Medicamenteuze behandeling zeerhoogrisico patiënten DM2

Initiatief: NHG / NIV Aantal modules: 4

Startpagina - Farmacotherapie bij zeerhoogrisicopatiënten met diabetes mellitus type 2 (DM2)

Waar gaat deze richtlijn over?

Het primaire doel van de behandeling van patiënten met diabetes mellitus type 2 (DM2) is het voorkomen van complicaties, zoals hart- en vaatziekten, nierfalen, blindheid en amputaties, met als resultaat een verbeterde kwaliteit van, en indien mogelijk, langer leven. Deze richtlijn gaat over de medicamenteuze behandeling van patiënten met DM2 en een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten. Dit zijn patiënten met eerder doorgemaakte hart- en vaatziekten, patiënten met chronische nierschade met een matig tot sterk verhoogd cardiovasculair risico en patiënten met hartfalen. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • SGLT2-remmers bij patiënten met DM2 en een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten
  • GLP-1 receptoragonisten bij patiënten met DM2 en een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten
  • Medicamenteus stappenplan bij patiënten met DM2 en een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten

 

Op basis van de module over het medicamenteuze stappenplan is ook de NHG-Standaard diabetes mellitus type 2 aangepast. Het betreft een wijziging in het medicamenteuze stappenplan voor patiënten met DM2 en een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten.


Voor wie is deze richtlijn bedoeld?

Deze richtlijn is geschreven voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de behandeling van volwassenen met DM2.

 

Voor patiënten

Een ander woord voor diabetes mellitus is suikerziekte. Als iemand diabetes mellitus heeft, kan het lichaam het bloedsuiker niet goed zelf regelen. Er bestaan diverse vormen van suikerziekte, waarvan de meest belangrijke zijn: diabetes mellitus type 1 en diabetes mellitus type 2. Deze richtlijn gaat over patiënten met diabetes mellitus type 2. Lange tijd te hoge bloedsuikers kan schade geven aan het hart, de ogen, de nieren en de voeten. Sommige patiënten met diabetes mellitus type 2 hebben een erg hoge kans om hart- en vaatziekten te krijgen.

 

Meer informatie over diabetes mellitus type 2 is te vinden op Thuisarts:
https://www.thuisarts.nl/diabetes-type-2

 

Meer informatie over diabetes mellitus type 2 is te vinden op de website van de patiëntenvereniging:
https://www.dvn.nl.

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van Nederlandse Internisten Vereniging en het Nederlands Huisartsen Genootschap. De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers vanuit de internist-endocrinologen, internist-vasculair geneeskundigen, huisartsen en (ziekenhuis)apothekers. Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door inbreng van de Diabetesvereniging Nederland.

 

Toepassen

Op basis van de module over het medicamenteuze stappenplan is de NHG-Standaard diabetes mellitus type 2 aangepast. Het betreft een wijziging in het medicamenteuze stappenplan voor patiënten met DM2 en een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten.


Status van de richtlijn

Uiterlijk in 2022 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Internisten Vereniging en het Nederlands Huisartsen Genootschap of de modules van deze richtlijn nog actueel zijn.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 15-11-2021

Laatst geautoriseerd  : 15-11-2021

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
Geautoriseerd door:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie
  • Diabetesvereniging Nederland

Algemene gegevens

Autorisatie door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie is onder voorbehoud (officiële reactie volgt z.s.m.).

 

De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten en het NHG, en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.

Doel en doelgroep

Doel

Doel is het opstellen van een modulaire evidencebased richtlijn conform de huidige criteria (OMS 2011) naar aanleiding van feedback uit het veld en op basis van actuele wetenschappelijke gegevens. Dit moet leiden tot een nog gerichtere en uniformere behandelingsstrategie van volwassenen met DM type 2 die een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten hebben. Daarnaast wordt patiënteninformatie ontwikkeld, die aansluit bij de informatie die al beschikbaar is op de publiekswebsite Thuisarts.nl.

 

In de voorbereidende fase zijn de volgende knelpunten geprioriteerd:

  1. Wat is de optimale medicamenteuze behandeling van volwassen personen met DM type 2 en een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten: toevoeging van een SGLT2-remmer?
  2. Wat is de optimale medicamenteuze behandeling van volwassen personen met DM type 2 en een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten: toevoeging van een GLP1-receptoragonist?
  3. Wat is de plaats van SGLT2-remmers en GLP1 receptoragonisten in het medicamenteuze stappenplan voor de behandeling van volwassen personen met DM type 2 en een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten?

 

Doelgroep

Deze richtlijn is geschreven voor alle beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor volwassenen met DM type 2. Daarnaast wordt patiënteninformatie ontwikkeld en gepubliceerd op de publiekswebsite Thuisarts.nl.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2019 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor volwassen personen met DM type 2.

 

Werkgroep DM2

  • Dr. E.H. (Erik) Serné, internist-vasculaire geneeskunde/diabetologie, Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam; Nederlandse Internisten Vereniging (voorzitter)
  • Dr. Tj. (Tjerk) Wiersma, senior wetenschappelijk medewerker Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht; Nederlands Huisartsen Genootschap (voorzitter)
  • Dr. R.G. (Richard) Ijzerman, internist-endocrinoloog, Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam; Nederlandse Internisten Vereniging
  • Dr. H.E. (Bertien) Hart, kaderhuisarts diabetes, Leidsche Rijn Julius Gezondheidscentra, Utrecht; Nederlands Huisartsen Genootschap en Diabetes Huisartsen Advies Groep (DiHAG)
  • Dr. P.G.H. (Paul) Janssen, huisarts, Huisartsenpraktijk Baambrugge, Baambrugge; Nederlands Huisartsen Genootschap en Diabetes Huisartsen Advies Groep (DiHAG)
  • Dr. E.P. (Erwin) Klein Woolthuis, kaderhuisarts diabetes, Huisartsenpraktijk Uitvindersbuurt, Ede; Nederlands Huisartsen Genootschap en Diabetes Huisartsen Advies Groep (DiHAG)
  • J.M. (Anne-Margreeth) Krijger-Dijkema, apotheker, Apotheek Stevenshof, Leiden; Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • (Angela) de Rooij, beleidsmedewerker Diabetesvereniging Nederland, Leusden; Diabetesvereniging Nederland, vanaf november 2020
     

Stuurgroep Modulair onderhoud diabetesrichtlijnen

  • Dr. P.S. (Sytze) van Dam, internist niet-praktiserend, OLVG, locatie Oost, Amsterdam; Nederlandse Internisten Vereniging (overkoepelend voorzitter)
  • Dr. E.H. (Erik) Serné, internist-vasculaire geneeskunde/diabetologie, Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam; Nederlandse Internisten Vereniging
  • Prof. dr B.E. (Bastiaan) de Galan, internist, hoogleraar interne geneeskunde-diabetologie, Maastricht UMC+; Nederlandse Internisten Vereniging

 

Met ondersteuning van

  • Dr. K.N.J. (Koert) Burger, epidemioloog, senior-adviseur; Kennisinstituut Federatie van Medisch Specialisten
  • H. (Hanneke) Olthuis-van Essen, adviseur; Kennisinstituut Federatie van Medisch Specialisten
  • M. (Matthijs) Oud, wetenschappelijk medewerker; Nederlands Huisartsen Genootschap
  • N. (Natalia) Bullock, secretaresse; Kennisinstituut Federatie van Medisch Specialisten

 

Met dank aan

  • Prof. dr P.O. Vandvik, Innlandet Hospital Trust-divisjon Gjøvik, Department of Medicine, Lytvyn, Lyubov (for sharing unpublished data on the clinical practice guideline ‘Risk-based treatment with SGLT-2 inhibitors or GLP-1-receptor agonists for adults with type 2 diabetes’ and the underlying systematic reviews)

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste 3 jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Serné (vz)

Internist-vasculaire geneeskunde binnen Amsterdam UMC, locatie VUmc

 

Clustervertegenwoordiger (NIV, NVK, NHG) binnen bestuur Nederlandse Diabetes

Federatie (vacatiegelden),

Lid van Rondetafel Diabeteszorg (onbetaald),

Hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Diabetologie (betaald),

Redactielid platform Diabetesgeneeskunde.nl (onafhankelijk niet-commercieel platform; betaald)

Doelmatigheidsproject ZonMw betreffende behandeling patiënten met 'hypoglycemia unawareness' met 'stepped care' bestaande uit cursus HypoBewust en vervolgens eventueel continue glucosemonitoring (CGM) versus directe start CGM; Advisering binnen Rondetafel Diabeteszorg NDF-ZIN over doelmatige inzet nieuwe behandelingen.

Geen

Wiersma (vz)

Senior wetenschappelijk medewerker Nederlands Huisartsen Genootschap

Geen

Geen

Geen

IJzerman

Internist-endocrinoloog, Amsterdam UMC, locatie VUmc, 0,8 fte, waarvan 0,33 fte gedetacheerd als klinisch beoordelaar bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), Utrecht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geen

Sinds 2016 lokale onderzoeker ‘Post-Authorisation Safety Study’ naar veiligheid insulines tijdens zwangerschap op verzoek van European Medicines Agency (Novo Nordisk). Sinds mei 2017 hoofdonderzoeker van mechanistisch onderzoek naar effecten dapagliflozin en exenatide op de hersenen (VU medisch centrum ontvangt subsidie van AstraZeneca). Vanaf april 2016 1 van de onderzoekers van Europees onderzoek naar ondervoeding bij ouderen (PROMISS; gesubsidieerd door EU Research and Innovation programme Horizon 2020). Hoofdonderzoeker van 2 epidemiologische onderzoeken waarvoor VU medisch centrum subsidie ontving van European Foundation for the Study of Diabetes en NWO.

Geen

Hart

Huisarts Leidsche Rijn Julius Gezondheidscentra; lid Medische Ethische Toetsings Commissie, UMCU; coördinator NHG Kaderopleiding Diabetes, UMCU;

Assistent Professor Julius Centrum, UMCU

Voorzitter Diabetes Huisartsen Adviesgroep (DiHAG; vacatiegelden);

vicevoorzitter en docent Stichting Langerhans (vacatiegelden); lid NHG- Standaardcommissie Diabetes (vacatiegelden); lid Commissie Preventieprogramma ZonMw (vacatiegelden); lid Commissie Opinie en Kennis Nederlandse Diabetesfederatie (NDF; vacatiegelden)

Geen

Geen

Klein Woolthuis

Huisarts, Huisartsenpraktijk Uitvindersbuurt, Ede

Kaderhuisarts diabetes (advies, consultatie en onderwijs in/aan zorggroepen, deels betaald, als zzp'er); penningmeester bestuur Diabetes Huisartsen Advies Groep (DiHAG; vacatiegelden en onkostenvergoeding), lid Commissie Opinie en Kennis Nederlandse Diabetesfederatie (NDF; vacatiegelden)

Geen

Geen

Janssen

Huisarts, Huisartsenpraktijk Baambrugge (0,6 fte), Amsterdam UMC, locatie VUmc (0,4 fte)

Kaderarts Diabetes (onbetaald); voorzitter Kwaliteitscommissie Diabetes, Amstelland Zorggroep (vacatievergoeding);

SCEN-arts (betaling in geval van een uitgevoerde SCEN-consultatie)

Geen

Geen

Krijger-Dijkema

Apotheker, academische apotheek Stevenshof Leiden (5-8 uur per week); projectleider en onderzoeker bij Sir institute for Pharmacy Practice and Policy (onderzoeksinstituut, niet gesponsord door farmaceutische industrie; 20-23 uur per week)

Lid Special interest group diabetes KNMP (vacatiegeld); voorzitter NDF ronde tafel leefstijlinterventies bij DM2 (vacatiegeld); lid Wetenschappelijke Adviesraad Diabetes Fonds (onbetaald); lid werkgroep herziening RL diabetische nefropathie (vacatiegeld)

Geen

Geen

De Rooij - Peek

Senior beleidsmedewerker Belangenbehartiging, Diabetesvereniging Nederland

Geen

Geen

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door afvaardiging van de patiëntenvereniging (Diabetesvereniging Nederland) in de klankbordgroep. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan de Diabetesvereniging Nederland, Nierpatiënten Vereniging Nederland en de Nierstichting (als stichting waarbinnen patiënten ook vaak hun stem laten horen). De aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).

 

Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de stuurgroep van het project Modulair onderhoud diabetesrichtlijnen en de werkgroep DM2 de knelpunten in de zorg voor volwassen personen met DM type 2. Het project Modulair onderhoud diabetesrichtlijnen is gestart met een brede algemene analyse van de knelpunten in de zorg voor personen met diabetes: een schriftelijke knelpuntenanalyse bij de NIV, V&VN, DVN en het NHG, aangevuld met een enquête tijdens de Internistendagen (24-26 april 2019, Maastricht) en een inventarisatie van de belangrijkste knelpunten (top 3) bij de genodigden voor de invitational conference. In de invitational conference zijn de uitkomsten van de schriftelijke knelpuntenanalyses besproken en waar nodig aangevuld, en is een eerste prioritering van de meest urgente revisies (bestaande modules) en aanvullingen (nieuwe modules) vastgesteld (zie het verslag van de invitational in de bijlage). De stuurgroep heeft de definitieve prioritering vastgesteld, waarna onderwerpen zijn geclusterd en afzonderlijke werkgroepen zijn samengesteld op basis van de benodigde expertise. Op basis van aanvullend overleg tussen de stuurgroep en de Diabetes Huisartsen Advies Groep (DiHAG) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) is een werkgroep DM2 opgericht onder voorzitterschap van zowel de NIV als het NHG. Deze werkgroep heeft de knelpunten rondom farmacotherapie verder geanalyseerd en conceptuitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.

 

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvraag behorend bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van 8 uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor het zoeken en selecteren van de literatuur en de beoordeling van de risk of bias van de individuele studies is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ in de ‘Onderbouwing’. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt)relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de 8 GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effectrelatie, groot effect en residuele plausibele confounding).

GRADE onderscheidt 4 gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • Er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van de behandeling ligt.
  • Het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • Er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt.
  • Het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • Er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt.
  • Er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • Er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt.
  • De literatuurconclusie is zeer onzeker.

 

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet een-op-een vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevante verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming over de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk; ook factoren zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie worden meegewogen. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE-methodiek.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs, de belangrijkste overwegingen en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat de werkgroep toekent aan de overwegingen bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat; zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE-gradering HOOG) zal niet altijd, onder alle mogelijke omstandigheden en op elke individuele patiënt van toepassing zijn.

 

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet.

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen.

 

Organisatie van zorg

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijnmodule is expliciet aandacht geweest voor de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, mankracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van deze specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen. Indien relevant worden algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg behandeld in de module ‘Organisatie van zorg’.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijnmodule werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt)organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnmodule aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodule werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt)organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Agoritsas, T, Merglen A, Heen AF, et al.. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open 2017;7:e018593.

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, et al.. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ 2016;353:i2016.

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, et al. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ 2016;353:i2089.

Brouwers MC, Kho, ME, Browman GP, et al. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ 2010;182:E839-E842.

Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, et al. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol 2017;87:4-13.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit. https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/richtlijnontwikkeling.html.

Neumann I, Santesso N, Akl EA, et al.. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol 2016;72:45-55.

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Volgende:
SGLT2-remmers