelen. De ‘aanbeveling’ is het resultaat van de integratie van het beschikbare bewijs met de weergegeven overige overwegingen. Aanbevelingen worden gegeven na iedere paragraaf. Voor de huidige opzet, met het gescheiden weergeven van ‘feiten’ naast ‘meningen’, is gekozen om een efficiënte discussie mogelijk te maken tijdens de werkgroepvergaderingen, daarnaast vergroot het de transparantie van de aanbevelingen voor de lezer. 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Chirurgische behandeling duimbasisartrose