Medisch specialistische revalidatie bij oncologie

Initiatief: VRA Aantal modules: 27

Medisch specialistische revalidatie bij oncologie - Arbeid

Aanbeveling

Uitgangsvraag
Wat is het effect van ondersteuning/adviezen/(verpleegkundige) interventies gericht op arbeid tijdens of na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker op deelname aan het arbeidsproces, kwaliteit van leven, zinvolle dagbesteding, vermoeidheid, cognitief functioneren?

Aanbevelingen
Er is meer onderzoek nodig naar de effectiviteit van interventies gericht op het stimuleren van arbeidsparticipatie tijdens de in opzet curatieve behandeling.

Er is meer onderzoek nodig naar de effectiviteit van interventies gericht op het stimuleren van arbeidsparticipatie na afloop van de in opzet curatieve behandeling.

Overwegingen

Inleiding
In toenemende mate worden werkbehoud en werkhervatting belangrijker voor mensen die voor kanker behandeld zijn. De maatschappij verlangt steeds meer dat mensen na afloop van hun behandeling maatschappelijk blijven participeren. Oncologische arbeidsrevalidatie is daarom een logische en veelbelovende toevoeging aan het arsenaal van revalidatiegeneeskundige interventies. Binnen de oncologische arbeidsrevalidatie zijn twee groepen van interventies te onderscheiden:

  • interventies tijdens de behandeling
  • interventies na afloop van de behandeling

Om een uitspraak te kunnen doen over de evidentie van deze interventies is een systematisch literatuuronderzoek verricht (zie aanverwante items voor de zoekverantwoording). Het doel was om te kwantificeren wat de effectiviteit is van de verschillende interventies. Hierbij is gebruik gemaakt van vooraf opgestelde uitkomstmaten, zoals terugkeer naar het werk, werktevredenheid, arbeid gerelateerde welzijn, eigen effectiviteit, fysieke activiteit, dagbesteding, cognitief functioneren, levenskwaliteit en vermoeidheid.
Bij het zoeken en samenvatten van de evidentie over het effect van interventies gericht op arbeidsparticipatie zijn alleen gecontroleerde vergelijkende studies gezocht en geïncludeerd. De consequentie is dat een deel van de gebruikte bronnen in de Blauwdruk Kanker en Werk 2009 en in de eerste versie van de Richtlijn Oncologische revalidatie 2011 niet aan de inclusiecriteria voor de voorliggende richtlijn voldoet (zie richtlijn Blauwdruk Kanker en Werk

Voor het bepalen van sterkte van de aanbeveling is gebruik gemaakt van onderstaande tabel.
Er wordt op dit moment veel kwalitatief hoogwaardig onderzoek gedaan en is de verwachting dat er binnen enkele jaren wel voldoende evidentie zal zijn om een aanbeveling op te formuleren.

TABEL: Van bewijs naar aanbeveling, factoren ter bepaling sterkte aanbeveling

 

Algehele kwaliteit van bewijs      

 

Beslissing ja/nee?

Toelichting

1. Kwaliteit van leven

Is de algehele kwaliteit van bewijs hoog?

Opmerking werkgroep: Er zijn nog bijzonder weinig gerandomiseerde gecontroleerde studies op dit gebied. En de enkele studies die beschikbaar zijn, zijn meestal pilotstudies of in omvang zeer bescheiden studies. Hierdoor is er de kwaliteit van het gevonden en samengestelde bewijs laag.

Opmerking werkgroep: Het valt met enige voorzichtigheid wel te stellen dat voldoende functionele (fysieke en mentale) capaciteit en vaardigheden voorwaardelijk zijn voor het succesvol deelnemen aan het arbeidsproces. Het is denkbaar dat interventies die gericht zijn op het vergroten van specifieke, voor het werk belangrijke aspecten van functionele capaciteit of vaardigheden, bij patiënten die hierin tekortschieten, positief kunnen bijdragen aan de arbeidsre-integratie. Dit betreft dan echt zorg op maat, in tegenstelling tot een interventie voor iedereen.

X nee onduidelijk

2. Balans tussen gewenste en ongewenste effecten

Overtreffen de gunstige effecten de ongunstige effecten, of de ongunstige effecten de gunstige effecten aanzienlijk, en is de werkgroep hier zeker van?

Opmerking werkgroep: Zie opmerking hierboven. Er op dit moment nog te weinig evidentie beschikbaar om een uitspraak te doen over de gunstige en ongunstige effecten van interventies op het gebied van oncologische arbeidsrevalidatie.

X nee of onduidelijk

3. Patiëntenperspectief

Hanteren vrijwel alle patiënten hetzelfde perspectief op de wenselijkheid of de onwenselijkheid van de aan te bieden interventie?

Opmerking werkgroep: De wenselijkheid van interventies vanuit het patiënten perspectief loopt ver voor ten opzichte van het wetenschappelijk onderzoek. Dit maakt dat veel patiënten en aanbieders van zorg op dit moment experimenteren met nog niet geëvalueerde interventies. Patiëntenverenigingen stimuleren en onderschrijven het belang om te blijven experimenteren met deze interventies.

Opmerkingen patiëntenvertegenwoordigers:

Belangrijk is dat er contact met werk wordt gehouden tijdens de behandeling. Het is van belang dat de patiënt indien mogelijk op de werkvloer zijn gezicht laat zien. Patiënten moeten zich hierbij wel bewust zijn dat tijdens je ziekteverlof regelmatig 'je gezicht laten zien' ook opgevat kan worden alsof je niet (meer) zo ziek bent; 'je kunt toch hierheen komen' en 'je ziet er goed uit' en men vindt dat je dan ook wel (meer) zou kunnen werken.

Soms is het goed om een partij in te schakelen die kan helpen om het hebben van kanker en de gevolgen op de werkvloer bespreekbaar te maken (kankerenwerk).
Adviseer de patiënt om wanneer het weer kan met therapeutisch werken te beginnen. Ook al is het maar 2 uur per week. Adviseer de patiënt te starten met lichte, maar wel aantrekkelijke taken. Laat dit geleidelijk opbouwen en laat de bedrijfsarts meekijken naar de belastbaarheid.
Creëer de bewustwording bij de patiënt dat er meer is dan alleen werk, hij moet ook zichzelf kunnen verzorgen en het evt. gezin. Ook sociale contacten buiten werk om moeten onderhouden kunnen worden.

Laat de patiënt regelmatig met de directe leidinggevende evalueren over zijn functioneren en adviseer hen bij problemen samen te bekijken hoe daar aan gewerkt kan worden.

Patiënten geven wel aan dat het, vooral in de eerste periode, soms lastig is om een professionele houding aan te nemen. Enerzijds neigen ze soms teveel te relativeren in situaties waarbij bepaalde zaken door collega's en/of cliënten/patiënten als heel belangrijk gepresenteerd worden. Anderzijds is er soms overreactie op opmerkingen/gebeurtenissen die emoties losmaken. Enige begeleiding in die periode, bijvoorbeeld door een ervaringsdeskundige zou hierbij helpen.

X nee of onduidelijk

4. Professioneel perspectief

Hanteren vrijwel alle zorgverleners hetzelfde perspectief op de wenselijkheid of de onwenselijkheid van de aan te bieden interventie?
 

Recente wetenschappelijke studies, waaronder die van Tamminga [Tamminga 2010] laten de toegevoegde waarde van andere zorgprofessionals zien dan de bedrijfsarts als het gaat om de advisering rondom werkhervatting. Wel is het zo dat binnen de zorgprofessionals de bedrijfsarts een specifieke rol vervult. Deze is vastgelegd in de Wet Verbetering Poortwachter en maakt hem of haar verantwoordelijk voor het inschatten van de mogelijkheden en beperkingen met betrekking tot werkhervatting. De verzekeringsarts vervult eveneens een specifieke rol, deze is verantwoordelijk voor het toetsen van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

X nee of onduidelijk

 

Sterkte van de aanbeveling         zwak (conditioneel)                                laag/zeer laag

 

 

Onderbouwing

Interventies tijdens de in opzet curatieve behandeling
Het effect van interventies gericht op arbeid tijdens de in opzet curatieve behandeling van kanker op fysieke activiteit, dagbesteding, eigen effectiviteit, cognitief functioneren, levenskwaliteit en vermoeidheid werd nog niet bestudeerd in gerandomiseerde studies.

Er is bewijs van zeer lage kwaliteit dat psycho-educatie met of zonder telefonische counseling tijdens de in opzet curatieve behandeling van kanker geen effect heeft op het arbeid gerelateerde welzijn in vergelijking met reguliere zorg.

Er is bewijs van lage kwaliteit dat multidisciplinaire interventies gericht op arbeid tijdens de in opzet curatieve behandeling van kanker geen significant effect hebben op terugkeer naar het werk in vergelijking met reguliere zorg.

De algehele kwaliteit van bewijs is laag tot zeer laag.


Interventies na afloop van de in opzet curatieve behandeling
Het effect van interventies gericht op arbeid na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker op werktevredenheid en eigen effectiviteit werd nog niet bestudeerd in gerandomiseerde studies.

Er is bewijs van lage kwaliteit dat psychologische interventies gericht op arbeid na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker geen significant effect hebben op fysieke activiteit, levenskwaliteit en terugkeer naar werk.

Er is bewijs van zeer lage kwaliteit dat fysieke interventies gericht op arbeid na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker geen significant effect hebben op levenskwaliteit en terugkeer naar werk.

Er is bewijs van zeer lage kwaliteit dat arbeid gerelateerde interventies gericht op arbeid na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker geen significant effect hebben op fysieke activiteit, levenskwaliteit, ziekteverlof en werkverlies.

Er is bewijs van lage kwaliteit dat multidisciplinaire interventies gericht op arbeid na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker geen significant effect hebben op fysieke activiteit, levenskwaliteit en terugkeer naar werk.

Er is bewijs van zeer lage kwaliteit dat multidisciplinaire interventies gericht op arbeid na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker geen significant effect hebben op ziekteverlof en verlies van werk.

De algehele kwaliteit van bewijs is laag tot zeer laag.

Beschrijving van de studies
Drie systematische reviews evalueerden het effect van interventies gericht op arbeid bij patiënten met kanker (1) (2) (3). De meest volledige review is die van De Boer (1). Tot februari 2010 werden twee gerandomiseerde studies en drie gecontroleerde voor-na studies gevonden die psychologische interventies vergeleken met reguliere zorg, één gerandomiseerde studie die een trainingsinterventie evalueerde, drie gerandomiseerde studies die multidisciplinaire interventies evalueerden en geen enkele studie die een arbeid gerelateerde interventie onderzocht. De review van Tamminga is ouder en vond geen bijkomende studies (3). De meest recente review van Egan (2) verwees naar de reviews van de Boer en Tamminga, en vond aanvullend geen nieuwe studies.
Sinds 2010 werden nog vier gerandomiseerde studies gepubliceerd (4) (5) (6) (7). In totaal includeerden deze studies 786 patiënten met kanker (hoofdzakelijk borstkanker).
Geen enkele review maakte het onderscheid tussen interventies gericht op arbeid tijdens de in opzet curatieve behandeling of interventies na afloop van de in opzet curatieve behandeling. Na analyse van de zes gerandomiseerde studies in de review van De Boer bleken er twee studies uitgevoerd tijdens de in opzet curatieve behandeling en vier studies na de in opzet curatieve behandeling (1). Van de vier recentere gerandomiseerde studies werd er één uitgevoerd tijdens de in opzet curatieve behandeling (6) en drie na afloop van de in opzet curatieve behandeling (4) (5) (7).

Kwaliteit van het bewijs per uitkomstmaat
De reviews van De Boer (1) en Tamminga (3) zijn van goede kwaliteit. De review van Egan is van mindere kwaliteit, gezien de minder volledige beschrijving van de gebruikte methodologie (2). De zes gerandomiseerde studies in de review van De Boer hadden een hoog risico op bias door een onduidelijke allocation concealment, (onvermijdelijke) afwezigheid van blindering en het gebrek aan een intention-to-treat analyse (1).

Van vier gerandomiseerde studies had enkel de studie van Sherman een laag risico op bias (6). De drie andere studies hadden een hoog risico op bias door een onduidelijke allocation concealment, afwezigheid van blindering en het gebrek aan een intention-to-treat analyse (4) (5) (7).

Er is voor deze richtlijn gekozen om af te zien van het poolen van de data van de gevonden gerandomiseerde studies.

Interventies tijdens de in opzet curatieve behandeling
Fysieke activiteit (cruciale uitkomstmaat)
Geen enkele gerandomiseerde studie rapporteerde over het effect op fysieke activiteit.

Dagbesteding (cruciale uitkomstmaat)
Geen enkele gerandomiseerde studie rapporteerde over het effect op dagbesteding.

Eigen effectiviteit (cruciale uitkomstmaat)
Geen enkele gerandomiseerde studie rapporteerde over het effect op eigen effectiviteit.

Cognitief functioneren (cruciale uitkomstmaat)
Geen enkele gerandomiseerde studie rapporteerde over het effect op cognitief functioneren.

Partiële terugkeer naar werk (belangrijke uitkomstmaat)
De Boer deed een meta-analyse van de drie gerandomiseerde studies die het effect van een multidisciplinaire interventie evalueerden (1). Twee van deze studies werden uitgevoerd tijdens de in opzet curatieve behandeling. In één studie (8) werd gedragstraining met biofeedback gecombineerd met bekkenbodemspieroefeningen. Terugkeer naar het werk werd gemeten na 6 maanden. In de andere studie (9) werd oefentherapie gecombineerd met educatie en counseling. Terugkeer naar het werk werd gemeten na 12-18 maanden. Er werd geen significant effect gevonden op (volledige of partiële) terugkeer naar het werk (relatief risico 1.20, 95%BI 0.97-1.49).

Sherman rapporteerde het effect van psycho-educatie en/of telefonische counseling op het arbeid gerelateerd welzijn, maar vonden geen significant verschil met reguliere zorg (6).

Levenskwaliteit (belangrijke uitkomstmaat)
Geen enkele gerandomiseerde studie rapporteerde over het effect op levenskwaliteit.

Vermoeidheid (belangrijke uitkomstmaat)
Geen enkele gerandomiseerde studie rapporteerde over het effect op vermoeidheid.

Interventies na afloop van de in opzet curatieve behandeling
Fysieke activiteit (cruciale uitkomstmaat)
Twee gerandomiseerde studies in de review van De Boer rapporteerden het effect van een psychologische interventie (educatie met of zonder groepsdiscussie) op het fysieke functioneren (gemeten als subschaal van de levenskwaliteit) (1). Er werd geen significant effect gevonden (gemiddelde verschil 1.43, 95%BI -0.71 tot 3.57).
Hubbard vond op 6 en 12 maanden geen significant effect van arbeidsrevalidatie op de FACT-B fysieke welzijn subschaal (gemiddeld verschil 1.2 voor beide tijdstippen, p=0.68 en 0.56 respectievelijk) (5).
Tamminga vond eveneens geen significant effect van een multidisciplinaire interventie (educatie en gradueel plan voor terugkeer naar het werk) op de SF-36 fysiek functioneren subschaal (81 vs. 79, p=0.95) (7).

Levenskwaliteit (cruciale uitkomstmaat)
De twee gerandomiseerde studies in de review van De Boer rapporteerden ook het effect van educatie met of zonder groepsdiscussie op het mentaal functioneren, gemeten als subschaal van de levenskwaliteit (1). Ook hier werd geen significant effect gevonden (gemiddeld verschil 0.14, 95%BI -1.62 tot 1.91). In een andere gerandomiseerde studie werd eveneens geen significant effect gevonden van een interventie ter bevordering van de fysieke activiteit op levenskwaliteit (gemiddeld verschil -4.6, 95%BI -11.99 tot 2.79).
Hubbard vond op 6 en 12 maanden geen significant effect van arbeidsrevalidatie op de FACT-B schaal (gemiddeld verschil 10.1 en 6.6, respectievelijk; p=0.33 en 0.51, respectievelijk) (5).
Tamminga vond na 12 maanden geen significant effect van een multidisciplinaire interventie (educatie en gradueel plan voor terugkeer naar het werk) op de levenskwaliteit, gemeten met een VAS schaal (p=0.26) en de SF-36 (7).

Volledige terugkeer naar werk (cruciale uitkomstmaat)
Twee gerandomiseerde studies in de review van De Boer vonden geen significant effect van een psychologische interventie (educatie met of zonder groepsdiscussie) op terugkeer naar het werk (volledig en partieel; relatief risico 1.21, 95%BI 0.96-1.51) (1). In een andere gerandomiseerde studie werd eveneens geen significant effect gevonden van een interventie ter bevordering van de fysieke activiteit op terugkeer naar het werk (volledig en partieel; odds ratio 1.20, 95%BI 0.32-4.54) (1). Eén gerandomiseerde studie over het effect van een multidisciplinaire interventie vond ook geen significant effect op terugkeer naar het werk (relatief risico 1.10, 95%BI 0.96-1.27) (1).
Tamminga vond na 12 maanden geen significant effect van een multidisciplinaire interventie (educatie en gradueel plan voor terugkeer naar het werk) op volledige terugkeer naar het werk (hazard ratio 0.88, 95%BI 0.53-1.50) (7)].
Twee gerandomiseerde studies rapporteerden het effect op ziekteverlof, dat in dit overzicht beschouwd werd als een surrogaatuitkomst voor terugkeer naar het werk. Björneklett vond geen significant effect van een multidisciplinaire interventie (informatie, relaxatie, qi-jong en dans) op ziekteverlof na 2, 6 en 12 maanden (p=0.853, 0.599 en 0.783 respectievelijk) (4). Hubbard vond geen significant effect van arbeidsrevalidatie op ziekteverlof na 6 en 12 maanden (gemiddeld verschil 53.1 en 2.0, respectievelijk) (5).

Partiële terugkeer naar werk (cruciale uitkomstmaat)
Tamminga vond na 12 maanden geen significant effect van een multidisciplinaire interventie (educatie en gradueel plan voor terugkeer naar het werk) op volledige terugkeer naar het werk (hazard ratio 1.03, 95%BI 0.64-1.60) (7).

Werktevredenheid (cruciale uitkomstmaat)
Geen enkele gerandomiseerde studie rapporteerde over het effect op werktevredenheid.

Verlies van werk (cruciale uitkomstmaat)
Twee gerandomiseerde studies rapporteerden het effect op werkverlies, zonder echter statistiek toe te passen. Hubbard vond geen werkverlies in de interventiegroep (arbeidsrevalidatie) en controlegroep (reguliere zorg) (5). Tamminga rapporteerde werkverlies in 6.2% van de interventiegroep (multidisciplinaire interventie met educatie en gradueel plan voor terugkeer naar het werk) versus 7.4% in de controlegroep (reguliere zorg) (7).

Eigen effectiviteit (cruciale uitkomstmaat)
Geen enkele gerandomiseerde studie rapporteerde over het effect op eigen effectiviteit.

Gewenste effecten
Op basis van de literatuurstudie werd geen bewijs gevonden voor gewenste effecten van interventies gericht op arbeid tijdens of na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker op deelname aan het arbeidsproces, kwaliteit van leven, zinvolle dagbesteding, vermoeidheid, cognitief functioneren.

Ongewenste effecten
Op basis van de literatuurstudie werd geen bewijs gevonden voor ongewenste effecten van interventies gericht op arbeid tijdens of na afloop van de in opzet curatieve behandeling van kanker op deelname aan het arbeidsproces, kwaliteit van leven, zinvolle dagbesteding, vermoeidheid, cognitief functioneren.

  1. 1 - De Boer AG, Taskila T, Tamminga SJ et al. Interventions to enhance return-to-work for cancer patients. Cochrane Database of Systematic Reviews. 2011;2(2):CD007569 [link]
  2. 2 - Egan MY, McEwen S, Sikora L et al. Rehabilitation following cancer treatment [with consumer summary]. Disability and Rehabilitation 2013;35(26):2245-2258. 2013 [link]
  3. 3 - Tamminga SJ, de Boer AG, Verbeek JH et al. Return-to-work interventions integrated into cancer care: a systematic review. Occupational and environmental medicine. 2010;67(9):639-48 [link]
  4. 4 - Bjorneklett HG, Rosenblad A, Lindemalm C et al. A randomized controlled trial of support group intervention after breast cancer treatment: results on sick leave, health care utilization and health economy. Acta oncologica (Stockholm, Sweden). 2013;52(1):38-47 [link]
  5. 5 - Hubbard G, Gray NM, Ayansina D et al. Case management vocational rehabilitation for women with breast cancer after surgery: a feasibility study incorporating a pilot randomised controlled trial. Trials. 2013;14:175 [link]
  6. 6 - Sherman DW, Haber J, Hoskins CN et al. The effects of psychoeducation and telephone counseling on the adjustment of women with early-stage breast cancer. Applied nursing research : ANR. 2012;25(1):3-16 [link]
  7. 7 - Tamminga S, Verbeek J, Frings-Dresen M et al. Effectiveness of a hospital-based work support intervention for cancer patients-a multi-centre randomised controlled trial. Psycho-Oncology. 2013;22:108 [link]
  8. 8 - Burgio KL, Goode PS, Urban DA et al. Preoperative biofeedback assisted behavioral training to decrease post-prostatectomy incontinence: a randomized, controlled trial. The Journal of urology. 2006;175(1):196-201; discussion [link]
  9. 9 - Maguire P, Brooke M, Tait A et al. The effect of counselling on physical disability and social recovery after mastectomy. Clin Oncol. 1983;9(4):319-24 [link]

6. Evidence tabel arbeid

 

Vraag 2: Effect van interventies gericht op arbeid

Systematic reviews

Study ID

Method

Patient characteristics

Intervention(s)

Results

Critical appraisal of review quality

de Boer 2011

·    SR + MA

·    Funding/CoI:

o Coronel Institute of Occupational Health, Netherlands.

o Cochrane Occupational Safety and Health Review Group, Finland.

o University of Birmingham, UK.

o Uniformed Services University of the Health Sciences, USA.

o SIG Pathways to Work. University Research Programme, Netherlands.

o Finnish Work Environment Fund, Finland.

o No CoI known

·    Search date: Feb 2010

·    Databases: CENTRAL, Medline, Embase, Cinahl, OSH-ROM, PsycInfo, DARE, ClinicalTrials.gov, Trialregister.nl, Controlled-trials.com

·    Study designs: RCTs, quasi-RCTs, cluster-RCTs, controlled before-after studies (CBAs)

·    N included studies: 14 RCTs and 4 CBAs

·   Eligibility criteria: adults (18+) with cancer and were in paid employment (employee or self-employed) at the time of diagnosis; all cancer types

·   Patient characteristics:

o N=1652

o Breast cancer: 8 studies; prostate cancer: 3 studies

Any type of intervention with the aim to enhance return-to-work:

·     Psychological

·     Vocational

·     Physical

·     Multidisciplinary

 

vs.

 

Usual care

Diversionary activities (critical): Not reported

 

Physical activity (critical): see Quality of life

 

Self-efficacy (critical): Not reported

 

Cognitive functioning (critical): see Quality of life

 

Job satisfaction (critical): not reported

 

Job loss (critical): not reported

 

(Partial) return to work (important):

·     Psychological interventions:

o 2 RCTs (Lepore 2003): RR = 1.21, 95%CI 0.96-1.51

o 3 CBAs (Capone 1980, Gordon 1980): RR = 1.52, 95%CI 1.19-1.94

·     Vocational interventions: no evidence

·     Physical interventions (1 RCT: Rogers 2009, physical training programme): OR = 1.20, 95%CI 0.32-4.54

·     Multidisciplinary interventions (3 RCTs: Berglund 1994, Burgio 2006, Maguire 1983): RR = 1.15, 95%CI 1.01-1.30

 

Quality of life (important):

·     Psychological interventions:

o 2 RCTs (Lepore 2003):

§ Physical functioning: MD = 1.43, 95%CI -0.71 to 3.57

§ Mental functioning: MD = 0.14, 95%CI -1.62 to 1.91

·     Vocational interventions: no evidence

·     Physical interventions (1 RCT: Rogers 2009, physical training programme): MD = -4.60, 95%CI -11.99 to 2.79

·     Multidisciplinary interventions (1 RCT: Berglund 1994): MD = -0.07, 95%CI -0.33 to 0.19

 

Fatigue (important): Not reported

·   Good quality Cochrane review

·   In general, high risk of bias for included studies, because of lack of ITT analysis, absence of blinding and unclear allocation concealment

·   Included relevant RCTs: Berglund 1994, Burgio 2006, Lepore 2003, Maguire 1983 (quasi-RCT), Rogers 2009

·   Included relevant CBAs: Capone 1980, Gordon 1980

·   Medical interventions: no comparison with usual care (so excluded from this overview)

·   No separate analysis for interventions during or after curative treatment:

o Berglund 1994: after

o Burgio 2006: during

o Capone 1980: during

o Gordon 1980: during

o Lepore 2003: after

o Maguire 1983: during

o Rogers 2009: after

Egan 2013

·    SR

·    Funding/CoI: funded by the Canadian Institutes of Health Research (Grant # KPE-117820) and the Bruyère Research Institute; CoI not reported

·    Search date: Jan 2000 - Jan 2012

·    Databases: PubMed, Embase, Cinahl, PsycInfo, RehabDATA

·    Study designs: SR, RCTs

·    N included studies: unclear

·   Eligibility criteria: adults (18+) that survived cancer

·   Patient characteristics:

o Not reported in detail

Treatments that could be provided by rehabilitation professions

Narrative presentation of results of de Boer 2011 and Tamminga 2010

See evidence report

·   SR of low to moderate quality: outcomes are not clearly described; no search terms provided; data extraction not described; no pooling; study quality not taken into account

Tamminga 2010

·    SR

·    Funding/CoI: granted by the Stichting Insituut GAK (SIG); no CoI

·    Search date: Oct 2008

·    Databases: PubMed, Embase, Cinahl, PsycInfo

·    Study designs: all

·    N included studies: 23

·   Eligibility criteria: adults (18+) diagnosed with cancer

·   Patient characteristics:

o Mean age 48y

o Mainly breast cancer

Interventions aiming at the improvement of return to work, employment status, or work retention through improvement of work-environment-related or person-related factors

Diversionary activities (critical): not reported

 

Physical activity (critical): not reported

 

Self-efficacy (critical): not reported

 

Job satisfaction (critical): not reported

 

Job loss (critical): not reported

 

Cognitive functioning (critical): not reported

 

(Partial) return to work (important): 7 studies (of which 4 controlled trials)

·     Rate of return-to-work in intervention group: range 37-89%, median 76%

·     Controlled trials (N=4):

o Capone 1980: OR 0.24, 95%CI 0.06-1.02

o Maguire 1983: OR 0.37, 95%CI 0.15-0.93

o Berglund 1993: OR 3.50 (0.65-18.98)

o Berglund 1994: OR 0.63 (0.27-1.50)

 

Quality of life (important): not reported

 

Fatigue (important): not reported

·   SR of good quality; no pooling performed because of heterogeneity

·   Mix of studies comparing different interventions or one intervention with usual care

 

Primaire studies

Study ID

Method

Patient characteristics

Interventions

Results

Critical appraisal of study quality

Björneklett 2013

·    Design: RCT

·    Funding/CoI: the County

·    Council of Västmanland, the Swedish Social Insurance Agency, the Västmanland Research Fund against Cancer and the National Federation of Cancer and Traffic Injury; no CoI

·    Setting: single centre, Sweden

·    Sample size: N=382

·    Duration: recruitment April 2002 – Nov 2007

·   Eligibility criteria: women with newly diagnosed primary breast cancer, no previous malignancy, the physical and mental capability to participate in group interventions and to fill in questionnaires and an expected survival time of more than 12 months; patients with a physical disability were excluded, as were patients with severe visual or hearing impairments, serious mental illness, dementia or active alcohol abuse, and patients who had participated in group rehabilitations

·   A priori patient characteristics:

o Age: 30-84y

o Breast-conserving surgery N=293, mastectomy N=89

o No between-group differences

Support-intervention program (N=191):

· information-based support program supplemented with relaxation, qi-gong and liberating dance

· within 4 months of ending adjuvant treatment

· on a residential basis for one week, followed by four days of follow-up two months later

 

vs.

 

Routine control group (N=191)

Physical activity (critical): not reported

 

Job satisfaction (critical): not reported

 

Job loss (critical): not reported

 

Self-efficacy (critical): not reported

 

Return to work (critical): not reported

Surrogate outcomes:

·      Sick leave: no significant differences at 2 (44.3% vs. 45.7%, p=0.853), 6 (36.2% vs. 32.6%, p=0.599) and 12 months (27.1% vs. 25.3%, p=0.783)

 

Quality of life (critical): not reported

 

Level of evidence: high risk of bias

 

·    Randomization with closed envelopes (potential unblinded allocation); no blinding of patients; blinding of assessors not reported; no intention-to-treat analysis

·    Analyses limited to patients aged <65y: 121 in intervention group, 115 in control group

Hubbard 2013

Kyle 2011

·    Design: RCT

·    Funding/CoI: Macmillan Cancer Support and Scottish Centre for Healthy Working Lives; no CoI

·    Setting: 3 NHS hospitals, Scotland

·    Sample size: N=22

·    Duration: recruitment Sep 2010 – Dec 2011; follow-up 12 months

·   Eligibility criteria: women with invasive breast cancer or DCIS first treated with surgery; 18-65y; paid employment or self-employed; living or working in Lothian or Tayside, Scotland, UK

·   A priori patient characteristics:

o Mean age 50.5y

o Stage II: 44.4%

o Full-time employment: 61.1%

o Mean number of hours worked: 32.5 hours/week

Vocational rehabilitation service (Working Health Services, WHS) (N=8):

· telephone contacts with case manager

· face-to-face meeting with case manager

· referral to other service

 

vs.

 

Usual care (N=14)

 

Physical activity (critical): FACT-B, physical well-being subscale, mean (SD)

·      6 months: 23.1 (3.9) vs. 21.9 (6.5); MD = 1.2, 95%CI -7.2 to 4.8, p=0.68

·      12 months: 25.0 (1.4) vs. 23.8 (5.2); MD = 1.2, 95%CI -5.6 to 3.2, p=0.56

 

Job satisfaction (critical): not reported

 

Job loss (critical):

·      All participants had the same job role at 12 months as they had reported before their cancer diagnosis

 

Self-efficacy (critical): not reported

 

Return to work (critical): not reported

Surrogate outcomes:

·      Sick leave at 6 months: MD = 53.1, 95%CI ‑15.8 to 122.0, p=0.122

·      Sick leave at 12 months: MD = 2.0, 95%CI ‑3.4 to 7.3, p=0.441

 

Quality of life (critical): FACT-B scale, mean (SD)

·      6 months: 109.0 (17.9) vs. 98.9 (21.4); MD = 10.1, 95%CI -31.7 to 11.5, p=0.333

·      12 months: 113.7 (18.5) vs. 107.1 (19.8); MD = 6.6, 95%CI -27.3 to 14.2, p=0.51

Level of evidence: high risk of bias

 

·    No blinding of patients; blinded outcome assessment

·    Several drop-outs were excluded from the analysis (1 intervention group, 3 in control group)

·    Changes in protocol due to low recruitment rates

·    WHS provides support to people who are employed in companies with < 250 employees where occupational health services are not routinely available. WHS adopts a biopsychosocial model and a multi-disciplinary approach whereby case management is used to assess individuals’ needs to enable work retention or return through signposting or direct referral to a range of supportive services according to need, such as physiotherapy, occupational therapy, occupational health nurse, occupational health doctor, counsellor/ psychological therapy and complementary therapy

Sherman 2012

·    Design: RCT

·    Funding/CoI: not reported

·    Setting: 3 major medical centers and 1 community hospital, US

·    Sample size: N=249

·    Duration: unclear

·   Eligibility criteria: women with confirmed diagnosis of early-stage breast cancer; no previous history of cancer; who had identified a person most intimately involved in the breast cancer experience who was named their “partner”; no concurrent, uncontrolled, chronic medical illness; no history of psychiatric hospitalization or drug abuse

·   A priori patient characteristics:

o Mean age 53.8y

o Full time employment: 52.8%

Group 1: usual care

 

vs.

 

Group 2: usual care + four phase-specific psychoeducational videos: (a) Coping With Your Diagnosis, (b) Recovering From Surgery, (c) Understanding Adjuvant Therapy, and (d) Your Ongoing Recovery

 

vs.

 

Group 3: usual care + telephone counseling intervention

 

vs.

 

Group 4: usual care + phase-specific psychoeducational videotapes and telephone counseling

Diversionary activities (critical): not reported

 

Physical activity (critical): not reported

 

Self-efficacy (critical): not reported

 

Cognitive functioning (critical): not reported

 

(Partial) return to work (important): not reported

Surrogate outcomes:

·      Vocational well-being (subscale of PAIS): significant main effect for time (p=0.024), but no significant group or group x time interactions

 

Quality of life (important): not reported

 

Fatigue (important): not reported

Level of evidence: low risk of bias

 

Tamminga 2013

·    Design: RCT

·    Funding/CoI: Stichting Insituut Gak; no CoI related to topic

·    Setting: 6 centres, the Netherlands

·    Sample size: N=133

·    Duration: recruitment May 2009 – Dec 2010

o Follow-up: 12 months

·   Eligibility criteria: cancer patients 18-60y who had been treated with curative intent (expected 1-year survival rate of approximately 80%); exclusion of patients who were not sufficiently able to speak, read, or write Dutch, had a severe mental disorder or other severe comorbidity, and for whom the primary diagnosis of cancer had been made more than two months previously

·   A priori patient characteristics:

o Mean age: 47.5 vs. 47.6y

o Female: 99% vs. 100%

o Breast cancer: 64% vs. 60%

Hospital-based work support intervention: patient education and support at the hospital and improvement of communication between treating and occupational physicians; gradual return-to-work plan (N=65)

 

vs.

 

Usual care (N=68)

 

Physical activity (critical):

·      SF-36, physical functioning subscale at 12m: 81 vs. 79, p=0.95

 

Job satisfaction (critical): not reported

 

Job loss (critical):

·      4/65 vs. 5/68

 

Self-efficacy (critical): not reported

 

Return to work (critical):

·      At 12m: 79% in both groups (p=0.97); RR = 1.03 (95%CI 0.84-1.2)

·      HR for partial return-to-work: 1.03 (95%CI 0.64-1.6)

·      HR for full return-to-work: 0.88 (95%CI 0.53-1.5)

 

Quality of life (critical):

·      No significant differences between groups:

o VAS at 12m: 73 vs. 70, p=0.26

o SF-36: no differences on subscales

Level of evidence: high risk of bias

 

·    No blinding of patients or outcome assessors

·    Unclear if allocation was concealed

·    Follow-up data at 12 months: N=128

Abbreviations: 95%CI: 95% confidence interval; CoI: conflicts of interest; RCT: randomized controlled trial; SR: systematic review

 

 

References

 

de Boer AG, Taskila T, Tamminga SJ, Frings-Dresen MH, Feuerstein M, Verbeek JH. Interventions to enhance return-to-work for cancer patients. Cochrane Database of Systematic Reviews. 2011;2(2):CD007569.

 

Egan MY, McEwen S, Sikora L, Chasen M, Fitch M, Eldred S. Rehabilitation following cancer treatment. Disability & Rehabilitation. 2013;35(26):2245-58.

 

Tamminga SJ, de Boer AGEM, Verbeek JHAM, Frings-Dresen MHW. Return-to-work interventions integrated into cancer care: a systematic review. Occup Environ Med. 2010;67(9):639-48.

 

Bjorneklett HG, Rosenblad A, Lindemalm C, Ojutkangas M-L, Letocha H, Strang P, et al. A randomized controlled trial of support group intervention after breast cancer treatment: results on sick leave, health care utilization and health economy. Acta Oncol. 2013;52(1):38-47.

 

Hubbard G, Gray NM, Ayansina D, Evans JMM, Kyle RG. Case management vocational rehabilitation for women with breast cancer after surgery: a feasibility study incorporating a pilot randomised controlled trial. Trials [Electronic Resource]. 2013;14(175).

Sherman DW, Haber J, Hoskins CN, Budin WC, Maislin G, Shukla S, et al. The effects of psychoeducation and telephone counseling on the adjustment of women with early-stage breast cancer. Applied Nursing Research. 2012;25(1):3-16.

 

Tamminga SJ, Verbeek JHAM, Bos MMEM, Fons G, Kitzen JJEM, Plaisier PW, et al. Effectiveness of a hospital-based work support intervention for female cancer patients - a multi-centre randomised controlled trial. PLoS ONE [Electronic Resource]. 2013;8(5):e63271.

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  :

Laatst geautoriseerd  : 01-03-2018

Actualisatie

Voorwaarden voor revisie en beoordelingsfrequentie zijn vastgelegd in de richtlijn. De geldigheidstermijn voor de richtlijn (maximaal 5 jaar na vaststelling) wordt vanuit het Integraal Kankercentrum Nederland bewaakt. Om verscheidene redenen kan actualisatie eerder dan beoogd nodig zijn. Zo nodig zal de richtlijn tussentijds op onderdelen worden bijgesteld.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
Geautoriseerd door:
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Psychosociale Oncologie
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde

Algemene gegevens

Er komen in de dagelijkse oncologische praktijk problemen voor op lichamelijk, cognitief, emotioneel of sociaal vlak en/of met betrekking tot rolfunctioneren en/of zingeving. Deze problemen kunnen aanleiding geven, na signalering en bespreking, tot verwijzing van de desbetreffende patiënt met kanker of die kanker heeft gehad. De (ex-)patiënt kan verwezen worden voor verdere diagnostiek, een leefstijladvies, behandeling door één psychosociale of paramedische zorgverlener, door zorgverleners van verschillende disciplines, of naar medisch specialistische revalidatie. De richtlijn beschrijft hoe tot goede verwijzing naar medisch specialistische revalidatie bij oncologie te komen.

Daarnaast beschrijft de richtlijn:

  • Klachten na curatieve behandeling en in de palliatieve fase
  • Voorspellende factoren voor een gezonde levensstijl
  • Het intakeproces voorafgaand aan medisch specialistische revalidatie bij oncologie
  • Revalidatie(-interventies)
  • Meetinstrumenten voor effectevaluatie
  • Empowerment van de patiënt
  • Ondersteuning/adviezen/(verpleegkundige) interventies gericht op arbeid
  • Kosteneffectiviteit
  • Organisatie van zorg
  • Signalering en nazorg/revalidatiezorg bij kwetsbare (veelal) oudere patiënten met kanker

Doel en doelgroep

De richtlijn richt zich op patiënten van 18 jaar en ouder. Dit betreft patiënten tijdens of na afronding van de in opzet curatieve behandeling en tijdens de palliatieve fase van alle oncologische aandoeningen. Voor de patiënten in de palliatieve fase, de fase die intreedt wanneer duidelijk wordt dat er geen zicht meer is op genezing, richt de richtlijn zich op patiënten in de ziektegerichte- en symptoomgerichte palliatieve fase en expliciet niet op de fase van terminale palliatie.

Voor wie is deze richtlijn bedoeld?
De richtlijn is bedoeld voor zowel primaire oncologische behandelaars (internist-oncologen, chirurgisch oncologisch behandelaars en radiotherapeut oncologen), (gespecialiseerd) verpleegkundig(en) (specialisten), physician assistants, huisartsen en bedrijfsartsen als voor professionals in de psychosociale, paramedische en revalidatiezorg. Voor primaire oncologische behandelaars (internist-oncologen, chirurgisch oncologisch behandelaars en radiotherapeut oncologen), (gespecialiseerd) verpleegkundig(en) (specialisten), physician assistants, huisartsen en bedrijfsartsen die signaleren en verwijzen zijn vooral de uitgangsvragen over klachten na curatieve behandeling en in de palliatieve fase, signalering, bespreking en verwijzing en de modules over kwetsbare (veelal) oudere patiënten met kanker van belang. Voor professionals in de psychosociale, paramedische en medisch specialistische revalidatiezorg (revalidatieartsen, fysiotherapeuten, psychologen, maatschappelijk werkers, ergotherapeuten, etc.) zijn alle uitgangsvragen van belang.

Samenstelling werkgroep

Alle werkgroepleden zijn afgevaardigd namens wetenschappelijke verenigingen en hebben daarmee het mandaat voor hun inbreng. Bij de samenstelling van de werkgroep is geprobeerd rekening te houden met landelijke spreiding, inbreng van betrokkenen uit zowel academische als algemene ziekenhuizen/instellingen en vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen/ disciplines. De patiëntenvereniging is eveneens vertegenwoordigd en in het geval er literatuuronderzoek is gedaan, is er een methodoloog of literatuuronderzoeker betrokken.

Belangenverklaringen

Aan alle werkgroepleden is gevraagd een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de industrie aangeven bij de start en einde van het richtlijntraject. De werkgroepleden hebben verklaard op dit moment of in de laatste drie jaar geen activiteiten te hebben ontplooid op uitnodiging van of met subsidie/ sponsoring van de industrie.

Inbreng patiëntenperspectief

De richtlijnwerkgroep bestaat uit zorgverleners van verschillende psychosociale en (para)medische disciplines en patiëntvertegenwoordigers van de Nederlandse Federatie van Kankerpatientenorganisaties.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Kosteneffectiviteit