Medisch specialistische revalidatie bij oncologie

Initiatief: VRA Aantal modules: 27

Medisch specialistische revalidatie bij oncologie - Arbeids (re)integratie en maatschappelij

Aanbeveling

Aanbevelingen
Het is van belang dat de bedrijfsarts en andere (para-) medici op de hoogte zijn van de mogelijke fysieke bijwerkingen en complicaties van de behandeling tegen kanker op orgaan- en functieniveau op korte en op lange termijn, en de implicaties daarvan voor de arbeidssituatie kunnen inschatten.

Tijdig inzetten van passende interventies kan het medisch herstel en het functieherstel bevorderen en de terugkeer naar het werk vergemakkelijken.

Aandacht voor terugkeer naar werk dient een vast onderdeel te worden van revalidatie bij patiënten met kanker.

De bedrijfsarts adviseert de verwijzing naar revalidatie in geval van:

  • Het uitblijven van terugkeer naar werk,
  • Stagnatie van de werkhervatting,
  • Een discrepantie tussen de objectieve en subjectieve belastbaarheid,
  • Bij aanwezigheid van een van de belemmerende factoren voor terugkeer naar werk met de nadruk op fysieke beperkingen en kanker gerelateerde vermoeidheid.

Bovenstaande aanbevelingen zijn een selectie van de aanbevelingen uit de Blauwdruk Kanker en Werk, deze selectie is integraal overgenomen (1).

De werkgroep adviseert dat alle betrokken professionals de patiënt met kanker stimuleren om, binnen de grenzen van het mogelijke, ook tijdens de behandeling in beweging te blijven. Een goede fysieke conditie zorgt ervoor dat patiënten de behandeling beter doorstaan en het herstel soepeler verloopt. Hierdoor kan ook de terugkeer naar het arbeidsproces gemakkelijker verlopen.

De werkgroep adviseert om zo nodig interventies gericht op empowerment in te zetten zodat de patiënt met kanker in staat is zelf problemen op de werkplek aan te pakken.

De werkgroep adviseert om de belastbaarheid en arbeidsproblematiek van de patiënt met kanker in kaart te brengen. Vervolgens dient maatwerk geleverd te worden bij het begeleiden bij de terugkeer naar het arbeidsproces.

Overwegingen

Werken bevordert de gezondheid
Waddel et al. heeft in een rapport beschreven dat: werken therapeutisch is, helpt bij het bevorderen van herstel en revalidatie, leidt tot een betere gezondheid, schadelijke fysieke, mentale en sociale effecten van lange termijn ziekteverzuim minimaliseert, het risico van lange-termijn-onbekwaamheid reduceert,volledige participatie in de maatschappij en onafhankelijkheid geeft, armoede vermindert,  kwaliteit van leven en welzijn verbetert (4). Het rapport is gebaseerd op een review dat volwassenen in de werkende leeftijd met algemene gezondheidsproblemen (geestelijke-, spier/skelet-, en cardiorespiratoire problemen), welke verantwoordelijk zijn voor tweederde van het ziekteverzuim, heeft onderzocht. Een voorzichtige interpretatie voor mensen met kanker is derhalve nodig. Indien de gezondheidstoestand het toelaat zouden patiënten met kanker, in een vroeg stadium gestimuleerd en ondersteund moeten worden bij het blijven deelnemen aan het arbeidsproces en bij het weer terugkeren naar het arbeidsproces.

De belangrijkste boodschap in een review over de gezondheid van de Britse bevolking in de werkende leeftijdscategorie luidt: ‘Working for a healthier tomorrow' (5). Black benadrukt dat er een fundamentele verandering nodig is in hoe gedacht wordt over de benodigde fitheid voor deelnemen aan het arbeidsproces. Het idee dat het ongewenst is om deel te nemen aan het arbeidsproces als je niet 100% fit bent moet verdwijnen. Deelname aan het arbeidsproces vormt in het algemeen geen beletsel voor herstel, maar is in het algemeen goed voor de gezondheid ook voor patiënten met kanker.

Een studie naar de kwaliteit van leven bij overlevers van borstkanker toonde aan dat deelname aan het arbeidsproces voor deze groep belangrijk was. Deelname aan het arbeidsproces gaf deze overlevers een gevoel van het normale leven en hielp de negatieve effecten van de behandeling te boven te komen (6).

Interventies gericht op terugkeer naar het arbeidsproces
Ziekteverzuim kan gezien worden als een te behandelen gevolg van de ziekte kanker. Vanwege de maatschappelijke en economische gevolgen van ziekteverzuim dient het inzetten van begeleiding gericht op herstel van arbeidsparticipatie al zo snel mogelijk aandacht te krijgen vanuit de klinische benadering. Amir et al. heeft in een Engelse studie aangetoond dat laat ingezette begeleiding en interventies negatieve gevolgen kan hebben voor de terugkeer naar het arbeidsproces (7).

Bij de terugkeer naar het arbeidsproces van de patiënt met kanker is de medische prognose van groot belang. In de ‘Blauwdruk Kanker en Werk' wordt geadviseerd onderscheid te maken tussen patiënten tijdens en na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker, waarbij werkhervatting volgt, en de groep patiënten in de ziekte- en symptoomgerichte palliatieve fase, voor wie genezing niet meer mogelijk is (1). De keuze over de invulling van de laatste levensfase zou in belangrijke mate aan de patiënt overgelaten moeten worden en deelname aan het arbeidsproces kan daarin desgewenst een rol spelen. Onderliggend knelpunt is wel dat de prognose van een oncologische patiënt niet direct bekend hoeft te zijn in de eerste behandelfase, en bovendien door bijvoorbeeld het ontdekken van metastases kan hierin een belangrijke verandering optreden. Daarnaast speelt mee dat behandelingen soms dermate langdurig zijn waardoor het jaren duurt voordat de patiënt zich niet meer in een doorlopend behandelproces bevindt. Dit geldt vooral voor hormoon- en immuuntherapie die vaak nog jarenlang na de primaire behandeling voortgezet worden. Tevens dient te worden opgemerkt dat ook met een uiteindelijk ongunstige prognose voor overleving er een toenemend aantal patiënten in de ziekte- en symptoomgerichte palliatieve fase is die langdurig in staat zijn volledig of gedeeltelijk hun functie uit te oefenen, soms zelfs jarenlang.

De Nederlandse sociale wetgeving, zoals Wet Verbetering Poortwachter (WVP) en wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), kent echter ongeacht het ziektebeloop en behandeltraject wel definitieve termijnen. Vanuit dat perspectief is het van belang om de patiënt in ieder geval vroegtijdig voor te lichten over de mogelijkheid om met de integratie al tijdens behandeling aan de gang te gaan. Om eerder de stap naar terugkeer naar het arbeidsproces mogelijk te maken is nauwe samenwerking nodig tussen de huisarts, de specialist en de bedrijfsarts enerzijds en de werknemer en werkgever anderzijds. Hiervoor is het wel van belang dat deze wens ook vroegtijdig in de behandelfase wordt getoetst in regelmatig contact met de patiënt. Als de patiënt tijdig kan en wil (re)-integreren in het arbeidsproces, dan is het belangrijk dat dit proces deskundig en multidisciplinair wordt begeleid. Vooral omdat tijdens de behandeling diverse complexe en ernstige medische klachten kunnen optreden waarbij steeds beoordeeld moet worden of de reïntegratiestappen wel medisch haalbaar zijn. Hierbij moet steeds het belang van de klinische behandeling zelf (gericht op curatie of remissie of palliatie van de ziektegevolgen), de reïntegratie (behoud van arbeidsvermogen) en revalidatie (herstelbehandeling) goed met elkaar worden afgewogen. Een combinatie van behandeling en revalidatie kan diverse logistieke problemen opleveren. Tevens kunnen de mate en snelheid van herstel van de conditie, alsook de ondermijnende en malaise uitlokkende behandelingen consequenties hebben voor de revalidatie die ingezet kan worden. Het oncologisch revalidatieteam moet dan ook, naast kennis van revalidatie, ook over goede kennis van de voorspellende factoren die werkhervatting bij oncologische patiënten bepalen beschikken (zie Blauwdruk Kanker en Werk). Er moet doelmatige communicatie zijn met de bedrijfsgeneeskundige begeleiders in een multidisciplinaire setting, met goede afspraken over de verantwoordelijkheden en taken. Interventies vanuit de ergotherapie kunnen helpen bij de praktische problemen die opgelost moeten worden bij het in balans houden tussen klachten, werkzaamheden en activiteiten thuis.

Toenemend is er in Nederland sprake van werkenden zonder toegang tot een bedrijfsarts, dit speelt bijvoorbeeld bij ZZP-ers (Zelfstandige Zonder Personeel). Voor deze groep is het van belang dat eventueel een bedrijfsartsconsulent, deskundig in de oncologische setting vanuit de klinische behandeling, ondersteund advies over reïntegratie en passende ondersteunende revalidatiebehandeling kan bieden. In een beperkt aantal centra in Nederland zijn op pilotbasis goede ervaringen opgedaan met een dergelijke consulent in poli's, zoals bijvoorbeeld de polikliniek ‘werk en borstkanker' en de polikliniek ‘mens en arbeid'. De verwachting is dat er een groter aantal consulenten of poli's beschikbaar zal komen met een meer regionale spreiding in oncologische behandelcentra. Er is echter nog geen wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd naar het effect van een dergelijke poli op reïntegratie en welzijn van oncologische patiënten.

Omdat de problematiek van patiënten met kanker steeds meer vergelijkbaar is met de problematiek van patiënten die revalideren van andere ziektes is het nodig dat oncologische revalidatie zich op vergelijkbare doelen richt als in andere revalidatierichtlijnen zijn opgenomen (bijvoorbeeld hart- en longrevalidatie) (8). Daar waar bij hart- en longrevalidatie al structureel aandacht wordt geschonken aan het voorkomen van latere arbeidsongeschiktheid en arbeidsuitval door vroegtijdige activerende reïntegratieadviezen vanuit de revalidatie, ontbreekt deze aanpak nog in de oncologische setting, losse, niet landelijke verspreide initiatieven daargelaten.

Naast terugkeer naar het arbeidsproces, is terugkeer in het maatschappelijk functioneren anders dan arbeid, ook van belang. Zo is het belangrijk of patiënten nog zelfstandig thuis kunnen blijven functioneren na een behandeling, of ze in staat blijven om vrijwilligerswerk of andere sociale activiteiten te blijven uitvoeren. Ook voor problemen in het maatschappelijk functioneren, moet een passend revalidatieaanbod worden aangeboden. Ook hier kan het zo zijn dat het bijvoorbeeld van belang is om voor het niet naar een verzorgingshuis te hoeven verhuizen, het op individuele basis van belang kan zijn, dat een patiënt al vroegtijdig een advies krijgt om te bewegen onder begeleiding. Op die manier kunnen kankergerelateerde vermoeidheid en andere klachten verminderd worden zodat het functioneren in de thuissituatie niet belemmerd wordt en de zorgbehoefte niet toe zal nemen.

Momenteel is er nog geen concrete evidentie voorhanden over interventies bij oncologische patiënten gericht op terugkeer naar het arbeidsproces. Een goede fysieke conditie zorgt ervoor dat patiënten de behandeling tegen kanker beter doorstaan en het herstel soepeler verloopt. Hierdoor kan ook de terugkeer naar het arbeidsproces gemakkelijker verlopen. Alle betrokken professionals kunnen de patiënt stimuleren om, binnen de grenzen van het mogelijke, ook tijdens de behandelingen in beweging te blijven.

Werknemers met een chronische ziekte kunnen baat hebben bij interventies gericht op empowerment, met als doel dat zij problemen op de werkplek grotendeels zelf kunnen oplossen. Motivational interviewing is een gesprekstechniek die hierbij effectief kan zijn (9)  (10). Dit betreft een directieve persoonsgerichte gespreksstijl, bedoeld om verandering van gedrag te bevorderen, door ambivalentie ten opzichte van verandering te helpen verhelderen en oplossen (11). De essentie van motivational interviewing is dat de motivatie tot verandering vanuit de persoon zelf komt en niet van buitenaf wordt opgelegd.

Voor patiënten met kanker is het wenselijk de belastbaarheid en arbeidsproblematiek in kaart te brengen en een bezoek aan de werkplek te verrichten. Dit betekent dat er een adequate arbeidsanamnese opgesteld dient te worden, waarin specifiek aandacht is voor de aanwezige werkdruk, regelruimte, sociale steun, perspectief en de samenhang tussen werk en privé. Vervolgens kan maatwerk geleverd worden bij het begeleiden bij terugkeer naar het arbeidsproces en het afstemmen op de mogelijkheden op dat moment. Zo kan advies worden gegeven over het aanpassen van taken, werktijden, hulpmiddelen en de werkomgeving zodat de terugkeer naar het arbeidsproces mogelijk wordt of blijft. Het gaat daarbij om het praktisch oplossen van problemen en zoeken naar passende werkmogelijkheden afgestemd op de belastbaarheid en de omgeving. Een geleidelijke terugkeer naar het arbeidsproces past in de strategie van ‘graded activity'. Interventies bestaande uit consultatie en consensus tussen stakeholders (zoals de werknemer, werkgever en arbodeskundigen) en werkaanpassingen zijn effectief gebleken in de terugkeer naar het arbeidsproces van werknemers met ziekteverzuim door rugpijn (12).

Bij mensen met een depressie is er evidentie over de effectiviteit op terugkeer in het arbeidsproces van een module arbeidshulpverlening gebaseerd op ergotherapeutische principes. Dit lijkt relevant omdat depressie een veelvoorkomend probleem is bij oncologische patiënten. Uit een gerandomiseerde studie bleek dat patiënten uit beiden groepen (controlegroep met reguliere zorg vs. experimentele groep met reguliere zorg en module arbeidshulpverlening) evengoed herstelden van hun depressie. De patiënten uit de experimentele groep keerden echter eerder terug naar het arbeidsproces en werkten aan het eind van de onderzoeksperiode meer uren dan patiënten die de arbeidshulpverleningmodule niet hadden gekregen (13). In deze aanpak werd gericht gezocht naar de knelpunten in iemands werkomstandigheden of meer persoonsgebonden gedragsfactoren die een drempel kunnen vormen voor terugkeer naar het arbeidsproces. Patiënten werden vervolgens geholpen, door een praktische en pragmatische oplossing te zoeken voor deze knelpunten.

Samenvattend kan geconcludeerd worden dat terugkeer naar het arbeidsproces en maatschappelijke participatie bij patiënten met kanker bepaald wordt door een complex aan factoren. Deze factoren zijn niet alleen ziektegerelateerd maar ook afkomstig vanuit de werkcontext, sociale omgeving en persoonlijke factoren. Daarom is het van belang dat niet wordt afgewacht of de patiënt zich na de behandeling met een hulpvraag over stagnatie van herstel meldt, maar in een doorlopend begeleidingsproces het beloop van herstel en reïntegratie wordt getoetst. De aan te bieden revalidatiebehandeling dient daarbij voldoende zorg op maat te bevatten voor de specifieke behoeften en knelpunten waar de oncologische patiënt op dat moment mee geconfronteerd wordt. In alle behandelfasen is naar de mening van de werkgroep dan ook een doorlopende activering gewenst om een vorm van minimaal functioneren proberen te behouden. Na afronding van de behandelingen moet dit gericht zijn op het weer opbouwen van activiteiten en reïntegratie en maatschappelijke participatie.

Onderbouwing

Zie het achtergronddocument van de ‘Blauwdruk Kanker en Werk' voor conclusies aangaande voorspellende factoren en revalidatie voor de terugkeer naar het arbeidsproces (1).

Inleiding
Het inzicht wint terrein dat werk, naast een belasting, voor de meeste mensen een belangrijke stabiliserende factor in hun leven is en voor velen ook een bron van plezier en een vorm van zingeving aan het bestaan. Desondanks ondervinden veel patiënten met kanker problemen met de terugkeer naar werk. Deels heeft dit te maken met factoren die samenhangen met de ziekte en de behandeling. Andere aanwijsbare oorzaken zijn onvoldoende aandacht voor kanker en werk binnen de curatieve sector en de arbozorg en de gebrekkige communicatie daarover met en over patiënten met kanker. De meeste patiënten met kanker ontvangen nauwelijks of geen advies met betrekking tot werk of werkhervatting. Ook kan er sprake zijn van geen of onvoldoende steun in de werkomgeving. Het niet slagen in terugkeer naar werk en de afhankelijkheid van sociale uitkeringen heeft negatieve gevolgen op de kwaliteit van leven van patiënten met kanker. Zij missen de sociale contacten met en emotionele steun van collega's en ondervinden nadelige financiële gevolgen van de ziekte.

Bij de terugkeer naar werk van de kankerpatiënt is de medische prognose van groot belang. Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen patiënten tijdens en na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker, waarbij werkhervatting volgt, en de groep patiënten in de ziekte- en symptoomgerichte palliatieve fase voor wie genezing niet meer mogelijk is. De keuze over de invulling van de laatste levensfase zou in belangrijke mate aan de patiënt overgelaten moeten worden en werk kan daarin desgewenst een rol spelen.

Steeds meer patiënten met kanker (willen) blijven werken gedurende het gehele behandelproces of, eerder nog dan in het verleden, de stap maken naar werk. Om dit mogelijk te maken is nauwe samenwerking nodig tussen de huisarts, de specialist en de bedrijfsarts enerzijds en de werknemer en werkgever anderzijds. In de meeste gevallen pakken patiënten met kanker het werk pas op wanneer de behandeling achter de rug is, en dat kan ruim 1 à 2 jaar duren. Een probleem in de begeleiding naar werk is dan ook dat de huidige wet- en regelgeving vaak dwingt tot beslissingen op tijdstippen dat er nog geen stabiele eindsituatie is bereikt. En dat is het geval bij een substantieel aantal van de patiënten met kanker met een lang en gecompliceerd behandeltraject.

Bovenstaande inleiding is integraal overgenomen uit de inleiding van de ‘Blauwdruk Kanker en Werk' van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (1).

Kankergerelateerde vermoeidheid en andere restklachten resulteren in een lagere kwaliteit van leven, verminderd functioneren op het gebied van activiteiten in het dagelijkse leven en een verminderde arbeidsparticipatie (2). In 2005 waren 22.000 mensen arbeidsongeschikt als gevolg van kanker (3). Oncologische revalidatie kan een groot deel van de (ex-)patiënten met kanker helpen om de gevolgen van kanker te boven te komen en de kwaliteit van leven te verbeteren. De verwachting is dat dit ook leidt tot een toename van de arbeids- en maatschappelijke participatie.

Verantwoording literatuursearch en beschrijving
Voor de beantwoording van de uitgangsvraag ‘Welke vorm van revalidatie aangeboden op welk moment draagt bij aan een betere arbeidsparticipatie en maatschappelijk functioneren voor mensen tijdens en na afronding van de in opzet curatieve behandeling en in de (ziekte- en symptoomgerichte) palliatieve fase?' is een uitgebreide search verricht met trefwoorden voor werkhervatting, arbeidsparticipatie, belastbaarheid, reïntegratie, kwaliteit van leven etc. (zie zoekverantwoording in aanverwant). Desondanks leverde deze uitgebreide search weinig relevante artikelen op voor een gerichte beantwoording van deze uitgangsvraag. Er zijn vooralsnog geen studies beschikbaar die inzicht geven in welke vorm van oncologische revalidatie bijdraagt aan een betere arbeidsparticipatie en maatschappelijk functioneren. De richtlijnwerkgroep heeft er dan ook voor gekozen om voor deze uitgangsvraag geen literatuur te beschrijven en geen conclusies te formuleren. De richtlijnwerkgroep heeft wel overige overwegingen geformuleerd en deze waar mogelijk onderbouwd met literatuur.

Inzicht in de problematiek van patiënten met kanker in relatie tot terugkeer naar het arbeidsproces kan worden verkregen in de Blauwdruk Kanker en werk, welke de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (1) in 2009 in samenwerking met het Coronel Instituut, CBO en de NFK heeft opgesteld.

De ‘Blauwdruk Kanker en Werk' beschrijft:

  • De voorspellende factoren voor de terugkeer naar werk,
  • Revalidatie bij kanker,
  • Follow-up, preventie van comorbiditeit en verzuim na kanker,
  • Evaluatie,
  • Aanbevelingen voor onderzoek.

Het achtergronddocument biedt de wetenschappelijke onderbouwing en verantwoording voor de aanbevelingen die in de blauwdruk gedaan worden (1).

Voor de aanbevelingen in dit hoofdstuk is een selectie gemaakt van relevante aanbevelingen uit de ‘Blauwdruk Kanker en Werk' (1), deze selectie is integraal overgenomen. Deze zijn aangevuld met overwegingen en aanbevelingen geformuleerd vanuit de richtlijnwerkgroep.

  1. 1 - Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB). Blauwdruk kanker en werk en bijbehorend achtergronddocument. Utrecht, 2009.
  2. 3 - Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel). Zorg- en Maatschappelijke situatie van mensen met kanker in Nederland, 2005.
  3. 4 - Waddell G, Burton AK. Is work good for your health and well-being? The Stationery Office, Norwich, UK, 2006.
  4. 5 - Black C. Working for a healthier tomorrow. London: The Stationery Office, 2008.
  5. 6 - Ferrel BR, Grant MM, Funk B et al. Quality of life in breast cancer survivors as identified by focus groups. Psychooncology 1997; 6: 13-23.
  6. 7 - Amir Z, Wynn P, Whitaker S, Luker K. Cancer survivorship and return to work: UK occupational physician experience. Occup Med (Lond) 2009; 59(6): 390-6.
  7. 8 - College voor zorgverzekeringen (CVZ). Standpunt Oncologisch Revalidatie. Diemen, 2008.
  8. 9 - Varekamp I, Verbeek JHAM, Van Dijk FJH. How can we help employees with chronic diseases to stay at work? A review of interventions aimed at job retention and based on an emppowerment perspective. Int Arch Occup Environ Health 2006; 80: 87-97.
  9. 10 - Varekamp I, Heutink A, Landman S, Koning CEM, De Vries G, Van Dijk FJH. Facilitating empower-ment in employees with chronic disease: Qualitative analysis of the process of change. J Occup Rehabil 2009; 19: 398-408.
  10. 11 - Miller WR, Rollnick S. Motivational interviewing: preparing people for change. The Guilford Press, 2002.
  11. 12 - Carroll C, Rick J, Pilgrim H, Cameron J, Hillage J. Workplace involvement improves return to Work rates among employees with back pain on long-term sick leave: a systematic review of the effectiveness and cost-effectiveness of interventions. Disabil Rehabil 2010;32(8):607-21.
  12. 13 - De Vries G. Kikkert MJ, Schene AH, Swinkels J. Helpt arbeidshulpverlening bij patiënten met een depressie. Nederlands Tijdschrift voor Ergotherapie 2003; 3: 103-107.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  :

Laatst geautoriseerd  : 01-03-2018

Actualisatie

Voorwaarden voor revisie en beoordelingsfrequentie zijn vastgelegd in de richtlijn. De geldigheidstermijn voor de richtlijn (maximaal 5 jaar na vaststelling) wordt vanuit het Integraal Kankercentrum Nederland bewaakt. Om verscheidene redenen kan actualisatie eerder dan beoogd nodig zijn. Zo nodig zal de richtlijn tussentijds op onderdelen worden bijgesteld.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
Geautoriseerd door:
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Psychosociale Oncologie
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde

Algemene gegevens

Er komen in de dagelijkse oncologische praktijk problemen voor op lichamelijk, cognitief, emotioneel of sociaal vlak en/of met betrekking tot rolfunctioneren en/of zingeving. Deze problemen kunnen aanleiding geven, na signalering en bespreking, tot verwijzing van de desbetreffende patiënt met kanker of die kanker heeft gehad. De (ex-)patiënt kan verwezen worden voor verdere diagnostiek, een leefstijladvies, behandeling door één psychosociale of paramedische zorgverlener, door zorgverleners van verschillende disciplines, of naar medisch specialistische revalidatie. De richtlijn beschrijft hoe tot goede verwijzing naar medisch specialistische revalidatie bij oncologie te komen.

Daarnaast beschrijft de richtlijn:

  • Klachten na curatieve behandeling en in de palliatieve fase
  • Voorspellende factoren voor een gezonde levensstijl
  • Het intakeproces voorafgaand aan medisch specialistische revalidatie bij oncologie
  • Revalidatie(-interventies)
  • Meetinstrumenten voor effectevaluatie
  • Empowerment van de patiënt
  • Ondersteuning/adviezen/(verpleegkundige) interventies gericht op arbeid
  • Kosteneffectiviteit
  • Organisatie van zorg
  • Signalering en nazorg/revalidatiezorg bij kwetsbare (veelal) oudere patiënten met kanker

Doel en doelgroep

De richtlijn richt zich op patiënten van 18 jaar en ouder. Dit betreft patiënten tijdens of na afronding van de in opzet curatieve behandeling en tijdens de palliatieve fase van alle oncologische aandoeningen. Voor de patiënten in de palliatieve fase, de fase die intreedt wanneer duidelijk wordt dat er geen zicht meer is op genezing, richt de richtlijn zich op patiënten in de ziektegerichte- en symptoomgerichte palliatieve fase en expliciet niet op de fase van terminale palliatie.

Voor wie is deze richtlijn bedoeld?
De richtlijn is bedoeld voor zowel primaire oncologische behandelaars (internist-oncologen, chirurgisch oncologisch behandelaars en radiotherapeut oncologen), (gespecialiseerd) verpleegkundig(en) (specialisten), physician assistants, huisartsen en bedrijfsartsen als voor professionals in de psychosociale, paramedische en revalidatiezorg. Voor primaire oncologische behandelaars (internist-oncologen, chirurgisch oncologisch behandelaars en radiotherapeut oncologen), (gespecialiseerd) verpleegkundig(en) (specialisten), physician assistants, huisartsen en bedrijfsartsen die signaleren en verwijzen zijn vooral de uitgangsvragen over klachten na curatieve behandeling en in de palliatieve fase, signalering, bespreking en verwijzing en de modules over kwetsbare (veelal) oudere patiënten met kanker van belang. Voor professionals in de psychosociale, paramedische en medisch specialistische revalidatiezorg (revalidatieartsen, fysiotherapeuten, psychologen, maatschappelijk werkers, ergotherapeuten, etc.) zijn alle uitgangsvragen van belang.

Samenstelling werkgroep

Alle werkgroepleden zijn afgevaardigd namens wetenschappelijke verenigingen en hebben daarmee het mandaat voor hun inbreng. Bij de samenstelling van de werkgroep is geprobeerd rekening te houden met landelijke spreiding, inbreng van betrokkenen uit zowel academische als algemene ziekenhuizen/instellingen en vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen/ disciplines. De patiëntenvereniging is eveneens vertegenwoordigd en in het geval er literatuuronderzoek is gedaan, is er een methodoloog of literatuuronderzoeker betrokken.

Belangenverklaringen

Aan alle werkgroepleden is gevraagd een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de industrie aangeven bij de start en einde van het richtlijntraject. De werkgroepleden hebben verklaard op dit moment of in de laatste drie jaar geen activiteiten te hebben ontplooid op uitnodiging van of met subsidie/ sponsoring van de industrie.

Inbreng patiëntenperspectief

De richtlijnwerkgroep bestaat uit zorgverleners van verschillende psychosociale en (para)medische disciplines en patiëntvertegenwoordigers van de Nederlandse Federatie van Kankerpatientenorganisaties.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Meetinstrumenten voor effectevaluatie