Medische begeleiding van kinderen met downsyndroom

Initiatief: Aantal modules: 54

Diagnostiek en voorlichting

Publicatiedatum: 17-07-2025
Beoordeeld op geldigheid: 17-04-2025

Op basis van prenataal onderzoek of postnataal op basis van uiterlijke kenmerken en klinische presentatie wordt de diagnose downsyndroom vermoed. Hoe meer kenmerken hoe waarschijnlijker de diagnose downsyndroom is. De uitslag van een chromosomenonderzoek maakt de diagnose definitief.

 

Het was de Engelse arts John Langdon Down die in 1866 een groep mensen beschreef met overeenkomstige uiterlijke kenmerken en zodoende voor het eerst het syndroom onderkende waaraan later zijn naam verbonden werd.

Veel voorkomende uiterlijke kenmerken bij neonaten met downsyndroom zijn: scheefstand van de ogen naar lateraal boven (upslant eyes) (80%), epicanthusplooien (70%), afgeplat achterhoofd en vlak aangezicht (90%), kleine laagstaande oren (60%), korte en dikke nek (40%) en grote tong. Brede handen met korte vingers, doorlopende handlijnen (50%) en sandal gaps (grote ruimte tussen 1e en 2e teen) (50%). Sommige kinderen met downsyndroom hebben brushfield spots (5%). Veel kinderen met downsyndroom hebben hypotonie en hyperlaxiteit (80%).

 

Bij vermoeden op downsyndroom is het belangrijk snel genetische diagnostiek te verrichten. Chromosomenonderzoek met behulp van FISH/QF-PCR is de snelste manier om trisomie 21 te bevestigen. Het is afhankelijk van het laboratorium welke techniek wordt toegepast. Bij positieve bevinding wordt tevens een karyogram verricht en bepaald of er sprake is van een de novo trisomie, translocatie of mozaïcisme. 

Aanbeveling

Laat bij een vermoeden op downsyndroom met spoed genetische diagnostiek verrichten (zo nodig in overleg met het genetische laboratorium), zodat gezorgd wordt dat de uitslag zo snel mogelijk bekend is.

Het meedelen van (het vermoeden van) de diagnose downsyndroom is geen gemakkelijke opgave. Het diagnosegesprek komt meestal onverwacht voor de kinderarts en de benodigde kennis is niet altijd paraat. Omdat de manier waarop (het vermoeden van) de diagnose downsyndroom wordt verteld veel invloed heeft op ouders, is het belangrijk dat dit zo optimaal mogelijk gebeurt. Het meedelen van (het vermoeden van) de diagnose stelt specifieke eisen aan het gesprek. Hierbij zijn de volgende aandachtpunten van belang:

  • Onder ideale omstandigheden voeren de verloskundige/gynaecoloog en de kinderarts het gesprek samen.
  • Als men een vermoeden heeft dat een kind downsyndroom heeft, zal men – zo gauw de moeder daar toe in staat is – beide ouders tegelijkertijd informeren.
  • Het gesprek vindt plaats in een afzonderlijke ruimte met alleen de ouders en het kind.
  • Noem het kind bij de naam en bedenk dat het geen downsyndroom is, maar dat hun kind downsyndroom heeft.
  • Na het gesprek zullen de ouders tijd krijgen om ongestoord samen te zijn. Kan de vader er niet bij zijn, dan wordt, in overleg met de moeder, een tweede gesprek met de vader erbij afgesproken.
  • Begin het gesprek op een positieve manier door hen bijvoorbeeld te feliciteren met de geboorte van hun pasgeboren baby. Vermijd sombere of negatieve woorden zoals ‘slecht nieuws’ of ‘het spijt mij’, maar zeg bijvoorbeeld ‘onverwacht nieuws’.
  • Geef de ouders ruimte voor verdriet en teleurstelling.
  • Vertel wat downsyndroom is en waardoor het veroorzaakt wordt.
  • Vaak helpt het om te vragen of zij mensen in hun omgeving hebben met downsyndroom, om te begrijpen wat hun referentiekader is.
  • Geef een algemeen, actueel beeld over de ontwikkelingsmogelijkheden en sociale mogelijkheden (zie module Algemene ontwikkeling).
  • Bespreek dat er een grote individuele spreiding is in ontwikkelingsniveau en dat niet voorspeld kan worden welke potenties een kind met downsyndroom heeft. Maar dat door goede medische- en opvoedkundige begeleiding, programma’s voor de stimulering van de ontwikkeling en adequaat onderwijs de mogelijkheden van ieder kind optimaal benut kunnen worden.
  • Geef een beeld van de mogelijke medische problemen die voor de eerste periode relevant zijn en schets de behandelingsmogelijkheden daarvan.
  • Wijs de weg naar andere informatiebronnen, zoals de Stichting Downsyndroom. Zij hebben voor ouders een gratis informatiepakket.
  • Zorg ervoor dat er, desgewenst, contact gelegd kan worden met andere ouders van een kind met downsyndroom (eventueel via de Stichting Downsyndroom).
  • Zorg ervoor dat de ouders voorlichting krijgen over de eventuele erfelijke aspecten en over de kans op weer een kind met downsyndroom.
  • Zorg voor een vervolgafspraak.

Wat de beste begeleiding na het eerste gesprek is, ligt niet vast. Wel blijkt dat actuele, realistische informatie waarin positieve aspecten van downsyndroom naar voren komen en waarbij ook praktische adviezen gegeven worden, een goede start bevordert en ouders tot steun is. Veel ouders hebben behoefte aan hulp bij het aanpassen aan de nieuwe situatie, aan continuïteit van consistente zorg, aan praktische begeleiding in de dagelijkse zorg en aan hulp bij het zoeken van verdere noodzakelijke hulpverleners en bij het leggen van contact met andere ouders of ouderverenigingen. Ook is goede begeleiding bij de verwerking van het levend verlies belangrijk.

Aanbevelingen

  • Zorg voor continuïteit van consistente zorg in de eerste periode in het ziekenhuis en/of thuis.
  • Let er op of de ouders zo nodig hulp krijgen bij het verwerken van hun verdriet en teleurstelling van het levend verlies, het accepteren van de verstandelijke beperking van hun kind en bij de aanpassing aan de nieuwe situatie.
  • Zorg zo nodig voor begeleiding bij het zoeken naar verdere informatie en contact leggen met andere ouders of ouderverenigingen. Er zijn ouders die weten dat er een oudervereniging met verdere informatie is en contact willen, maar er aanvankelijk zelf niet toe komen.
  • Zorg voor begeleiding bij het vinden van de noodzakelijke andere hulpverleners met ervaring met downsyndroom.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 17-07-2025

Beoordeeld op geldigheid  : 17-04-2025

Volgende:
Algemene ontwikkeling