Oesofaguscarcinoom - Concentratie van (chirurgische) behandeling

Laatst beoordeeld: 05-01-2015

Uitgangsvraag

Spreiding en concentratie: wat is de beste plek voor diagnostiek en behandeling van oesofasguscarcinoom?

Aanbeveling

Aanbevelingen versie 3.1 (2014)
De zorg voor oesofaguscarcinoompatiënten dient geconcentreerd te worden in ziekenhuizen met een hoog volume, de juiste infrastructuur en specialisatiegraad van het medisch en paramedisch team.

Uitvoeren van oesofagusresecties in een ziekenhuis met een volume van meer dan 20 resecties per jaar wordt sterk aanbevolen.

Naast volume wordt transparantie met betrekking tot uitkomsten van zorg geadviseerd.

De werkgroep adviseert - gezien de snel toenemende hoeveelheid literatuur hierover - vóór 1 juli 2016 opnieuw te beoordelen of de dan beschikbare evidence aanleiding geeft tot een volgende revisie van dit onderdeel van de richtlijn.

Overwegingen

Overige overwegingen versie 3.0 (2010)
Een acceptabele betrouwbaarheid voor endoscopische ultrasonografie (EUS) is te bereiken na een leercurve van meer dan 100 verrichte onderzoeken (33).

Overige overwegingen versie 3.1 (2014)
De literatuur laat geen twijfel dat een hoger jaarlijks ziekenhuisvolume leidt tot betere uitkomsten na oesofagusresectie. De studie van Dikken et al (2013) (41) laat zien dat voor de 30-dagen mortaliteit een volumenorm van minimaal 20 het verschil maakt en voor de lange termijn (2-jaars) overleving een volumenorm van minimaal 30. Een recente studie van Henneman, Dikken et al (abstract NVvH chirurgendagen mei 2013)1, waarbij het volume als  een continue variabele is onderzocht, toont een trend naar een verdere verbetering van zowel de 6-maands mortaliteit als 2-jaars overleving bij een ziekenhuisvolume tot 50-60 oesofagusresecties per jaar.

De laatste twee jaar is er een groot aantal nieuwe studies op dit gebied verschenen. Vrijwel alle studies maken gebruik van vooraf vastgestelde definities voor ziekenhuizen met een laag of hoog volume. Deze definities hangen sterk af van de beschikbare data en verschillen daardoor per studie. Dit maakt het moeilijk om uit de verschillende studies het optimale ziekenhuisvolume te bepalen. Er is vooralsnog echter geen overtuigend objectief bewijs voor significant betere resultaten met afkapwaarden hoger dan 20 oesofagusresecties per jaar.

Het literatuuronderzoek heeft zich beperkt tot de relatie volume - uitkomst en de bijbehorende afkapwaardes. Nader onderzoek is nodig naar de invloed van andere facetten (zoals o.a. de rol van de locale infrastructuur) op uitkomsten van zorg en daarnaast de invloed op andere uitkomstindicatoren zoals het adequaat behandelen van complicaties, weergegeven in de zogenaamde  'failure to rescue' ratio.

Naast evidence uit de literatuur (conclusies) zijn er ook andere overwegingen die kunnen meespelen bij het formuleren van aanbevelingen. De uiteindelijk geformuleerde aanbevelingen zijn het resultaat van de conclusies in combinatie met deze overwegingen, die de conclusies plaatsen in de context van de dagelijkse praktijk. Daarin spelen bijvoorbeeld ook patiëntenpreferenties (of andere aspecten van patiëntenperspectief), organisatie van zorg en doelmatigheid een rol. Op grond van dergelijke overwegingen kan een ander minimum volume geïndiceerd zijn.

Patiëntenperspectief
De patiëntenvertegenwoordigers (namens SPKS en Leven met Kanker Beweging) in de richtlijnwerkgroep geven aan voorstander te zijn van verdere concentratie. Patiënten zijn in het algemeen bereid ver(der) te reizen voor de best mogelijke zorg. In een in mei 2014 verschenen persbericht laat Slokdarmkanker Nederland (onderdeel van SPKS en Leven met Kanker Beweging) weten dat zij een hogere volumenorm willen nastreven. Tevens pleiten zij voor meer transparantie over ziekenhuiskenmerken en uitkomsten van zorg en voor het samenvoegen van de zorg voor slokdarm- en maagkanker in een klein aantal centra.

1) Inmiddels gepubliceerd: Centralization of esophagectomy: how far should we go?; Ann Surg Oncol. 2014 Dec;21(13):4068-74

Conclusies

Conclusies versies 3.0 (2010)

Centralisatie van oesofagusresecties leidt tot betere uitkomsten van zorg. De mortaliteit na een oesofagusresectie is significant lager en de langetermijnoverleving significant langer in centra met een hoog volume op het gebied van oesofaguschirurgie in vergelijking met ziekenhuizen met een laag volume. Alhoewel het op grond van de literatuur lastig is om een eenduidige minimumgrens aan te geven voor het aantal procedures per jaar, wordt het uitvoeren van oefagusresecties in een ziekenhuis met een volume van minder dan tien per jaar afgeraden. Gebaseerd op recente literatuurgegevens lijkt een ziekenhuisvolume van meer dan 15-20 oesofagusresecties wenselijker.
Niveau 2: B Gruen (4); Gasper (7); Wouters (23), Wouters (3); Meguid (13); Wouters (24)

Er zijn aanwijzingen dat de sensitiviteit van CT en echografie van de hals door een ervaren radioloog en EUS door een ervaren MDL-arts in een hoogvolume-centrum hoger is dan in een laagvolume-centrum.
Niveau 3: B van Vliet (31); van Vliet (30); van Vliet (32)

Aanvullende conclusies versie 3.1 (2014)
Ook op basis van recente studies (gepubliceerd sinds 2010) is het aannemelijk dat centralisatie van oesofaguschirurgie leidt tot betere uitkomsten. Niveau 2: B Boddy 2012 (36); Finks 2011 (42)

Het is aannemelijk  dat de mortaliteit lager is en de overleving hoger na een oesofagusresectie in centra met een hoog volume op het gebied van oesofaguschirurgie. Niveau 2: B Markar 2012 (44); Wouters 2012 (46); Al-Refaie 2012 (34); Coupland 2012 (38); Dikken 2012a (39); Dikken 2013 (41); Ghaferi 2011 (43); Sakata 2012 (45)

Het is aannemelijk dat bij een afkapwaarde van 20 oesofagusresecties per jaar significant betere resultaten worden bereikt. Niveau 2: B Coupland 2012 (38); Dikken 2013 (41); Sakata 2012 (45)

Er zijn aanwijzingen dat de 2-jaars overleving significant beter is bij een afkapwaarde van 30 oesofagusresecties per jaar. Niveau 3: B Dikken 2013 (41)

Samenvatting literatuur

Literatuurbespreking versie 3.0 (2010)

Chirurgische behandeling
Drie ‘before-and-after' onderzoeken bestudeerden het effect van centralisatie van chirurgische behandeling van patiënten met een oesofaguscarcinoom (1) (2) (3). Alleen Wouters et al rapporteerden resultaten die rekening hielden met verstorende variabelen, namelijk leeftijd, stadium, co-morbiditeit, type chirurgie en neoadjuvante behandeling, maar niet socio-economische status. De hazard ratio voor overlijden na chirurgie (inclusief ziekenhuismortaliteit) was significant lager na de centralisatie (HR 0.61, 95%CI 0.44-0.86).

In een systematische review van goede kwaliteit werden de resultaten van 28 observationele onderzoeken naar de centralisatie van chirurgie samengevat (4). Gebaseerd op een meta-analyse van alle studies verminderde de perioperatieve mortaliteit door het verdubbelen van het ziekenhuisvolume (crude OR 0.81, 95%CI 0.77-0.84). Dit resultaat werd echter niet gecorrigeerd voor verstorende variabelen. Twee onderzoeken in deze review rapporteerden wel gecorrigeerde resultaten en vonden een significant effect op ziekenhuismortaliteit voor zowel ziekenhuisvolume als chirurgvolume.

Naast deze systematische review werden nog 21 observationele onderzoeken geïdentificeerd (5) (6) (7) (8) (9) (10) (11) (12) (13) (14) (15) (16) (17) (18) (19) (20) (21) (22) (23) (24) (25). Zeven van deze onderzoeken corrigeerden niet voor verstorende variabelen, wat de resultaten van deze studies erg onbetrouwbaar maakt (26) (27) (14) (19) (20) (21) (25). De overige 14 onderzoeken corrigeerden wel voor verstorende variabelen (meestal leeftijd, geslacht en stadium).

Ziekenhuisvolume
Wat betreft het ziekenhuisvolume worden verschillende afkapwaarden gerapporteerd. In Amerikaanse centra met minder dan zes ingrepen per jaar was de ziekenhuismortaliteit significant hoger dan in centra met minstens meer dan zes ingrepen per jaar (OR 1.95, 95%CI 1.03-3.69 in 1995-1999 en OR 1.65, 95%CI 1.01-2.69 in 2000-2004) (7). In een Nederlands onderzoek bleek een hoogvolume-centrum met 56 procedures per jaar een significant lagere ziekenhuismortaliteit te hebben dan centra met minder dan zeven procedures per jaar (OR 3.05, 95%CI 1.82-5.11) (23). Ook de chirurgische en algemene complicaties waren significant frequenter in de laagvolume-centra met minder dan zeven procedures per jaar. Een ander Amerikaans onderzoek modelleerde de afkapwaarde en vond dat vanaf 15 ingrepen per jaar de ziekenhuismortaliteit verminderde (13). Een vergelijkbaar resultaat werd gevonden door Wouters et al., waar men in centra met 10-20 ingrepen per jaar een vergelijkbare ziekenhuismortaliteit vond als in centra met een lager volume, maar een significant lagere ziekenhuismortaliteit in centra met meer dan 20 ingrepen per jaar (OR 0.48, 95%CI 0.30-0.77) (24). Een Japans onderzoek vond een significante relatie tussen vijfjaarsoverleving en volume, gecategoriseerd op basis van kwartielen (afkapwaarden niet gerapporteerd). In vergelijking met het hoogste kwartiel hadden alle andere kwartielen een lagere vijfjaarsoverleving (medium: HR 1.3, 95%CI 1.2-1.5; laag: HR 1.3, 95%CI 1.2-1.5; zeer laag: HR 1.6, 95%CI 1.4-1.9) (10).

Chirurgvolume
Wat betreft het chirurgvolume werden tegenstrijdige resultaten gevonden. Ziekenhuismortaliteit was niet significant verschillend tussen chirurgen met een laag (minder dan twee ingrepen per jaar), een medium (2-6 ingrepen per jaar) en een hoog volume (meer dan zes ingrepen per jaar) in een Zweeds onderzoek (16). In een Brits onderzoek echter, werden wel significante verschillen vastgesteld (adjusted OR 4.60, 95%CI 1.55-13.60) voor chirurgen met minder dan zes ingrepen per jaar in vergelijking met chirurgen met meer dan zes ingrepen per jaar (15). Deze laatste studie vond geen significant verschil in mediane overleving. Het optreden van chirurgische complicaties was niet significant verschillend tussen laag- (minder dan twee ingrepen per jaar), medium-(2-6) of hoogvolume (> 6) ‑chirurgen in een Zweeds onderzoek (17). Ook de kwaliteit van leven zes maanden na de ingreep was vergelijkbaar (18).

Behandeling met stents
De enige studie over centralisatie van behandeling met stents hield geen rekening met verstorende variabelen (28). Hierdoor worden de resultaten van dit onderzoek erg onbetrouwbaar. De studie rapporteert bovendien een paradoxaal resultaat, namelijk een langere overleving na behandeling in een laagvolume-centrum (tien of minder procedures per jaar). Er werd geen significant verschil in het optreden van complicaties gevonden.

Beeldvorming
In vergelijking met radiologen in een regionaal centrum is de sensitiviteit van radiologen in een hoogvolume-centrum significant beter voor de diagnostiek van regionale lymfklieren, lymfklieren op afstand, peri-oesofagale lymfklieren en coeliacale lymfklieren, op basis van een CT-onderzoek. De specificiteit was niet significant verschillend. Ook voor abdominale echografie (coeliacale lymfklieren, levermetastasen), echografie van de hals en radiografie van de thorax was de sensitiviteit beter en de specificiteit vergelijkbaar (29) (30). Daarnaast werd vastgesteld dat een endoscopist de expertise van de endoechografie (EUS) slechts op niveau kan houden indien er jaarlijks tenminste 50 EUS-procedures worden verricht (30).

Zie evidencetabel Spreiding en Concentratie.

Aanvullende literatuurbespreking versie 3.1 (2014)
Sinds 2010 werden 2 systematische reviews en 11 cohort studies gepubliceerd. De 2 reviews(44)(46) en 6 cohort studies (34)(38)(39)(41)(43)(45) evalueerden de relatie tussen volume en uitkomsten, 3 cohort studies evalueerden het verband tussen specifieke ziekenhuiskenmerken en uitkomsten (35)(37)(40), en 2 cohort studies bestudeerden het effect van centralisatie (36)(42).

Relatie volume - uitkomst
Wouters et al. zochten studies gepubliceerd tussen 1995 en 2010 die de relatie onderzochten tussen het volume en de uitkomst van patiënten met een oesofaguscarcinoom(46). De gevonden afkapwaarden voor de laagste volumecategorie varieerden tussen minder dan 1 en 20 patiënten per jaar versus meer dan 3 tot 87 voor de hoogste volumecategorie. Een laag hospitaalvolume bleek geassocieerd met een significant slechtere postoperatieve mortaliteit (16 studies; odds ratio = 2.30; 95%BI 1.89-2.80) en een slechtere overleving (4 studies; hazard ratio = 1.17; 95%BI 1.05-1.31). De relatie tussen chirurgvolume en postoperatieve mortaliteit (3 studies; odds ratio = 1.55; 95%BI 0.88-8.75) en overleving (2 studies; hazard ratio = 1.16; 95%BI 0.94-1.45) bleek niet statistisch significant. Markar et al. zochten studies gepubliceerd tussen 2000 en 2011, en hanteerden strengere selectiecriteria, waardoor de uiteindelijke opbrengst lager was (44). De gevonden afkapwaarden voor de laagste volumecategorie varieerden tussen minder dan 4 en 78 patiënten per jaar versus meer dan 9 en 346 voor de hoogste volumecategorie. Een hoog hospitaalvolume was geassocieerd met een significant lagere hospitaalsterfte (8 studies; hoog-volume 2,82% versus laag-volume 8,48%; odds ratio = 0.29; 95%BI 0.16-0.53) en 30-dagen mortaliteit (2 studies; hoog-volume 0,73% versus laag-volume 2,09%; odds ratio = 0.31; 95%BI 0.19-0.51). De opnameduur (2 studies; gewogen gemiddelde verschil = -4.33; 95%BI -12.37-3.70) en het aantal postoperatieve verwikkelingen (3 studies; odds ratio = 0.62; 95%BI 0.37-1.05) verschilden niet significant.

Al-Refaie et al. includeerden 3364 patiënten met een oesofaguscarcinoom die chirurgisch behandeld werden tussen 2003 en 2008 in de Verenigde Staten (34). De afkapwaarde om laag-volume ziekenhuizen te onderscheiden van hoog-volume ziekenhuizen bedroeg 13 behandelde patiënten per jaar. De uitkomsten werden gecorrigeerd voor risicofactoren, maar het is onduidelijk welke. De hospitaalsterfte was significant hoger in laag-volume ziekenhuizen (odds ratio = 1.86; 95%BI 1.80-2.47). Ook de opnameduur was significant langer in laag-volume ziekenhuizen (odds ratio = 1,30; 95%BI 1.11-1.56). In een grote population-based studie in Engeland werden (naast 31179 patiënten met een maagcarcinoom) 31632 patiënten met een oesofaguscarcinoom geïncludeerd, waarvan er 5403 chirurgie ondergingen(38). Vijf volumecategorieën werden gedefinieerd: <10, 10-19, 20-29, 30-39 en >40 patiënten per jaar. De uitkomsten werden gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, socio-economische status, morbiditeit en kankertype. De resultaten voor oesofaguscarcinoom werden apart gerapporteerd in een online appendix. Een volume van 20-29 patiënten per jaar (hazard ratio = 0.83; 95%BI 0.74-0.94) en 30-39 patiënten per jaar (hazard ratio = 0.81; 95%BI 0.70-0.93) waren geassocieerd met een significant lagere mortaliteit na 5 jaar. Voor de andere volumecategorieën werd geen statistisch significant effect gevonden. De p-waarde voor de globale trend was niet significant (p = 0.06). Dikken et al. vergeleken de uitkomsten van 10025 patiënten met een oesofaguscarcinoom die tussen 1989 en 2009 chirurgisch behandeld werden in Nederland (40). Vier volumecategorieën werden gedefinieerd: 1-5, 6-10, 11-20 en >20 patiënten per jaar. De uitkomsten werden gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, jaarlijks hospitaalvolume, jaar van diagnose, socio-economische status, stadium, morfologie, preoperatieve en postoperatieve behandeling. Een volume van 11-20 patiënten per jaar (hazard ratio = 0.78; 95%BI 0.62-0.97) en >20 patiënten per jaar (hazard ratio = 0.48; 95%BI 0.38-0.61) waren geassocieerd met een significant lagere 6-maanden mortaliteit. Ook de 3-jaarsoverleving was significant beter voor deze volumecategorieën (hazard ratio = 0.90 en 0.77 respectievelijk). Ghaferi et al. includeerden 3443 patiënten met een oesofaguscarcinoom die chirurgisch behandeld werden tussen 2005 en 2007 in de Verenigde Staten(43). Alle patiënten waren ouder dan 65 jaar. De uitkomsten van zeer-laag-volume ziekenhuizen (1-4 patiënten per jaar) werden vergeleken met die van hoog-volume ziekenhuizen (>15 patiënten per jaar) en werden gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, ras, urgentie en comorbiditeit. De hospitaalsterfte was significant hoger in de laagste volumecategorie (odds ratio = 3.7; 95%BI 2.74-4.98). Ook traden er significant meer majeure verwikkelingen op (odds ratio = 1.35; 95%BI 1.11-1.65) en waren er meer overlijdens van patiënten met minstens 1 majeure verwikkeling (odds ratio = 3.18; 95%BI 2.39-4.22). 

Sakata et al. rapporteerden de resultaten van een grote Japanse survey bij 493 ziekenhuizen die 24224 patiënten met een oesofaguscarcinoom chirurgisch behandelden tussen 2005 en 2009 (45). Zeven verschillende volumecategorieën werden gedefinieerd: 1-4, 5-9, 10-14, 15-19, 20-29, 30-39 en >40 patiënten per jaar. De resultaten werden niet gecorrigeerd voor risicofactoren. Ten opzichte van de hoogste volumecategorie hadden de laagste vier categorieën een significant hogere 30-dagen mortaliteit (1-4: odds ratio = 3.23; 5-9: 3.59; 10-14: 2.31; 15-19: 2.82). De volumecategorieën 20-29 en 30-39 hadden geen significant hogere mortaliteit. Tenslotte, Dikken et al. vergeleken de uitkomsten van 10854 patiënten die tussen 2004 en 2009 een oesofagectomie ondergingen in 4 Europese landen: Nederland, Zweden, Denemarken en Engeland (45). De Nederlandse en Engelse populatie overlapt deels met de populatie van Dikken et al.(39) en Coupland et al. (38), respectievelijk. Vijf volumecategorieën werden gedefinieerd: 1-10, 11-20, 21-30, 31-40 en >40 patiënten per jaar. De uitkomsten werden gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, stadium, morfologie en clustering van patiënten. De volumecategorieën met meer dan 20 chirurgische patiënten per jaar hadden een significant betere 30-dagen mortaliteit dan de volumecategorie van 1-10 patiënten per jaar (21-30: odds ratio = 0.68, 95%BI 0.50-0.93; 31-40: odds ratio = 0.58, 95%BI 0.39-0.85; >40: odds ratio = 0.55, 95%BI 0.42-0.72). De 2-jaarsoverleving was enkel significant beter in de volumecategorieën 31-40 (odds ratio = 0.77, 95%BI 0.63-0.94) en >40 (odds ratio = 0.79, 95%BI 0.66-0.96).

Relatie ziekenhuiskenmerken - uitkomst
Bilimoria et al. vergeleken de uitkomsten van 6155 patiënten met een oesofaguscarcinoom die tussen 2003 en 2005 chirurgisch behandeld werden in gespecialiseerde centra, academische centra of openbare ziekenhuizen in de VS(35). De uitkomsten werden gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, ras, stadium, inkomen, comorbiditeit en uitgebreidheid van resectie, en gestratificeerd naargelang het a priori risico op overlijden. De 60-dagen mortaliteit was significant lager in gespecialiseerde centra versus openbare ziekenhuizen, zowel voor hoog-risico (hazard ratio = 0.48; 95%BI 0.33-0.69) als laag-risico patiënten (hazard ratio = 0.46; 95%BI 0.32-0.67). Het verschil tussen academische centra en openbare ziekenhuizen was niet significant. Volledige regionalisering naar gespecialiseerde centra zou 176 overlijdens vermijden. Cheung et al. includeerden 5041 patiënten met een oesofaguscarcinoom die tussen 1998 en 2002  in de VS behandeld werden in een opleidingscentrum versus een centrum waar geen opleiding gegeven werd(37). De uitkomsten werden gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, ras, etniciteit, roken, alcohol, socio-economische status, tumorlocatie, stadium, gradering, centrum en behandeling. De 90-dagen mortaliteit was significant beter in opleidingscentra, zowel voor de totale populatie (4,1% versus 11,2%, p<0.001) als voor de chirurgisch behandelde populatie (4,0% versus 12,0%, p<0.001). De mediane overleving was significant langer in opleidingscentra, zowel voor de totale populatie (12,5 versus 9,5 maanden, p<0.001) als voor de chirurgisch behandelde populatie (47,3 versus 20,5 maanden, p<0.001). Multivariate analyse toonde dat lage socio-economische status, gevorderd tumorstadium, geen chirurgische behandeling, geen chemotherapie en behandeling in een niet-opleidingscentrum onafhankelijke risicofactoren waren voor sterfte van adenocarcinomen. Voor plaveiselcelcarcinomen waren roken, gevorderd tumorstadium, geen chirurgische behandeling, geen chemotherapie en geen radiotherapie onafhankelijke risicofactoren voor sterfte. Dikken et al. vergeleken de uitkomsten van 10025 patiënten met een oesofaguscarcinoom die tussen 1989 en 2009 chirurgisch behandeld werden in universitaire ziekenhuizen, niet-universitaire opleidingscentra of niet-universitaire niet-opleidingscentra in Nederland(40). De uitkomsten werden gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, jaarlijks hospitaalvolume, jaar van diagnose, socio-economische status, stadium, morfologie, preoperatieve en postoperatieve behandeling. De 3-maanden mortaliteit was significant lager in universitaire ziekenhuizen (2,5% versus 4,4% versus 4,1%, p=0.006). De 3-jaarsoverleving was significant hoger (46% versus 42% versus 43%, p=0.027).

Effect van centralisatie
Boddy et al. includeerden retrospectief 224 patiënten met een oesofaguscarcinoom die chirurgisch behandeld werden in Gloucester in het Verenigd Koninkrijk tussen 1996 en 2010 (36). Tussen 1996 en 2006 gebeurden de resecties in 4 ziekenhuizen, terwijl vanaf 2006 de resecties slechts in 1 ziekenhuis meer gebeurden. De mediane overleving verbeterde significant van 1,1 jaar vóór 2006 tot 2,1 jaar sinds 2006 (p=0.028). De 30-dagen (11,1% versus 4,3%, p=0.076) en 90-dagen mortaliteit (13,8% versus 10,3%, p=0.539) vertoonden hooguit een trend tot verbetering. Deze analyses werden niet gecorrigeerd voor risicofactoren. Finks et al. includeerden 43756 patiënten die een oesofagectomie ondergingen tussen 1999 en 2008 in de Verenigde Staten (42). Alle patiënten waren ouder dan 65 jaar. De uitkomsten werden gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, ras, urgentie, comorbiditeit en socio-economische status. Het mediane hospitaalvolume steeg van 4 in de periode 1999-2000 tot 7 in de periode 2007-2008. Deze centralisatie ging gepaard met een significant verbeterde postoperatieve sterfte van 10,0% in de periode 1999-2000 tot 8.9% in de periode 2007-2008 (p<0.001). De auteurs berekenden dat 32% van dit verschil in mortaliteit toe te schrijven was aan het toegenomen hospitaalvolume.


Zie evidencetabel Centralisatie.

Referenties

  1. 1 - Al-Sarira AA, David G, Willmott S, Slavin JP, Deakin M, Corless DJ. Oesophagectomy practice and outcomes in England. British Journal of Surgery. 2007;94(5):585-91.
  2. 2 - Branagan G, Davies N. Early impact of centralization of oesophageal cancer surgery services. British Journal of Surgery. 2004;91(12):1630-2.
  3. 3 - Wouters MWJM, Karim-Kos HE, le Cessie S, Wijnhoven BPL, Stassen LPS, Steup WH, et al. Centralization of esophageal cancer surgery: does it improve clinical outcome? Ann Surg Oncol. 2009;16(7):1789-98. (a)
  4. 4 - Gruen RL, Pitt V, Green S, Parkhill A, Campbell D, Jolley D. The effect of provider case volume on cancer mortality: systematic review and meta-analysis. CA Cancer J Clin. 2009;59(3):192-211.
  5. 5 - Birkmeyer NJO, Goodney PP, Stukel TA, Hillner BE, Birkmeyer JD. Do cancer centers designated by the National Cancer Institute have better surgical outcomes? Cancer. 2005;103(3):435-41.
  6. 6 - Karlson BM, Ekbom A, Wacholder S, McLaughlin JK, Hsing AW. Cancer of the upper gastrointestinal tract among patients with pernicious anemia: a case-cohort study. Scand J Gastroenterol. 2000;35(8):847-51.
  7. 7 - Gasper WJ, Glidden DV, Jin C, Way LW, Patti MG. Has recognition of the relationship between mortality rates and hospital volume for major cancer surgery in California made a difference?: A follow-up analysis of another decade. Annals of Surgery. 2009;250(3):472-83.
  8. 8 - Gomi K, Oguchi M, Hirokawa Y, Kenjo M, Ogata T, Takahashi Y, et al. Process and preliminary outcome of a patterns-of-care study of esophageal cancer in Japan: Patients treated with surgery and radiotherapy. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2003;56(3):813-22.
  9. 9 - Goodney PP, Stukel TA, Lucas FL, Finlayson EVA, Birkmeyer JD. Hospital volume, length of stay, and readmission rates in high-risk surgery. Ann Surg 2003;238(2):161-7.
  10. 10 - Ioka A, Tsukuma H, Ajiki W, Oshima A. Hospital procedure volume and survival of cancer patients in Osaka, Japan: A population-based study with latest cases. Jpn J Clin Oncol. 2007;37(7):544-53.
  11. 11 - Janssen-Heijnen ML, Houterman S, Lemmens VE, Louwman MW, Maas HA, Coebergh JW. Prognostic impact of increasing age and co-morbidity in cancer patients: a population-based approach. Crit Rev Oncol Hematol. 2005;55:231-40.
  12. 12 - Leigh Y, Goldacre M, McCulloch P. Surgical specialty, surgical unit volume and mortality after oesophageal cancer surgery. Eur J Surg Oncol 2009;35(8):820-5.
  13. 13 - Meguid RA, Weiss ES, Chang DC, Brock MV, Yang SC. The effect of volume on esophageal cancer resections: what constitutes acceptable resection volumes for centers of excellence? J Thorac Cardiovasc Surg. 2009;137(1):23-9.
  14. 14 - Milne AA, Skinner J, Browning G. Centralisation of oesophageal cancer services; the view from the periphery. J Col Surg Edinb 2000;45(3):164-7.
  15. 15 - Migliore M, Choong CK, Lim E, Goldsmith KA, Ritchie A, Wells FC. A surgeon's case volume of oesophagectomy for cancer strongly influences the operative mortality rate. Eur J Cardiothorac Surg 2007;32(2):375-80.
  16. 16 - Rouvelas I, Jia C, Viklund P, Lindblad M, Lagergren J. Surgeon volume and postoperative mortality after oesophagectomy for cancer. Eur J Surg Oncol. 2007;33(2):162-8.
  17. 17 - Rutegard M, Lagergren J, Rouvelas I, Lagergren P. Surgeon volume is a poor proxy for skill in esophageal cancer surgery. Ann Surg 2009;249(2):256-61.
  18. 18 - Rutegard M, Lagergren P. No influence of surgical volume on patients' health-related quality of life after esophageal cancer resection. Ann Surg Oncol. 2008;15(9):2380-7.
  19. 19 - Smith BR, Hinojosa MW, Reavis KM, Nguyen NT. Outcomes of esophagectomy according to surgeon's training: general vs. thoracic. J Gastrointest Surg. 2008;12(11):1907-11.
  20. 20 - Stitzenberg KB, Sigurdson ER, Egleston BL, Starkey RB, Meropol NJ. Centralization of cancer surgery: implications for patient access to optimal care. J Clin Oncol. 2009;27(28):4671-8.
  21. 21 - Sundelof M, Lagergren J, Ye W. Surgical factors influencing outcomes in patients resected for cancer of the esophagus or gastric cardia. World J Surg. 2008;32(11):2357-65.
  22. 22 - Verhoef C, van de Weyer R, Schaapveld M, Bastiaannet E, Plukker JTM. Better survival in patients with esophageal cancer after surgical treatment in university hospitals: a plea for performance by surgical oncologists. Ann Surg Oncol. 2007;14(5):1678-87.
  23. 23 - Wouters MW, Wijnhoven BP, Karim-Kos HE, Blaauwgeers HG, Stassen LP, Steup W-H, et al. High-volume versus low-volume for esophageal resections for cancer: the essential role of case-mix adjustments based on clinical data. Ann Surg Oncol. 2008;15(1):80-7.
  24. 24 - Wouters MWJM, Krijnen P, Le Cessie S, Gooiker GA, Guicherit OR, Marinelli AWKS, et al. Volume- or outcome-based referral to improve quality of care for esophageal cancer surgery in The Netherlands. J Surg Oncol. 2009;99(8):481-7. (b)
  25. 25 - Wright CD, Kucharczuk JC, O'Brien SM, Grab JD, Allen MS, Society of Thoracic Surgeons General Thoracic Surgery D. Predictors of major morbidity and mortality after esophagectomy for esophageal cancer: a Society of Thoracic Surgeons General Thoracic Surgery Database risk adjustment model. J Thorac Cardiovasc Surg. 2009;137(3):587-95; discussion 96.
  26. 26 - Kazui T, Osada H, Fujita H. An attempt to analyze the relation between hospital surgical volume and clinical outcome. Gen Thorac Cardiovasc Surg 2007;55(12):483-92.
  27. 27 - Lorenzen S, Schuster T, Porschen R, Al-Batran SE, Hofheinz R, Thuss-Patience P, et al. Cetuximab plus cisplatin-5-fluorouracil versus cisplatin-5-fluorouracil alone in first-line metastatic squamous cell carcinoma of the esophagus: A randomized phase II study of the Arbeitsgemeinschaft Internistische Onkologie. Ann Oncol 2009;20(10):1667-73.
  28. 28 - Wenger U, Luo J, Lundell L, Lagergren J. A nationwide study of the use of self-expanding stents in patients with esophageal cancer in Sweden. Endoscopy. 2005;37(4):329-34.
  29. 29 - van Vliet EPM, Hermans JJ, De Wever W, Eijkemans MJC, Steyerberg EW, Faasse C, et al. Radiologist experience and CT examination quality determine metastasis detection in patients with esophageal or gastric cardia cancer. Eur Radiol. 2008;18(11):2475-84.
  30. 30 - van Vliet EPM, Eijkemans MJC, Poley J-W, Steyerberg EW, Kuipers EJ, Siersema PD. Staging of esophageal carcinoma in a low-volume EUS center compared with reported results from high-volume centers. Gastrointest Endosc. 2006;63(7):938-47.
  31. 31 - van Vliet EPM, Eijkemans MJC, Kuipers EJ, Hermans JJ, Steyerberg EW, Tilanus HW, et al. A comparison between low-volume referring regional centers and a high-volume referral center in quality of preoperative metastasis detection in esophageal carcinoma. Am J Gastroenterol. 2006;101(2):234-42.
  32. 32 - Van Vliet EPM, Heijenbrok-Kal MH, Hunink MGM, Kuipers EJ, Siersema PD. Staging investigations for oesophageal cancer: a meta-analysis. Br J Cancer. 2008;98(3):547-57.
  33. 33 - Fockens P, van den Brande JHM, van Dullemen HM, van Lanschot JJB, Tytgat GNJ. Endosonographic T-staging of Esophageal carcinoma: a learning curve. Gastrointest Endosc 1996;44:58-62.
  34. 34 - Al-Refaie WB, Muluneh B, Zhong W, Parsons HM, Tuttle TM, Vickers SM, et al. Who receives their complex cancer surgery at low-volume hospitals? J. Am. Coll. Surg. 2012;214(1):81-7. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22112418
  35. 35 - Bilimoria KY, Bentrem DJ, Talamonti MS, Stewart AK, Winchester DP, Ko CY. Risk-based selective referral for cancer surgery: A potential strategy to improve perioperative outcomes. Ann. Surg. 2010;251(4):708-16. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19898231
  36. 36 - Boddy AP, Williamson JML, Vipond MN. The effect of centralisation on the outcomes of oesophagogastric surgery - A fifteen year audit. Int. J. Surg. 2012;10(7):360-3. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22659313
  37. 37 - Cheung MC, Koniaris LG, Yang R, Zhuge Y, Mackinnon JA, Byrne MM, et al. Do all patients with carcinoma of the esophagus benefit from treatment at teaching facilities? J. Surg. Oncol. 2010;102(1):18-26. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/20213687
  38. 38 - Coupland VH, Lagergren J, Luchtenborg M, Jack RH, Allum W, Holmberg L, et al. Hospital volume, proportion resected and mortality from oesophageal and gastric cancer: A population-based study in England, 2004-2008. Gut. 2013 Jul;62(7):961-6; doi: 10.1136/gutjnl-2012-303008. Epub 2012 Oct 19.# http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23086798
  39. 39 - Dikken JL, Dassen AE, Lemmens VEP, Putter H, Krijnen P, Van Der Geest L, et al. Effect of hospital volume on postoperative mortality and survival after oesophageal and gastric cancer surgery in the Netherlands between 1989 and 2009. Eur. J. Cancer. 2012;48(7):1004-13. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22456179
  40. 40 - Dikken JL, Wouters MWJM, Lemmens VEP, Putter H, van der Geest LGM, Verheij M, et al. Influence of hospital type on outcomes after oesophageal and gastric cancer surgery. Br J Surg. 2012;99(7):954-63. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22569956
  41. 41 - Dikken JL, van Sandick JW, Allum WH, Johansson J, Jensen LS, Putter H, et al. Differences in outcomes of oesophageal and gastric cancer surgery across Europe. Br J Surg. 2013 Jan;100(1):83-94. doi: 10.1002/bjs.8966. Epub 2012 Nov 23. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23180474
  42. 42 - Finks JF, Osborne NH, Birkmeyer JD. Trends in hospital volume and operative mortality for high-risk surgery. New Engl. J. Med. 2011;364(22):2128-37. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/21631325
  43. 43 - Ghaferi AA, Birkmeyer JD, Dimick JB. Hospital volume and failure to rescue with high-risk surgery. Med. Care. 2011;49(12):1076-81. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22002649
  44. 44 - Markar SR, Karthikesalingam A, Thrumurthy S, Low DE. Volume-outcome relationship in surgery for esophageal malignancy: systematic review and meta-analysis 2000-2011. J Gastrointest Surg. 2012;16(5):1055-63. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22089950
  45. 45 - Sakata R, Kuwano H, Yokomise H. Hospital volume and outcomes of cardiothoracic surgery in Japan: 2005-2009 National survey. Gen. Thorac. Cardiovasc. Surg. 2012;60(10):625-38. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22907200
  46. 46 - Wouters MWJM, Gooiker GA, Van Sandick JW, Tollenaar RAEM. The volume-outcome relation in the surgical treatment of esophageal cancer: A systematic review and meta-analysis. Cancer. 2012;118(7):1754-63. # http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22009562

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 05-01-2015

Laatst geautoriseerd : 05-01-2015

Voorwaarden voor revisie en beoordelingsfrequentie zijn vastgelegd in de richtlijn. De geldigheidstermijn voor de richtlijn (maximaal vijf jaar na vaststelling) wordt vanuit het IKNL bewaakt. Om verscheidene redenen kan actualisatie eerder dan beoogd nodig zijn. Zonodig zal de richtlijn tussentijds op onderdelen worden bijgesteld.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Algemene gegevens

In de laatste  twee decennia is de incidentie van het oesofaguscarcinoom fors toegenomen. In 1989 werd in Nederland 684 maal de diagnose oesofaguscarcinoom gesteld, terwijl deze ziekte in 2009 bij 1.900 patiënten werd vastgesteld. Ook het leeftijdgestandaardiseerde aantal per 100.000 inwoners nam toe: van 4.6 tot 8.5. De vijfjaars relatieve overleving van patiënten met een oesofaguscarcinoom in Nederland is vergelijkbaar met het Europese gemiddelde, en nam toe van 8% in 1988-1992 tot 15% in 2003-2007. Aangezien het oesofaguscarcinoom daarmee nog steeds een van de meest letale tumoren is, volgen de trends in mortaliteit die van de incidentie; Nederland heeft dan ook analoog aan de incidentie het hoogste mortaliteitscijfer in Europa na Groot-Brittannië.

De zorg voor patiënten met deze tumoren is in voortdurende ontwikkeling, waarbij centraliseren van de diagnostiek en behandeling van patiënten met oesofaguscarcinoom leidt tot betere uitkomsten van zorg. De Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen heeft in 2010 met financiering door SKMS en met medefinanciering en onder begeleiding van de toenmalige Vereniging van Integrale Kankercentra (VIKC) - inmiddels Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) - de richtlijn voor de diagnostiek, behandeling, nazorg en follow-up van patiënten met een oesofaguscarcinoom gereviseerd.


Actuele richtlijnen zijn een hulpmiddel om al deze aspecten deze voortdurend verder te verbeteren.  Bij goedkeuring (december 2010) van de gereviseerde richtlijn (versie 3.0) is daarom afgesproken deze richtlijn voortaan te onderhouden als ‘levende richtlijn’. Niet één grote revisie om de vier à vijf jaar, maar - zo nodig - tussentijdse revisies van enkele specifieke onderdelen. Zo’n eerste tussentijdse revisie startte begin 2012.

 

Na een inventarisatie van mogelijke aandachtspunten binnen de werkgroep, focuste deze revisie op een viertal onderdelen (modules) van de richtlijn: beeldvormend onderzoek (pre-operatieve diagnostiek en herstadiëring), resectievrije marge (onderdeel uit de paragraaf prognostische factoren, hoofdstuk pathologie), neoadjuvante behandelingen, spreiding en concentratie. Met uitzondering van de module resectievrije marge betrof het evidence based revisies. Deze modules zijn november 2014 goedgekeurd.

Update 2014

Bovenstaande verenigingen alsmede Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) hebben de gereviseerde onderdelen geautoriseerd. De NVvR heeft daarbij laten weten (zie ook Beeldvormend onderzoek, Pre-operatieve diagnostiek, Overige overwegingen 2012) het eens te zijn met de aanvullende literatuurbespreking, conclusies en aanbevelingen (2012), maar heeft tegelijkertijd kanttekeningen geplaatst bij de oorspronkelijke richtlijntekst uit 2010. Deze kanttekeningen hebben voor een belangrijk deel betrekking op de literatuurbespreking (2010) van - de rol van de - Endoscopische ultrasonografie (EUS) bij de pre-operatieve diagnostiek:

  • Bij uitgebreide tumoren is EUS niet mogelijk doordat de tumor niet gepasseerd kan worden.
  • Bij grote tumoren is de exacte uitbreiding in omgevende structuren niet zichtbaar voor EUS, gezien de beperkte penetratie (EUS niet beter dan CT)
  • De complementaire waarde van beide onderzoeken (EUS en CT) geldt alleen voor      de locoregionale situatie, maar zeker niet voor afstandsmetastasen. Zoals het hier omschreven wordt, vindt er een onderwaardering plaats van CT.
  • De hier gesuggereerde work-up van afstandsmetastasen is geen reflectie van standaard      dagelijkse praktijk. In sommige centra worden bijniermetastasen nooit middels EUS aangeprikt. Dit wordt altijd onder CT geleide gedaan. En hetzelfde geldt ook voor levermetastasen, altijd onder echogeleide. Alleen geheel perifeer in de linker leverkwab (segment 2/3) kunnen de metastasen opgepikt worden met EUS, maar de punctie wordt daarna middels echo verricht.


Overige kanttekeningen:

  • Literatuurbespreking 2010 Fluordeoxyglucose-positron-emissietomografie (FDG-PET): in plaats van “conventionele work-up (met name EUS en CT)” is het beter te spreken van      klassieke work-up.
  • Literatuurbespreking 2010 Skeletscintigrafie: heeft skeletscintigrafie nog wel een plaats na      PET-CT?


De kanttekeningen van de NVvR zijn aanleiding om de paragraaf beeldvormend onderzoek bij de eerstvolgende revisie van de richtlijn opnieuw te herzien.

 

Verenigingen die instemmen met de inhoud van de richtlijn

  • NFK - Stichting voor Patiënten met Kanker aan het Spijsverteringskanaal (SPKS - voorheen Stichting Doorgang)
  • Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

 

Update 2014

Bij de revisie van 2014 heeft de NHG laten weten de revisies voor kennisgeving te hebben aangenomen: “Vanwege de beperkte relevantie voor de huisarts vinden wij het niet opportuun om een uitspraak te doen over instemming. Wel spreken wij het vertrouwen uit dat de werkgroep de juiste keuzes heeft gemaakt.

NFK/SPKS hebben ingestemd met de inhoud van de gereviseerde onderdelen.

Doel en doelgroep

Doelstelling

De nieuwe richtlijn bestaat uit gereviseerde en geactualiseerde tekst. Met 'gereviseerde' tekst bedoelen we nieuwe tekst op basis van Evidence Based literatuuronderzoek; 'geactualiseerde' tekst is de oude richtlijntekst die door de expert is herzien zonder dat er literatuuronderzoek is gedaan.

De revisie is gebaseerd op een inventarisatie van de belangrijkste knelpunten uit de praktijk. Deze knelpunten zijn de basis geweest voor uitgangsvragen die - op basis van evidence uit literatuuronderzoek - zijn beantwoord.

De uitgangsvragen gingen over:
- diagnostiek en stadiering
- neo-adjuvante behandeling
- chirurgische behandeling
- behandeling van niet operabel/resectabel oesofaguscarcinoom
- concentratie en spreiding en
- Follow-up; postoperatieve vitamine B12 suppletie. (Dit is de uitgangsvraag namens de patiëntenvereniging.)

Deze delen uit de richtlijn zijn dus Evidence Based gereviseerd; de resterende teksten zijn geactualiseerd.


Doelgroep

Deze richtlijn is bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met oesofaguscarcinoom, zoals chirurgen, radiotherapeuten, MDL artsen, medisch oncologen, huisartsen, oncologieverpleegkundigen, nurse-practioners, IKC-consulenten, pathologen, maatschappelijk werkers, psychologen, radiologen, nucleair-geneeskundigen en anesthesiologen.

Tevens wordt deze richtlijn gebruikt voor het maken van informatiemateriaal voor patiënten, in samenwerking met het KWF.

Samenstelling werkgroep

Organisatie
Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL, voorheen VIKC)

Alle werkgroepleden zijn afgevaardigd namens wetenschappelijke verenigingen en hebben daarmee het mandaat voor hun inbreng. Bij de samenstelling van de werkgroep is rekening gehouden met landelijke spreiding, inbreng van betrokkenen uit zowel academische als algemene ziekenhuizen/instellingen en vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen/disciplines. De patiëntenvereniging NFK en de Stichting voor Patiënten met Kanker aan het Spijsverteringskanaal (SPKS - voorheen Stichting Doorgang) waren eveneens vertegenwoordigd.

Leden van de werkgroep
Prof.dr. P.D. Siersema, MDL arts, UMC Utrecht (voorzitter)

Dr. M.I. van Berge Henegouwen, chirurg, AMC Amsterdam

Prof. dr. W.F. Bühre, anesthesioloog, UMC Utrecht

Dr. H. M. Dullemen, gastro-enteroloog, UMCG Groningen

Dr. A. van der Gaast, internist-oncoloog, Erasmus MC Rotterdam

Mw. dr. M. Hage, patholoog, Pathan, Rotterdam

Prof. dr. R. van Hillegersberg, chirurg, UMC Utrecht

Dr. M. C.C.M. Hulshof, radiotherapeut, AMC Amsterdam

Dhr. G.J.B. Hurenkamp, huisarts, Julius Centrum Utrecht

Mw. M. Jager, regiovertegenwoordiger Stichting Voor Patiënten met Kanker aan het Spijsverteringkanaal (v.h. St. Doorgang), Utrecht

Prof. dr. E.J. van der Jagt, radioloog, UMCG Groningen

Prof. dr. F. J. W. ten Kate, patholoog, UMC Utrecht

Mw. J.H.F. Leemhuis, regiovertegenwoordiger, NFK, Utrecht

Dr. G.A.P Nieuwenhuijzen, chirurg, Catharina ziekenhuis Eindhoven

Prof. dr. J.Th.  Plukker, chirurg, UMCG Groningen

Prof. dr. D.J. Richel, internist-oncoloog, AMC Amsterdam

Dhr. T. Rozema, radiotherapeut, Verbeeten Instituut Tilburg

Dhr. C.C.G. Schippers, verpleegkundige, nurse practitioner, UMC Utrecht

Dr. G. W. Sloof, nucleair geneeskundige, Groene Hart ziekenhuis Gouda

Dr. M. Sosef, chirurg, Atrium MC Heerlen

Mw. M. Spaander, MDL arts, Erasmus MC Rotterdam

Mw. dr. E. Verschuur, verpleegkundige, verplegingswetenschapper en onderzoeker-docent, HAN Hogeschool Nijmegen

Dr. M. Wouters, LUMC Leiden en NKI Amsterdam

Dr. B. P.L. Wijnhoven, chirurg, Erasmus MC Rotterdam
Betrokken experts-auteurs Dr. J.J.G.H.M. Bergman, MDL-arts, AMC Amsterdam Dr. V.E.P.P. Lemmens, epidemioloog, afdeling Onderzoek IKZ Eindhoven

Procesbegeleiding

Mw. M.M. de Boer–Dennert, VIKC Utrecht

Update 2015

Bij de revisie van 2014 bleef de werkgroep grotendeels in tact. Nieuwe werkgroepleden waren: 

Drs. A.C. Kroese, anesthesioloog, UMC Utrecht (i.p.v. de heer Bühre) Dr. H.H. Hartgrink, chirurg, LUMC Leiden en mw. dr. J.W. van Sandick, chirurg, Antoni van Leeuwenhoek Amsterdam (i.p.v. de heren Plukker en Wouters) Mw. dr. N. van Grieken, klinisch patholoog, Vumc Amsterdam (i.p.v. mw. Hage) 

Procesbegeleiding 2015
Drs. J.J.F. de Groot (IKNL) fungeerde als procesbegeleider, mw. S. Janssen-van Dijk (IKNL) als secretaresse

Mandaterende verenigingen

Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK) 

Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) 

Nederlandse Internisten Vereeniging (NIV) / Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie (NVMO) 

Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) 

Nederlands Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen (NVMDL) 

Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG) 

Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP) 

Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR) 

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO) 

Leven met Kanker Beweging (voorheen NFK - Stichting voor Patiënten met Kanker aan het Spijsverteringskanaal (SPKS - voorheen Stichting Doorgang) 

Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

Afvaardiging

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Belangenverklaringen

Aan alle werkgroepleden is gevraagd een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de farmaceutische industrie aangeven bij de start van het richtlijntraject.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

De werkgroep heeft gestemd over de aanbevelingen om de graad van consensus te kunnen aangeven en daarmee te voldoen aan de internationale AGREE criteria.

De werkgroep heeft van januari tot september 2010 aan de richtlijn gewerkt.

 

Bij de revisie van een richtlijn worden uitgangsvragen geformuleerd. Deze vragen volgen uit een knelpunteninventarisatie, gehouden in het veld bij professionals en patiënten(vertegenwoordigers). De meest relevante knelpunten (bijlage Knelpuntenanalyse) worden uitgewerkt tot uitgangsvragen. Dit betreft, gezien de revisie, een beperkt aantal van vijf. Hieronder staan de geïnventariseerde knelpunten en uitgangsvragen.

 

De knelpunten 

  1. de keuze welk diagnostisch traject (technieken en volgorde) gevolgd dient te worden bij de stadiëring van het oesofaguscarcinoom? 
  2. wat de voorkeur is van neoadjuvante behandeling bij het oesofaguscarcinoom: chemotherapie of chemo-radiotherapie? 
  3. welke chirurgische en niet chirurgische behandelopties er zijn voor resectabele oesofaguscarcinomen? 
  4. welke operatieve techniek (transthoracaal, transhiataal, totale maag) geadviseerd wordt in welke situatie (bijv. lokatie en stadium) en bij welk type patiënt (conditie, leeftijd)? 
  5. hoe perioperatieve naadlekkage en postoperatieve naadstricturen kunnen worden voorkomen en hoe stricturen kunnen worden behandeld? 
  6. wat de incidentie is van vitamine B12 deficiëntie na de operatie? 
  7. welke behandeling geadviseerd wordt bij patiënten met co-morbiditeit en/of op oudere leeftijd?
  8. welke behandeling geadviseerd wordt voor patiënten met een T4NxMx of TxN1M1 of recidief oesofaguscarcinoom? 
  9. welke kwaliteitseisen gelden bij regionalisatie en centralisatie van patiënten met oesofaguscarcinoom?


De uitgangsvragen

  • Is preoperatieve (neoadjuvante) behandeling zinvol bij het oesofaguscarcinoom? En zo ja, wat is de voorkeurs-neoadjuvante behandeling: chemotherapie of chemoradiotherapie?
  • Welke chirurgische en niet chirurgische behandelopties zijn er voor resectabele oesofaguscarcinomen?
  • Welke operatieve techniek (transthoracaal, transhiataal, totale maag) wordt geadviseerd in welke situatie (bijv. lokatie en stadium) en bij welk type patiënt (conditie, leeftijd)?
  • Welke behandeling wordt geadviseerd bij patiënten met co-morbiditeit en/of oudere leeftijd?
  • Wat is prevalentie B12 en is het zinvol om te suppleren?
  • Welke behandeling wordt geadviseerd voor patiënten met een niet resectabel (T4 M1) of recidief oesofaguscarcinoom?
  • Welke kwaliteitseisen gelden bij regionalisatie en centralisatie van patiënten met oesofaguscarcinoom?
  • Er is tevens voor de up-date van de diagnostiek literuuronderzoek gedaan (2005-2010) naar de waarde van PET, CT en EUS bij patiënten met verdenking op oesofgauscarcinoom.

 

Door het combineren van knelpunten in de uitgangsvragen zijn alle knelpunten m.u.v. de perioperatieve naadlekkage (knelpunt 5) in dit revisie traject opgenomen.


Extra opmerking

Huidige en toekomstige studies waar de 7e editie TNM (UICC) wordt gebruikt zijn niet zonder meer te vergelijken met de oude studies waarin de 6e editie TNM werd toegepast.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.