Perifeer Arterieel Vaatlijden (PAV)

Initiatief: NVVH Aantal modules: 16

Patiëntvoorlichting en samen beslissen

Uitgangsvraag

Wat is de aanbevolen manier om informatie met de patiënt en/of naasten te bespreken om het samen beslissen te ondersteunen?

Aanbeveling

Verwijs patiënten in het kader van samen beslissen naar de keuzehulp voor patiënten met claudicatio intermittens waar o.a. uitleg gegeven wordt over atherosclerose en de verschillende behandelmogelijkheden (conservatief en invasief).

 

Communiceer op een actieve manier met de patiënt en diens naasten door te luisteren, samen te vatten en door te vragen.

 

Geef informatie op een manier die aansluit bij de beleving en het (denk)niveau van de patiënt en die voldoet aan de informatiebehoefte van dat moment.

 

Maak gebruik van verschillende communicatiemiddelen om informatie helder en duidelijk over te brengen.

 

Bespreek dat de patiënt zelf ook bepaalde verantwoordelijkheden heeft in de behandeling van perifeer arterieel vaatlijden zoals bijvoorbeeld aanpassen van leefstijl of innemen van medicatie.

Overwegingen

Samen beslissen

Samen beslissen is geen eenmalige actie, maar een proces. Het is een proces waarin zorgprofessional en patiënt samen bespreken welke behandeling of zorg het beste bij de patiënt past. Hierbij worden alle opties, voor- en nadelen, voorkeuren en omstandigheden van de patiënt meegenomen. En het proces begint met het besef bij de medisch specialist en patiënt dat ze elkaar nodig hebben. Voor artsen betekent samen beslissen dat ze beter kunnen inspelen op de behoeften en voorkeuren van de patiënt. Voor de patiënt betekent samen beslissen dat er een keuze wordt gemaakt die het beste aansluit bij de eigen situatie en diens persoonlijke voorkeuren (Vierstappenmodel Samen beslissen van Stiggelbout – gebaseerd op het 3-talk model van Elwyn). De OVIDIUS study group heeft onderzoek gedaan naar hoe samen beslissen binnen de vaatchirurgie verbeterd kan worden. Hiervoor zijn tools ontwikkeld voor drie verschillende vaataandoeningen waaronder claudicatie intermittens. Behandelaars kunnen gebruiken maken van beslissingskaarten waarbij voor- en nadelen van conservatieve behandeling, endovasculaire behandeling en open chirurgie uitgewerkt staan. Dit onderzoek toont aan dat door samen beslissen patiënten meer kennis krijgen, beter geinformeerd zijn en vaker kiezen voor niet-chirurgische behandeling. De keuzehulp voor patiënten met claudicatio intermittens klachten is terug te vinden op MedifyMex (Stubenrouch, 2022). Het invullen van een keuzehulp door de patiënt samen met een arts bij het samen beslissen heeft de voorkeur.

 

Voorlichting

Voorlichting is het bewust bieden van informatie. In de regel geeft in de zorg de zorgverlener de voorlichting aan de patiënt en/of naasten. De definitie van patiëntenvoorlichting is: “Patiëntenvoorlichting is een planmatig leer- en/of communicatieproces met een gericht doel dat in samenspraak met de patiënt wordt geformuleerd om zodanige veranderingen in kennis, inzicht, vaardigheden, attitude en gedrag te bewerkstelligen dat een gunstige invloed op het genezingsproces en het omgaan met ziekte verwacht mag worden.” (Hendriks, 2014)

 

Voorlichting aan patiënten met perifeer arterieel vaatlijden en diens naasten dient diverse (indirecte) doelen:

  • Kennis en inzicht verkrijgen in de aandoening perifeer arterieel vaatlijden, de risicofactoren die bijdragen aan het ontstaan van perifeer arterieel vaatlijden, de behandeling ervan en de gevolgen voor het dagelijks leven;
  • Door kennis kan men meer verantwoordelijkheid nemen voor de eigen aandoening (zelfmanagement) of die van een naaste;
  • Door kennis leren patiënten en/of naasten emotioneel en/of praktisch om te gaan met de aandoening (coping), waardoor de kwaliteit van leven verbetert;
  • Samen met de patiënt en/of naasten het doel van de behandeling bespreken, maar ook de (kans op) complicaties en kans op (langdurig) succes van de behandeling.
  • Patiënten en/of naasten besluiten op basis van de beschikbare kennis en adviezen tot het wel of niet starten van een behandeling (informed consent) met grotere kans op therapietrouw.
  • Patiënten en/of naasten informeren over de verschillende voor- en nadelen van conservatieve behandeling (gesuperviseerde looptraining, aerobe training, krachttraining of andere (pijnvrije) beweegvormen , endovasculaire en chirurgische behandeling van perifeer arterieel vaatlijden om gezamenlijk te kiezen voor de beste optie. Informeer ook over hoe de behandeling het dagelijks leven van de patiënt kan beïnvloeden/veranderen.

Communicatie

Coping, zelfmanagement en een adequate behandeling kunnen bijdragen aan een betere kwaliteit van leven. Goede behandelaar-patiënt communicatie draagt bij aan betere gezondheidsuitkomsten (Hendriks, 2014).

 

Adequate informatie-uitwisseling tussen de zorgverlener en de patiënt (of diens naaste) is om meerdere redenen van belang:

  • De bovengenoemde doelen zijn zodoende zo goed mogelijk te bereiken;
  • Het draagt bij tot een optimale behandelrelatie tussen de patiënt (en diens naasten) en de zorgverlener.

Goede informatie-uitwisseling tussen de patiënt en de zorgverleners en tijdige informatie-uitwisseling tussen zorgverleners onderling sluiten idealiter op elkaar aan (Hendriks, 2014)

 

Voor een goed gesprek is belangrijk (actief) te luisteren, samen te vatten en door te vragen. (Mostert, 2021). Doorvragen moet leiden tot duidelijkheid over wat de verschillende behandelopties brengen voor het dagelijks leven en toekomst van de patiënt en welke behandeling daadwerkelijk aansluit bij zijn/haar doelen, behoeften en emoties.

 

Communiceren gebeurt op verschillende manieren: luisteren, spreken, lezen en schrijven.

In een gesprek zijn niet alleen de woorden die gezegd worden belangrijk (de verbale communicatie). De manier waarop die woorden gezegd worden, gezichtsuitdrukkingen of lichaamshouding die daarbij gebruikt worden, zijn nog belangrijker (de non-verbale communicatie). In de meeste gesprekken hebben deze non-verbale boodschappen een grotere invloed dan onze woorden. Ongeveer 80% van de communicatie is non-verbaal (Mostert, 2021).

 

Communiceren is een doorlopend proces van informatie uitwisselen. In een goed gesprek reageert de één steeds op de ander. De gesprekspartners zijn afwisselend zender en ontvanger van een boodschap. Het proces van communiceren bestaat uit verschillende stappen: zender > coderen > boodschap > decoderen > ontvanger.

Als in het communicatieproces één stap ontbreekt of niet goed uitgevoerd wordt, is er sprake van verstoorde of mislukte communicatie: er is dan sprake van ‘ruis’ in de communicatie. Ruis kan gemakkelijk leiden tot misverstanden, irritatie, onbegrip of stress. Om ruis zoveel mogelijk te voorkomen, is het belangrijk dat er goed geluisterd wordt naar de ander, dat er goed geobserveerd wordt (Mostert, 2021).

 

Bij het geven van voorlichting is het gebruik van verschillende communicatiemiddelen van belang. Dit omdat mensen verschillende manieren van leren hebben; de één is visueel ingesteld, de ander moet iets zelf doen voordat hij het kan oppikken. In het algemeen onthouden mensen:
10% van wat ze lezen;
20% van wat ze horen;
30% van wat ze zien;
50% van wat ze tegelijk horen en zien;
80% van wat ze zelf zeggen;
90% van wat ze zeggen en tegelijk uitvoeren. (TvPO, 2016)

 

Aandachtspunten voor de zorgverlener tijdens alle zorgfases (Hendriks, 2014):

  • actieve luisterhouding;
  • respect voor de opvattingen van de patiënt en/of naasten;
  • oprechtheid;
  • empathische houding;
  • onbevangen, niet-oordelende houding;
  • non-verbale communicatie van zichzelf en de patiënt en/of naasten en het effect ervan op het gesprek;
  • ruimte geven voor emoties van de patiënt en/of naasten;
  • de inrichting van de spreekkamer (meubelopstelling, privacy);
  • het tempo van de patiënt (ziekteproces, behoefte, impact van de informatie op de patiënt);
  • de dosering van de informatie. Beperk o.a. vanwege het tempo de hoeveelheid informatie. Breng deze gefaseerd op basis van de behoefte van de patiënt.
  • een taalbarrière bij de patiënt. Maak dan bij voorkeur gebruik van een tolk. Een naaste als tolk kan bij sommige (delicate en/of emotionele) onderwerpen averechts werken.
  • het kennis-/functioneringsniveau van de patiënt, bijvoorbeeld bij een verstandelijke beperking, bij laaggeletterdheid, maar ook bij hoogopgeleiden;
  • letten op sociaal wenselijke antwoorden (bijv. met betrekking tot roken of innemen van medicatie).

 

Daarnaast controleert de zorgverlener het effect van de communicatie en biedt ruimte voor verheldering of aanvulling:

  • de zorgverlener vraagt na of de informatie begrepen is (tussentijds en aan het eind). Dat kan door de informatie samen te vatten en daarbij met een open vraag na te gaan welke informatie is onthouden en begrepen, bijvoorbeeld: “Wat zijn voor u de belangrijkste punten?”. Of laat de patiënt in eigen woorden herhalen wat aan informatie gegeven is.
  • de zorgverlener gaat na of er nog vragen zijn (tussentijds en aan het eind), bijvoorbeeld: Heeft u nog vragen? Weet u voldoende? (Hendriks, 2014)

In zijn algemeenheid gelden voor de inhoud van die informatie en voor het brengen ervan de volgende regels in alle zorgfases:

De informatie is adequaat als het voldoet aan de volgende criteria:

  • auditief, visueel; praktisch zo optimaal mogelijk informatie te verwerven en te verwerken;
  • eenduidig en begrijpelijk;
  • stapsgewijze bespreking van de onderwerpen, bijv.: inhoud ziektebeeld, voorgestelde (be-)handelingsopties, consequenties (resultaten en risico’s), nazorg;
  • aansluitend bij de beleving / het (denk)niveau/ referentiekader van de patiënt; denk bijvoorbeeld aan de religieuze of culturele achtergrond en aan laaggeletterdheid;
  • aansluitend bij de informatiebehoefte van de patiënt op dat moment. Het is soms nodig de informatie gefaseerd te brengen;
  • zo veel mogelijk eensluidend (één boodschap) door alle betrokken zorgverleners (multidisciplinaire team);
  • gebaseerd op recente ontwikkelingen en inzichten, bv. richtlijnen (actueel);
  • zo objectief mogelijk;
  • non directief of soms bewust directief (niet-sturend of sturend).

Daarbij geldt dat de patiënt recht heeft op alle voor de zorgverlener beschikbare informatie over de aandoening en ook dat de patiënt het recht heeft bepaalde informatie niet te willen weten. (Hendriks, 2014)

 

Bij de afsluiting van het gesprek zijn meerdere handelingsopties (ook tegelijkertijd) mogelijk (Hendriks, 2014):

  • schriftelijke informatie mee naar huis geven;
  • schriftelijke verwijzing naar brochures ;
  • schriftelijke verwijzing naar betrouwbare websites;
  • verwijs (schriftelijk) naar aanvullende informatie , bijvoorbeeld van de patiëntenorganisatie, via lotgenotencontact; de patiënten-ervaringen kunnen de meer feitelijke informatie aanvullen. (Bijvoorbeeld patiëntenorganisatie Harteraad of Hartstichting)
  • aanbieden mogelijkheid voor een vervolggesprek;
  • verwijzing naar andere disciplines die kunnen helpen bij het verwerken van de verkregen informatie; bijvoorbeeld ondersteuning door een maatschappelijk werkende, of bij advies rondom leefstijlaanpassing naar een diëtiste, leefstijlcoach of psycholoog. Bij verwijzing voor  conservatieve behandeling zal de gespecialiseerde fysio- of oefentherapeut de patiënt ook intensief begeleiden op o.a. het gebied van leefstijlfactoren.

Rechten, plichten en verantwoordelijkheden

Naast rechten heeft de patiënten ook plichten en verantwoordelijkheden. Zo mag verwacht worden dat een patiënt zo veel mogelijk meewerkt aan zijn of haar behandeling.

Bespreek dit met de patiënt. Een patiënt kan zelf zorgdragen voor een gezonde leefstijl. Deze leefstijl bestaat uit: voldoende bewegen, niet roken, geen alcohol, gezonde voeding en voldoende ontspanning (BRAVO). Ook het doorlezen van aangeboden schriftelijke informatie is van belang om goed geïnformeerd te zijn. Adviseer eventuele vragen op te schrijven zodat daar in een vervolggesprek antwoord op gegeven kan worden.

 

Na de behandeling zal de patiënt in de vervolgperiode nog één keer of meerdere keren voor controlebezoeken komen bij de behandelend arts of andere zorgverlener. Na de behandeling kan de gezondheidstoestand van de patiënt stabiel zijn, verbeteren of (soms passend bij de aandoening) verslechteren. Na de behandeling geeft de behandelaar de patiënt mondeling voorlichting over de vervolgperiode, o.a. over de controlebezoeken.

Bij aanwezigheid van een individueel behandelplan registreert deze behandelaar de besproken activiteiten in het behandelplan. O.a. afhankelijk van de aandoening en het beloop vinden meerdere controles/onderzoeken plaats: het is van belang dat de behandelaar en de patiënt regelmatig overleggen over de actualiteit van het individueel zorgplan (het plan over het zorgtraject dat patiënt en de zorgverlener met elkaar maken) en dit plan aanpassen indien nodig. (Hendriks, 2014)

 

Nazorg en revalidatie

In de communicatie en voorlichting bij nazorg en revalidatie staan de volgende punten centraal (Hendriks, 2014):

  • Na een behandeling is het van belang de patiënt goed voor te lichten over het verwachte beloop van de periode erna en de mogelijke risico’s en complicaties. Bij deze voorlichting kunnen verschillende disciplines uit het multidisciplinaire team betrokken zijn; bijvoorbeeld de gespecialiseerde verpleegkundige, de verpleegkundig specialist, de vaatchirurg, interventieradioloog of vasculair internist. In deze periode kunnen ook adviezen van een revalidatiearts, een ergotherapeut, een fysio- of oefentherapeut of andere paramedici bijdragen aan het herstel.
  • Mogelijkheid bieden voor evaluatie van de voorgaande periode.
  • Mogelijkheid bieden voor vragen over de (nieuwe) omstandigheden en ervaringen; gesprekken met een verpleegkundig specialist maar ook lotgenotencontact of contact met een patiëntenvereniging, kunnen hier geschikte mogelijkheden voor zijn. Maak duidelijk bij wie de patiënt terecht kan met vragen (bijv. huisarts, vaatchirurg, verpleegkundig specialist of gespecialiseerde verpleegkundige)

Op basis van de beschikbare informatie en eventuele adviezen kunnen patiënten een besluit nemen over het verdere verloop van het zorgtraject (bijvoorbeeld de behandeling). In het algemeen laat ongeveer 30% van de patiënten een besluit aan de arts over. Ongeveer 70% wil graag actief betrokken worden en kiest voor gezamenlijke besluitvorming (Hendriks, 2014).

Onderbouwing

In treatment of peripheral arterial vascular disease, several treatment options exist. To arrive at an appropriate choice for individual patients, it is important that patients are involved in decision-making.

Er is voor deze vraag geen literatuuronderzoek uitgevoerd. Door de aard van de vraag is een systematische literatuuranalyse niet zinvol. De aanbevelingen zijn gebaseerd op expert opinion van de werkgroep, waar mogelijk onderbouwd met niet-systematisch gezochte literatuur.

  1. Stubenrouch, FE; Peters LJ, de Mik SML, et al.; Improving Shared Decision Making in Vasculair Surgery: A Stepped Wedge Cluster Randomised Trial; European Journal of Vascular and Endovascular Surgery (2022), 64, 73-81
  2. Hendrks SA. Communicatie en voorlichting bij zeldzame aandoeningen. November 2014. Zicht op Zeldzaam.
  3. Mostert H. Goed in Gesprek; Communiceren in de langdurige zorg: Luisteren en gespreksvaardigheden. Januari 2021. Vilans.
  4. TvPO. Het geven van voorlichting en advies. Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2016.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-04-2025

Laatst geautoriseerd  : 01-04-2025

Geplande herbeoordeling  : 01-04-2028

Door een fout in de procedure is de NVKG niet tijdig betrokken in de commentaarfase. Deze module ligt nu na verwerking van de commentaren bij de vereniging voor autorisatie. 

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
Geautoriseerd door:
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck
  • Harteraad

Algemene gegevens

De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2021 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg rondom patiënten met (chronisch) perifeer arterieel vaatlijden van de onderste extremiteit(en).

 

Werkgroep

  • Dr. B. (Bram) Fioole (voorzitter), Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Dr. C. (Çagdas) Ünlü, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Drs. J.L. (Jorg) de Bruin, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Prof. dr. B.M.E. (Barend) Mees, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Drs. D.A.F. (Daniel) van den Heuvel, Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Dr. S.W. (Sanne) de Boer, Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Dr. R. (Rinske) Loeffen), Nederlandse Internisten Vereniging
  • Dr. M.E.L. (Marie-Louise) Bartelink, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • E. (Emilien) Wegerif, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • J. (Jenny) Zwiggelaar, Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie / Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck
  • G. (Gilaine) Kleian, Harteraad
  • P.A.H. (Patricia) van Mierlo – van den Broek, MANP, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland / VS Vaatchirurgie Netwerk

Met ondersteuning van:

  • Dr. W. (Wouter) Harmsen, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (tot 2023)
  • Dr. R. (Romy) Zwarts - van de Putte, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (tot 2023)
  • Dr. M.S. (Matthijs) Ruiter, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf 2023)
  • M. (Mitchel) Griekspoor, MSc, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf 2023)

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroeplid

Hoofdfunctie

Project Tekstveld

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke Financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intell. Belangen en reputatie

Overige belangen

Ondernomen actie

Bram Fioole (vz.)

Vaatchirurg

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

Opleider vaatchirurgie en algemene heelkunde Maasstadziekenhuis, onbetaald

 

Secretaris Stichting DEAll (stichting ter bevordering van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de vaatchirurgie en interventieradiologie), onbetaald.

 

Geen.

Geen.

Stichting DEAll/FOREST trial/projectleider-> ja

Getinge/DISCOVER trial/projectleider-> ja

Cook/Zephyr registry/ projectleider -> ja

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

Marie-Louise Bartelink

* 80% huisartsdocent en -onderzoeker, associate professor

* 20% huisartsdocent

 

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

Geen.

Geen.

Geen.

ZonMw - EBM-leren in de huisartspraktijk, kwalittatieve studies - Projectleider

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

Patricia van Mierlo – van den Broek

Verpleegkundig Specialist in het specialisme Algemene Gezondheidszorg werkzaam bij de afdeling Vaatchirurgie.

 

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

Als vrijwilliger werkzaam (onbetaald) als collectant voor een aantal goede doelen (KWF en dierenbescherming)

Geen.

Geen.

Betrokken bij de "FOREST"-trial (randomized comparison of FemORal drug-Eluting balloons and Stents), een gerandomiseerd prospectief multicenter onderzoek waarbij de langere termijn resultaten van drug-eluting ballonnen en stents in het AFS traject onderzocht wordt (NL57055.101.16).

Deze trial wordt gesponsord door de stichting DEAII (Dutch Endovascular Alliance).

 

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

Emilien Wegerif

Arts onderzoeker

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

 

Eigenaresse Caro-Jo Amsterdam, eenmanszaak betaald

Caro-Jo Amsterdam is een Chaar sierraden merk

 

Ik heb geen financiële belangen bij de uitkomsten van de publicaties

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

Jenny Zwiggelaar

*Fysiotherapeut, hart-vaat-long gespecialiseerd

 

*Projectmedewerker Chronisch ZorgNet

 

Beide functies in loondienst

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

 

Geen.

Geen, enkel de bekende werkrelaties.

Geen.

Geen.

Geen persoonlijk belangen of reputatiegewin. Ik treed in deze werkgroep als afgevaardigde van de beroepsgroep KNGF en zal enkel de kennis vanuit ChronischZorgnet (voorheen ClaudicatioNet) meebrengen.

 

Chronisch ZorgNet is op de hoogte en ondersteund de inbreng in deze werkgroep. Vanuit KNGF is de duidelijke opdracht om alle fysiotherapeuten met de specialisatie PAV te vertegenwoordigen. Dit zal naar verwachting ook beter zichtbaar worden bij het invoeren van het aantekenregister Vaat (als onderdeel van deelregistratie hart-vaat-long-fysiotherapeut). Er is een open en prettige communicatie onderling en geen belangenverstrengeling.

 

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

Rinske Loeffen

Internist vasculair geneeskundige

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

 

* Redactielid Focus Vasculair (onbetaald)

* Werkgroep Tabaksontmoediging NVALT (onbetaald)

* Werkgroep SKMS project Stop met Roken Zorg (onbetaald)

* Werkgroep Acute boekje vasculaire geneeskunde (onbetaald).

 

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

Sanne de Boer

Interventieradioloog

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

* Verschillende wetenschappelijke en beleidscommissies binnen de NVIR (onbetaald)

* Institutioneel contract met Brainlab voor consultant werkzaamheden

* Institutioneel contract met MUMC/CTCM

* Incidenteel consultant werkzaamheden voor Philips, ook via institutioneel contract.

 

Zie nevenwerkzaamheden.

Geen.

 

Geen.

Geen.

Geen restricties. Onderwerp van advieswerk valt buiten de afbakening van de richtlijn.

Çagdas Ünlü

Vaatchirurg

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

 

Projectleider CLEARPATH, studie na antistolling na endovasculaire behandeling ZonMw subsidie

Geen.

Geen.

ZonMw (Clearpath)

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

Daniel van den Heuvel

Interventie Radioloog

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

 

Proctor voor bedrijf LimFlow SA, Parijs. Betaald.

Adjudicator voor Bioreact studie, Biotronic. Betaald.

Zie nevenwerkzaamheden. Verder geen persoonlijke financiële belangen.

Geen.

Philips/Illumenate BTK PMS. Effectiviteit en veiligheid van de Stellarex .014 Ballon bij patiënten met kritieke ischemie ->ja.

Micromedical/Heal study, PMS. Effectiviteit en veiligheid van de Microstent bij patiënten met kritieke ischemie -> ja.

Philips/REPEAT study. Reproduceerbaarheid van 2D perfusie angiografie-> ja.

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

Jorg de Bruin

Vaatchirurg

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

 

EMC; Klinisch en wetenschappelijk werk vaatchirurgie in academisch ziekenhuis

Geen conflict of specifiek belang.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

Ilse Verstraaten

Beleidsadviseur Harteraard (betaald)

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

 

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

 

Gilaine Kleian

Junior projectmedewerker, Harteraad

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

 

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan de richtlijn.

 

Barend Mees

Vaatchirurg

Richtlijn Perifeer arterieel vaatlijden

 

* Secretaris bestuur Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie  * Lid Commissie Richtlijnen NVvH  * Council Member European Society for Vascular Surgery * Member ESVS Steering Guideline Committee * Director European Vascular Course. * Bestuur Stichting Drie Lichten * Lid Onderzoekspijler Dutch Cardiovascular Alliance * Lid adviesraad Marfan patienten * Consultancy werkzaamheden voor Philips, Bentley Innomed.

Geen.

Geen.

* Regmed XB: Cardiovascular Moonshot (Moonshot leader)    * EU-Horizon 2020: PAPA-ARTIS (local PI) * InScIte: XS-graft (onderzoeksleider) * Philips: SAVER-registry (National PI) * ID3: Supersurg trial (local PI) * Cook: Zephyr registry (local PI) * Philips: FORS registry (local co-PI) * ZonMw: GENPAD study (local PI)

*Ontwikkelaar van de mazeBox, een training tool voor endovasculaire technieken.

Geen.

Geen restricties voor deelname aan richtlijn. Genoemde onderzoek valt buiten de afbakening van de richtlijn.

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door het uitnodigen van Harteraad voor de schriftelijke knelpuntenanalyse. Het verslag hiervan is besproken in de werkgroep. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan de deelnemers van de schriftelijke knelpuntenanalyse en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt. 

  

Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz 

Bij de richtlijnmodule is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst.

 

Module 

Uitkomst raming 

Toelichting 

Module: Patientvoorlichting en samen beslissen  

Geen substantiële financiële gevolgen 

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn, volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van het zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

 

 

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).

 

Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten in de zorg voor patiënten met (chronisch) perifeer arterieel vaatlijden van de onderste extremiteit(en). Tevens zijn er knelpunten aangedragen via een schriftelijke knelpuntenanalyse. Een verslag hiervan is opgenomen onder aanverwante producten.

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep concept-uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.

 

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing. Indien mogelijk werd de data uit verschillende studies gepoold in een random-effects model. [Review Manager 5.4] werd gebruikt voor de statistische analyses. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE methodiek.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

 

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers

 

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. 

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. 

 

Organisatie van zorg

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijnmodule is expliciet aandacht geweest voor de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, mankracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van deze specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in module 14 en 15.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijnmodule werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnmodule aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodule werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.

 

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.

 

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.

 

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.

 

Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.

 

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit. http://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/over_richtlijnontwikkeling.html

 

Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.

 

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Volgende:
Stepped care en bewustwording kosten