Uitgangsvraag

Wat wordt verstaan onder nazorg en nacontrole voor patiënten die zijn behandeld voor NSCLC?

Aanbeveling

  • De routinematige follow-up na chirurgische behandeling van een patiënt met NSCLC bestaat uit een anamnese, een lichamelijk onderzoek en eventueel een thoraxfoto.
  • Follow-up door middel van beeldvorming, waarmee progressie van ziekte kan worden vastgesteld is zinvol als er een actieve tweede- of derdelijnsbehandeling kan volgen en voor het opsporen van late bijwerkingen.
  • De werkgroep adviseert als follow-up frequentie na chirurgische behandeling:
    • het eerste jaar: eens per 3 maanden;
    • het tweede jaar: eens per 6 maanden;
    • daarna: eens per jaar, gedurende minimaal 5 jaar.

Conclusies

De chirurgische behandeling van een locoregionaal recidief bij een patiënt met NSCLC is zelden curatief. Een intensieve follow-up voor aanvullende resecties leidt waarschijnlijk niet tot betere uitkomsten.
Niveau 3: C Edelman 2002 (3), Younes 1999 (9), Westeel 2000 (26).

Actieve systemische behandelingen en (stereotactische) radiotherapie behoren tot de behandelingmogelijkheden voor tweede en eventueel derde lijnsbehandelingen.
Niveau 2: A2 Fossella 2000 (27), A2 Hanna 2004 (28), A2 Shepherd 2005 (7), A2 Thatcher 2005 (8), A2 Ramlou 2006 (29), A2 Kim 2008 (30), A1 Di Maio 2009 (31), Di Maio 2010 (32).

Samenvatting literatuur

Follow-up van een patiënt die is behandeld wegens NSCLC, is gebaseerd op een aantal motieven: het detecteren van recidief van ziekteactiviteit of een tweede primaire longtumor vaak door middel van opnieuw biopteren van de afwijking voor histologisch onderzoek en mutatie-analyse, het vaststellen van vroege en late bijwerkingen van de behandeling, en het bieden van medische en psychosociale zorg aan de patiënt. Naast deze patiëntgerichte activiteiten kunnen ook andere belangen een rol spelen: het toetsen van het handelen door de behandelend specialist, het doen van wetenschappelijk onderzoek, het opleiden van medisch specialisten en het onderwijzen van studenten.
Idealiter zou voor elk van bovengenoemde motieven een onderbouwing moeten worden gegeven, resulterend in een rechtvaardiging voor inhoud, frequentie en duur van de follow-up. Dit is niet eenvoudig, want er zijn geen gerandomiseerde onderzoeken naar de follow-up bij patiënten met longkanker verricht, terwijl de beschikbare aanwijzingen niet consistent zijn (1).

Detectie van recidief van ziekteactiviteit
De behandeling van resectabele patiënten met NSCLC bestaat primair uit chirurgie in de vorm van een lobectomie, sleeve-resectie of pneumonectomie, met een systematische mediastinale lymfeklier dissectie, in incidentele gevallen gecombineerd met een thoraxwandresectie gevolgd door adjuvante chemotherapie. Stereotactische radiotherapie is voor een tumor zonder lymfkliermetastasen een goede optie, maar uitkomsten van gerandomiseerd onderzoek ontbreken vooralsnog. Meer dan 50% van de NSCLC-patiënten die een ‘complete resectie' ondergingen, overlijdt aan een recidief van de ziekte, meestal binnen drie tot vijf jaar na operatie (2)  (3). Gelijktijdige chemoradiotherapie is de behandeling van keuze voor stadium III NSCLC; chemotherapie of een EGFR-TKI worden gebruikt voor stadium IV. Vervolgens worden patiënten gevolgd om nieuwe ziekte activiteit vast te stellen.

Bij het detecteren van recidief van ziekteactiviteit dient onderscheid te worden gemaakt tussen een lokaal of regionaal recidief, metastasering op afstand of een combinatie van beide. Dit is van belang voor de verdere behandeling. Deze kan bij een lokaal recidief na een eerdere lobectomie bestaan uit een curatieve pneumonectomie, met een 5-jaarsoverlevingskans van 25-30% (4)  (5). Meestal is een  operatie echter niet meer mogelijk, maar wel chemoradiotherapie, alleen palliatieve radiotherapie, chemotherapie, of het geven van één van de nieuwere biologicals of zogenaamde doelgerichte middelen zoals EGFR-TKIs (6)  (7)  (8). Een recidief van de ziekte leidt in een ongeselcteerde populatie NSCLC patiënten vrijwel altijd tot overlijden binnen twee jaar (3)  (9). Er worden geen betere resultaten gemeld bij een uitgebreide en intensieve follow-up dan bij een eenvoudige, minder frequente follow-up (9)  (10)  (11)  (12). Tevens blijkt het merendeel (60%) van recidief-ziekteactiviteit zich te presenteren buiten de follow-up bezoeken. Dergelijke bevindingen hoeven echter niet te leiden tot het onthouden van actieve behandelingen bij een patiënt met een behandelwens.
Wanneer tijdens een controle een metastasering op afstand als uiting van recidief-ziekteactiviteit wordt vastgesteld, zijn er vaak geen curatieve behandelingsmogelijkheden meer (9)  (13). Palliatie door chemotherapie, EGFR-TKIs, radiotherapie of symptoombestrijding en psychosociale ondersteuning dienen dan het therapeutisch uitgangspunt te zijn. Hierbij wordt verwezen naar de module Palliatieve zorg.

Detectie van een tweede primaire longtumor
Een tweede primaire tumor komt weinig voor, en de kosten die moeten worden gemaakt ten behoeve van de opsporing daarvan zijn relatief hoog (2)  (3)  (14)  (15)  (16). Bij de patiënten bij wie als primaire behandeling een kleinere resectie is verricht, kan een tweede chirurgische interventie tot de mogelijkheden horen (17)  (14)  (16)  (18). Hierbij moet worden gedacht aan patiënten die primair behandeld zijn met een wig- of segmentresectie of een lobectomie en bij wie een lobectomie of pneumonectomie uitgevoerd kan worden. Wanneer in het verleden een pneumonectomie is verricht, zijn er geen curatieve chirurgische opties meer en zijn (stereotactische) radiotherapie, chemoradiotherapie of chemotherapie de enige behandelingsmogelijkheden. In het algemeen moet worden geconcludeerd dat voor deze categorie patiënten het vaststellen van het tumortype en somatische mutaties een leidraad kunnen vormen voor verdere behandeling.

Vaststellen van vroege of late bijwerkingen van behandeling en de zorg voor de patiënt
Wanneer combinatiebehandelingen zijn uitgevoerd in de vorm van chirurgie en radiotherapie, of chemoradiotherapie, eventueel gevolgd door chirurgie, kunnen zich problemen voordoen, zoals bestralingspneumonitis en -fibrose, slokdarmstenose, thoracale pijn of longfunctieverlies. Vaak zoekt de patiënt in eerste instantie contact met de huisarts, doch ook tijdens een follow-up-bezoek kan op de problemen worden ingegaan en zo mogelijk een behandeling worden gestart.
Naast de medisch-inhoudelijke aspecten is bij de follow-up begeleiding en voorlichting belangrijk. Patiënten kunnen klachten hebben zoals pijn en benauwdheid, die op zichzelf angst kunnen veroorzaken. In de literatuur is voor patiënten met longkanker geen specifieke informatie voorhanden over de zin van deze vorm van begeleiding. Wel wordt in onderzoeken aangegeven dat in algemene zin psychologische problemen afnemen, de stemming van patiënten verbetert en de kwaliteit van leven toeneemt wanneer er tijdens de follow-up aandacht is voor psychosociale aspecten (19)  (20). Deze onderzoeken geven ook een aanzienlijke verbetering in emotioneel welbevinden, dagelijks functioneren en lichamelijke symptomen. Follow-up door de specialist kan dus wellicht leiden tot een betere kwaliteit van leven, hoewel in de eerstelijn ook een groot deel kan worden opgevangen. Een goede communicatie en afstemming met de huisarts komt de zorg voor de patiënt ten goede (21)  (22). Voor de psychosociale aspecten van de zorg, zie de module Psychosociale zorg.

Organisatie van de nacontrole
Het bovenstaande betekent dat de nacontrole het best kan geschieden in een eenvoudige vorm, door middel van anamnese en lichamelijk onderzoek. Hieraan kan desgewenst een thoraxfoto of low-dose CT worden toegevoegd (1)  (2)  (9)  (14)  (23). Gericht onderzoek naar aanleiding van klachten om metastasen op te sporen is normaal medisch handelen en wordt hier niet verder beschreven.
Een uitgebreide nacontrole met onder andere CT (van longen en hersenen), PET, bronchoscopie met cytologisch sputumonderzoek en tumormarkers is niet zinvol (1)  (2)  (9)  (22)  (24), tenzij de patient klachten heeft of de behandelend specialist volgens een onderzoeksprotocol de uitkomst van zijn of haar handelen door specifieke extra onderzoeken wil toetsen. Afhankelijk van de gegeven behandeling zal de nacontrole  door de longarts geschieden, maar ook kan de huisarts de patiënt controleren, indien geen specialistische behandeling meer mogelijk is of als de patient een dergelijke behandeling niet meer wenst (9)  (22).
Over de gewenste frequentie en duur van de nacontrole wordt wisselend geoordeeld. Aangezien de meeste recidieven en bijwerkingen in de eerste twee jaar na behandeling optreden, wordt meestal in deze periode intensiever gecontroleerd, bijvoorbeeld elke 3 tot 6 maanden (23). Na 2 jaar is vooral detectie van een tweede primaire longtumor de reden om jaarlijks te blijven controleren, meestal gedurende 5 jaar (23)  (9)  (25).

Referenties

  1. 1 - Smith TJ. Evidence-based follow-up of lung cancer patiënts. Semin Oncol 30:361-368, 2003.
  2. 2 - Egermann U, Jaeggi K, Habicht JM, Perruchoud AP, Dalquen P, Soler M. Regular follow-up after curative resection of nonsmall lung cancer: a real benefit for patiënt? Eur Respir J 19:464-468, 2002.
  3. 3 - Edelman MJ, Schuetz J. Follow-up of local (stage I and stage II) non-small-cell lung cancer after surgical resection. Curr Treat Options Oncol 3:67-73, 2002.
  4. 4 - Ginsberg R, Lucius D, Eagan R, Thomas P, Mountain C, Deslaurirs J, et al. Modern thirty-day operative mortality for surgical resections in lung cancer. J Thorac Cardiovasc Surg 86:654-658, 1983.
  5. 5 - Alexiou C, Beggs D, Onyeaka P, Kotidis K, Ghosh S, Beggs L, et al. Pneumonectomy for Stage I (T1N0 and T2N0) Nonsmall Cell lung Cancer Has Potent, Adverse Impact on Survival. Ann Thorac Surg 76:1023-1028, 2003
  6. 6 - Lamont JP, Kakuda JT, Smith D, Wagman LD, Grannis F-WJ. Systematic postoperative radiologic follow-up in patiënts with non-small cell lung cancer for detecting second primary lung cancer in stage IA. Arch Surg 137:935-938, 2002.
  7. 7 - Shepherd FA, Rodrigues Pereira J, Ciuleanu T, et al. Erlotinib in previously treated non-small-cell lung cancer. N Engl J Med 353:123-132, 2005.
  8. 8 - Thatcher N, Chang A,Parikh P, et al. Gefitinib plus best supportive care in previously treated patiënts with refractory advanced non-small-cell lung cancer: results from a randomised, placebo-controlled, multicentre study (Iressa Survival Evaluation in Lung Cancer). Lancet 366: 1527–1537, 2005.
  9. 9 - Younes RN, Gross JL, Deheinzelin D. Follow-up in lung cancer: how often and for what purpose? Chest 115:1494-499, 1999.
  10. 10 - Marcus PM, Bergstralh EJ, Fagerstrom RM, Williams DE, Fontana R, Taylor WF, et al. Lung cancer mortality in the Mayo Lung Project: impact of extended follow-up. J Natl Cancer Inst 92:1308-1316, 2000.
  11. 11 - Zieren HU, Muller JM, Petermann D, Pichlmaier H. [The effectiveness of standardized follow-up studies after resection of non-small cell bronchial carcinoma]. Langenbecks Arch Chir 379:299-306, 1994.
  12. 12 - Lesser T, Brenner A, Bartel M. [Recurrence after curative operation of non-small-cell bronchial carcinoma]. Zentralbl Chir 122:642-648, 1997.
  13. 13 - Schwegler N. Lungenkrebs-Hoffnungslosigkeit bei Inoperabilitat? 10 Jahre danach. Strahlenther Onkol 173:352-361, 1997.
  14. 14 - Angeletti CA, Mussi A, Janni A, Lucchi M, Ribechini A, Chella A, et al. Second primary lung cancer and relapse: treatment and follow-up. Eur J Cardiothorac Surg 9:607-611, 1995.
  15. 15 - Walsh GL, O’Connor M, Willis KM, Milas M, Wong RS, Nesbitt JC, et al. Is follow-up of lung cancer patiënts after resection medically indicated and cost-effective? Ann Thor Surg 60:1563-570, 1995.
  16. 16 - Voltolini L, Paladini P, Luzzi L, Ghiribelli C, Bisceglie M di, Gotti G. Iterative surgical resections for local recurrent and second primary bronchogenic carcinoma. Eur J Cardiothorac Surg 18:529-534, 2000.
  17. 17 - Ohkubo T, Okayasu T, Hashimoto M, Shiiya N, Konishi K, Motohara T, et al. [Surgery for intrathoracic recurrence of non-small cell lung cancer]. Kyobu Geka 53:127-131, 2000.
  18. 18 - Meerbeeck J van, Weyler J, Thibaut A, Vansteenkiste J, Aumann J, Deneffe G, et al. Second primary lung cancer in Flanders: frequency, clinical presentation, treatment and prognosis. Lung Cancer 15:281-295, 1996.
  19. 19 - Devine EC, Westlake SK. Physical exercise and quality of life following cancer diagnosis: a literature review. Ann Behav Med 21:171-179, 1995.
  20. 20 - Meyer TJ, Mark MM. Effects of psychosocial interventions with adult cancer patiënts: a meta-analysis of rando missed experiments. Health psychology 14:101-108, 1995.
  21. 21 - Adlard JW, Joseph J, Brammer CV, Gerrard GE. Open access follow-up for lung cancer: patiënt and staff satisfaction. Clin Oncol (R Coll Radiol) 13:404-408, 2001.
  22. 22 - Gilbert S, Reid KR, Lam MY, Petsikas D. Who should follow-up lung cancer patiënts after operation? Ann Thorac Surg 69:1696-1700, 2000.
  23. 23 - Sause WT, Byhardt RW, Curran WJ, Fuller D, Graham MV, Ko B, et al. Follow-up of non-small cell lung cancer. ACR Appropriateness Criteria. Radiol 215(Suppl):1363-1372, 2000.
  24. 24 - Edelman MJ, Meyers FJ, Siegel D. The utility of follow-up testing after curative cancer therapy. A critical review and economic analysis. J Gen Intern Med 12:318-331, 1997.
  25. 25 - Colice GL, Rubins J, Unger M. Follow-up and surveillance of the lung cancer patiënt following curative-intent therapy. Chest 123:272283, 2003.
  26. 26 - Westeel V, Choma D, Clement F, Woronoff-Lemsi MC, Pugin JF, Dubiez A, et al. Relevance of an intensive postoperative follow-up after surgery for non-small cell lung cancer. Ann Thorac Surg 70:1185-1190, 2000.
  27. 27 - Fossella FV, DeVore R, Kerr RN, et al. Randomized phase III trial of docetaxel versus vinorelbine or ifosfamide in patiënts with advanced non-small-cell lung cancer previously treated platinum-containing chemotherapy regimens.The TAX 320 Non-Small-Cell-Lung Cancer Study Group. J Clin Oncol 18:2354-2362, 2000.
  28. 28 - Hanna N, Shepherd FA, Fossella FV, et al: Randomized phase III trial of pemetrexed versus docetaxel in patiënts with non–small-cell lung cancer previously treated with chemotherapy. J Clin Oncol 22:1589-1597, 2004.
  29. 29 - Ramlou R, Gervais R, Krzakowski M, et al. Phase III study comparing oral topotecan to intravenous docetaxel in patiënts with pretreated advanced non-small-cell lung cancer. J Clin Oncol 24:2800-2807,2006.
  30. 30 - Kim ES, Hirsh V, Mok T, Socinski MA, Gervais R, Wu YL, Li LY, Watkins CL, Sellers MV, Lowe ES, Sun Y, Liao ML, Osterlind K, Reck M, Armour AA, Shepherd FA, Lippman SM, Douillard JY. Gefitinib versus docetaxel in previously treated non-small-cell lung cancer (INTEREST): a randomised phase III trial. Lancet. 372:1809-1818, 2008.
  31. 31 - Di Maio M, Chiodini P, Georgoulias V, et al. Meta-analysis of single-agent chemotherapy compared with combination chemotherapy as second-line treatment of advanced non-small-cell lung cancer. J Clin Oncol 27:1836-1843, 2009.
  32. 32 - Di Maio M, Lama N, Morabito A, et al. Clinical assessment of patiënts with advanced non-small-cell lung cancer eligible for second-line chemotherapy: A prognostic score from individual data of nine randomised trials. Eur J Cancer 46: 735-743, 2010.

Overwegingen

De follow-up van de longkankerpatiënt wordt meestal verricht door de longarts als hoofdbehandelaar. Andere behandelaren zoals de radiotherapeut, neuroloog of chirurg zullen de patiënt begeleiden bij actieve behandeling van hun kant en op indicatie.

Nazorg behelst ook het systematisch signaleren van klachten. Bij elke patiënt wordt door de medisch specialist een basisset van klachtensignalering (alarmsymptomen, zoals bloed ophoesten , veranderd hoestpatroon enzovoort) toegepast. Er is een richtlijn voor klachtensignalering beschikbaar waarin de Lastmeter als signaleringsinstrument wordt aanbevolen (Richtlijn Detecteren van behoefte aan psychosociale zorg). Aanvullend kunnen signalerings- en diagnostische instrumenten worden ingezet voor specifieke klachten (bijvoorbeeld kortademigheid, moeheid en anorexie).

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 22-05-2011

Laatst geautoriseerd : 22-05-2011

Voorwaarden voor revisie en beoordelingsfrequentie zijn vastgelegd in de richtlijn. De geldigheidstermijn voor de richtlijn (maximaal 5 jaar na vaststelling) wordt vanuit het programmabureau IKNL bewaakt. Om verscheidene redenen kan actualisatie eerder dan beoogd nodig zijn. Zo nodig zal de richtlijn tussentijds op onderdelen worden bijgesteld.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire geneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie
  • Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie

Algemene gegevens

Betrokken verenigingen

  • Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie (NVMO)
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT)
  • Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirugie (NVT)
  • Nederlandse Vereniging Voor Heelkunde (NVVH), subvereniging Nederlandse Vereniging Voor Longchirurgie (NVVL)
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVVR)
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG)
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP)
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO)
  • Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenverenigingen (NFK)
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)
  • Stichting Longkanker Info (longkankerinfo)

 

Organisatie

Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL)

 

IKNL bevordert dat mensen met kanker en hun naasten zo dicht mogelijk bij huis toegang hebben tot een samenhangend en kwalitatief verantwoord zorgaanbod. IKNL is erop gericht behandeling, zorg en klinisch onderzoek binnen de oncologie te verbeteren. Daarnaast hebben zij een taak in het opzetten en ondersteunen van netwerken voor palliatieve zorg.

 

IKNL werkt aan multidisciplinaire richtlijnontwikkeling voor de oncologische en palliatieve zorg. Naast deze ontwikkeling van richtlijnen faciliteert IKNL ook het onderhoud, het beheer, de implementatie en de evaluatie van deze richtlijnen

 

Houderschap

De houder van de richtlijn moet kunnen aantonen dat de richtlijn zorgvuldig en met de vereiste deskundigheid tot stand is gekomen. Onder houder wordt verstaan de wetenschappelijke verenigingen van beroepsbeoefenaren die de richtlijn autoriseren. IKNL draagt zorg voor het beheer en de ontsluiting van de richtlijn.

 

Juridische betekenis

De houder van de richtlijn moet kunnen aantonen dat de richtlijn zorgvuldig en met de vereiste deskundigheid tot stand is gekomen. Onder houder wordt verstaan de wetenschappelijke verenigingen van beroepsbeoefenaren die de richtlijn autoriseren. IKNL draagt zorg voor het beheer en de ontsluiting van de richtlijn.

Doel en doelgroep

Doelstelling
Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Er wordt aangegeven wat in het algemeen de beste zorg is voor patiënten met NSCLC.
De richtlijn geeft aanbevelingen over de diagnostiek, de behandeling, de follow-up en vormen van ondersteuning van patiënten met NSCLC. De richtlijn kan worden gebruikt bij het geven van voorlichting aan patiënten. Ook biedt de richtlijn aanknopingspunten voor bijvoorbeeld transmurale afspraken of lokale protocollen ter bevordering van de implementatie van deze richtlijn.

Specifieke doelen van deze richtlijn voor NSCLC zijn:

  • introductie van de nieuwe TNM-classificatie 7e editie van de International Association for the Study of Lung Cancer (IASLC);
  • plaatsbepaling van de endo-echodiagnostiek, zoals transbronchiale echografie (EBUS) met naald aspiratie (TBNA), transoesofageale echografie (EUS) met fijne naald aspiratie (FNA) en fluorodesoxyglucose-positronemissietomografie (FDG-PET) bij het stadiëren;
  • plaatsbepaling van epidermal growth factor receptor (EGFR)-mutatie-analyse;
  • plaatsbepaling van concomitante chemoradiotherapie;
  • plaatsbepaling van stereotactische radiotherapie;
  • plaatsbepaling van adjuvante chemotherapie;
  • plaatsbepaling van systemische therapie bij stadium IV-ziekte

 

Doelgroep

Deze richtlijn is bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met NSCLC, zoals longartsen, (thorax)chirurgen, radiotherapeuten, medisch oncologen, huisartsen, nurse practitioners, oncologieverpleegkundigen, IKNL-consulenten, pathologen, psychologen, radiologen, nucleair-geneeskundigen, epidemiologen en patiënten(-organisaties).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die met de diagnostiek en behandeling van NSCLC te maken hebben. Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden, met een evenredige vertegenwoordiging van de diverse betrokken verenigingen en instanties, alsmede met een spreiding al dan niet in academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en zijn gemandateerd door hun vereniging voor hun inbreng.

 

Leden van de werkgroep:

Hr. dr. J.T. Annema, longarts, Leids Universitair Medisch Centrum

Mw. dr. J.S.A. Belderbos, radiotherapeut, NKI - Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis

Mw. T.T.M. Bluemink-Holkenborg, secretariële ondersteuning IKNL

Mw. dr. A.M.C. Dingemans, longarts, Maastricht Universitair Medisch Centrum

Hr. dr. J.P. Eerenberg, chirurg, Tergooiziekenhuizen 

Mw. drs. M.M. van Gameren, radiotherapeut, Universitair Medisch Centrum Groningen

Hr. prof. dr. H.J.M. Groen, longarts, voorzitter werkgroep  UMG Groningen

Mw. dr. I.J.C. Hartmann, radioloog, Erasmus MC

Hr. dr. P.A. Helle, radiotherapeut, Medisch Spectrum Twente

Hr. prof. dr. O.S. Hoekstra, nucleair geneeskundige, VU medisch centrum
Mw. dr. C.C.M. Holtkamp, procesbegeleider namens, IKNL

Mw. D. van den Hurk, verpleegkundig specialist oncologie, UC  voor Chronische Ziekten

Hr. prof.dr. P.L. Jager, nucleair geneeskundige, Isala klinieken

Hr. drs. T.J. Klinkenberg               , cardiothoracaal chirurg, UMC Groningen

Mw. prof. dr. C.C.E. Koning, radiotherapeut, Academisch Medisch Centrum

Hr. dr. E. Lammers, longarts, voorzitter van het Longkanker Informatiecentrum Gelre ziekenhuizen

Hr. drs. A.P.W.M. Maat, cardiothoracaal chirurg, Erasmus MC

Hr. dr. M.A. Paul. chirurg, VU medisch centrum

Mw. J.P. Salomé, verpleegkundig specialist oncologie,  Sint Franciscus Gasthuis

Mw. dr. C. Schaefer-Prokop, radioloog,  Academisch Medisch Centrum

Mw. dr. J. Sietsma, patholoog, Universitair Medisch Centrum Groningen

Hr. prof. dr. E.F. Smit, longarts, VU medisch centrum

Hr. dr. W.H. Steup, chirurg, Haga Ziekenhuis

Hr. dr. F.B.J.M. Thunnissen, patholoog, VU medisch centrum

Mw. dr. J.N.H. Timmer-Bonte, internist, UMC St. Radboud

Mw. dr. A.L.J. Uitterhoeve, radiotherapeut, Academisch Medisch Centrum

Hr. drs. A.F.T.M. Verhagen, cardiothoracaal chirurg, UMC St. Radboud
Mw. drs. N.M. Verheijen; longarts i.o., Catharina Ziekenhuis

Hieronder staat een aanvullende lijst van werkgroepleden genoemd die (alleen) betrokken waren bij de ontwikkeling van de eerste versie van deze richtlijn in 2004:
Hr. prof. dr. J.P. van Meerbeeck, longarts, voorzitter

Mw. dr. V.C.G. Tjan-Heijnen, medisch oncoloog, vice-voorzitter

Mw. drs. J. Wittenberg, epidemioloog, adviseur (tot oktober 2003)

Mw. dr. C.J.E. Kaandorp, arts, adviseur (vanaf oktober 2003)

Hr. dr. J.S. Burgers, huisarts, senior-adviseur (vanaf oktober 2003)

Hr. drs. A.G. Boekema, sociaal geneeskundige, procesbegeleider

Hr. drs. V.K.Y. Ho, methodoloog, beleidsmedewerker landelijke richtlijnen

Hr. dr. P. Baas, longarts

Hr. dr. M. den Bakker, klinisch patholoog

Mw. dr. P.F.A. Bakker, cardiothoracaal chirurg

Hr. dr. B. Biesma, longarts

Hr. dr. E.C.M. Bollen, chirurg

Hr. dr. J. Bussink, radiotherapeut

Hr. drs. H.E. Codrington, longarts

Mw. drs. C.E. van Die, thorax-radioloog

Hr. dr. J.M.W. van Haarst, longarts

Hr. drs. A.G. Hensens, cardiopulmonaal chirurg

Hr. dr. F.M.J. Heijstraten, radioloog

Mw. dr. M.L.G. Janssen-Heijnen, epidemioloog

Mw. dr. M.J.A. de Jonge, internist-oncoloog

Hr. dr. G.W.P.M. Kramer, radiotherapeut

Hr. dr. H.B. Kwa, longarts

Hr. dr. W.B. Lastdrager, chirurg

Hr. dr. H.J. Mulder, chirurg

Hr. prof. dr. E.M. Noordijk, radiotherapeut

Hr. dr. B.P. Ponsioen, huisarts

Hr. dr. J.W.G. van Putten, longarts

Mw. drs. A.M.C. Raat, huisarts

Hr. drs. P.T.R. Rodrigus, radiotherapeut

Hr. dr. W.J.G. Ros, sociaal psycholoog

Hr. drs. N.J.J. Schlösser, longarts

Hr. dr. J.H. Schouwink, longarts

Mw. N.A.W.P. Schrama, verpleegkundig specialist oncologie

Hr. dr. F.M.H.H. Schramel, longarts

Hr. drs. A.H.M. van Straten, cardiothoracaal chirurg

Hr. dr. J.R.M. van der Sijp, chirurg

Hr. drs. E.F. Ullmann, longarts

Hr. dr. G.P.M. ten Velde, longarts

Hr. drs. B.A. Verheij, huisarts

Hr. dr. M.I.M. Versteegh, cardiothoracaal chirurg

Mw. drs. M.S. Vos, psychiater

Hr. drs. S.L. Wanders, radiotherapeut

Hr. dr. L.N.A. Willems, longarts

Belangenverklaringen

Aan alle werkgroepleden is gevraagd een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de farmaceutische en andere industrie aangeven bij de start en opnieuw bij het eind van het richtlijntraject.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. De richtlijn wordt verspreid onder de professionals via de (wetenschappelijke) verenigingen en de locaties van IKNL. Ook wordt een samenvatting van de richtlijn ter publicatie aangeboden aan het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Daarnaast wordt de richtlijn beschikbaar gesteld op www.richtlijnendatabase.nl (gepubliceerd door IKNL). De vraag of de richtlijn wordt opgevolgd zal beantwoord worden door metingen in het veld te doen naar de implementatie van de richtlijn. Op basis van indicatoren zal getoetst worden in hoeverre dit gebeurt. De uitwerking hiervan ligt bij IKNL.

Werkwijze

Aanleiding
In 2004 is de eerste ‘evidence based' richtlijn gepubliceerd voor de diagnostiek en behandeling van patiënten met NSCLC. De Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT), Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) en het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO hebben toen het initiatief genomen om een multidisciplinaire richtlijn te ontwikkelen over zowel de stadiëring als de behandelmogelijkheden van het NSCLC. De herziening van de richtlijn is nodig omdat de afgelopen zes jaar de inzichten in diagnostiek en behandeling op verschillende onderdelen veranderd zijn. Door middel van een enquête onder betrokken medisch specialisten en zorgverleners van patiënten met NSCLC is een inventarisatie gemaakt van de belangrijkste diagnostische en therapeutische knelpunten in de dagelijkse praktijk.

 

Werkwijze werkgroep

In 2007 is het eerste initiatief genomen om een inventarisatie te maken van veranderingen in diagnostiek, behandeling en overige zorg rondom de patiënt met NSCLC. Gezien de omvang van het werk is in samenspraak met IKNL in 2008 een werkgroep samengesteld (zie samenstelling werkgroep) uit verschillende disciplines die betrokken zijn bij de zorg van de patiënt met NSCLC. De gemandateerde werkgroepleden werden verdeeld in subgroepen voor het beantwoorden van de uitgangsvragen waarbij gezorgd is dat de relevante disciplines vertegenwoordigd waren. Daarnaast zorgde een redactieteam, bestaande uit de voorzitter, de procesbegeleider en de secretaresse van IKNL voor de coördinatie en onderlinge afstemming van de subgroepen. De subgroepen hebben gedurende een periode van meer dan twee jaar gewerkt aan een conceptrichtlijntekst die betrekking heeft op een bepaald deel van het traject. De werkwijze van de werkgroep bestond uit een knelpuntenanalyse (zie bijlage) waarvoor een enquête werd gehouden onder specialisten die zich met de zorg van patiënten met NSCLC bezighouden en de werkgroep formuleerde vervolgens uitgangsvragen (zie bijlage). Met behulp van de zogenaamde PICO-methode zijn er door het CBO onafhankelijke literatuursearches gedaan (zie bijlage). Deze nieuwe literatuur (vanaf 2002) werd inhoudelijk, methodologisch en statistisch beoordeeld om tot een zo goed mogelijke afweging te komen voor de beantwoording van de uitgangsvragen. De werkgroepleden schreven afzonderlijk of in de subgroepen teksten die tijdens vergaderingen besproken en na verwerking van de commentaren werden geaccordeerd. De voltallige werkgroep is vier keer bijeen geweest om de resultaten van de subgroepen in onderling verband te bespreken. De teksten van de subgroepen zijn door het redactieteam samengevoegd en op elkaar afgestemd tot één document, gepubliceerd op Oncoline. Eind 2010 heeft een landelijke commentaarronde plaatsgevonden waarbij alle leden van alle relevante wetenschappelijke verenigingen en patiëntenvereniging werden uitgenodigd, persoonlijk of via een aankondiging in een vaktijdschrift. De commentaren van deze enquête zijn verwerkt in de definitieve richtlijn.

 

De leidraad voor de ontwikkeling van de richtlijnen voor oncologische en palliatieve zorg is het AGREE instrument. Dit instrument is gemaakt voor de beoordeling van bestaande, nieuwe en herziene richtlijnen. Het AGREE Instrument beoordeelt zowel de kwaliteit van de verslaglegging als de kwaliteit van bepaalde aspecten van de aanbevelingen. Het beoordeelt de kans dat een richtlijn zijn gewenste doel zal behalen, maar niet de daadwerkelijke impact op patiëntuitkomsten.

 

Het AGREE Instrument is opgebouwd uit 23 items verdeeld over zes domeinen. Elk domein beslaat een aparte dimensie van kwaliteit van richtlijnen, namelijk:

  • Onderwerp en doel betreft het doel van de richtlijn de specifieke klinische vragen waarop de richtlijn een antwoord geeft en de patiëntenpopulatie waarop de richtlijn van toepassing is;
  • Betrokkenheid van belanghebbenden richt zich op de mate waarin de richtlijn de opvattingen van de beoogde gebruikers weerspiegelt;
  • Methodologie hangt samen met het proces waarin bewijsmateriaal is verzameld en samengesteld en met de gebruikte methoden om aanbevelingen op te stellen en te herzien;
  • Helderheid en presentatie gaat over het taalgebruik en de vorm van de richtlijn;
  • Toepassing houdt verband met de mogelijke organisatorische, gedragsmatige en financiële consequenties van het toepassen van de richtlijn;
  • Onafhankelijkheid van de opstellers betreft de onafhankelijkheid van de aanbevelingen en erkenning van mogelijke conflicterende belangen van leden van de werkgroep.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.