Inleiding bij pijnherkenning en pijnmeting

Laatst beoordeeld: 17-09-2007

Uitgangsvraag

Pijnherkenning en pijnmeting bij kinderen

Aanbeveling

De werkgroep is van mening dat pijnmeetinstrumenten gebruikt dienen te worden die geschikt zijn voor de leeftijd, de situatie en de aard van de pijn. Het is van belang ervaring op te doen met één of twee valide instrumenten om die dan op een afdeling vervolgens consequent te gebruiken.

Overwegingen

Bij deze module zijn geen overwegingen geformuleerd.

Inleiding

Wetenschappelijke verenigingen zoals de International Association for the Study of Pain (IASP), de European Federation of IASP Chapters (EFIC) en de American Pain Society (APS) benadrukken alle het belang van pijnmeting. In dit kader introduceerde de APS in 1995 de uitdrukking Pain, the 5th vital sign, als een oproep pijn net zo vaak te meten als de andere vier vitale kenmerken; hartslag, bloeddruk, ademhaling en temperatuur.

Het staat buiten kijf dat er pas sprake kan zijn van goed pijnbeleid als we iemands pijn regelmatig meten. Hiermee krijgen we een indruk of de behandeling effectief is. De frequentie van scoren hangt af van de aard (acuut, postoperatief of chronisch) en ernst van de pijn. De leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de patiënt bepalen de te gebruiken methode.

Samenvatting literatuur

Acute pijn

Veel pijnmeetinstrumenten voor pasgeborenen en jonge kinderen zijn gevalideerd voor acute pijn zoals die wordt veroorzaakt door een hielprik. Andere voorbeelden zijn venapunctie en het inbrengen van lijnen. Deze instrumenten zijn nuttig gebleken voor psychometrisch onderzoek en medisch onderzoek in het algemeen, omdat de pijnprikkel zichtbaar is en redelijk gestandaardiseerd wordt toegediend. Voorts is de pijn meestal van korte duur. In de klinische praktijk gaat het bij dit soort procedures vooral om het zo goed mogelijk uitvoeren van de handeling met gebruikmaking van plaatselijke verdoving in de vorm van EMLA of het toepassen van niet-farmacologische interventies zoals sucrose of afleiding om de procedure zo pijnloos mogelijk uit te voeren.

 

Postoperatieve pijn

Postoperatieve pijn is een vorm van acute pijn, maar anders dan bij de eerder genoemde vorm kan deze langere tijd aanhouden. De intensiteit en duur zijn sterk afhankelijk van het soort operatie, waarbij locatie en grootte van incisie, het wel of niet aanwezig zijn van ischemisch weefsel en andere factoren een rol spelen. Voor de postoperatieve fase is pijnmeting essentieel, ook gezien het feit dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg in 2003 postoperatieve pijnmeting heeft aangewezen als een van de prestatie-indicatoren voor de kwaliteit en veiligheid van zorg in ziekenhuizen1.

 

Chronische pijn

Er is sprake van chronische pijn als iemand met zekere regelmaat pijn lijdt langer dan 3 maanden. De aard en duur van de pijn kunnen ook andere klachten opleveren, zoals depressie en prikkelbaarheid. Kinderen kunnen dan bijvoorbeeld school verzuimen en in een sociaal isolement raken. Bij chronische pijn is het daarom ook van belang om na te gaan welke invloed de pijn heeft op iemands kwaliteit van leven, gevoelens en activiteiten.

 

Algemeen

Pijnmeetinstrumenten zijn een hulpmiddel bij het bepalen van de pijnintensiteit en tevens nuttig om de effectiviteit van de pijnbestrijding (farmacologisch of non-farmacologisch) te bepalen. Bij pasgeborenen en jonge kinderen is het desondanks moeilijk om onderscheid te maken tussen pijn of onrust/angst. Dit onderscheid is relevant bij het bepalen van de behandeling. De score op een pijnmeetinstrument is een momentopname en niet meer dan dat. Daarom is het hierbij noodzakelijk om als behandelaar verschillende omgevingsfactoren mee te laten wegen. Is er meer aanleiding om aan pijn te denken (bijvoorbeeld patiënt < 24 uur na een operatie, ‘bolle buik’, thoraxdrain, etc) of is er aanleiding om aan angst of onrust te denken (ouders afwezig bij eenkennige peuter, veel lawaai en onrust op afdeling, honger pre- of postoperatief). Ook kan het zinvol zijn om de ouders te vragen hoe hun kind gewoonlijk reageert op pijn of verandering van omgeving.

 

Pijnmeetinstrumenten

De pijnmeetinstrumenten die wij aanraden zijn alle gepubliceerd en getoetst op validiteit en betrouwbaarheid. In tabel 1 (zie evidence tabellen) zijn zij onderscheiden in observatie-instrumenten en zelfrapportage-methodes. Voor elk is aangegeven voor welk soort pijn en doelgroep zij geschikt zijn. Observatie-instrumenten worden gebruikt om het gedrag te beoordelen van pasgeborenen en jonge kinderen (tot ± 4 jaar) en kinderen met een uitingsbeperking, zoals zij met een verstandelijke beperking. Relevante gedragingen zijn gezichtsuitdrukking, huilen, lichaamsbeweging, slaappatroon en bewustzijnstoestand, troostbaarheid en spierspanning. Alle observatie-instrumenten bevatten de eerste drie van deze gedragingen. Sommige instrumenten combineren gedragsobservatie met fysiologische parameters zoals hartslag en bloeddruk. Voor het meten van postoperatieve pijn hebben fysiologische parameters echter een beperkt nut omdat ze sterk worden beïnvloed door andere factoren, zoals stress, angst, honger en misselijkheid. Bij acute pijn zal er wel een gerelateerde verandering in de fysiologische parameters zichtbaar worden, maar weer snel verdwijnen na de handeling. Bij chronische pijn hebben de fysiologische parameters geen echte bijdrage.

 

Betrouwbaarheid en validiteit van pijnmeetinstrumenten

De betrouwbaarheid en validiteit van pijnmeetinstrumenten dienen zeker gegarandeerd te zijn bij het bepalen van pijn aan de hand van gedragsobservaties, omdat hier de afstand tussen pijnervaring en pijnmeting groter is dan bij zelfrapportage. Betrouwbaarheid houdt vooral in dat verschillende observatoren (veelal de verpleegkundigen) op vrijwel dezelfde wijze scoren. Een goede methode van testen is het vergelijken van de onafhankelijk scores van pijnmeting van twee verpleegkundigen voor dezelfde patiënt. Uit liefst meerdere paarsgewijze scores kan een maat van de zgn. tussenbeoordelaars-betrouwbaarheid berekend worden, b.v. Cohen’s kappa of de intraclass correlatie coëfficiënt.

De validiteit van een pijnmeetinstrument – ofwel ‘meet het instrument wat het beoogt te meten’ – dient op meerdere manieren getoetst worden. Er zijn verschillende vormen van validiteit, en aan sommige is makkelijker te voldoen dan aan anderen. Als een instrument alle aspecten lijkt te vertegenwoordigen die men beoogt te meten, dan heeft het instrument ‘eerste indruk’ validiteit (face validity). Er is sprake van inhoudsvaliditeit als een panel van experts de inhoud van het instrument heeft bepaald of de inhoud als compleet ziet. Criteriumvaliditeit is in het gunstigste geval een vergelijking tussen het instrument en een ‘gouden standaard’. Aangezien deze ontbreekt voor pijn bij jonge kinderen, gebruikt men ook wel de expert mening als ‘zilveren standaard’. Constructvaliditeit kan o.a. worden getest door een nieuw instrument te vergelijken met een bestaand instrument. Tenslotte is van belang hoe het instrument ‘reageert’ op veranderingen in iemands conditie –‘responsiveness of sensitivity to change’. Als er een effectieve pijnbestrijding is toegepast, mag je verwachten dat het instrument dit ook laat zien door andere score. Wanneer dit zo blijkt te zijn, is er sprake van ‘responsiveness’ 2,3

Referenties

  1. 1 - IGZ. Het resultaat telt 2004. Prestatie-indicatoren als onafhankelijke graadmeter voor de kwaliteit van in ziekenhuizen verleende zorg. Den Haag, 2006: 1-180.
  2. 2 - Streiner DL, Norman GR. Health measurement scales:A Practical Guide to Their Development and Use second edition ed. New York: Oxford University Press, 1995.
  3. 3 - Johnston CC. Psychometric issues in the measurement of pain. In: Finley GA, McGrath PJ, eds. Measurement of pain in infants and children. Progress in pain research and management. Seattle: IASP Press, 1998: 5-20.

Evidence tabellen

Tabel 1: Gevalideerde pijnmeetinstrumenten in relatie tot doelgroep en soort pijn.

Pijnmeetinstrument

Inhoud

Doelgroep

Soort pijn

Observatie-instrumenten

 

 

 

NFCS (Grunau, 1990)

Gezichtsuitdrukking

pasgeborenen

 

NIPS (Lawrence 1993)

Gedrag en ademhaling

(Premature) pasgeborenen

Acuut

PIPP (Stevens 1996)

Gedrag, hartslag en zuurstofsaturatie

(Premature) pasgeborenen

Acuut

CRIES (Krechel 1995)

Gedrag+fysiologische items

Premature pasgeborenen

Postoperatief

EDIN(Debillon 2001)

Gedragingen

Premature pasgeborenen

Langduriger pijn***

COMFORTneo (van Dijk 2006)

Gedragingen

(Premature) pasgeborenen

Acute, postoperatieve en langduriger pijn

COMFORT gedrag (van Dijk, 2000), Ista 2005)

Gedragingen

0 tot 3 jaar

 

Acute, postoperatief en sedatie

FLACC (Merkel 1997)

 

Gedragingen

2 maanden tot 7 jaar

Postoperatief

 

CHIPPS(Buttner 1998)

Gedragingen

0 tot 4 jaar

Postoperatief

CHEOPS (McGrath 1985)

Gedragingen

1 tot 7 jaar

Postoperatief

POKIS (Boelen-van der Loo 1999)

Gedragingen en ademhaling

1 tot 4 jaar

Post OK ATE/buisjes

Zelfrapportage schalen

 

 

 

Oucher (Beyer 1992)

 

vanaf 3 jaar

Acuut, postoperatief

Wong-Baker FACES pain rating scale (Wong, 1988)

 

vanaf 3 jaar

Acuut, postoperatief

Faces Pain Scale-Revised (Hicks 2001)

 

Vanaf 4 à 5 jaar

Acuut, postoperatief

VAS (Huskisson 1974)

 

Vanaf 7 à 8 jaar

Alle vormen van pijn

NRS (McCaffery 1999)

 

Vanaf 7 à 8 jaar

Alle vormen van pijn

*** Langduriger pijn zoals bij een necrotiserende enterocolitis

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 17-09-2007

Laatst geautoriseerd : 17-09-2007

Uiterlijk in 2010 bepaalt de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde als eerst verantwoordelijke voor de inhoud van deze richtlijn of deze richtlijn nog actueel is. Zonodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding tot een herzieningstraject geven.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

Algemene gegevens

Organisatie:

Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO

 

Financiering:

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun van de Orde van Medisch Specialisten in het kader van het programma “Evidence-based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO)”

 

Aanleiding

In de laatste decennia is in de literatuur steeds meer aandacht ontstaan voor pijnmanagement bij kinderen van alle leeftijden. Anand verrichtte baanbrekend onderzoek om aandacht en inzicht te krijgen in de pijnperceptie en lange termijn gevolgen van de premature neonaat1-2.

Ook in Nederland wordt gedegen onderzoek naar pijn bij kinderen gedaan en opgezet. Niet alleen in de literatuur zijn inmiddels vele onderzoeken gepubliceerd, maar ook wetenschappelijke verenigingen erkennen het belang van deze patiëntengroep, zoals blijkt uit het opstellen van richtlijnen, waaronder deze richtlijn van de Nederlandse Vereniging van Kindergeneeskunde3-12.

Ondanks meer kennis omtrent pijn bij kinderen, heeft dit nog onvoldoende geleid tot een verbetering van het pijnbeleid bij kinderen in de dagelijkse praktijk.

Implementatie van pijnmeetinstrumenten voor alle leeftijden, maar ook geschikte instrumenten voor het non-verbale kind worden nog niet als standaard toegepast.

De vraag wat de juiste dosering van analgetica moet zijn, heeft gezien de grote variabiliteit op de kinderleeftijd, veel aandacht gekregen; vele andere vragen zijn evenwel nog onbeantwoord gebleven. Hierdoor wordt nog onnodig pijn geleden11.

Doel en doelgroep

Doel

De richtlijn beoogt het gebruik van gevalideerde pijnmeetinstrumenten, het geprotocolleerd voorschrijven van analgetica en het toepassen van non-farmacologische pijnbestrijding bij kinderen in de dagelijkse praktijk te bevorderen.

 

Doelgroep

De richtlijn richt zich op kinderartsen, kinderanesthesiologen, kinderverpleegkundigen, psychologen, (ortho-) pedagogen en allen die zich met de zorg voor het kind met pijn in de tweede lijn bezig houden.

Samenstelling werkgroep

Werkgroep

  • Dr. ir. J.J.A. de Beer, adviseur Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg, CBO
  • Mw. Dr. T. Boelen – van der Loo, orthopedagoog
  • J. Bruijn, kinderarts-kinderneuroloog. Vlietland Ziekenhuis Vlaardingen en Erasmus MC
  • Rotterdam
  • W. Brussel, kinderarts-kinderneuroloog Ziekenhuis Rijnstate Arnhem
  • Mw. Dr. M. Van Dijk, psycholoog, ErasmusMC Rotterdam
  • M. Eling, assistent-kinderarts ErasmusMC Rotterdam, thans kinderarts Slingeland
  • Ziekenhuis Doetinchem
  • Prof dr. J. Hamers, verplegingswetenschapper, Universiteit Maastricht
  • Dr. R.A. Van Lingen, kinderarts-neonatoog Isala Klinieken Zwolle, voorzitter werkgroep
  • Prof. dr. J. Passchier, medisch psycholoog ErasmusMC Rotterdam
  • Mw. C.J.G.M. Rosenbrand, arts-senioradviseur Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO
  • Prof. dr. D. Tibboel, kinderarts-intensivist ErasmusMC Rotterdam
  • Mw. D.B.M. van der Werff, kinderanesthesioloog Wilhelmina Kinderziekenhuis/UMCUtrecht

 

Klankbordgroep

  • Mw. H. Blokland-Loggers, kinderarts Mesos Medisch Centrum Oudenrijn Utrecht,
  • vertegenwoordiger sectie kindergeneeskunde algemene ziekenhuizen van de NVK
  • Dr. J.A. Borgstein, kno-arts ErasmusMC Rotterdam
  • Mw. Prof. dr. H. Evenhuis, AVG-arts ErasmusMC Rotterdam
  • Mw. Drs. J. Groeneveld, kwaliteitsfunctionaris en verpleegkundige Maxima Medisch
  • Centrum Veldhoven
  • Mw. Z. Hannink, neonatologie-verpleegkundige, LPN
  • Mw. I. Harms, kinderarts, Zorgverzekeraars Nederland
  • Prof. dr. H. Heij, kinderchirurg AMC Amsterdam
  • Mw. Dr. C. Knibbe, ziekenhuisapotheker St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein en lid
  • vakgroep farmacologie Universiteit Leiden
  • Mw. Dr. A.W.M.M. Koopman-van Gemert, anesthesioloog Albert Schweizer Ziekenhuis Locatie Dordwijk
  • Prof. dr. H. Koot, kinderpsycholoog VU medisch centrum Amsterdam
  • Mw. Drs. M. de Kuiper, verplegingswetenschapper Hogeschool Utrecht
  • S. McKintosh, ex-voorzitter VOC, ervaringsdeskundige
  • Mw. Dr. L. Den Ouden, kinderarts-neonatoloog n.p., senior inspecteur IGZ
  • W. Van Rijswoud, verpleegkundige, Vereniging van Kinderverpleegkundigen, ter
  • vervanging van Corry den Hoed
  • Mw. H.M.J. van Schrojenstijn Lantman- de Valk, arts verstandelijk gehandicapten, Limbricht.
  • Dr. W. Tissing, kinderarts-hematoloog/oncoloog Universitair Medisch Centrum Groningen
  • K. De Waal, kinderarts Isala Klinieken Zwolle
  • Mw. Dr. C. Wirtz-Terstegen, orthopedagoog, vervangster B. van Beek van de BOSK
  • Prof. dr. W.W.A. Zuurmond, anesthesioloog VU medisch centrum Amsterdam

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben zo onafhankelijk mogelijk gehandeld ten opzichte van externe commerciële invloeden betreffende het onderwerp van de richtlijn. Details van hun belangenverklaring zijn op verzoek verkrijgbaar bij het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO.

Inbreng patiëntenperspectief

Er is contact gelegd met de Vereniging Kind en Ziekenhuis, BOSK (Vereniging van motorisch gehandicapten en hun ouders) en de Vereniging van Ouders van Couveusekinderen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Bevordering van de wetenschappelijke onderbouwing van het medisch handelen en van de zorgverlening neemt al geruime tijd een prominente plaats in op de agenda van de medisch specialistische en beroepsverenigingen, maar ook van de overheid. De minister van VWS concludeerde in 1997 dat de uitkomsten van ‘medical technology assessment (MTA of HTA = het onderbouwen van het medisch handelen en de zorgverlening met wetenschappelijk bewijs) toenemend worden vastgelegd in richtlijnen voor het professioneel medisch (specialistisch) handelen, maar dat zij in een te traag tempo of in te geringe mate de kwaliteit van zorg in de dagelijkse praktijk lijken te beïnvloeden23.

Daaropvolgend heeft een commissie op verzoek van de minister de elementen besproken die belangrijk zijn voor verbetering van de kwaliteit van de zorgverlening. Deze commissie concludeerde dat verbetering van kwaliteit van zorg eigenlijk alleen mogelijk is door bevorderen en het ter beschikking komen van vakkennis, epidemiologische gegevens, patiëntgegevens en organisatorische aspecten in een geïntegreerd verbeteringssysteem24. Het uitbrengen van goede multidisciplinaire richtlijnen en een daaraan gekoppeld implementatieplan is een voorbeeld van geïntegreerde verbetering.

Het is aangetoond dat diverse omstandigheden en maatregelen de implementatie van richtlijnen kunnen bevorderen. Een inhoudelijk goede kwaliteit van de richtlijn is een zeer belangrijke voorwaarde, echter het is in het algemeen:

  • niet goed mogelijk om één optimale interventie (enkelvoudig of samengesteld) aan te bevelen voor het bevorderen van implementatie van een richtlijn;
  • niet mogelijk om een één-op-één relatie aan te geven tussen de theorieën betreffende de implementatie en de concrete implementatiestrategieën in de praktijk;
  • wel belangrijk om voor implementatie aandacht te besteden aan bevorderende en belemmerende factoren voor implementatie (per doelgroep en/of setting)25.

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende 3½ jaar, vanaf januari 2003 tot juni 2006 in 15 vergaderingen aan de totstandkoming van de conceptrichtlijn. De uitgangsvragen waarop in deze richtlijnen antwoord wordt gegeven, zijn voorgelegd aan een breed samengestelde klankbordgroep. Per deelonderwerp werden subgroepen geformeerd; de resultaten werden plenair besproken.

Voor de meeste uitgangsvragen is de werkwijze de volgende geweest. De werkgroepleden zochten systematisch literatuur en beoordeelden de kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreven de werkgroepleden een submodule of module voor de conceptrichtlijn, op basis van de beoordeelde literatuur en van consultatie van experts.

Voor enkele onderwerpen is een andere aanpak gekozen. Wat het onderwerp migraine betreft is met name gebruik gemaakt van een literatuurreview dat in de tweede helft van 2004 is verricht door dr. L. Damen, drs. J.K.J. Bruijn, dr. A. Verhagen en prof. dr. J. Passchiera en waarvan de resultaten inmiddels gepubliceerd zijn19. Er is voor gekozen om alleen de medicamenteuze interventies te bespreken. Daarnaast is gebruik gemaakt van de “Practice Parameter”20 die tevens de officiële richtlijn is voor de behandeling van migraine bij kinderen van de American Academy of Pediatrics (AAP).

Er is in de fase van uiteindelijke totstandkoming van dit onderdeel van de richtlijn samengewerkt met kinderneuroloog dr. R.H.J.M. Gooskensb die in dezelfde periode eveneens bezig was om namens de Nederlandse Vereniging van Neurologen de in 1997 tot stand gekomen richtlijn voor behandeling van migraine bij kinderen, aan te passen aan de nieuwste literatuurgegevens. De eindconclusies in beide richtlijnen zijn na overleg tot stand gekomen en zo veel mogelijk op elkaar afgestemd. In verband hiermee heeft de modules over migraine een van de andere modules en submodules afwijkende indeling.

Voor de modules over chronische buikpijn is gebruik gemaakt uit de AAP-richtlijn voor diagnostiek en behandeling van chronische buikpijn bij kinderen, opgesteld door de North American Society for Pediatric Gastroenterology, Hepatology and Nutrition21. Meer in het bijzonder is hierbij gebruikt gemaakt van de wetenschappelijke evidentie uit de AAP-richtlijn. De conclusies, overige overwegingen en de aanbevelingen zijn voor rekening van de werkgroep.

 

De modules over chronische spanningshoofdpijn is begin 2006 geschreven door dr. S. van Dooren en prof. dr. J. Passchier, verbonden aan de afdeling medische psychologie en psychotherapie van Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, en gebaseerd op een literatuurreview22, verricht in de tweede helft van 2004. Dit gebeurde in het kader van een richtlijn over chronische spanningshoofdpijn als gevolg waarvan de opbouw van deze modules afwijkt van overige modules en submodules.

 

Voor de tekst met betrekking tot reumatische pijn heeft de commissie een beroep gedaan op een externe expert, prof. dr. W. Kuis, kinderarts reumatische ziekten, verbonden aan het Wilhelmina Kinderziekenhuis / Universitair Medisch Centrum Utrecht.

 

Tijdens vergaderingen lichtten werkgroepleden de teksten toe. Ook hebben alle werkgroep­leden meegedacht en gediscussieerd over de andere (sub)modules.

 

De uiteindelijke teksten vormen een conceptrichtlijn die ter verkrijging van draagvlak in augustus 2006 aan de klankbordgroep is voorgelegd in een schriftelijke consultatieronde. Op basis van de conceptrichtlijnen en de in januari en februari 2007 door de NVK gehouden commentaarronde is de definitieve richtlijn op 17 september 2007 geaccordeerd door het bestuur van de NVK.

 

Opbouw van de richtlijn

De meeste modules in de richtlijn zijn volgens een vast stramien opgebouwd, dat onderstaand is weergegeven. Het doel hiervan is om de richtlijn transparant te laten zijn, zodat elke gebruiker kan zien op welke literatuur en overwegingen bepaalde aanbevelingen zijn gebaseerd.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De antwoorden op de uitgangsvragen (derhalve de aanbevelingen in deze richtlijn) zijn voor zover mogelijk gebaseerd op gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Hiertoe werden relevante Nederlandstalige, Duitstalige, Engelstalige en Franstalige artikelen gezocht door het raadplegen van bestaande richtlijnen en het verrichten van systematische zoekacties in de Cochrane Database, Medline, Cinahl, Psychinfo en Embase. Bij de zoekacties in elke module staat vermeld met welke trefwoorden is gezocht. Tenzij anders staat vermeld, is gezocht van 1966 tot en met december 2004. Recent verschenen artikelen zijn zo veel mogelijk meegenomen. Ook de selectiecriteria per zoekactie staan vermeld in de betreffende modules. De geselecteerde artikelen zijn door de schrijvende werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs, waarbij onderstaande indeling is gebruikt. Voor enkele onderwerpen is een andere werkwijze gevolgd; deze is aldaar aangegeven.

 

Indeling van de literatuur naar mate van bewijskracht: interventiestudies

A1

Systematische reviews die tenminste enkele onderzoeken van A2-niveau betreffen, waarbij de resultaten van de afzonderlijke onderzoeken consistent zijn

A2

Gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang en consistentie

B

Gerandomiseerde klinische trials van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerd, vergelijkend cohort-onderzoek, patiënt-controle-onderzoek)

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

Conclusie

Het wetenschappelijk materiaal is samengevat in een conclusie, waarbij het niveau van het meest relevante bewijs is weergegeven. Hiervoor is onderstaande indeling gehanteerd:

 

Niveau van de conclusie op basis van de literatuuranalyse

1

Gebaseerd op 1 systematische review (A1) of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

Gebaseerd op tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

Gebaseerd op 1 onderzoek van niveau A2 of B, of op onderzoek van niveau C

4

Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden

 

Overige overwegingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs ook andere aspecten van belang zoals het patiëntenperspectief, organisatorische aspecten en kosten.

 

Aanbeveling

De uiteindelijk geformuleerde aanbeveling is het resultaat van de wetenschappelijke conclusie, waarbij de overige overwegingen in acht worden genomen.

 

Literatuur

Elke module wordt afgesloten met een literatuurlijst van de in die module aangehaalde referenties.

 

Kostenimplicaties

Door de toenemende aandacht voor de kosten in de gezondheidszorg neemt het belang van richtlijnen die doelmatig handelen bevorderen toe. Het vermijden van niet zinvolle diagnostiek speelt daarbij een belangrijke rol. Op verschillende plaatsen in deze richtlijn zal aan dit onderwerp aandacht worden geschonken.

 

 

a Bruijn, kinderarts-kinderneuroloog, is verbonden aan de afdeling kindergeneeskunde, Vlietland Ziekenhuis Vlaardingen/Schiedam en afdeling kinderneurologie Sophia Kinderziekenhuis Erasmus Medisch Centrum Rotterdam. Verhagen, onderzoekster, voorzitter projectgroep hoofdpijn bij kinderen, en Damen, onderzoekster, zijn beiden verbonden aan de afdeling huisartsengeneeskunde van het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam. Passchier, psycholoog, is hoofd van de afdeling medische psychologie en psychotherapie van Erasmus Medisch Centrum Rotterdam.

b Gooskens, kinderneuroloog, is verbonden aan de afdeling kinderneurologie, Wilhelmina Kinderziekenhuis UMCU Utrecht.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.