Waar gaat deze richtlijn over?

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven de beste zorg is voor patiënten met ROP. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

    • Risicofactoren voor het ontwikkelen van ROP, die een reden kunnen vormen voor screening op deze aandoening
    • Screening op ROP en de logistiek daaromheen
    • Redenen voor verwijzing naar een ander ziekenhuis of naar een centrum met meer faciliteiten en/of expertise in ROP
    • Redenen om ROP te gaan behandelen
    • Het informeren van ouders over de screening op ROP

 

Voor wie is de richtlijn bedoeld?

De richtlijn is bestemd voor zorgverleners die betrokken zijn bij de screening op ROP en voor de ouders/verzorgers van deze patiënten.

 

Voor patiënten

Het netvlies (retina) is een onderdeel van het oog dat essentieel is voor het zien. De bloedvaten die het netvlies van voeding voorzien, zijn pas in de laatste weken van de zwangerschap volgroeid. Bij een te vroeg geboren kind zullen deze bloedvaten in de eerste levensmaanden dus nog moeten uitgroeien. Als de normale groei van deze bloedvaten verstoord is, is sprake van prematuren retinopathie, afgekort als ROP.  

 

Bij aanverwante informatie is een patiëntenfolder te vinden.

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG). De richtlijn is tot stand gekomen in samenwerking met de Nederlandse Vereniging Kindergeneeskunde (NVK) en de Vereniging Ouders van Couveusekinderen (VOC, www.couveuseouders.nl).

 

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 31-12-2011

Laatst geautoriseerd : 31-12-2011

Het Nederlands Oogheelkunde Gezelschap is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. Uiterlijk in 2017 bepaalt het NOG of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De andere aan deze richtlijn deelnemende beroepsverenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewaken van de actualiteit van de aanbevelingen in de richtlijn. Hen wordt verzocht relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied kenbaar te maken aan de eerstverantwoordelijke.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlands Oogheelkundig Gezelschap

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde

Algemene gegevens

De richtlijn werd ontwikkeld in samenwerking met de Vereniging Ouders van Couveusekinderen (VOC). De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door de Orde  van Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel

Een richtlijn bevat aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. In de conclusies wordt aangegeven wat de wetenschappelijke stand van zaken is. De aanbevelingen expliciteren optimaal professioneel handelen in de gezondheidszorg en zijn gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, aansluitende meningsvorming en overige overwegingen. Deze richtlijn geeft een leidraad voor de gang van zaken omtrent de ROP screening. De richtlijn heeft een algemeen karakter, kan gebruikt worden om beroepsspecifieke richtlijnen te formuleren en biedt aanknopingspunten voor bijvoorbeeld lokale (instituut- of regiogebonden) protocollen en/of zorgafspraken.

 

Doelgroep

De richtlijn is primair geschreven voor medisch specialisten die betrokken zijn bij de screening op ROP, alsmede voor ouders / verzorgers van deze patiënten en overige behandelaars.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2010 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die met ROP en ROP screening te maken hebben.

Bij het samenstellen van de werkgroep is zo veel mogelijk rekening gehouden met geografische spreiding en evenredige vertegenwoordiging van verschillende verenigingen, ‘scholen’ en academische achtergrond. De werkgroepleden zijn door de wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname en de samenstelling van de werkgroep is goedgekeurd door alle deelnemende wetenschappelijke verenigingen. De werkgroepleden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de tekst.

 

  • Drs. J.L.A.M. Hillegersberg, neonatoloog St. Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein.
  • Dr. F.T. Kerkhoff, oogarts, Maxima Medisch Centrum, Veldhoven.
  • Drs. I.L.A. van Liempt, oogarts, Amphia Ziekenhuis, Breda.
  • Dr. L.J. van Rijn, oogarts, Vrije Universiteit Amtsterdam en Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam.
  • Prof. Dr. N.E. Schalij-Delfos, oogarts, Leids Universitair Medisch Centrum. Leiden (voorzitter).
  • Prof. Dr. H.J. Simonsz, oogarts, Erasmus MC-Sophia, Rotterdam.
  • Drs. A.J. van Sorge, arts-onderzoeker, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden.
  • Drs. G.J. van Steenbrugge, directeur Vereniging Ouders van Couveusekinderen, Leidschendam.
  • Dr. J.U.M Termote, neonatoloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht / lokatie Wilhelmina KinderZiekenhuis, Utrecht

Belangenverklaringen

De werkgroepleden is gevraagd om aan te geven of er sprake is van een mogelijke belangenverstrengeling met commerciële bedrijven. Op geen van de werkgroepleden is dit van toepassing.

Inbreng patiëntenperspectief

Gedurende de ontwikkeling van de richtlijn is nadrukkelijk aandacht besteed aan het in kaart brengen van het patiëntenperspectief. In de werkgroep heeft een vertegenwoordiger van de Vereniging voor Ouders van Couveusekinderen (VOC) zitting genomen, die het perspectief van de ouders/ verzorgers van patiënten naar voren bracht tijdens de bespreking van de teksten en de formulering van de aanbevelingen. 

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Tijdens de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn is verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en instellingen. (Een samenvatting van de richtlijn is gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. De richtlijn is te downloaden vanaf de website van de NVR en artsennet).

Werkwijze

Werkwijze werkgroep

De werkgroep heeft een jaar aan de totstandkoming van de richtlijn gewerkt. Binnen de werkgroep was de arts-onderzoeker aangesteld voor het systematisch zoeken naar literatuur en het beoordelen van kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreef zij een concepttekst waarin de literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtte zij de teksten toe aan de overige leden van de werkgroep. De werkgroepleden waren aangesteld om in paren of alleen bepaalde uitgangsvragen verder uit te werken, de literatuur te valideren en hun professionele en klinische ervaring erin te verwerken. De uitgangsvragen werden door de betreffende personen toegelicht en door de hele werkgroep tijdens meerdere bijeenkomsten besproken. De conceptrichtlijn is in oktober 2011 schriftelijk aan alle betrokken wetenschappelijke verenigingen aangeboden en hen is gevraagd de richtlijn aan hun leden voor te leggen. De ontvangen commentaren zijn waar relevant bevonden verwerkt in de definitieve richtlijn.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De onderbouwing van de richtlijn is mede gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht met systematische zoekacties. Omdat in 2007 een evidence based richtlijn opgesteld is door de UK, is de literatuur die in die richtlijn gevalideerd was gebruikt en aangevuld met literatuur vanaf 2006 tot en met februari 2011. Gezocht werd in Medline en Embase. Voor de oriënterende search werd ook gezocht naar al bestaande richtlijnen in online te raadplegen (inter)nationale guideline clearinghouses. Hierbij werd de taal gelimiteerd tot Nederlands, Engels, Duits en Frans. Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van opgevraagde literatuur. Dit leverde bij enkele uitgangsvragen nog aanvullende artikelen op.

RCT’s en systematische reviews zijn beperkt te vinden over dit onderwerp en ook was niet over alle uitgangsvragen literatuur te vinden. De beantwoording van deze vragen zal gebaseerd worden op de ervaring en mening van de werkgroep en op de uitkomsten van de knelpuntanalyse (d.m.v. een enquête onder oogartsen en neonatologen). De searches zijn verricht van eind 2010 tot en met eind 2011. Voor alle uitgangsvragen is gebruik gemaakt van een uniforme formulering van de patiëntencategorie en de interventie.

Voor de gehanteerde zoektermen wordt verwezen naar de zoekverantwoording. Op verzoek zijn de volledige zoekstrategieën beschikbaar. Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van opgevraagde literatuur en zijn enkele relevante publicaties tot eind 2011 meegenomen. Lopend onderzoek is buiten beschouwing gelaten.

De geselecteerde artikelen zijn beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de standaardindeling gebruikt: zie tabel 1. Na selectie bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld. De belangrijkste literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs (zie tabel 2).

Om inzicht te krijgen of internationale aanbevelingen geëxtrapoleerd kunnen worden naar de Nederlandse situatie zijn de aanbevelingen die gebaseerd zijn op de beschikbare literatuur vergeleken met de bevindingen van de NEDROP studie en meegenomen bij de overwegingen. Omdat de gegevens van deze studie nog niet zijn gepubliceerd wordt expliciet aangegeven als zij invloed hebben gehad op de besluitvorming.

Voor een aantal uitgangsvragen zijn evidencetabellen gemaakt.

 

Tabel 1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies.

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek).

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 2: Niveau van conclusies

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

1 onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.