Organisatie van ziekenhuiszorg
Uitgangsvraag
Hoe kan de screening, diagnostiek, behandeling en nazorg bij ondervoeding en/of sarcopenie voor ouderen met een kwetsbare gezondheid het beste vanuit een transmuraal perspectief worden georganiseerd op de polikliniek, afdeling geriatrie en andere ziekenhuisafdelingen?
Aanbeveling
Zorg voor een multidisciplinair overleg (MDO) voor de oudere patiënt met een kwetsbare gezondheid bij de screening, diagnostiek en behandeling van ondervoeding en/of sarcopenie.
Het MDO bestaat uit: behandelend arts/verpleegkundig specialist (VS) en/of physician assistant (PA), diëtist, (geriatrie)fysiotherapeut, voedingsassistent, verpleegkundigen.
Betrek op indicatie andere specialismen of paramedici bij het MDO, zoals logopedist, geriatrie-tandarts, KNO-arts, ergotherapeut en MDL-arts.
Leg rollen en verantwoordelijkheden bij de uitvoering van de screening, diagnostiek, behandeling van ondervoeding en/of sarcopenie vast.
Maak in het ziekenhuis en indien mogelijk transmuraal met betrokken professionals afspraken over de uitvoering van metingen, registratie in het EPD, gebruik van apparatuur en keuze van het bewegingsprogramma inclusief scholing daar waar nodig en logistieke afspraken rondom de screening, diagnostiek en behandeling en monitoring van ondervoeding en/of sarcopenie.
Investeer in goede samenwerkingsverbanden en afspraken met de eerste lijn (huisarts, specialist ouderengeneeskunde, fysiotherapie, diëtist, logopedist, ergotherapeut) en de geriatrische revalidatiezorg om een goede continuïteit van de zorg na het ziekenhuisbezoek of opname voor zowel klinische als poliklinische patiënten te waarborgen.
Zorg bij ontslag voor een goede schriftelijke overdracht waarbij duidelijk is hoe de behandeling eruit moet zien, wat de doelen zijn, hoe en wanneer geëvalueerd dient te worden en wie welke taak dient uit te voeren.
Overwegingen
Balans tussen gewenste en ongewenste effecten
In Nederland bestaan best practice voorbeelden voor de zorg voor ouderen met een kwetsbare gezondheid en ondervoeding. Voor sarcopenie zijn er nog beperkte voorbeelden van uitgewerkte zorgprocessen.
Ondervoeding
Screening ondervoeding
In de huidige poliklinische praktijk wordt vaak gescreend met de MNA-sf als onderdeel van het Comprehensive Geriatric Assessment (CGA). Op ziekenhuisafdelingen wordt sinds de invoer van het Veiligheid Management Systeem (VMS) in 2012 met name op ondervoeding gescreend met de SNAQ of MUST. In de module Screening ondervoeding wordt aanbevolen om zowel op de polikliniek als de verpleegafdelingen bij ouderen met een kwetsbare gezondheid te screenen op ondervoeding, bij voorkeur met de MNA-sf versie 1 (zie module Screening Ondervoeding). Dit advies is in lijn met de nieuwe richtlijn van verpleegkundigen die in 2026 wordt verwacht. Het voordeel van het toepassen van 1 screeningsinstrument voor alle afdelingen is de eenduidigheid die hierdoor ontstaat. Hoewel het gebruik van de MNA-sf mogelijk iets meer tijd kost dan de SNAQ of MUST, sluiten de bevraagde onderdelen grotendeels aan bij de verpleegkundige anamnese en zijn slechts minimale aanpassingen in de werkwijze nodig. Omdat de BMI standaard wordt bepaald bij opname, acht de werkgroep de extra belasting beperkt. Een specifieke scholing voor het toepassen van de MNA-sf wordt niet als noodzakelijk geacht, omdat de onderdelen en de interpretatie van de resultaten duidelijk zijn. Om registratielast van de verpleegkundigen op de verpleegafdelingen zo veel mogelijk te beperken is integratie van de MNA-sf in de verpleegkundige anamnese binnen het elektronisch verpleegkundig dossier essentieel.
Diagnose fenotype ondervoeding
Voor het stellen van de diagnose ondervoeding, dienen zowel fenotypische criteria (lage BMI, gewichtsverlies of lage spiermassa) als etiologische criteria (lage inname van nutriënten of tekenen van inflammatie of chronische ziekte) in kaart gebracht te worden volgens de GLIM criteria (zie module Screening ondervoeding). Volgens de GLIM-criteria moet minimaal één fenotypisch criterium aanwezig zijn. Dit is nieuw ten opzichte van de eerdere werkwijze, waarbij de diagnose ondervoeding vaak niet expliciet gesteld werd.
De BMI is eenvoudig te bepalen op basis van lengte en gewicht, en levert geen extra belasting op. Gewichtsverlies kan het meest betrouwbaar bepaald worden op basis van een huidig gemeten gewicht en een eerder gedocumenteerd gemeten gewicht. Wanneer eerdere metingen ontbreken, kan (hetero)-anamnestische informatie worden gebruikt, maar deze is minder betrouwbaar.
Indien er geen sprake is van gewichtsverlies of lage BMI wordt aanbevolen om de spiermassa te meten. Het vaststellen van een lage spiermassa gebeurt in principe met een bio-impedantie analyse (BIA) (zie module Meetinstrumenten spiermassa). In de meeste ziekenhuizen zijn een of meerdere BIA apparaten aanwezig op een afdeling diëtetiek of nefrologie. De werkgroep beveelt een multi-frequency BIA (mf-BIA) aan met redenen zoals in de betreffende module Meetinstrumenten spiermassa omschreven. Indien men een mf-BIA apparaat wil aanschaffen, dient men rekening te houden met een aantal randvoorwaarden, zoals koppeling met het elektronisch patiënten dossier (EPD) zowel v.w.b. identificatie van de patiënt (scannen polsbandje patiënt) als weergeven van de meetresultaten (automatisch uploaden in het EPD op de juiste plaats), service contract, stationering en beschikbaarheid. Bovendien moeten afspraken gemaakt worden over wie de metingen uitvoert, zoals verpleegkundige, verpleegkundig specialist/physician assistent, arts en/of diëtist. Naast een technische handleiding is kennis en kunde nodig om de resultaten van metingen te kunnen interpreteren. Daarom kan een korte training worden gegeven voordat het apparaat in gebruik wordt genomen. Indien de deskundigheid nog niet in het ziekenhuis aanwezig is, wordt scholing door de leverancier van het apparaat of een andere expert aanbevolen.
Een DEXA kan worden ingezet Indien een patiënt verwezen wordt i.v.m. osteoporose screening, dan hoeft er dus geen BIA meting te worden gedaan. Echter, hiervoor dienen binnen het ziekenhuis een aantal zaken geregeld te worden. Van belang is om na te gaan of het aanwezige DEXA apparaat beschikt over software die spiermassa kan meten.
Indien er om redenen een CT abdomen gemaakt wordt, kan van de beelden van een CT-abdomen een indicatie van de spiermassa verkregen worden zoals in de module beschreven, ook dan is een BIA meting niet nodig. Echter in de dagelijkse praktijk wordt er (nog) niet standaard gerapporteerd over de spiermassa. Momenteel vinden er onderzoeken plaats waarbij middels AI automatisch de spiermassa kan worden gemeten en weergeven. Er zullen daarom lokale afspraken gemaakt moeten worden met de radiologen en de specialismen die CT-scans aanvragen i.v.m. diagnostiek of work-up van een aandoening, of en hoe de spiermassa gemeten kan worden en hoe dit aan te vragen en te rapporteren in de verslagen.
Diagnose etiologie ondervoeding
Met betrekking tot het vaststellen van de etiologische criteria (GLIM) is het nodig om inzicht te krijgen in de nutriënten inname. Daarvoor dient het aangeboden en genuttigde eiwit en energie vastgelegd te worden in het elektronisch patiënten dossier voor de klinische patiënten met (risico op) ondervoeding. Voor wat betreft dit punt verandert er niets ten opzichte van de huidige werkwijze. Voor de poliklinische patiënt is het lastiger om dit na te gaan op basis van enkel (hetero)anamnestische informatie. Overwogen kan worden om de diëtist te vragen om een voedingsanalyse uit te voeren. Met betrekking tot het vaststellen van (chronische) ziekten en condities en aanwezigheid van inflammatie kan het EPD gebruikt worden. Uit het EPD kan relevante voorgeschiedenis en problematiek van patiënt evenals CRP gehaald worden. In principe dient dit door de behandelend arts (of VS/PA) te geschieden.
Bij patiënten met een risico op ondervoeding dienen preventieve maatregelen ingezet te worden. Verwijs de patiënt en diens (wettige) vertegenwoordiger naar de website voor praktische tips: https://www.goedgevoedouderworden.nl/adviezen/.
Behandeling ondervoeding
Omdat ondervoeding een intrinsiek multifactorieel syndroom is, dient de behandeling ook multidisciplinair te zijn. De werkgroep acht een multidisciplinaire aanpak op een klinische afdeling noodzakelijk, met een diëtist, verpleegkundige, fysiotherapeut, voedingsassistent en arts/ verpleegkundig specialist (VS)/ physician assistant (PA) (zie ook Handreiking Taakherschikking en Samenwerking in de Klinische Geriatrie/Interne Ouderengeneeskunde). Afhankelijk van de problematiek die voortkomt uit de bevindingen van het CGA, kunnen andere disciplines worden betrokken, zoals een logopedist, geriatrie tandarts, KNO-arts etc. Vroegtijdige afstemming voorkomt vertraging in interventies en bevordert samenhang in doelen. Daarom is het wenselijk om zo snel mogelijk na opname te schakelen met de diëtist en de fysiotherapeut om behandeling voor ondervoeding op te starten. In een later MDO kunnen de interventies, behandeldoelen en plan voor monitoring en nazorg besproken en vastgelegd worden. Op de verschillende ziekenhuisafdelingen dienen hiervoor specifieke afspraken over gemaakt te worden.
Voor patiënten die op de polikliniek gezien worden, dienen in samenspraak met diëtist en andere belangrijke professionals afspraken gemaakt te worden met de eerste lijn over noodzakelijke interventies, behandeldoelen, uitvoering en monitoring hiervan.
Er is geen eenduidigheid over de beste manier om een interventie evalueren. Gebruikelijke manieren om dit te doen zijn meten en vervolgen van het lichaamsgewicht, meten van spiermassa en spierkracht, fysiek functioneren, verandering in mate van inflammatie en aan voeding gerelateerde klachten (zie ook Kenniscentrum Ondervoeding). Hoewel een voeding- en bewegingsinterventie zich niet beperkt tot de ziekenhuis opname wordt wel aanbevolen om het effect van de interventie(s) te evalueren vlak voor ontslag en afspraken te maken over het vervolg van de behandeling en evaluatie na de ziekenhuis opname. Ook hier dienen afspraken over gemaakt te worden wie, wat doet op welk moment en hoe de communicatie en registratie en afstemming hierover met patiënt, mantelzorger en betrokken zorgverleners geregeld wordt. Geadviseerd wordt om een praktische vertaling van de beweeg richtlijn van de gezondheidsraad in foldervorm te realiseren en aan de patiënt te geven.
Sarcopenie
Beoordeling sarcopenie
De beoordeling of er sprake is van sarcopenie is nieuw. De werkgroep kiest ervoor om geen specifiek screeningsinstrument te gebruiken, maar om naar specifieke elementen verkregen met een CGA te kijken. Deze elementen zijn bijvoorbeeld: moeite met opstaan van stoel of bed zonder gebruik te maken van de armen, gebruik loophulpmiddel, vallen, balansproblemen, immobiliteit, beperkte ervaren spierkracht, moeite met traplopen, beperkingen in ADL/IADL en aanwezigheid ondervoeding.
De verandering in de dagelijkse zorg die de richtlijn met zich meebrengt is dat dit nu explicieter zal gebeuren en bij problemen in bovenstaande elementen overgegaan dient te worden naar het meten van de handknijpkracht. Omdat zowel arts/VS/PA, verpleegkundige en indien betrokken de fysiotherapeut naar deze aspecten kijkt, dienen hier afspraken over gemaakt te worden over wie verantwoordelijk is voor de beoordeling op sarcopenie op de polikliniek, afdeling geriatrie en op andere verpleegafdelingen. Op geriatrie/ ouderengeneeskunde afdelingen, waar de prevalentie van risicofactoren hoog is, kan ervoor gekozen worden om bij alle patiënten direct de spierkracht te meten.
Diagnose sarcopenie, vaststellen spierkracht
Bij vrijwel alle patiënten opgenomen op de afdeling geriatrie/ ouderengeneeskunde is een fysiotherapeut betrokken. De fysiotherapeut brengt kracht en fysiek functioneren van de patiënt in kaart, zoals beschreven in de module Meetinstrumenten spierkracht en het Stroomschema Diagnostiek sarcopenie. Op de polikliniek en andere ziekenhuisafdelingen kan de HKK en eventueel gevolgd door 5t-CST en indien niet uitvoerbaar de m-30s-CST door de verpleegkundige, fysiotherapeut of andere professional van respectievelijk de polikliniek en consultatieteam geriatrie uitgevoerd worden. Hier dienen echter specifieke afspraken over gemaakt te worden, wie, wat en wanneer doet en in welke situaties waarbij rekening gehouden moet worden met de haalbaarheid. Er moet zorg gedragen worden voor de beschikbaarheid van hydraulische handknijpkrachtmeter op de afdeling geriatrie, polikliek en consultatie team geriatrie. Om de werkwijze zo betrouwbaar mogelijk uit te kunnen voeren wordt aanbevolen een duidelijke instructie te maken voor deze metingen en betrokken medewerkers hierin te scholen.
Diagnose sarcopenie, vaststellen spiermassa
Voor een definitieve diagnose sarcopenie, bijvoorbeeld in onderzoekssituaties, is bepaling van de spiermassa nodig. De randvoorwaarden voor het vaststellen van de spiermassa zoals beschreven boven beschreven bij “diagnose fenotype ondervoeding” gelden hier ook (zie ook module Meetinstrumenten spiermassa).
Diagnose sarcopenie, vaststellen ernst
De mate van fysiek functioneren en de ernst van (vermoedelijke) sarcopenie wordt bepaald met de 4 meter looptest (zie module Meetinstrumenten Fysiek functioneren). Deze test wordt al door de richtlijn CGA aanbevolen om de mobiliteit te beoordelen en wordt op de polikliniek geriatrie vaak al uitgevoerd.
Bij een deel van de patiënten opgenomen op een afdeling geriatrie en andere ziekenhuisafdelingen zal de 4 meter looptest (tijdelijk) niet uitvoerbaar zijn vanwege bijvoorbeeld fysieke beperkingen.
Lokaal dienen er afspraken gemaakt te worden over de standaardisatie van uitvoering, zoals wie, wanneer de test uitvoert, benodigdheden zoals een stopwatch en omgevingsfactoren zoals bijvoorbeeld ruimte met markeringen op de vloer.
Behandeling (vermoedelijke) sarcopenie
Net als ondervoeding is sarcopenie een multifactorieel syndroom. De behandeling dient multidisciplinair te zijn, waarbij een multidisciplinair overleg ingepland wordt om de interventies, behandeldoelen en plan voor monitoring en nazorg te bespreken en vast te leggen. Via Sorgente kan indien nodig specifieke dieetvoeding zoals bijvoorbeeld HMB worden besteld, diëtisten hebben hier de meeste ervaring mee. Op de verschillende ziekenhuisafdelingen dienen hiertoe specifieke afspraken over gemaakt te worden. Op ziekenhuis niveau en liefst regionaal dient er een keuze gemaakt te worden welke bewegingsprogramma geïmplementeerd (zie module Behandeling sarcopenie) moeten worden als onderdeel van de behandeling voor sarcopenie. Er is geen eenduidigheid over de beste manier om een interventie evalueren. Gebruikelijke manieren om dit te doen zijn meten van spierkracht, spiermassa, fysiek functioneren. Hoewel een voeding- en bewegingsinterventie zich niet beperkt tot de ziekenhuisopname, wordt wel aanbevolen om het effect van de interventies te evalueren vlak voor ontslag en afspraken te maken over het vervolg van de behandeling en evaluatie na de ziekenhuisopname. Ook hier dienen afspraken over gemaakt te worden wie, wat doet op welk moment en hoe de communicatie en registratie en afstemming hierover met patiënt, mantelzorger en betrokken zorgverleners geregeld wordt.
Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Aanbevolen wordt om bij klinische patiënten (afdeling geriatrie, en andere afdelingen waar afspraken zijn gemaakt over co-management) een multidisciplinair overleg (MDO) in te plannen. Doel van dit MDO is om interventies, behandeldoelen, plan van monitoring en nazorg te bespreken en vast te leggen.
Investeer in goede samenwerkingsverbanden en afspraken met de eerste lijn (huisarts, specialist ouderengeneeskunde, fysiotherapie, diëtist, logopedist en ergotherapeut) en de geriatrische revalidatiezorg om een goede continuïteit van de zorg te waarborgen.
Aanbevolen wordt tevens om afspraken te maken rondom de uitvoering van metingen, registratie in het EPD, gebruik van apparatuur en keuze van het bewegingsprogramma inclusief scholing daar waar nodig en logistieke afspraken rondom de screening, diagnostiek en behandeling en monitoring van ondervoeding en sarcopenie.
Indien besloten wordt tot de aanschaf van een multi-frequency bio-impedantie analyse apparaat (mf-BIA), wordt aanbevolen dit te doen rekening houdend met randvoorwaarden voor toepassing, interpretatie, koppeling met het EPD, patiëntvriendelijkheid, stationering en onderhoud.
Onderbouwing
Both malnutrition and sarcopenia are common problems in frail hospitalized older patients and can negatively impact health outcomes especially when not recognized. Screening for malnutrition is not performed uniformly within Dutch hospitals. The introduction of the GLIM criteria in 2019 provided the first definitive diagnostic criteria for malnutrition (Jensen, 2019). However, these criteria are not yet applied uniformly in daily hospital care. In 2019 a revised European consensus (EWGSOP-2) for the diagnosis of sarcopenia was introduced (Cruz-Jentoft, 2019). However, to date most clinicians in the Dutch hospitals do not routinely consider the presence of sarcopenia.
The current guideline systematically outlines the various steps in the screening, diagnosis, and treatment of malnutrition and sarcopenia. This module describes the steps required to implement current insights into screening, diagnosis and treatment of malnutrition and sarcopenia in frail older patients at various hospital departments (geriatric department, geriatric outpatient clinic and other hospital departments where geriatrics is closely involved) in relation to relevant care partners.
- Cruz-Jentoft AJ, Bahat G, Bauer J, Boirie Y, Bruyère O, Cederholm T, Cooper C, Landi F, Rolland Y, Sayer AA, Schneider SM, Sieber CC, Topinkova E, Vandewoude M, Visser M, Zamboni M; Writing Group for the European Working Group on Sarcopenia in Older People 2 (EWGSOP2), and the Extended Group for EWGSOP2. Sarcopenia: revised European consensus on definition and diagnosis. Age Ageing. 2019 Jan 1;48(1):16-31. doi: 10.1093/ageing/afy169. Erratum in: Age Ageing. 2019 Jul 1;48(4):601. doi: 10.1093/ageing/afz046. PMID: 30312372; PMCID: PMC6322506.
- Jensen GL, Cederholm T, Correia MITD, Gonzalez MC, Fukushima R, Higashiguchi T, de Baptista GA, Barazzoni R, Blaauw R, Coats AJS, Crivelli A, Evans DC, Gramlich L, Fuchs-Tarlovsky V, Keller H, Llido L, Malone A, Mogensen KM, Morley JE, Muscaritoli M, Nyulasi I, Pirlich M, Pisprasert V, de van der Schueren M, Siltharm S, Singer P, Tappenden KA, Velasco N, Waitzberg DL, Yamwong P, Yu J, Compher C, Van Gossum A. GLIM Criteria for the Diagnosis of Malnutrition: A Consensus Report From the Global Clinical Nutrition Community. JPEN J Parenter Enteral Nutr. 2019 Jan;43(1):32-40. doi: 10.1002/jpen.1440. Epub 2018 Sep 2. PMID: 30175461.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 01-09-2026
Beoordeeld op geldigheid : 01-09-2026
Algemene gegevens
De Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde (Verenso) heeft een verklaring van geen bezwaar afgegeven.
De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2023 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg rondom ondervoeding en sarcopenie bij ouderen met een kwetsbare gezondheid.
Werkgroep
- Dr. W.M.W.H. (Walther) Sipers, klinisch geriater, werkzaam in het Zuyderland Medisch Centrum te Heerlen- Sittard-Geleen, NVKG
- Dr. ir. E. (Emmelyne) Vasse, diëtist-onderzoeker, werkzaam in Ziekenhuis Gelderse Vallei te Ede en bij het Lectoraat Voeding, Diëtetiek & Leefstijl aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, NVD
- Dr. CH. (Christian) Oudshoorn, internist en klinisch geriater, werkzaam in het Erasmus MC te Rotterdam, NVKG
- Drs. A. (Aurélie) Rutten, AIOS klinische geriatrie, werkzaam in het Zuyderland MC te Heerlen-Sittard-Geleen, NVKG
- L. (Lichelle) Wong, MSc, AIOS klinische geriatrie, werkzaam in het Zuyderland MC te Heerlen-Sittard-Geleen, NVKG
- Drs. S. (Simone) Verhaar, klinisch geriater, werkzaam in het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven, NVKG
- Dr. A.Y. (Astrid) Hagedoorn-Bijlsma, internist ouderengeneeskunde, werkzaam in het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis te Tilburg, NIV
- Prof. Dr. J. (Jos) Schols, hoogleraar ouderengeneeskunde, werkzaam bij Maastricht University te Maastricht, Verenso
- V. (Vera) Luijckx, MSc, geriatriefysiotherapeut, werkzaam bij Surplus te West-Brabant, KNGF
Klankbordgroep
- D.S.V.M. (Dominique) Clément, MSc, MDL-arts, werkzaam in het King’s College Hospital te Londen, NVMDL
- Dr. I.A.M. (Ingrid) Gisbertz, MDL-arts, werkzaam bij Bernhoven te Uden, NVMDL
- Dhr. dr. T.E. (Taco) Otto, chirurg, werkzaam in het Dijklander Ziekenhuis te Hoorn, NVvH
- C. (Charlotte) van der Hulst, MSc, verpleegkundig specialist AGZ, werkzaam bij Brentano te Amstelveen, V&VN
- Dr. R. (Robert) Tepaske, anesthesioloog-intensivist, werkzaam bij het Amsterdam UMC – locatie AMC te Amsterdam, NVIC
Met ondersteuning van
- Dr. J. (Janneke) Hoogervorst-Schilp, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- F. (Florien) Ham, MSc, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- A. (Alies) Oost, medisch informatiespecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke Financiële Belangen |
Persoonlijke Relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intell. belangen en reputatie |
Overige belangen |
Datum |
Restrictie |
|
Werkgroep |
|||||||||
|
Hagedoorn-Bijlsma |
Internist ouderengeneeskunde bij vakgroep geriatrie in ETZ |
Vice-voorzitter wetenschapscommissie van NIV en NVKG |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
04-05-2026 |
Geen |
|
Luijckx |
Werkgever: Surplus, betaalde functie. Geriatriefysiotherapeut: Verlenen van fysiotherapeutische zorg (onderzoek, behandeling, advisering) aan kwetsbare ouderen. Betaalde functie. Lid professionele advies raad (PAR) bij Surplus: Via de PAR aandacht voor zeggenschap binnen Surplus creëren en raad van bestuur adviseren over vakinhoudelijk beleid. |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
17-04-2026 |
Geen |
|
Oudshoorn |
Internist en kinisch geriater Erasmus MC |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
17-04-2026 |
Geen |
|
Rutten |
AIOS geriatrie Zuyderland MC |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
20-04-2026 |
Geen |
|
Schols |
hoogleraar ouderengeneeskunde Universiteit Maastricht |
*Lid van Gezondheidsraad (vacatiegeld) *lid WAR Care-cure van Zorginstituut (vacatiegeld) *lid WAR Alzheimer Ned (geen vergoeding). *Lid RVT Zorgorganisatie Sevagram Heerlen (RvT vergoeding) *lid RvT Zorgorganisatie Beek&Bos Heythuysen (RvT vergoeding) |
Geen |
Geen |
Geen |
Ik heb uiteraard de reputatie van mijn universiteit hoog te houden. Verder geen specifieke zaken |
Geen |
15-04-2026 |
Geen |
|
Sipers |
klinisch geriater en opleider Zuyderland Medisch Centrum, full time werkzaam |
SCEN arts, 6x/ jaar 5 dagen dienst volgens rooster. Consulten buiten werktijden om en vergoeding per daadwerkelijk uitgevoerd consult conform tarieven KNMG |
Geen |
Geen |
Geen |
Ik ben door de NVKG gevraagd om deze taak op me te nemen. Dit heeft ermee te maken daar ik reeds enige expertise heb op dit gebied en het een belangrijk thema vind in de dagelijkse zorg voor kwetsbare oudere patiënten. Mijn drijfveer is om zodoende een bijdrage te leveren aan een kwaliteit betere zorg. |
Geen |
28-07-2022 |
Geen |
|
Vasse |
Post-doc onderzoeker/projectleider - Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Lectoraat Voeding, Dietetiek & Leefstijl / Kenniscentrum Ondervoeding (16 uur/week, tot oktober 2024) Dietist - Ziekenhuis Gelderse Vallei in Ede (oproepbasis) |
Bestuurslid - Netherlands Society for Parenteral and Enteral Nutrition (NESPEN) (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
17-04-2026 |
Geen |
|
Verhaar |
Klinisch geriater, Catharina ziekenhuis Eindhoven |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
17-04-2026 |
Geen |
|
Wong |
AIOS Zuyderland MC |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
15-04-2026 |
Geen |
|
Klankbordgroep |
|||||||||
|
Clément |
Maag-, darm- en leverarts (Consultant Gastroenterologist) King's College Hospital Londen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
15-10-2023 |
Geen |
|
Gisbertz |
MDL arts Bernhoven |
Voorzitter Nederlands voedingsteam overleg Lid commissie Voeding NVMDL |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
23-10-2023 |
Geen |
|
Hulst, van der |
verpleegkundig specialist AGZ Stichting Brentano Amstelveen. Regiebehandelaar psychogeriatrisch verpleeghuis. |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
12-12-2023 |
Geen |
|
Otto |
Chirurg, Dijklander ziekenhuis, Hoorn |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
16-12-2023 |
Geen |
|
Tepaske |
Anesthesioloog-Intensivist, Intensive Care volwassenen AUMC. plv. hoofd/ WPM, plv. opleider fellows IC (tot 1 feb 2024), Stage begeleider AIOS. interne, anesthesiologie, heelkunde. Begeleider Nurse practitioners profielen circulation & ventilation. Voorzitter materialen commissie Intensive Care volwassenen Investeringen en Europese aanbestedingen Verder lid van de IC- werkgroepen vv- en va-ECMO, decubitus, klinisch chemisch, peersupport, monitoring & ICT, apotheek & AMC-brede |
Allen onbezoldigd: Lid concillium IC (GIC, tot 1 feb 2024), Lid van de sectie IC van de NVA Lid NVIC Bezoldigd: Docent ICverpleegkundigen, Amstel Academie, opleidingsinstituut AmsterdamUMC, loc VUmc
|
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Eenmalig vergoeding voor deelname aan masterclass 'meten van metabolisme' van Hamilton, Zwitserland |
01-12-2023 |
Geen |
Inbreng patiëntenperspectief
Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de Patientenfederatie Nederland en de KBO-PCOB uit te nodigen voor de schriftelijke knelpunteninventarisatie, maar beide hebben geen input gegeven. Daarnaast is de KBO-PCOB uitgenodigd voor de werkgroep, maar heeft afgezien van deelname. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan de Patientenfederatie Nederland en de KBO-PCOB en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase).
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Organisatie van ziekenhuiszorg |
Geen financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Richtlijnendatabase.