Medicamenteuze pijnbehandeling - Startpagina

Laatst beoordeeld: 01-01-2008

Waar gaat deze richtlijn over?

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven de beste zorg is voor barende vrouwen en bevat aanbevelingen en instructies omtrent medicamenteuze pijnbehandeling tijdens de bevalling. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

    • Het vóórkomen van pijn tijdens de bevalling en de intensiteit hiervan onder verschillende groepen barende vrouwen
    • Factoren die de pijnintensiteit tijdens de bevalling beïnvloeden
    • De lichamelijke en emotionele gevolgen van baringspijn
    • Medische redenen waarvoor medicamenteuze pijnbehandeling tijdens de bevalling is aangewezen en de inbreng van vrouwen bij de besluitvorming tot pijnbehandeling
    • De technische en inhoudelijke aspecten van verschillende gangbare medicamenteuze methoden voor pijnbehandeling tijdens de bevalling
    • De organisatie van de zorg omtrent medicamenteuze pijnbehandeling tijdens de bevalling:
      besluitvorming, patiëntenvoorlichting en interdisciplinaire communicatie

 

Voor wie is deze richtlijn bedoeld?

Deze richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de zorg voor barende vrouwen die kiezen voor pijnbehandeling tijdens de bevalling of dit overwegen.

 

Voor patiënten

Baringspijn is een hevige pijn in de buik en/of rug die optreedt ten gevolge van de weeën. Weeën zijn krachtige samentrekkingen van de baarmoederspier, die er voor zorgen dat de baarmoedermond zich opent en het hoofd van de baby kan indalen. Meestal wordt de pijn heviger naarmate de weeën vaker komen. De mate van pijn die wordt ervaren tijdens een bevalling, verschilt erg per vrouw.

Om pijn tijdens de bevalling te verminderen zijn er zowel niet-medicamenteuze als medicamenteuze behandelingen. De medicamenteuze pijnbehandelingen die in Nederland het meest worden toegepast zijn epidurale analgesie (‘ruggenprik’), injecties met pethidine of behandeling via een infuus met remifentanil. Bij al deze behandelingen is het van belang de gezondheid van moeder en kind goed in de gaten te houden. Wanneer een vrouw kiest voor medicamenteuze pijnbehandeling, betekent dit dat de bevalling in het ziekenhuis moet plaatsvinden.

 

Bij aanverwanten staat een link naar de patiëntenversie van deze richtlijn.

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers vanuit anesthesiologen, gynaecologen, verloskundigen en ziekenhuisapothekers.

 

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2008

Laatst geautoriseerd : 01-01-2008

Uiterlijk in 2012 bepaalt de opdrachtgever/ verantwoordelijke instantie of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

Algemene gegevens

MET ONDERSTEUNING VAN:

- Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg

 

CBO MANDATERENDE VERENIGINGEN/INSTANTIES:

- Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen

- Vereniging Kind en Ziekenhuis

 

FINANCIERING:

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun van ZonMw in het kader van het programma 'Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling’ (EBRO)

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De conclusies en aanbevelingen zijn het resultaat van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het expliciteren van goed medisch handelen. De richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van de pijnbehandeling bij de bevalling. Met name de organisatorische aspecten, die tot op heden een belemmering vormden worden belicht. Om verandering te bewerkstelligen biedt deze richtlijn diverse aanknopingspunten voor transmurale afspraken, lokale protocollen, aangepaste personele voorzieningen, de financiering en het gebruik van kwaliteits­indicatoren.

Doelgroep

De richtlijn is in de eerste plaats geschreven voor alle verloskundige hulpverleners: 1e en 2e lijns verloskundigen, huisartsen, gynaecologen en anesthesiologen om de pijnbehandeling gedurende de partus te verbeteren. Daarnaast kan deze richtlijn als standaard gebruikt worden door zwangere vrouwen, patiëntenverenigingen, ziekenhuisorganisaties, zorg­verzekeraars en overheidsinstanties.

Samenstelling werkgroep

  • Mevr. A. Schuurhuis, anesthesioloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht, inhoudelijk voorzitter
  • Dr. H.E.M. Kerkkamp, anesthesioloog, Lid Raad van Bestuur, Atrium Medisch Centrum, Heerlen, technisch voorzitter
  • Mevr. M.E.A. van Bergen-Rodts, directeur, Vereniging Kind en Ziekenhuis, Dordrecht
  • Mevr. dr. J.B. de Boer, beleidsmedewerker, Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen, Utrecht
  • A.P. Drogtrop, gynaecoloog, TweeSteden Ziekenhuis, Tilburg
  • E.J. Krommendijk, anesthesioloog, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam
  • Prof.dr. A.E. Marcus, anesthesioloog, Academisch Ziekenhuis Maastricht
  • Mevr. L.M. Martijn, eerstelijns verloskundige, Deurne
  • Y.G. van der Meer, ziekenhuisapotheker, De Gelderse Vallei, Ede
  • Mevr.dr. K.M. Paarlberg, gynaecoloog, Gelre Ziekenhuizen, locatie Apeldoorn
  • Dr. F.J.M.E. Roumen, gynaecoloog, Atrium Medisch Centrum, Heerlen
  • H.M.S. Theunissen, researchverpleegkundige, Academisch Ziekenhuis Maastricht
  • Dr. M.F.M. Wagemans, anesthesioloog, Reinier de Graaf Groep, Delft
  • Mevr. N. Beersen, adviseur, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Utrecht, secretaris
  • Dr. J.J.E. van Everdingen, senior adviseur, Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg, Utrecht
  • R.T. van Zelm, senior adviseur, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Utrecht, secretaris

Belangenverklaringen

Activiteiten die de leden van de werkgroep ‘medicamenteuze pijnbehandeling tijdens de bevalling’ in de afgelopen drie jaar hebben ontplooid op uitnodiging van of met subsidie van de farmaceutische industrie.


Werkgroep medicamenteuze pijnbehandeling tijdens de bevalling

 

 

Firma

Activiteit

Anders

Dr. H.E.M. Kerkkamp

Mönlicke

wetenschappelijk

onderzoek

 

Mevr. A. Schuurhuis

geen

 

 

Mevr. M.E.A. van Bergen-Rodts

geen

 

 

Mevr. dr. J.B. de Boer

geen

 

 

A.P. Drogtrop

geen

 

 

E.J. Krommendijk

Organon

 

Gesponsord congresbezoek ESA, Wenen, 2005

Prof. dr. A.E. Marcus

DSM, Organon, Skyepharma

wetenschappelijk

onderzoek

 

Mevr. L.M. Martijn

geen

 

 

Y.G. van der Meer

Novartis,

Astra/Zeneca

consultatie/advisering

 

Mevr. dr. K.M. Paarlberg

geen

 

 

Dr. F.J.M.E. Roumen

Organon,

Schering,

Grunenthal

wetenschappelijk

onderzoek

consultatie/advisering

voordrachten op congressen en cursussen tbv huisartsen

M. Theunissen

Bayer, Braun,

Organon,

Skyepharma

wetenschappelijk

onderzoek

 

Dr. M.F.M. Wagemans

Abbott,

Mundipharma

 

Gesponsord

congresbezoek

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Implementatie en indicatorontwikkeling

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is geprobeerd rekening te houden met de implementatie van de richtlijn. Daarbij werd expliciet gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

De richtlijn wordt verspreid onder de Nederlandse ziekenhuizen en de participerende verenigingen. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn ter publicatie aangeboden aan het Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde.

Om te kunnen evalueren wat het effect is van het invoeren van de aanbevelingen uit de richtlijn, zijn indicatoren ontwikkeld. Een indicator is een meetbaar kenmerk van de gezondheidszorg met een signaalfunctie voor (een aspect van) de kwaliteit van zorg. Indicatoren maken het de zorgverleners mogelijk om te meten of zij de gewenste zorg leveren en om onderwerpen voor verbeteringen te identificeren. De indicatoren zijn opgenomen als aanverwant product.

Werkwijze

Werkwijze werkgroep

De werkgroep werkte gedurende ruim 2,5 jaar (12 vergaderingen) aan de totstandkoming van de conceptrichtlijn. De werkgroepleden zochten systematisch literatuur en beoordeelden de kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreven de werkgroepleden een paragraaf of hoofdstuk voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De uiteindelijke teksten vormen samen de conceptrichtlijn die aan de betrokken verenigingen ter becommentariëring wordt aangeboden.

 

Wetenschappelijke bewijsvoering

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht tussen 1996 en 2007 in Medline, Embase en Cochrane databases. Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van opgevraagde literatuur. Hierbij kwamen ook artikelen tevoorschijn die niet uit de liteatuursearch kwamen. Voor remifentanyl is na de commentaarfase de search uitgebreid tot juni 2008. Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld. De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de indeling gebruikt, zoals weergegeven in tabel 1.

Tabel 1: Indeling van de literatuur naar de mate van bewijskracht

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade/bijwerkingen etiologie, prognose

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit en van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen


Niveau van conlusie

 

Conclusie gebaseerd op:

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundingen

 

De beoordeling van de verschillende artikelen vind t u in de verschillende teksten terug in de evidence tabellen en onder het kopje “samenvatting van de literatuur”. Het wetenschappelijk bewijs is vervolgens kort samengevat in een conclusie. De meest belangrijke literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs.

Voor het komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs vaak nog andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: patiëntenvoorkeur, kosten, beschikbaarheid (in verschillende echelons) of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden vermeld onder het kopje “overige overwegingen”. De aanbeveling is het resultaat van het beschikbare bewijs en de overige overwegingen. Het volgen van deze procedure verhoogt de transparantie van de richtlijn. Het biedt ruimte voor een efficiënte discussie tijdens de werkgroepvergaderingen en vergroot bovendien de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.