Uitgangsvraag

  • Waaruit zou voorlichting moeten bestaan, afgestemd op de fase in het zorgtraject en de specifieke functioneringsproblemen van de patiënt (voorlichting op maat)?
  • Wat zijn onderwerpen / vaardigheden die in aanmerking komen om de patiënt aan te leren (zelfmanagement)?

Aanbeveling

Voorlichting aan patiënten in welke vorm dan ook, wordt op maat afgestemd op de patiënt. Een taalbarrière, gezondsheidsvaardigheden en mindergeletterdheid dienen hierbij meegenomen te worden. De patiëntenorganisaties hebben hierin een belangrijke rol, zie verder [module 'Patiëntenorganisaties']. Ook onderlinge afstemming tussen de verschillende (para-)medische disciplines is belangrijk.

 

Bij patiënten met (risico op) lymfoedeem vindt systematische controle plaats op het verloop van het gewicht en de BMI. Informeren over de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) is hierbij belangrijk en zeer behulpzaam [zie ook aanverwant product: Nederlandse Norm Gezond Bewegen]. (minimum norm)

 

Actieve aandacht voor overgewicht (BMI>25-29) en interventies gericht op het verminderen hiervan bijvoorbeeld door het opstellen van een calorische balans, afval- en beweegprogramma’s en consultatie van een diëtist zijn belangrijk. Dit komt tevens aan de orde in [Module 'organisatie zorg'].

 

Voor het starten van de initiële behandeling van lymfoedeem zouden patiënten duidelijk geïnformeerd moeten worden, afgestemd op hun acceptatievermogen, dat ze gedurende hun gehele verdere leven met lymfoedeem moeten omgaan en dat zorg alleen gericht is op het voorkómen of verminderen van lymfoedeem en de gevolgen voor hun leven. De zorgverlener kan aangeven dat dit een acceptatieproces is dat tijd behoeft en dat hij daarbij tot steun wil zijn en dat hij de patiënt wil helpen om zo goed mogelijk met het oedeem om te leren gaan. Bij patiënten met (risico op) lymfoedeem vindt systematische controle plaats op psychosociale en fysieke distress (Lastmeter (distress thermometer)). Indien gewenst en nodig moet een patiënt worden doorverwezen naar een maatschappelijk werker of een psycholoog. (streefnorm)

 

Met name bij gynaecologisch lymfoedeem, lymfoedeem in de genitaal regio en thoraxoedeem kan worden aangegeven dat er gevolgen kunnen zijn voor intieme relaties en dat ook dit onderwerp besproken moet worden. De zorgverlener kan bij problemen op seksueel gebied de patiënt verwijzen naar een seksuoloog.

 

Tijdens de preoperatieve voorlichting aan patiënten die behandeld gaan worden voor kanker, waarbij lymfklieren beschadigd worden, wordt verteld dat als gevolg van de behandeling lymfoedeem kan ontstaan en dat hier in een latere fase op teruggekomen zal worden.

 

Na de operatie / behandeling moet de aandacht worden verplaatst naar:

Actief blijven en goede beweging nastreven, conform de Nederlandse Norm Gezond Bewegen;

Het geven van praktische adviezen ter voorkoming van lymfoedeem en risicovolle omstandigheden; Het aanleren van zelfonderzoek om vroege symptomen van lymfoedeem te herkennen;

De patiënt vertellen dat het optreden van lymfoedeem niet hoeft te betekenen dat er een recidief van de kanker is opgetreden; en dat door vroeg detecteren de verschijnselen van lymfoedeem makkelijker te controleren / managen zijn;

Het behandelen van psychosociale aspecten (emotionele stress, zelfverwijten, minder­waardigheidsgevoelens herkennen);

Wijzen op de noodzaak van gewichtscontrole / afvallen. Dit is een van de belangrijkste beïnvloedbare patiëntgebonden risico factor;

Skincare / huidzorg en intact houden van de epidermis en daarmee hert voorkomen van erysipelas.

 

Timing van secundair preventieve voorlichting is belangrijk. Er is dan alleen sprake van verhoogd risico op lymfoedeem. Een speciale ’bewustwordingscursus‘, bijvoorbeeld op het moment wanneer de oncologische behandeling afgerond is, kan hier aan bijdragen bij patiënten die en klierdissectie hebben ondergaan.

 

Timing van tertiaire preventieve voorlichting is belangrijk bij patiënten die inmiddels lymfoedeem hebben ontwikkeld. Op het moment dat er een 5-10% volume stijging is waargenomen of bij patiënten na erysipelas als uiting van primair lymfoedeem wordt dan een speciale ‘zelfmanagement cursus’ aangeboden.

Deze groepscursussen geven kennis over preventie en zelfmanagement en trainen vaardigheden en kunnen hierbij behulpzaam zijn. De patiëntenorganisatie het Nederlands Lymfoedeem Netwerk of de therapeut kan hier verdere informatie over geven.

Inleiding

Uitgangspunt van deze richtlijn is het Chronic Care Model (CCM). Preventie en zelfmanagement worden gezien als essentiële onderdelen van de zorg voor chronisch zieken [zie terminologie inleiding]. Van patiënten wordt verwacht dat zij - samen met hun zorgverleners - een actieve bijdrage leveren aan hun behandeling en algemene gezondheid (NIVEL 2011). In veel gevallen is hiervoor een attitudeverandering en verandering van gedrag nodig. Dat kan pas worden ontwikkeld wanneer de patiënt een leidende rol krijgt. Dit is een actief proces, waarbij de patiënt begeleid moet worden in zelfcontrole en behandeling. Voorlichting, expliciet gericht op alle domeinen van het menselijk functioneren (volgens de ICF) is hiervoor essentieel.

 

Verstrekking van informatie, instructies, educatie, psychosociale ondersteuning en stimulatie van zelfmanagement zijn sleutelelementen van voorlichting.

 

Om een adequate inhoud van voorlichting te bewerkstellingen moet de behandelaar inzicht hebben in de risicofactoren die deze individuele patiënt zelf kan beïnvloeden en een inschatting te maken of deze patiënt het aankan om zelf verantwoordelijkheid te nemen. Hierbij speelt risicoanalyse van door de patiënt beïnvloedbare risicofactoren en preventieve voorlichting (bijvoorbeeld over levensstijl en gedragsregels) een belangrijke rol.

 

Voorlichting over lymfoedeem en zelfmanagement vindt in het gehele traject plaats: secundair ter preventie aan patiënten met kans op het ontstaan van lymfoedeem na bijvoorbeeld klierdissecties, en tertiair aan patiënten die worden behandeld wegens lymfoedeem, zowel tijdens de behandeling als tijdens de follow-up- en de onderhoudsfase.

 

Timing van voorlichting is zeer belangrijk. Zo wordt informatie over bijvoorbeeld risicofactoren minder goed opgenomen wanneer een patiënt nog helemaal in de beginfase van een oncologische behandeling is en bijvoorbeeld nog een operatie moet ondergaan. Afstemming van voorlichting op het acceptatie niveau, de capaciteiten en specifieke functioneringsproblemen van de patiënt is een belangrijke uitdaging in de dagelijkse praktijk. Idealiter kan een persoonlijk zorgplan als hulpmiddel hierbij in de praktijk behulpzaam zijn.

 

In deze module wordt besproken waaruit voorlichting zou moeten bestaan, afgestemd op de fase in het zorgtraject en de specifieke functioneringsproblemen van de patiënt, ook wel ‘voorlichting op maat’ genoemd.

Conclusies

Niveau 1

Er is sterk bewijs voor de effectiviteit van het behouden van normaal lichaamsgewicht, dan wel het voorkomen van lichaamsgewichtstoename bij patiënten met (risico op) lymfoedeem

 

Cemal 2011

 

Niveau 1

Er is sterk bewijs voor het belang van deelname aan een gesuperviseerd oefenprogramma voor patiënten met (risico op) lymfoedeem waarbij de patiënt leert de intensiteit gedoseerd opbouw. [H 5.3 oefentherapie]

 

Cemal 2011

 

Niveau 2

Het is niet bewezen dat venapunctie zou moeten worden vermeden bij patiënten na lymfeklierdissectie. Ook is er gebrek aan bewijs om het vermijden van knelling, hoog leggen van de extremiteit en vermijden van vliegreizen aan te bevelen is.

 

Cemal 2011

 

Niveau 3

Huidzorg vormt een belangrijk onderdeel van voorlichting aan alle patiënten met (een verhoogd risico op) lymfoedeem, omdat een infectie waarschijnlijk zowel een pre- existent, gecompenseerd lymfafvloedsysteem kan doen decompenseren als een bestaand lymfoedeem kan doen verergeren en, omdat progressief lymfoedeem geassocieerd is met het ontwikkelen van diverse huidafwijkingen.

 

Damstra 2008 b, CREST 2008

 

Niveau 4

Alle zorgverleners rondom de patiënt kunnen vanuit hun basiskennis zogenoemde basis psychosociale zorg verlenen. Door het toepassen van een lastmeter (distress thermometer) bij alle patiënten met lymfoedeem kan in een vroege fase de mate van psychosociale en fysieke distress worden bepaald en kan dit screeningsinstrument een indicatie geven hoe de zorg moet worden aangeboden voor de patiënt. [zie H 4.4] Indien gewenst en nodig moet een patiënt worden doorverwezen naar een bijvoorbeeld fysiotherapeut, medisch maatschappelijk werker, psycholoog of seksuoloog.

 

Mening van de werkgroep

 

Geen

niveau

Er is, zowel bij patiënten als bij zorgverleners, blijvend behoefte aan een systematisch voorlichtingsprogramma waarbij professionals ook weten wie preventieve voorlichting verschaft.

 

CREST 2008, Ridner 2012

 

Niveau 3

Het is waarschijnlijk dat cursussen, waarin patiënten actief worden begeleid in het voorlichtingsproces en aangespoord worden tot zelfmanagement bijdraagt aan een betere kwaliteit van leven voor patiënten met (risico op) lymfoedeem. Er zijn ook aanwijzingen dat een dergelijke aanpak kosteneffectief is.

 

Richardson 2008, Ridner 2012, Bogan 2008, Brouwer

 

Niveau 3

Bij het organiseren van zelfmanagement cursussen is het belangrijk dat goede klinimetrie en effectmeting wordt gedaan bij de patiënt en dat op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde aanbevelingen voor de inhoud van de cursussen worden gevolgd.

 

Ridner 2012

 

Samenvatting literatuur

Er zijn weinig studies voorhanden die gericht naar de inhoud van voorlichting kijken, specifiek afgestemd op elke fase in het zorgtraject en de specifieke functioneringsproblemen van de patiënt. De werkgroep heeft zich dan ook grotendeels gebaseerd op enkele overzichtsartikelen, gepubliceerde richtlijnen en ervaringen van de werkgroepleden. Met betrekking tot de afstemming van voorlichting op maat werken deskundigen internationaal al enige tijd aan een geprotocolleerd voorlichtingsprogramma voor borstkankerpatiënten (CREST 2008;International Society of Lymphology 2013;The Lymphedema Framework 2006). Op regionaal niveau blijkt in toenemende mate afstemming en richtlijnontwikkeling plaats te vinden door verpleegkundige verenigingen en Integrale Kanker Centra. Op diverse plaatsen in het land worden onderzoeksprojecten opgezet. Met betrekking tot preventieve informatie en instructies was er 1 systematische review waarin de effectiviteit van preventieve aanbevelingen bij patiënten met (risico op) lymfoedeem werd onderzocht (Cemal 2011).

Aanvullend kwamen er uit onze search nog enkele artikelen m.b.t. voedingsinterventies. Voor aanbevelingen over huidzorg, psychosociale ondersteuning en zelfmanagement was weinig literatuur specifiek gericht op patiënten met (risico op lymfoedeem) en is grotendeels gebruik gemaakt van ervaring en kennis binnen de werkgroep.

 

Preventieve informatie en instructies

Cemal et al. deden een systematische search (t / m 2011) naar preventieve aanbevelingen die in de praktijk aan patiënten met (risico op) lymfoedeem worden gegeven. Ze includeerden 49 studies waaruit ze zeven hoofdcategorieën van preventieve aanbevelingen opmaakten: vermijden van puncties met naalden, vermijden van knelling, hoog leggen van de extremiteit, vermijden van vliegreizen, behouden van normaal gewicht, vermijden van (zon-)verbranding of extreme hitte, vermijden van extensieve uitputting / training.

 

Concluderend vonden ze sterk bewijs voor de effectiviteit van het behouden van normaal lichaamsgewicht, dan wel het voorkomen van lichaamsgewichtstoename bij patiënten met risico op lymfoedeem.

 

Cemal et al. beschreven o.a. een interessante RCT van matige kwaliteit bij 21 borstkankeroverlevenden, die ook uit onze search naar voren kwam. (Shaw et al. 2007a) vergeleken een 12 weken durende gewichtsverlies interventie, bestaande uit individueel aangepast voedingsadvies om één kg gewichtsverlies per week te bewerkstellingen (interventiegroep), met het verschaffen van een informatiefolder over gezonde voeding (controle groep). Beide groepen kregen daarnaast compressietherapie. Alle uitkomsten waren statistisch significant in het voordeel van de interventie groep. De vrouwen in de interventiegroep verloren in 12 weken gemiddeld 3.3 kg, hun BMI- score daalde met 1.3 en ze hadden een significante armvolumereductie ten opzichte van de controle groep.

 

Een andere RCT van Shaw et al. vergeleek 2 diëten (één met verminderde energie-inname (n=17) en één met alleen verminderde vetinname (n=19)) met geen therapie (n=15) bij borstkanker patiënten met lymfoedeem. Deze studie toonde na 24 weken in geen van de groepen significante volume dalingen aan (Shaw et al. 2007b).

 

Eén aanvullende studie uit onze search (n=10) toonde voordeel aan van toevoeging van een dieetinterventie met middelgrote triglyceride ketens ‘medium chain triglycerides’ aan DLT (decongestieve lymfatische therapie) (Oliveira et al. 2008). [studies niet fulltext gezien, zie evidence tabel]

 

Cemal et al. vonden sterk bewijs voor het belang van deelname aan een gesuperviseerd oefenprogramma voor patiënten met (risico op) lymfoedeem. Wat de resultaten van onze werkgroep [zie module 'Conservatieve behandeling'] bevestigt.

 

Cemal et al. vonden te weinig bewijs om te stellen dat venapunctie zou moeten worden vermeden bij patiënten na lymfeklierdissectie. Ook vonden ze bij patiënten met (risico op) lymfoedeem gebrek aan bewijs voor het vermijden van knelling, hoog leggen van de extremiteit en vermijden van vliegreizen. Voor een uitgebreide tabel van hun resultaten zie tabel in [aanverwant product 'Tabel preventieve maatregelen']

 

Huidzorg

Onder huidzorg wordt verstaan: het verzorgen en verbeteren van de huidconditie en het behandelen van huidafwijkingen van welke aard dan ook.

 

Een infectie kan waarschijnlijk zowel een pre-existent, gecompenseerd lymfafvloedsysteem doen decompenseren als ook een bestaand lymfoedeem verergeren (Damstra et al. 2008b). Huidveranderingen ten gevolge van lymfoedeem of huidveranderingen die lymfoedeem mogelijk compliceren of verergeren zijn onder andere: papillomatosis, xerosis, hyperkeratosis, elefantiasis, maceratie van de ruimten tussen de tenen en infecties (CREST 2008).

 

Bij patiënten met risico op lymfoedeem ligt het accent van de voorlichting vooral op het intact houden van de huid (Damstra et al. 2008b). Patiënten met (risico op) lymfoedeem dienen goed voorgelicht te worden over huidzorg en -hygiëne. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkomen van (kleine) verwondingen, het gebruik van antibacteriële zeep of crème. Bij lymfoedeem aan de benen dient extra aandacht besteed te worden aan huidzorg van de voetzool, het voorkomen van kleine wondjes en schimmelinfecties onder andere door het vermijden van het lopen op blote voeten. Belangrijk is ook te voorkomen dat de huid uitdroogt door toepassen van vochtvasthoudende emollientia.

 

Wanneer huidafwijkingen zich hebben gemanifesteerd dienen deze adequaat behandeld te worden, zo nodig in de klinische setting.

 

Psychosociale ondersteuning

Een chronische aandoening zoals lymfoedeem vraagt in alle fasen van het proces veel van de patiënt. Dit betekent dat een zorgverlener globaal dient te weten wat er kan spelen aan psychosociale gevolgen in die verschillende fasen van lymfoedeem: voorafgaand aan de diagnose, rondom de diagnose, in de behandelfase en in de chronische fase. Voorbeelden van deze psychosociale gevolgen zijn bijvoorbeeld: angst, onzekerheid, verdriet, en gevolgen op alle levensgebieden zoals bijvoorbeeld: lichamelijke verzorging, lichaamsbeeld, relaties, intimiteit, seksualiteit, dagelijkse bezigheden, werk, sport, etc. De patiënt en diens naasten staan voor een aantal taken bij het leren omgaan daarmee. Mensen verschillen in hun mogelijkheden en in de manier waarop ze dat doen. Coping stijlen zijn bijvoorbeeld: actief aanpakken, sociale steun zoeken, vermijden en afwachten of afleiding zoeken.

 

Alle zorgverleners rondom de patiënt kunnen vanuit hun basiskennis zogenoemde basis psychosociale zorg verlenen. Dat wil zeggen: het bieden van aandacht, een luisterend oor, informatie, steun en advies. Die steun kan aansluiten op de patiënt en diens naasten als de zorgverlener luistert naar de patiënt, naar wat er speelt in deze fase van het verwerkingsproces en welke coping stijl de patiënt heeft. Wanneer zij bemerken dat het verwerkingsproces stagneert, is verwijzing naar psychosociale hulpverlening gewenst.

 

Oorspronkelijk is de lastmeter onderzocht en gevalideerd voor patiënten na oncologische behandeling en is daardoor zeker geschikt voor inventarisatie van psychosociale en fysieke distress bij patiënten met secundair lymfoedeem na een voorgaande oncologische ingreep. Echter, door het toepassen van de lastmeter (distress thermometer) bij patiënten met lymfoedeem van een andere origine (primair en secundair) kan in een vroege fase de mate van psychosociale distress worden bepaald en kan dit screeningsinstrument ook een indicatie geven hoe de zorg moet worden aangeboden voor deze patiënt. [zie H4.4] en [Bijlage3: Lastmeter].Indien gewenst en nodig moet een patiënt worden doorverwezen naar een paramedicus, medisch maatschappelijk werker, psycholoog, seksuoloog ed.

 

Timing en afstemming op individuele patiënt (voorlichting op maat)

Preventieve voorlichting over lymfoedeem begint als een patiënt een (operatieve) behandeling ondergaat met risico op het ontstaan van lymfoedeem. Ridner et al. toonden aan dat er blijvend behoefte is aan een systematisch voorlichtingsprogramma waarbij professionals ook weten wie preventieve voorlichting verschaft. Daarom zijn goede werkafspraken en protocollen nodig (Ridner 2006). Tam et al. toonden aan dat de behoefte aan informatie niet alleen geldt voor patiënten, maar ook gezondheidsprofessionals (Tam et al. 2012).

 

Volgens de richtlijnen van de American Cancer Society Lymphedema Workgroup (ACSLW 1998) dient voorlichting aan patiënten met borstkanker te berusten op duidelijk en wetenschappelijk bewezen feitenmateriaal, gegeven te worden via diverse informatiebronnen (mondeling, schriftelijk, elektronisch en dergelijke) en afgestemd te worden op de individuele patiënt (informatie op maat).

 

De feitelijke informatie wordt vaak in het begin gegeven. Het tijdstip en de dosering van informatie, zeker in het kader van zelfmanagement, verschuift steeds meer naar het moment dat de patiënt weer in de fase van re-integratie komt.

 

In de multidisciplinaire richtlijn mammacarcinoom (2012: www.oncoline.com) is er onderscheid gemaakt tussen voorlichting direct postoperatief en op iets langere termijn. In de eerste fase richt de voorlichting zich op het hervatten van dagelijkse activiteiten, in de latere fase op monitoring van lymfoedeem. Door deze gefaseerde aanpak is er minder risico op bewegingsangst en te weinig mobiliteit (disuse).

 

Bewustwordings- en zelfmanagement cursussen

Timing van preventieve voorlichting is een belangrijk onderdeel van ‘voorlichting op maat’. Vaak wordt informatie tijdens de beginfase, wanneer de patiënt nog behandeling ondergaat, niet optimaal opgenomen. Informatie over risicofactoren, preventie en leefstijladviezen sluit mogelijk meer aan bij de belevingswereld van een patiënt in de re-integratie fase. Een speciale ’bewustwordingscursus‘, bijvoorbeeld op het moment wanneer de oncologische behandeling is afgerond, kan hieraan bijdragen. Tijdens zo’n cursus, waaraan meerdere patiënten kunnen deelnemen, wordt voorlichting gegeven gericht op de risicofactoren als infectie, overbelasting, verminderende beweeglijkheid en (toename van) gewicht. Aan de hand van leefregels wordt de patiënt geleerd de risico's te minimaliseren. Een dergelijke cursus kan gegeven worden door een oncologieverpleegkundige of oedeemtherapeut. Het tijdstip is essentieel omdat na een afgeronde oncologische behandeling van operatie, bestraling en eventueel chemotherapie, de patiënt weer de blik naar buiten gaat richten en weer aan re-integratie gaat denken.

 

Richardson et al (2008) onderzochten de effectiviteit van een Expert Patiënten Programma (EPP) waarbij zelfzorg werd aangeleerd om gezondheidsuitkomsten en patiënttevredenheid te verbeteren.

De interventie bestond uit zes 2,5 uur durende groepssessies (8-10 deelnemers), waarbij onderwerpen als ontspanning, dieet, oefening, vermoeidheid en ‘breken met de symptomen spiraal’ aan de orde kwamen. Deze studie liet een verbetering in kwaliteit van leven zien vergeleken met de controlegroep. Daarbij toonden ze aan dat de maatregel kosteneffectief was.

 

Er zijn al vele artikelen gepubliceerd over zelfstandigheid van patiënten, de ‘patiënt als expert’ en over zelfmanagement, waarbij de relatie tussen patiënt en behandelaar vooral gebaseerd is op samenwerking (Bogan et al. 2007). Bogan et al. beschrijven zeven patiënten met lymfoedeem, niet gerelateerd aan kanker, die geïnstrueerd werden over oefeningen die ze zelf kunnen doen, zelfmanagement en advies ten aanzien van bewustzijn. Uit dit onderzoek blijkt des te meer hoeveel impact lymfoedeem heeft op iemands leven en hoe bevrijdend het voor patiënten is wanneer de juiste diagnose wordt gesteld en zij mogelijkheden krijgen om het lymfoedeem binnen de perken te houden. Deze resultaten komen overeen met de conclusies van Brouwer et al. (Brouwer et al, ILF congres Montpellier 2012) die een zelfmanagement training met vijf bijeenkomsten beschrijven bij patiënten met borstkanker gerelateerd lymfoedeem en patiënten met lymfoedeem aan de benen.

Het Nederlandse Expertise Centrum voor lymfologische zorg biedt ook op EPP gebaseerde zelfmanagement cursussen aan, niet te verwarren met bewustwordingscursussen. Voor deze cursussen is een speciaal docenten register aangelegd (zie www.slcn.nl) en is deze opleiding geaccrediteerd door het Nederlands Lymfoedeem Netwerk. Omdat het NLNet lid is van de CG-raad / NPCF, kunnen patiënten een tegemoetkoming in de kosten van deze cursus krijgen via hun zorgverzekeringspolis.

 

Ook binnen het curriculum van de master oncologiefysiotherapeut wordt veel aandacht besteed aan zelfmanagement. Ook deze cursus is geaccrediteerd.

 

Alle patiënten na oksel- of liesklierdissectie, patiënten met erysipelas als eerste symptoom van lymfatische dysfunctie (aangetoond met kwantitatieve lymfscintigrafie) en alle patiënten met reversibel primair lymfoedeem (stage 1) komen in aanmerking voor een zelfmanagement cursus. Tot op vandaag is er in het centrum geen ernstig borstkanker gerelateerd lymfoedeem meer ontstaan en is het percentage recidief erysipelas bij lymfoedeem onder de 0,2% per jaar.

 

Bij het organiseren van zelfmanagement cursussen is het belangrijk dat goede klinimetrie en effectmeting wordt gedaan bij de patiënt en dat op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde aanbevelingen voor de inhoud van de cursussen (Ridner et al. 2012) worden gevolgd.

Referenties

  1. ACSLW. 1998. American Cancer Society Lymphedema Workshop. Workgroup II: Patient education--pre-and posttreatment. Cancer 83 (12 Suppl American): 2880-2881.
  2. Ancukiewicz M, Russell TA, Otoole J, Specht M, Singer M, Kelada A, Murphy CD, Pogachar J, Gioioso V, Patel M, Skolny M, Smith BL, and Taghian AG. 2011. Standardized method for quantification of developing lymphedema in patients treated for breast cancer. Int. J. Radiat. Oncol. Biol. Phys. 79 (5): 1436-1443.
  3. Anderson RT, Kimmick GG, McCoy TP, Hopkins J, Levine E, Miller G, Ribisl P, and Mihalko SL. 2012. A randomized trial of exercise on well-being and function following breast cancer surgery: the RESTORE trial. J. Cancer Surviv. 6 (2): 172-181.
  4. Avraham T, Daluvoy SV, Riedel ER, Cordeiro PG, Van Zee KJ, and Mehrara BJ. 2010. Tissue expander breast reconstruction is not associated with an increased risk of lymphedema. Ann. Surg. Oncol. 17 (11): 2926-2932.
  5. Badger CM, Peacock JL, and Mortimer PS. 2000. A randomized, controlled, parallel-group clinical trial comparing multilayer bandaging followed by hosiery versus hosiery alone in the treatment of patients with lymphedema of the limb. Cancer 88 (12): 2832-2837.
  6. Bates DO. 2010. An interstitial hypothesis for breast cancer related lymphoedema. Pathophysiology. 17 (4): 289-294.
  7. Bats AS, Nos C, Bensaid C, Le Frere-Belda MA, Collignon MA, Faraggi M, and Lecuru F. 2013. Lower-limb drainage mapping for lymphedema risk reduction after pelvic lymphadenectomy for endometrial cancer. Oncologist. 18 (2): 174-179.
  8. Becker C, Assouad J, Riquet M, and Hidden G. 2006. Postmastectomy lymphedema: long-term results following microsurgical lymph node transplantation. Ann. Surg. 243 (3): 313-315.
  9. Belcaro G, Errichi BM, Cesarone MR, Ippolito E, Dugall M, Ledda A, and Ricci A. 2008. Lymphatic tissue transplant in lymphedema--a minimally invasive, outpatient, surgical method: a 10-year follow-up pilot study. Angiology. %2008. Feb. -Mar. ;59. (1)77. -83. doi. : 10. 1177. / 0003319707308564. 59 (1): 77-83.
  10. Berlin E, Gjores JE, Ivarsson C, Palmqvist I, Thagg G, and Thulesius O. 1999. Postmastectomy lymphoedema. Treatment and a five-year follow-up study. Int. Angiol. 18 (4): 294-298.
  11. Bertelli G, Venturini M, Forno G, Macchiavello F, and Dini D. 1991. Conservative treatment of postmastectomy lymphedema: a controlled, randomized trial. Ann. Oncol. 2 (8): 575-578.
  12. Beurkens CHG, Hidding J, and Nijhuis-van der Sanden.M.W.G. 2011. KNGF evidence statement Borstkanker.
  13. Bilancini S, Lucchi M, Tucci S, and Eleuteri P. 1995. Functional lymphatic alterations in patients suffering from lipedema. Angiology. 46 (4): 333-339.
  14. Boccardo F, De CF, Campisi CC, Molinari L, Spinaci S, Dessalvi S, Talamo G, Campisi C, Villa G, Bellini C, Parodi A, Santi PL, and Campisi C. 2013. Surgical prevention and treatment of lymphedema after lymph node dissection in patients with cutaneous melanoma. Lymphology. %2013. Mar. ;46. (1):20. -6. 46 (1): 20-26.
  15. Boccardo FM, Casabona F, Friedman D, Puglisi M, De CF, Ansaldi F, and Campisi C. 2011. Surgical prevention of arm lymphedema after breast cancer treatment. Ann. Surg. Oncol. %2011. Sep. ;18. (9. ):2500. -5. doi. : 10. 1245. /s10434. -011. -1624. -4. Epub. 2011. Mar. 3. 18 (9): 2500-2505.
  16. Bogan LK, Powell JM, and Dudgeon BJ. 2007. Experiences of living with non-cancer-related lymphedema: implications for clinical practice. Qual. Health Res. 17 (2): 213-224.
  17. Box RC, Reul-Hirche HM, Bullock-Saxton JE, and Furnival CM. 2002. Physiotherapy after breast cancer surgery: results of a randomised controlled study to minimise lymphoedema. Breast Cancer Res. Treat. 75 (1): 51-64.
  18. Brambilla L, Tourlaki A, Ferrucci S, Brambati M, and Boneschi V. 2006. Treatment of classic Kaposi's sarcoma-associated lymphedema with elastic stockings. J. Dermatol. 33 (7): 451-456.
  19. Brorson H, Ohlin K, Olsson G, Langstrom G, Wiklund I, and Svensson H. 2006a. Quality of life following liposuction and conservative treatment of arm lymphedema. Lymphology. %2006. Mar. ;39. (1):8. -25. 39 (1): 8-25.
  20. Brorson H, Ohlin K, Olsson G, and Nilsson M. 2006b. Adipose tissue dominates chronic arm lymphedema following breast cancer: an analysis using volume rendered CT images. Lymphat. Res. Biol. %2006. ;4(4):199. -210. 4 (4): 199-210.
  21. Brown JC, Troxel AB, and Schmitz KH. 2012. Safety of weightlifting among women with or at risk for breast cancer-related lymphedema: musculoskeletal injuries and health care use in a weightlifting rehabilitation trial. Oncologist. 17 (8): 1120-1128.
  22. Brouwer E, Damstra RJ. Selfmanagement courses for patients with lymphedema. Results after 50 courses during 5 years in the Netherlands. Presentation ISL world congress Shanghai 2007
  23. Campisi C. 1999. Lymphoedema: modern diagnostic and therapeutic aspects. Int Angiol. 18 (1): 14-24.
  24. Campisi C, Bellini C, Campisi C, Accogli S, Bonioli E, and Boccardo F. 2010. Microsurgery for lymphedema: clinical research and long-term results. Microsurgery. %2010. May. ;30. (4):256. -60. doi. : 10. 1002. /micr. 20737. 30 (4): 256-260.
  25. Carati CJ, Anderson SN, Gannon BJ, and Piller NB. 2003. Treatment of postmastectomy lymphedema with low-level laser therapy: a double blind, placebo-controlled trial. Cancer 98 (6): 1114-1122.
  26. Card A, Crosby MA, Liu J, Lindstrom WA, Lucci A, and Chang DW. 2012. Reduced incidence of breast cancer-related lymphedema following mastectomy and breast reconstruction versus mastectomy alone. Plast. Reconstr. Surg. 130 (6): 1169-1178.
  27. Chan DN, Lui LY, and So WK. 2010. Effectiveness of exercise programmes on shoulder mobility and lymphoedema after axillary lymph node dissection for breast cancer: systematic review. J. Adv. Nurs. 66 (9): 1902-1914.
  28. Chang DW. 2010. Lymphaticovenular bypass for lymphedema management in breast cancer patients: a prospective study. Plast. Reconstr. Surg. %2010. Sep. ;126. (3):752. -8. doi. : 10. 1097. /PRS. 0b013e3181e5f6a9. 126 (3): 752-758.
  29. Cheng MH, Chen SC, Henry SL, Tan BK, Lin MC, and Huang JJ. 2013. Vascularized groin lymph node flap transfer for postmastectomy upper limb lymphedema: flap anatomy, recipient sites, and outcomes. Plast. Reconstr. Surg. %2013. Jun. ;131. (6. ):1286. -98. doi. : 10. 1097. /PRS. 0b013e31828bd3b3. 131 (6): 1286-1298.
  30. Cheng MH, Huang JJ, Nguyen DH, Saint-Cyr M, Zenn MR, Tan BK, and Lee CL. 2012. A novel approach to the treatment of lower extremity lymphedema by transferring a vascularized submental lymph node flap to the ankle. Gynecol. Oncol. %2012. Jul. ;126. (1):93. -8. doi.: 10. 1016. / j. ygyno. 2012. 04. 017. Epub. 2012. Apr 17. 126 (1): 93-98.
  31. Cinar N, Seckin U, Keskin D, Bodur H, Bozkurt B, and Cengiz O. 2008. The effectiveness of early rehabilitation in patients with modified radical mastectomy. Cancer Nurs. 31 (2): 160-165.
  32. Connell F, Gordon K, Brice G, Keeley V, Jeffery S, Mortimer P, Mansour S, and Ostergaard P. 2013. The classification and diagnostic algorithm for primary lymphatic dysplasia: an update from 2010 to include molecular findings. Clin. Genet.
  33. Cormier JN, Askew RL, Mungovan KS, Xing Y, Ross MI, and Armer JM. 2010. Lymphedema beyond breast cancer: a systematic review and meta-analysis of cancer-related secondary lymphedema. Cancer 116 (22): 5138-5149.
  34. Cormier JN, Rourke L, Crosby M, Chang D, and Armer J. 2012. The surgical treatment of lymphedema: a systematic review of the contemporary literature (2004-2010). Ann. Surg. Oncol. 19 (2): 642-651.
  35. Cornish BH, Bunce IH, Ward LC, Jones LC, and Thomas BJ. 1996. Bioelectrical impedance for monitoring the efficacy of lymphoedema treatment programmes. Breast Cancer Res. Treat. 38 (2): 169-176.
  36. CREST. 2008. CREST guidelines for the diagnosis, assessment and management of lymphoedema.
  37. Crosby MA, Card A, Liu J, Lindstrom WA, and Chang DW. 2012. Immediate breast reconstruction and lymphedema incidence. Plast. Reconstr. Surg. 129 (5): 789e-795e.
  38. Czerniec SA, Ward LC, Lee MJ, Refshauge KM, Beith J, and Kilbreath SL. 2011. Segmental measurement of breast cancer-related arm lymphoedema using perometry and bioimpedance spectroscopy. Support Care Cancer 19 (5): 703-710.
  39. Czerniec SA, Ward LC, Refshauge KM, Beith J, Lee MJ, York S, and Kilbreath SL. 2010. Assessment of breast cancer-related arm lymphedema--comparison of physical measurement methods and self-report. Cancer Invest 28 (1): 54-62.
  40. Damstra RJ, Glazenburg EJ, and Hop WC. 2006. Validation of the inverse water volumetry method: A new gold standard for arm volume measurements. Breast Cancer Res. Treat. 99 (3): 267-273.
  41. Damstra RJ, and Mortimer PS. 2008a. Diagnosis and therapy in children with lymphoedema. Phlebology. 23 (6): 276-286.
  42. Damstra RJ, and Partsch H. 2009a. Compression therapy in breast cancer-related lymphedema: A randomized, controlled comparative study of relation between volume and interface pressure changes. J. Vasc. Surg. 49 (5): 1256-1263.
  43. Damstra RJ. 2013. Prospective, randomized, controlled trial comparing the effectivenss of adjustabel comopression Velcro wraps versus inelastic multicomponent compression bandages in the initial treatment of leg lymphedema. Journal of Vascular Surgery: Venous and Lymphatic Disorders (1): 1-13.
  44. Damstra RJ, van Steensel MA, Boomsma JH, Nelemans P, and Veraart JC. 2008b. Erysipelas as a sign of subclinical primary lymphoedema: a prospective quantitative scintigraphic study of 40 patients with unilateral erysipelas of the leg. Br. J. Dermatol. 158 (6): 1210-1215.
  45. Damstra RJ, Voesten HG, Klinkert P, and Brorson H. 2009b. Circumferential suction-assisted lipectomy for lymphoedema after surgery for breast cancer. Br. J. Surg. %2009. Aug. ;96. (8. ):859. -64. doi. : 10. 1002. /bjs. 6658. 96 (8): 859-864.
  46. Damstra RJ, Voesten HG, van Schelven WD, and van der Lei B. 2009c. Lymphatic venous anastomosis (LVA) for treatment of secondary arm lymphedema. A prospective study of 11 LVA procedures in 10 patients with breast cancer related lymphedema and a critical review of the literature. Breast Cancer Res. Treat. %2009. Jan. ;113. (2):199. -206. doi. : 10. 1007. /s10549. - 008. -9932. -5. Epub. 2008. Feb. 13. 113 (2): 199-206.
  47. Deltombe T, Jamart J, Recloux S, Legrand C, Vandenbroeck N, Theys S, and Hanson P. 2007. Reliability and limits of agreement of circumferential, water displacement, and optoelectronic volumetry in the measurement of upper limb lymphedema. Lymphology 40 (1): 26-34.
  48. Demirtas Y, Ozturk N, Yapici O, and Topalan M. 2009. Supermicrosurgical lymphaticovenular anastomosis and lymphaticovenous implantation for treatment of unilateral lower extremity lymphedema. Microsurgery. %2009. ;29. (8. ):609. -18. doi. : 10. 1002. /micr. 20665. 29 (8): 609¬618.
  49. Deng J, Murphy BA, Dietrich MS, Wells N, Wallston KA, Sinard RJ, Cmelak AJ, Gilbert J, and Ridner SH. 2013. Impact of secondary lymphedema after head and neck cancer treatment on symptoms, functional status, and quality of life. Head Neck 35 (7): 1026-1035.
  50. Deng J, Ridner SH, Dietrich MS, Wells N, Wallston KA, Sinard RJ, Cmelak AJ, and Murphy BA. 2012. Prevalence of secondary lymphedema in patients with head and neck cancer. J. Pain Symptom. Manage. 43 (2): 244-252.
  51. Devoogdt N, De GA, Hendrickx A, Damstra R, Christiaansen A, Geraerts I, Vervloesem N, Vergote I, and Van KM. 2014. Lymphoedema Functioning, Disability and Health Questionnaire for Lower Limb Lymphoedema (Lymph-ICF-LL): Reliability and Validity. Phys. Ther.
  52. Devoogdt N, Van KM, Geraerts I, Coremans T, and Christiaens MR. 2011. Lymphoedema Functioning, Disability and Health questionnaire (Lymph-ICF): reliability and validity. Phys. Ther. 91 (6): 944-957.
  53. Didem K, Ufuk YS, Serdar S, and Zumre A. 2005. The comparison of two different physiotherapy methods in treatment of lymphedema after breast surgery. Breast Cancer Res. Treat. 93 (1): 49¬54.
  54. Dini D, Del ML, Gozza A, Lionetto R, Garrone O, Forno G, Vidili G, Bertelli G, and Venturini M. 1998. The role of pneumatic compression in the treatment of postmastectomy lymphedema. A randomized phase III study. Ann. Oncol. 9 (2): 187-190.
  55. DiSipio T, Rye S, Newman B, and Hayes S. 2013. Incidence of unilateral arm lymphoedema after breast cancer: a systematic review and meta-analysis. Lancet Oncol. 14 (6): 500-515.
  56. Feldman JL, Stout NL, Wanchai A, Stewart BR, Cormier JN, and Armer JM. 2012. Intermittent pneumatic compression therayp: a systematic review., 13-25.
  57. Ferrandina G, Mantegna G, Petrillo M, Fuoco G, Venditti L, Terzano S, Moruzzi C, Lorusso D, Marcellusi A, and Scambia G. 2012. Quality of life and emotional distress in early stage and locally advanced cervical cancer patients: a prospective, longitudinal study. Gynecol. Oncol. 124 (3): 389¬394.
  58. Flour M, Clark M, Partsch H, Mosti G, Uhl JF, Chauveau M, Cros F, Gelade P, Bender D, Andriessen A, Schuren J, Cornu-Thenard A, Arkans E, Milic D, Benigni JP, Damstra R, Szolnoky G, and Schingale F. 2013. Dogmas and controversies in compression therapy: report of an International Compression Club (ICC) meeting, Brussels, May 2011. Int. Wound. J. 10 (5): 516¬526.
  59. Földi M, and Földi E. 2012. Földi's textbook of lymphology. Munich.
  60. Foroughi N, Dylke ES, Paterson RD, Sparrow KA, Fan J, Warwick EB, and Kilbreath SL. 2011. Inter-rater reliability of arm circumference measurement. Lymphat. Res. Biol. 9 (2): 101-107.
  61. Fu MR, Ridner SH, Hu SH, Stewart BR, Cormier JN, and Armer JM. 2013. Psychosocial impact of lymphedema: a systematic review of literature from 2004 to 2011. Psychooncology. 22 (7): 1466-1484.
  62. Haghighat S, Lotfi-Tokaldany M, Yunesian M, Akbari ME, Nazemi F, and Weiss J. 2010. Comparing two treatment methods for post mastectomy lymphedema: complex decongestive therapy alone and in combination with intermittent pneumatic compression. Lymphology 43 (1): 25-33.
  63. Halaska MJ, Novackova M, Mala I, Pluta M, Chmel R, Stankusova H, Robova H, and Rob L. 2010. A prospective study of postoperative lymphedema after surgery for cervical cancer. Int. J. Gynecol. Cancer 20 (5): 900-904.
  64. Hayes SC, Rye S, Disipio T, Yates P, Bashford J, Pyke C, Saunders C, Battistutta D, and Eakin E. 2013. Exercise for health: a randomized, controlled trial evaluating the impact of a pragmatic, translational exercise intervention on the quality of life, function and treatment-related side effects following breast cancer. Breast Cancer Res. Treat. 137 (1): 175-186.
  65. Hayes SC, Speck RM, Reimet E, Stark A, and Schmitz KH. 2011. Does the effect of weight lifting on lymphedema following breast cancer differ by diagnostic method: results from a randomized controlled trial. Breast Cancer Res. Treat. 130 (1): 227-234.
  66. Hornsby R. 1995. The use of compression to treat lymphoedema. Journal of Professional Nursing 11: 127-128.
  67. Hou C, Wu X, and Jin X. 2008. Autologous bone marrow stromal cells transplantation for the treatment of secondary arm lymphedema: a prospective controlled study in patients with breast cancer related lymphedema. Jpn. J. Clin. Oncol. %2008. Oct. ;38. (10):670. -4. doi. : 10. 1093. / jjco. /hyn090. Epub. 2008. Sep. 5. 38 (10): 670-674.
  68. Hyngstrom JR, Chiang YJ, Cromwell KD, Ross MI, Xing Y, Mungovan KS, Lee JE, Gershenwald JE, Royal RE, Lucci A, Armer JM, and Cormier JN. 2013. Prospective assessment of lymphedema incidence and lymphedema-associated symptoms following lymph node surgery for melanoma. Melanoma Res. 23 (4): 290-297.
  69. Integraal Kanker Centrum Nederland. 2011. Richtijn oncologische revalidatie.
  70. International Lymphedema Framework I. 2012. ‘Best practice document for the management of lymphedema: surgical intervention.’ Available from http: / / www.lympho.org / resources.php.
  71. International Society of Lymphology. 2009. The diagnosis and treatment of peripheral lymphedema. 2009 Concensus Document of the International Society of Lymphology. Lymphology 42 (2): 51-60.
  72. ISL. 2013. The diagnosis and treatment of peripheral lymphedema: 2013 Consensus Document of the International Society of Lymphology. Lymphology. 46 (1): 1-11.
  73. Irdesel J. 2007. Effectiveness of exercise and compressiongarments in the treatment of breast cancer related lymphedema. Turkish Journal of Physical Medicine and Rehabilitation 53: 16-21.
  74. Jahr S, Schoppe B, and Reisshauer A. 2008. Effect of treatment with low-intensity and extremely low-frequency electrostatic fields (Deep Oscillation) on breast tissue and pain in patients with secondary breast lymphoedema. J. Rehabil. Med. 40 (8): 645-650.
  75. Johansson K, and Branje E. 2010. Arm lymphoedema in a cohort of breast cancer survivors 10 years after diagnosis. Acta Oncol. 49 (2): 166-173.
  76. Katz E, Dugan NL, Cohn JC, Chu C, Smith RG, and Schmitz KH. 2010. Weight lifting in patients with lower-extremity lymphedema secondary to cancer: a pilot and feasibility study. Arch. Phys. Med. Rehabil. 91 (7): 1070-1076.
  77. Kaviani A, Fateh M, Yousefi NR, Alinagi-zadeh MR, and Ataie-Fashtami L. 2006. Low-level laser therapy in management of postmastectomy lymphedema. Lasers Med. Sci. 21 (2): 90-94.
  78. Kilbreath SL, Refshauge KM, Beith JM, Ward LC, Lee M, Simpson JM, and Hansen R. 2012. Upper limb progressive resistance training and stretching exercises following surgery for early breast cancer: a randomized controlled trial. Breast Cancer Res. Treat. 133 (2): 667-676.
  79. Kim dS, Sim YJ, Jeong HJ, and Kim GC. 2010. Effect of active resistive exercise on breast cancer-related lymphedema: a randomized controlled trial. Arch. Phys. Med. Rehabil. 91 (12): 1844-1848.
  80. Koshima I, Nanba Y, Tsutsui T, Takahashi Y, Itoh S, and Fujitsu M. 2004. Minimal invasive lymphaticovenular anastomosis under local anesthesia for leg lymphedema: is it effective for stage III and IV? Ann. Plast. Surg. %2004. Sep. ;53. (3):261. -6. 53 (3): 261-266.
  81. Kozanoglu E, Basaran S, Paydas S, and Sarpel T. 2009. Efficacy of pneumatic compression and low-level laser therapy in the treatment of postmastectomy lymphoedema: a randomized controlled trial. Clin. Rehabil. 23 (2): 117-124.
  82. Kwan ML, Cohn JC, Armer JM, Stewart BR, and Cormier JN. 2011. Exercise in patients with lymphedema: a systematic review of the contemporary literature. J. Cancer Surviv. 5 (4): 320-336.
  83. Lamprou DA, Damstra RJ, and Partsch H. 2011. Prospective, randomized, controlled trial comparing a new two-component compression system with inelastic multicomponent compression bandages in the treatment of leg lymphedema. Dermatol. Surg. 37 (7): 985-991.
  84. Lee B, Andrade M, Bergan J, Boccardo F, Campisi C, Damstra R, Flour M, Gloviczki P, Laredo J, Piller N, Michelini S, Mortimer P, and Villavicencio JL. 2010. Diagnosis and treatment of primary lymphedema. Consensus document of the International Union of Phlebology (IUP)-2009. Int. Angiol. 29 (5): 454-470.
  85. Lee BB, Kim YW, Kim DI, Hwang JH, Laredo J, and Neville R. 2008. Supplemental surgical treatment to end stage (stage IV-V) of chronic lymphedema. Int. Angiol. %2008. Oct. ;27. (5):389. -95. 27 (5): 389-395.
  86. Levick JR, and Michel CC. 2010. Microvascular fluid exchange and the revised Starling principle. Cardiovasc. Res. 87 (2): 198-210.
  87. Lin CH, Ali R, Chen SC, Wallace C, Chang YC, Chen HC, and Cheng MH. 2009. Vascularized groin lymph node transfer using the wrist as a recipient site for management of postmastectomy upper extremity lymphedema. Plast. Reconstr. Surg. %2009. Apr;123. (4):1265. -75. doi. : 10. 1097. /PRS. 0b013e31819e6529. 123 (4): 1265-1275.
  88. Liu Q, Zhou X, and Wei Q. 2005. [Treatment of upper limb lymphedema after radical mastectomy with liposuction technique and pressure therapy]. Zhongguo Xiu. Fu Chong. Jian. Wai Ke. Za Zhi. %2005. May. ;19. (5):344. -5. 19 (5): 344-345.
  89. Lucarelli RT, Ogawa M, Kosaka N, Turkbey B, Kobayashi H, and Choyke PL. 2009. New approaches to lymphatic imaging. Lymphat. Res. Biol. 7 (4): 205-214.
  90. Maegawa J, Mikami T, Yamamoto Y, Satake T, and Kobayashi S. 2010. Types of lymphoscintigraphy and indications for lymphaticovenous anastomosis. Microsurgery. %2010. Sep. ;30. (6. ):437. -42. doi. : 10. 1002. /micr. 20772. 30 (6): 437-442.
  91. Mantegna G, Petrillo M, Fuoco G, Venditti L, Terzano S, Anchora LP, Scambia G, and Ferrandina G. 2013. Long-term prospective longitudinal evaluation of emotional distress and quality of life in cervical cancer patients who remained disease-free 2-years from diagnosis. BMC. Cancer 13: 127.
  92. Markes M, Brockow T, and Resch KL. 2006. Exercise for women receiving adjuvant therapy for breast cancer. Cochrane. Database. Syst. Rev. (4): CD005001.
  93. Matsubara S, Sakuda H, Nakaema M, and Kuniyoshi Y. 2006. Long-term results of microscopic lymphatic vessel-isolated vein anastomosis for secondary lymphedema of the lower extremities. Surg. Today. %2006. ;36. (10):859. -64. 36 (10): 859-864.
  94. Mayja A, and Olivia E. 2008. Effect of low level laser therapy in the management of post mastectomy lymphoedema. Singapore Journal of Physiotherapy 11 (1): 2-5.
  95. Mayrovitz HN, Macdonald J, Davey S, Olson K, and Washington E. 2007. Measurement decisions for clinical assessment of limb volume changes in patients with bilateral and unilateral limb edema. Phys. Ther. 87 (10): 1362-1368.
  96. Mayrovitz HN, Sims N, Hill CJ, Hernandez T, Greenshner A, and Diep H. 2006. Hand volume estimates based on a geometric algorithm in comparison to water displacement. Lymphology 39 (2): 95-103.
  97. McClure MK, McClure RJ, Day R, and Brufsky AM. 2010. Randomized controlled trial of the Breast Cancer Recovery Program for women with breast cancer-related lymphedema. Am. J. Occup. Ther. 64 (1): 59-72.
  98. McNeely ML, Campbell K, Ospina M, Rowe BH, Dabbs K, Klassen TP, Mackey J, and Courneya K. 2010. Exercise interventions for upper-limb dysfunction due to breast cancer treatment. Cochrane. Database. Syst. Rev. (6): CD005211.
  99. McNeely ML, Magee DJ, Lees AW, Bagnall KM, Haykowsky M, and Hanson J. 2004. The addition of manual lymph drainage to compression therapy for breast cancer related lymphedema: a randomized controlled trial. Breast Cancer Res. Treat. 86 (2): 95-106.
  100. McNeely ML, Peddle CJ, Yurick JL, Dayes IS, and Mackey JR. 2011. Conservative and dietary interventions for cancer-related lymphedema: a systematic review and meta-analysis. Cancer 117 (6): 1136-1148.
  101. Megens AM, Harris SR, Kim-Sing C, and McKenzie DC. 2001. Measurement of upper extremity volume in women after axillary dissection for breast cancer. Arch. Phys. Med. Rehabil. 82 (12): 1639-1644.
  102. Meijer RS, Rietman JS, Geertzen JH, Bosmans JC, and Dijkstra PU. 2004. Validity and intra- and interobserver reliability of an indirect volume measurements in patients with upper extremity lymphedema. Lymphology 37 (3): 127-133.
  103. Modolin M, Mitre AI, da Silva JC, Cintra W, Quagliano AP, Arap S, and Ferreira MC. 2006. Surgical treatment of lymphedema of the penis and scrotum. Clinics. (Sao Paulo). %2006. Aug. ;61. (4):289. -94. 61 (4): 289-294.
  104. Moffatt CJ, Franks PJ, Hardy D, Lewis M, Parker V, and Feldman JL. 2012. A preliminary randomized controlled study to determine the application frequency of a new lymphoedema bandaging system. Br. J. Dermatol. 166 (3): 624-632.
  105. Moffatt CJ, and Murray SG. 2010. The experience of children and families with lymphoedema--a journey within a journey. Int. Wound. J. 7 (1): 14-26.
  106. Mostbeck A, and Partsch H. 1999. [Isotope lymphography--possibilities and limits in evaluation of lymph transport]. Wien. Med Wochenschr. 149 (2-4): 87-91.
  107. Murdaca G, Cagnati P, Gulli R, Spano F, Puppo F, Campisi C, and Boccardo F. 2012. Current views on diagnostic approach and treatment of lymphedema. Am. J. Med. 125 (2): 134-140.
  108. Narushima M, Mihara M, Yamamoto Y, Iida T, Koshima I, and Mundinger GS. 2010. The intravascular stenting method for treatment of extremity lymphedema with multiconfiguration lymphaticovenous anastomoses. Plast. Reconstr. Surg. %2010. Mar. ;125. (3):935. -43. doi.: 10. 1097. /PRS. 0b013e3181cb64da. 125 (3): 935-943.
  109. National Lymphedema Network. 2011. Position statement of the National Lymphedema Network. Topic: The Diagnosis And Treatment Of Lymphedema.
  110. Niikura H, Okamoto S, Otsuki T, Yoshinaga K, Utsunomiya H, Nagase S, Takano T, Ito K, Watanabe M, and Yaegashi N. 2012. Prospective study of sentinel lymph node biopsy without further pelvic lymphadenectomy in patients with sentinel lymph node-negative cervical cancer. Int. J. Gynecol. Cancer 22 (7): 1244-1250.
  111. NIVEL. 2011. Overzichtstudie Zorg voor chronisch zieken:organisatie van zorg, zelfmanagement, zelfredzaamheid en participatie.
  112. Notohamiprodjo M, Weiss M, Baumeister RG, Sommer WH, Helck A, Crispin A, Reiser MF, and Herrmann KA. 2012. MR lymphangiography at 3.0 T: correlation with lymphoscintigraphy. Radiology 264 (1): 78-87.
  113. Novackova M, Halaska MJ, Robova H, Mala I, Pluta M, Chmel R, and Rob L. 2012. A prospective study in detection of lower-limb lymphedema and evaluation of quality of life after vulvar cancer surgery. Int. J. Gynecol. Cancer 22 (6): 1081-1088.
  114. Oliveira J, and Cesar TB. 2008. Influence of complex decongestive physical therapy associated with intake of medium-chain tritriglycerides for treating upper-limb lymphedema. The Brazilian Journal of Physical Therapy 12: 31-36.
  115. Oremus M, and Walker K. 2010. Diagnosis and treatment of secondary lymphedema.
  116. Partsch H. 1995. Assessment of abnormal lymph drainage for the diagnosis of lymphedema by isotopic lymphangiography and by indirect lymphography. Clin Dermatol. 13 (5): 445-450.
  117. Partsch. 2003. Practical aspects of indirect lymphography and lymphoscintigraphy. Lymphat. Res Biol. 1 (1): 71-73.
  118. Pusic AL, Cemal Y, Albornoz C, Klassen A, Cano S, Sulimanoff I, Hernandez M, Massey M, Cordeiro P, Morrow M, and Mehrara B. 2013. Quality of life among breast cancer patients with lymphedema: a systematic review of patient-reported outcome instruments and outcomes. J. Cancer Surviv. 7 (1): 83-92.
  119. Qi F, Gu J, Shi Y, and Yang Y. 2009. Treatment of upper limb lymphedema with combination of liposuction, myocutaneous flap transfer, and lymph-fascia grafting: a preliminary study. Microsurgery. %2009. ;29. (1):29. -34. doi. : 10. 1002. /micr. 20567. 29 (1): 29-34.
  120. Reich-Schupke S, Altmeyer P, and Stucker M. 2013. Thick legs - not always lipedema. J Dtsch. Dermatol. Ges. 11 (3): 225-233.
  121. Richardson G, Kennedy A, Reeves D, Bower P, Lee V, Middleton E, Gardner C, Gately C, and Rogers A. 2008. Cost effectiveness of the Expert Patients Programme (EPP) for patients with chronic conditions. J. Epidemiol. Community Health 62 (4): 361-367.
  122. Ridner SH. 2006. Pretreatment lymphedema education and identified educational resources in breast cancer patients. Patiënt. Educ. Couns. 61 (1): 72-79.
  123. Ridner SH. 2009. The psycho-social impact of lymphedema. Lymphat. Res. Biol. 7 (2): 109-112.
  124. Ridner SH, Dietrich MS, Deng J, Bonner CM, and Kidd N. 2009. Bioelectrical impedance for detecting upper limb lymphedema in nonlaboratory settings. Lymphat. Res. Biol. 7 (1): 11-15.
  125. Ridner SH, Fu MR, Wanchai A, Stewart BR, Armer JM, and Cormier JN. 2012. Self-management of lymphedema: a systematic review of the literature from 2004 to 2011. Nurs. Res. 61 (4): 291¬299.
  126. Rockson SG. 2010. Current concepts and future directions in the diagnosis and management of lymphatic vascular disease. Vasc. Med. 15 (3): 223-231.
  127. Salgado CJ, Sassu P, Gharb BB, Spanio di SS, Mardini S, and Chen HC. 2009. Radical reduction of upper extremity lymphedema with preservation of perforators. Ann. Plast. Surg. %2009. Sep. ;63. (3):302. -6. doi. : 10. 1097. /SAP. 0b013e31818d45aa. 63 (3): 302-306.
  128. Sander AP, Hajer NM, Hemenway K, and Miller AC. 2002. Upper-extremity volume measurements in women with lymphedema: a comparison of measurements obtained via water displacement with geometrically determined volume. Phys. Ther. 82 (12): 1201-1212.
  129. Scarsbrook AF, Ganeshan A, and Bradley KM. 2007. Pearls and pitfalls of radionuclide imaging of the lymphatic system. Part 2: evaluation of extremity lymphoedema. Br J Radiol. 80 (951): 219-226.
  130. Shaw C, Mortimer P, and Judd PA. 2007a. A randomized controlled trial of weight reduction as a treatment for breast cancer-related lymphedema. Cancer 110 (8): 1868-1874.
  131. Shaw C. 2007b. Randomized controlled trial comparing a low-fat diet with a weight-reduction diet in breast cancer-related lymphedema. Cancer 109 (10): 1949-1956.
  132. Smoot BJ, Wong JF, and Dodd MJ. 2011. Comparison of diagnostic accuracy of clinical measures of breast cancer-related lymphedema: area under the curve. Arch. Phys. Med. Rehabil. 92 (4): 603-610.
  133. Spillane AJ, Saw RP, Tucker M, Byth K, and Thompson JF. 2008. Defining lower limb lymphedema after inguinal or ilio-inguinal dissection in patients with melanoma using classification and regression tree analysis. Ann. Surg. 248 (2): 286-293.
  134. Springer BA, Levy E, McGarvey C, Pfalzer LA, Stout NL, Gerber LH, Soballe PW, and Danoff J. 2010. Pre-operative assessment enables early diagnosis and recovery of shoulder function in patients with breast cancer. Breast Cancer Res. Treat. 120 (1): 135-147.
  135. Stanton AW, Modi S, Mellor RH, Levick JR, and Mortimer PS. 2009. Recent advances in breast cancer-related lymphedema of the arm: lymphatic pump failure and predisposing factors. Lymphat. Res. Biol. 7 (1): 29-45.
  136. Stemmer R. 1976. [A clinical symptom for the early and differential diagnosis of lymphedema]. Vasa 5 (3): 261-262.
  137. Stemmer R. 1999. [Stemmer's sign--possibilities and limits of clinical diagnosis of lymphedema]. Wien. Med. Wochenschr. 149 (2-4): 85-86.
  138. Stout Gergich NL, Pfalzer LA, McGarvey C, Springer B, Gerber LH, and Soballe P. 2008. Preoperative assessment enables the early diagnosis and successful treatment of lymphedema. Cancer 112 (12): 2809-2819.
  139. Suami H, Pan WR, Mann GB, and Taylor GI. 2008. The lymphatic anatomy of the breast and its implications for sentinel lymph node biopsy: a human cadaver study. Ann. Surg. Oncol. 15 (3): 863-871.
  140. Szuba A, Shin WS, Strauss HW, and Rockson S. 2003. The third circulation: radionuclide lymphoscintigraphy in the evaluation of lymphedema. J Nucl Med. 44 (1): 43-57.
  141. Szuba A, Strauss W, Sirsikar SP, and Rockson SG. 2002. Quantitative radionuclide lymphoscintigraphy predicts outcome of manual lymphatic therapy in breast cancer-related lymphedema of the upper extremity. Nucl. Med. Commun. 23 (12): 1171-1175.
  142. Tam EK, Shen L, Munneke JR, Ackerson LM, Partee PN, Somkin CP, Andre M, Kutner SE, Thiadens SR, and Kwan ML. 2012. Clinician awareness and knowledge of breast cancer-related lymphedema in a large, integrated health care delivery setting. Breast Cancer Res. Treat. 131 (3): 1029-1038.
  143. Taylor R, Jayasinghe UW, Koelmeyer L, Ung O, and Boyages J. 2006. Reliability and validity of arm volume measurements for assessment of lymphedema. Phys. Ther. 86 (2): 205-214.
  144. Tewari N, Gill PG, Bochner MA, and Kollias J. 2008. Comparison of volume displacement versus circumferential arm measurements for lymphoedema: implications for the SNAC trial. ANZ. J. Surg. 78 (10): 889-893.
  145. The Lymphedema Framework. 2006. Best practice for the management of Lymphedema.
  146. Tod J, Scally A, Dodwell D, Horgan K, and Topping A. 2008. A randomised controlled trial of two programmes of shoulder exercise following axillary node dissection for invasive breast cancer., 265-273.
  147. Tsai HJ, Hung HC, Yang JL, Huang CS, and Tsauo JY. 2009. Could Kinesio tape replace the bandage in decongestive lymphatic therapy for breast-cancer-related lymphedema? A pilot study. Support. Care Cancer 17 (11): 1353-1360.
  148. Tuinman MA, Gazendam-Donofrio SM, and Hoekstra-Weebers JE. 2008. Screening and referral for psychosocial distress in oncologic practice: use of the Distress Thermometer. Cancer 113 (4): 870-878.
  149. Viehoff PB, Hidding JT, Heerkens YF, van Ravensberg CD, and Neumann HA. 2013. Coding of meaningful concepts in lymphedema-specific questionnaires with the ICF. Disabil. Rehabil.
  150. Viehoff PB, van Genderen FR, and Wittink H. 2008. Upper limb lymphedema 27 (ULL27): Dutch translation and validation of an illness-specific health-related quality of life questionnaire for patients with upper limb lymphedema. Lymphology 41 (3): 131-138.
  151. Wagner EH. 1998. Chronic disease management: what will it take to improve care for chronic illness? Eff. Clin. Pract. 1 (1): 2-4.
  152. Ward LC, Czerniec S, and Kilbreath SL. 2009. Operational equivalence of bioimpedance indices and perometry for the assessment of unilateral arm lymphedema. Lymphat. Res. Biol. 7 (2): 81¬85.
  153. Weissleder H, Brauer JW, Schuchhardt C, and Herpertz U. 1995. [Value of functional lymphoscintigraphy and indirect lymphangiography in lipedema syndrome]. Z. Lymphol. 19 (2): 38-41.
  154. Wilburn O, Wilburn P, and Rockson SG. 2006. A pilot, prospective evaluation of a novel alternative for maintenance therapy of breast cancer-associated lymphedema [ISRCTN76522412]. BMC. Cancer 6: 84.
  155. World Health Organization. 2001. International Classification of Functioning Disability and Health:ICF. Geneva.
  156. World Health Organization. 2013. Global program to eliminate lymphatic filariasis.
  157. York SL, Ward LC, Czerniec S, Lee MJ, Refshauge KM, and Kilbreath SL. 2009. Single frequency versus bioimpedance spectroscopy for the assessment of lymphedema. Breast Cancer Res. Treat. 117 (1): 177-182.
  158. Yuan Z, Chen L, Luo Q, Zhu J, Lu H, and Zhu R. 2006. The role of radionuclide lymphoscintigraphy in extremity lymphedema. Ann Nucl Med 20 (5): 341-344.

Evidence tabellen

7  Conservatieve behandeling (compressietechnieken,MLD en voorlichting)

Auteur,

jaartal

Studie

opzet

Doel

Setting

Ziekte-beeld

Aantal

geïnclu-

deerde

patiënten

Methoden

Uitkomst-maten

Resultaten

Mate

van

bewijs

Opmerkin

gen

Badger,

2000

RCT,

parallel

group,

prospectief

onderzoek

Onderzoek naar

het effect van

zwachtelen (multi

layer bandaging -

MLB) gevolgd

door het dragen

van elastische

kousen,

vergeleken met

het dragen van

elastische kousen

alleen.

Lymfoedeemkli

niek in het

Royal Marsden

Ziekenhuis in

Londen

Kanker

patiënten met

lymfoedeem

van de

ledematen; de

behandeling

moet tenminste

12 maanden

zijn geleden; er

mag geen

ziekteactiviteit

plaats vinden

ten tijde van

randomisatie.

N=90

(vrouw)

34 patiënten

werden

gerandomis

eerd in de

interventiegr

oep; 49 in

de

controlegroe

p. Patiënten

werden

gevolgd voor

24 weken.

Interventie: 18

dagen

zwachtelen

(MLB) gevolgd

door elastische

kousen voor een

totale periode

van 24 weken.

Contole:

elastische

kousen voor een

periode van 24

weken.

Afname (in

percentage) van

het volume van

de ledematen

na 24 weken.

Zwachtelen

(MLB) als

initiële

behandeling

voor

lymfoedeem

gevolgd door

kousen, bereikt

een grotere

afname in

volume van de

ledematen dan

kousen alleen.

A1

Zwachtel

en vs.

elastische

kousen.

Geinclude

erde

patiënten

met

verschille

nde

oorzaken

in het

ontstaan

van

lymfoede em in zowel de armen als de benen.

Berlin,

1999

Prospectiev e studie

Onderzoeken van ontwikkeling lymfoedeem en het effect van conservatieve therapie.

 

Lymfoedeem van de arm na mastectomie wegens borstkanker

N=226

3 typen

behandelingen

werden

gegeven:

1.

compressiekous en bij 28 pten;

2.

intermitterende compressie (Flowtron) bij 8 pten;

3.

intermitterende

compressie

(Lympha-Press)

en

compressiekous bij 19 pten. Follow-up 5 jaar (175 pten (70%) kon ook

daadwerkelijk de gehele 5jr gevolgd worden).

Waterverplaa tsing van beide armen, zowel

preoperatief als 6x

postoperatief. >100mL verschil tussen beide armen werd gedefinieerd als oedeem.

-  46 pten (20%) ontwikkelden postoperatief oedeem: 17 binnen 6mnd en 29 binnen 1 jaar postoperateif.

-  Gem. oedeemvolume was 418mL.

-  Ernstig lymfoedeem (>750mL) kwam voor bij pten met aangedane lymfklieren en postop. RTx.

-  compressiekousen verminderden oedeem bij 15 vd 28 pten (54%); kousen en Lympha-Press verminderden oedeem bij 13 vd 19 pten (68%).Bij 4 vd 8 pten behandeld met Flowtron verminderde het oedeem.

-  Beëindiging van de therapie gaf opnieuw oedeemvorming.

B

- geen full tekst

verkregen

gegevens

verkregen

uit

abstract

op

pubmed en review Oremus 2012

Bertelli,

1991

 

 

 

Lymfoedeem bij borstkanker

N=74

Twee groepen: de

interventiegroep (n=37) kreeg naast 6u / dag een

compressiekous ook 5x / week gedurende 2wkn elektrisch gestimuleerde lymfdrainage. Dit werd na 5wkn nogmaals herhaald.

De

controlegroep (n=37) kreeg enkel 6u / dag een

compressiekous.

Omvangmeting en op 7 punten langs de arm

- er werd geen significant verschil gezien tussen beide groepen. In beide groepen werd een gemiddelde volumereductie van 17% gezien.

 

- geen full tekst

verkregen

gegevens

uit

evidence tabel van artikel McNeely 2011

Brambill a,2006

Prospectief

onderzoek

Effectiviteit steunkous op lymf-oedeem onderzoeken

 

Lymfoedeem bij Kaposi sarcoom aan onderste extremiteit (unilateraal, onder de knie)

N=65

Twee groepen: interventiegroep (n=50) kreeg steunkousen tot onder de knie (40 mmHg) voor overdag gedurende 15mnd. Na 6mnd werden de kousen

vervangen. Bij de

controlegroep (n=15) werd gedurende de 15mnd niets gedaan.

Omvangmeting en met

intervallen van 1.5cm, omgerekend naar volume onderbeen

- 30 / 50 patiënten (60%) in de

interventiegroe p hadden volumereductie, 20 / 50 (40%) volumetoename

Volumetoenam e bij alle controlepatiënte n

^ significant verschil tussen beide groepen ten faveure van compressie

(p<.001)

B

- kleine

patiënten

groep

Carati,

2003

 

 

 

Lymfoedeem bij borstkanker

N=61

Twee groepen: de eerste groep (n=26) werd behandeld met de ‘low level laser’ en de tweede groep met de ‘nep laser’. Beide groepen kregen een blok van 8 behandelingen, gevolgd door 8wkn rust, waarna een tweede blok van 8 behandelingen volgde.

-  Volume extremitiet mbv perometer

-  bio-impedantie

-  tonometrie

-  symptomen

-  QoL

- geen significante verschillen tussen beide groepen.

 

- geen full tekst

verkregen

gegevens

uit

evidence tabel van artikel McNeely 2011

Cemal,

2011

Systematic

Review

Evaluatie huidige aanbevelingen ter preventie van lymfoedeem en huidig

wetenschappelijk bewijs ter ondersteuning of verwerping van deze claims.

/

Lymfoedeem

49 artikelen

Medline, Scopus en Google Scholar werden systematisch doorzocht naar studies over preventieve maatregelen en risicofactoren.

De artikelen

warden in 7

categorieën

ingedeeld:

vermijden

injecties,

vermijden druk

op ledematen,

omhoog leggen

ledemaat,

vermijden

vliegreizen,

dragen

compressiekous

bij vliegen,

normaal

gewicht

behouden,

vermijd extreme

temperaturen

en verbranding

en vermijd

excessieve

inspanning.

-  weinig

wetenschappelijk bewijs voor vermijden injecties, vermijden van druk, omhoog leggen ledemaat, vermijden extreme temperaturen, vermijden vliegreizen en het dragen van compressiekouse n tijdens vliegen.

-  Goed bewijs (level 1 en 2) ter ondersteuning van de

aanbevelingen een normaal gewicht te behouden en / of gewichtstoename te voorkomen.

-  Sterk bewijs voor

bewegingsprogra

mma’s.

A

 

Damstra

2013

Prospectief

, RCT

Het vergelijken

van de effectiviteit

van een

klittenband

systeem (ACW)

met de

conventionele

niet-elastische

multicomponente

n drukverbanden

(IMC) in de

behandeling van

lymfoedeem van

de benen.

Patiënten

opgenomen op

de lymfoedeem

afdeling in het

Nij Smellinghe

ziekenhuis, te

Drachten,

Nederland.

Matige tot

ernstige vorm

(stage M-IM)

van

lymfoedeem

(zowel primair

als secundair)

van de benen.

N=30

15 patiënten

werden

behandeld met

het ACW

systeem; 15

patiënten

werden

behandeld met

IMC.

Patiënten

kregen de

mogelijkheid het

klittenband

systeem na 2

uur zelf strakker

te doen als het

los aanvoelde.

Metingen

werden verricht

op baseline, na

2 uur en na 24

uur.

Primair:

volumereductie

van het

aangedane

been.

Secundair:

verlies van

compressiedru

k,

Aantal keer

aangepast

door pte

en pte

tevredenheid.

Na 24 uur waren

de mediane

volumereductie

percentages van

de ACW en de

IMC groep

respectievelijk

10.3 en 5.9%

(P<0.05)

9 patiënten

pasten het

klittenbandsyste

em aan: 14x

strakker en 12x

losser.

8 patiënten

rapporteerden

het als positief

dat ze zelf hun

compressie

konden

aanpassen o.b.v. hun

perceptie van

druk.

B

Tot op heden

werd het

klittenband

stysteem

voornamelijk

in de

onderhoudsf

ase gebruikt.

In deze

studie werd

aangetoond

dat het ook

effectief is in

de initiële

fase. Het

voordeel dat

de patiënt

zelf

aanpassinge

n kan doen

past goed in

het kader van

zelfmanagem

ent.

Kleine

steekproef, Korte follow- up

Damstra,

2009

Prospectief

,

gerandomis

eerd.

Onderzoeken of

er een verschil

bestaat tussen

‘low’ en ‘high

pressure’

verbanden in het

beoogde volume

afname van de

behandelde arm,

na 2 en na 24 uur.

Patiënten

opgenomen op

de

lymfoedeemafd

eling in het Nij

Smellinghe

ziekenhuis, te

Drachten,

Nederland.

Patiënten met

unilaterale,

borstkanker

gerelateerde

lymfoedeem,

tenminste 12

maanden na

behandeling

van

borstkanker,

met matig (20-

40%

volumeverschil)

tot ernstig (>40% volume verschil) oedeem.

N=36

(vrouw)

Groep A: ‘low

pressure’

verband (20-30

mm Hg); groep

B: ‘high

pressure’

verband (44-58

mm Hg).

Primair: afname

in volume van

de arm en

volume van het

oedeem in de

aangedane arm

in beide

behandelarmen.

Secundair:

veranderingen

in sub-bandage

druk,

bijwerkingen en

veiligheid.

Er was geen

statistisch

significant

verschil tussen

beide groepen.

Echter, het ‘low

pressure’

verband werd

beter

getolereerd.

B

Zwachtel

en.

Onvoldoe

nde

power

(7,1%).

De helft

van de

onderzoe

kspopulat

ie (N=18)

vulde een

VAS in.

Devoogd t, 2011

RCT.

Het vaststellen van het

preventieve effect van manuele lymf drainage in de ontwikkeling van borstkanker gerelateerde lymfoedeem.

Universiteitszie

kenhuis

Leuven, België.

Patiënten met lymfoedeem van de arm na chirurgische verwijdering van de unilaterale lymfeknopen in de oksel.

160

patiënten

(vrouw)

De randomisatie was

gestratificeerd voor BMI en axillaire irradiatie. Patiënten in de interventiegroep volgden een behandelprogram ma welke bestond uit richtlijnen over de preventie van lymfoedeem, oefeningen en manuele lymfdrainage. De patiënten in de controlegroep volgden hetzelfde behandelprogram ma zonder de manuele lymf drainage. Duur van

behandelprogram ma is zes maanden. Twaalf maanden follow- up.

Cumulatieve incidentie van lymfoedeem in de arm en tijd tot aan het

ontwikkelen

van

lymfoedeem in de arm (arm volume > 200 ml).

In de behandeling van borstkanker gerelateerde lymfoedeem in de arm, is het onwaarschijnlijk dat manuele lymfdrainage in combinatie met het behandelprogramm a en oefeningen na axillaire

lymfeklierdissectie een middelmatig tot groot effect heeft op het reduceren van de incidentie van lymfoedeem in de arm op de korte termijn. De cumulatieve incidentie van lymfoedeem in de arm en de tijd tot aan het ontwikkelen van lymfoedeem in de arm waren voor beide groepen gelijk.

B

Manuele

lymf

drainage

Zorgvuldi

g

uitgevoer de en gerapport eerde studie.

Didem,

2005

Prospectief

gerandomis

eerd.

Het vergelijken van 2

verschillende fysiotherapie methoden in de behandeling van lymfoedeem na chirurgische behandeling van borstkanker

School of Physical Therapy and Rehabilitation, Dokuz Eylul University, Izmir, Turkije.

Patiënten met

unilaterale

lymfoedeem na

chirurgische

behandeling

van

borstkanker.

N=53

(vrouw)

Experimentele groep: ‘complex decongestive physiotherapy’, incl. lymf drainage, ‘multi layer’

drukverband, elevatie, oefeningen en huidzorg. Controle groep: standaard fysiotherapie, incl. verband, ‘elevation’, hoofd-nek en schouder oefeningen en huidzorg. Therapie: 1x per dag, 3 x per week voor 4 weken lang.

Bewegingsgebi

ed,

omtrekmetingen en volume metingen.

Beide groepen lieten een significante afname zien in volume, een vermindering van ongemak en een

toename in de mobiliteit.

B

Complex

e

deconges

tieve

therapie

(gecombi

neerde

behandel

methoden

Geen powerber ekening. Matige rapportag e. Geen eenduidig e en zwakke conclusie )

Feldman , 2012

Systematic

Review

Evalueren bewijs voor effectiviteit van Intermittent Pneumatic Compression (IPC) bij de behandeling van lymf-oedeem

/

Lymfoedeem

N=13

artikelen

Search van

2004-2011 in elf

verschillende

medische

zoekmachines.

De richtlijnlijnen

voor

bewijskracht van The Oxford Medical Journal werden gebruikt voor het indelen van de artikelen naar

bewijsniveau.

Volume

verandering

lymfoedeem

O.b.v. niveau II en III bewijs kan

geconcludeerd worden dat IPC een effectieve behandelmodali teit is om lymfoedeem volume te verminderen, zowel op zichzelf, als gecombineerd met andere DLT

modaliteiten.

Geen

consensus over optimale behandelfreque ntie,

drukniveau, pompschema en kenmerken van IPC apparaat.

A1

- goede kwaliteit review

Haghigh at, 2010

RCT

Vergelijken van 2

behandelingen

voor

postmastectomie

lymfoedeem:

Complex

Decongestive

Therapy’ (CDT)

en ‘Modified DCT’

(MCDT)

gecombineerd

met Intermittent

Pneumatic

Compression

(IPC).

Lymfoedeem Kliniek van het Iraanse Centrum voor Borstkanker

Lymfoedeem na borstkanker

N=112

vrouwen

Gerandomiseerde toewijzing vrouwen in 2 gelijke groepen: groep 1 kreeg dagelijks CDT en groep 2 kreeg dagelijks CDT gecombineerd met IPC.

Waterverplaat

sing

volumetrie voor het meten van de volumereducti e van de bovenste extremiteit

-  enkel CDT liet een significant grotere

volumeafname zien dan CDT icm IPC (p=0.036).

-  volumemeting van de extremiteit 3 maanden na behandeling liet een 16.9% volumereductie zien bij enkel CDT en 7.5% reductie bij MCDT + IPC.

B

 

Hornsby,

1995

 

 

 

Lymfoedeem bij borstkanker

N=25

Twee groepen: de interventie groep (n=14) kreeg gedurende 4-28 wkn naast oefeningen en zelfmassage voor 24u een

compressiekous. Bij de controlegroep (n=11) werd geen compressiekous gegeven.

Volume extremiteit, berekend door waterverplaat sing

- Er werd een significant voordeel van de compressiekou s op korte termijn gezien ^ afname volume 24% in interventiegroe p, -1% in controlegroep.

 

- geen full tekst

verkregen

gegevens

uit

evidence tabel van artikel McNeely 2011

Irdesel,

2007

 

 

 

Lymfoedeem bij borstkanker

N=19

Twee groepen: beide groepen kregen educatie over

lymfoedeem en huidzorg en moesten specifieke oefeningen doen. Enkel de interventiegroep (n=10) kreeg hierbij ook een compressiekous.

-  Omvang extremiteit

-  pijn (VAS)

- geen significante verschillen in omvangmetinge n tussen beide groepen

 

- geen full tekst

verkregen

gegevens

uit

evidence tabel van artikel McNeely 2011

Jahr,

2008

 

 

 

Lymfoedeem bij borstkanker (n=20) en melanoom (n=1)

N=21

Twee groepen: beide groepen ontvingen 1-2x / week gedurende 12wkn MLD. De interventieroep (n=11) kreeg hierbij ook gedurende 4wkn 12 sessies ‘deep oscillation’

- 3D volume metingen van de borst -symptomen: pijn en zwelling van de borst

Significante afname in pijn en subjectieve en objectieve zwelling van de borst na 4wkn in interventie groep. Geen significant verschil meer na 8wkn.

 

- geen full tekst

verkregen

gegevens

uit

evidence tabel van artikel McNeely 2011

Kaviani,

2006

 

 

 

Lymfoedeem bij borstkanker

N=11

Twee groepen: de eerste groep werd behandeld met ‘low level laser therapie’ (Ga-As diode laser) op 5 punten in de oksel, 3x / week gedurende 3 weken met een tussenpoos van 8 wkn, waarna weer gestart werd met 3x / week gedurende 3 weken. De tweede groep onderging hetzelfde regime alleen met de ’nep laser’.

-  Omvang extremiteit

-  pijn en zwaar gevoel

Er werden geen

significante

verschillen

gevonden

tussen beide

groepen.

 

- geen full tekst

verkregen

gegevens

uit

evidence tabel van artikel McNeely 2011

Kozanog lu, 2009

 

 

 

Lymfoedeem bij borstkanker

N=50

Twee groepen: beide groepen moesten dagelijks oefeningen doen en kregen hygiëne- en huidzorg. De eerste groep (n=24) kreeg hierbij

pneumatische compressie: 20 sessies van 2u gedurende 4wkn (60mmHg druk). De tweede groep werd behandeld met ‘low level laser therapie’ (Ga-As laser) op 3 punten in de elleboogsholte en 7 punten in de oksel: 12 sessies

gedurende 4wkn (3x / week).

-  Omvang extremiteit

-  pijn, zwaar gevoel, strak gevoel,

paresthesie en zwakheid

- significant verschil in omvang en pijnscores ten faveure van de lasergroep, net na behandeling en na 12mnd

 

- geen full tekst

verkregen

gegevens

uit

evidence tabel van artikel McNeely 2011

Lamprou , 2011

Prospectief , RCT.

Het vergelijken van de effectiviteit van een

tweecomponente n compressie (2CC) systeem met de

conventionele niet-elastische multicomponente n drukverbanden (IMC) in de behandeling van lymfoedeem van de benen.

Patiënten opgenomen op de lymfoedeem afdeling in het Nij Smellinghe ziekenhuis, te Drachten, Nederland.

Matige tot ernstige vorm (stage M-IM) van

lymfoedeem van de benen.

O

CO

II

z o

15 patiënten werden

behandeld met het 2CC systeem; 15 patiënten werden

behandeld met IMC.

Primair:

volumereductie van het aangedane been. Secundair: vermindering van interface druk.

Het 2CC systeem is een geschikt alternatief naast IMC in de conventionele therapie van matige tot ernstig

lymfoedeem. Er bestaat geen significant verschil tussen beide systemen in druk of volume na 24 uur.

B

Zwachtel

en

Onvoldoe

nde

power.

Maiya,

2008

 

 

 

Lymfoedeem bij borstkanker

N=20

Twee groepen: beide groepen moesten een oefeningenprogr amma volgen.

De eerste groep (n=10) werd daarnaast met een ‘low level laser’ behandeld (He-Ne laser 632.8mm en Diode laser 850nm) op verschillende punten in de oksel 2.4J / cm2, gedurende 34 min / dag over 10

behandelingen. De tweede groep kreeg een compressiekous.

-  Omvang extremiteit op 2 punten

gemeten: 15cm proximaal en 10cm distaal van de laterale epicondyl.

-  Pijn

Geen goede statische analyse gedaan.

 

- geen full tekst

verkregen

gegevens

uit

evidence tabel van artikel McNeely 2011

McNeely , 2004

Prospectief , RCT

Het vergelijken van de afname van lymfoedeem volume in de arm bij manuele lymf drainage (MLD) in combinatie met compressie therapie (CB) met CB alleen.

Cross Cancer Institute, Edmonton, Canada.

Lymfoedeem van de arm.

N=45

(vrouw)

24 patiënten werden

behandeld met manuele lymf drainage in combinatie met compressie therapie; 21 patiënten werden

behandeld met compressie therapie alleen. Patiënten werden gevolgd voor een periode van 4 weken.

Primair: afname in het volume van

lymfoedeem in de arm. Secundair: volume van lymfoedeem in de arm gemeten dmv omtrek.

Het volume van het lymfoedeem in de arm nam af na 4 weken, ongeacht de behandelmetho de.

Compressiether apie, met of zonder manuele lymf drainage, is een effectieve interventie in het reduceren van het volume van lyfoedeem in de arm.

B

Manuele lymfdrain age icm compress ie

therapie

vs.

compress

ie

therapie

alleen.

McNeely

, 2011

Systematic

Review en

Meta-

Analyse

Updaten bewijs

van RCT’s

betreffend

voordelen van

conservatieve en

dieet interventies

bij kanker

gerelateerd

lymfoedeem

/

Kanker

gerelateerd

lymfoedeem

25 studies:

totaal 1018

pten

Searches in

elektronische

databases van

jan 1980 tot aug

2009. Enkel

inclusie RCT’s

die effectiviteit

van

conservatieve

en dieet

interventies

onderzochten en

vergeleken met

placebo,

controle of

vergelijkende

interventies.

M.b.v. de Jadad

5-punten schaal

werden de

studies naar

methodologisch

e kwaliteit

ingedeeld.

Wanneer

mogelijk werden

de data gepoold

en ingedeeld

naar

bewijsniveau 1­4.

- Vijf studies met totaal 198

patiënten onderzochten het

toegevoegde effect van MLD

(manuele lymfdrainage) met

compressietherapie en

compressietherapie alleen. ^

statistisch significant minder

lymfoedeem aan de bovenste

extremiteit bij toevoeging van

MLD aan compressietherapie

(p=0.02). Geen verschil in

ervaren symptomen.

- Niveau 1 bewiis: 3 studies

(totaal 203 patiënten), beweging

geeft geen verbetering of

exacerbatie van lymfoedeem

aan de bovenste extremiteit,

maar wel significante verlichting

van ervaren symptomen (pijn /

gevoeligheid en QoL).

- Niveau 2 bewijs: Meerdere

studies lieten een positief effect

zien van compressieverband en

-kousen op lymfoedeem, bij

enkele studies was dit zelfs

significant. 1 studie liet een

significante verbetering van het

lymfoedeem zien na 12 weken

dieetaanpassingen met

gewichtsverlies.

A1

-

uitgebreid

e search

- vele

wisselend

e typen

kanker

-

sommige

geïnclude

erde

artikelen

bevatten

maar

weinig

patiënten

-

Brambilla

2006,

Hornsby

1995 en

Irdesel

2007

staan ook

in een

evidence

tabel in

dit artikel

Moffatt,

2012

Prospectief

RCT

Onderzoeken van doeltreffendheid en veiligheid van 3Mtm Coban™ 2 compressiesystee m met

verschillende applicatie frequenties in vergelijking met kort rek zwachtels op afname lymfoedeem.

Zeven in lymfoedeem gespecialiseerd e centra in Engeland en vier in de VS

Lymfoedeem van arm of been

82 pten met stadium II lymfoedeem aan arm of been

(42 arm, 40 been)

Per methode werden evenveel pten met lymfoedeem aan de arm als aan het been ingedeeld. 16 pten (8 arm, 8 been) kregen 5x / week de traditionele kort rek zwachtels aangelegd. 18pten kregen 2x / week, 20pten kregen 3x / week en 22pten kregen 5x / week het Coban 2 systeem aangelegd.

Alle pten werden gedurende 19 dagen behandeld.

Het volume van de extremiteit en evt adverse events werden elk bezoek genoteerd.

Primair: percentage volumereductie Secundair: veiligheid, QoL

Grootste afname volume lymfoedeem werd bereikt met het Coban 2 systeem 2x / week

aangebracht. Dit gaf een gemiddelde afname van 18.7% in benen en 10.5% in armen. Frequenter zwachtelen had geen

additioneel

effect.

Kort rek zwachtels gaven een volumeafname van 10.9% en 8.2% voor respectievelijk benen en armen. Geen significante verschillen tussen

behandelingen.

B

-  lage power

-  kleine studiegro epen per behandelt ype

Oliveira,

2008

 

 

 

Lymfoedeem

bij borstkanker

N=16

Twee groepen:

beide groepen

kregen

fysiotherapie:

CDP (massage,

MLD volgens de

Vodder

methode,

compressiezwac

htels en

huidzorg) 3x /

week gedurende

4 weken. De

eerste groep

(n=5) kreeg hier

dieetadvies bij, betreffende medium keten triglyceriden (MCT). De tweede groep kreeg maisolie (placebo).

- volume meting

extremiteit mbv

water-

verplaatsing

- bio-

impedantie:

totaal lichaams

water

- gewicht &

lengte

- eet gewoonten

- significant

verschil tussen

beide groepen

in volume

metingen en

omvang 10cm

onder het

olecranon in het

voordeel van de

toevoeging van

MCT.

- Overige

uitkomstmaten

geen

significante

verschillen.

 

-

voedings-

interventi

es

- geen full

tekst

verkregen

,

gegevens

uit

evidence

tabel van

artikel

McNeely

2011

Ridner,

2012

Systematic

Review

Evaluatie van level of evidence tav zelfzorg bij lymfoedeem. Definitie zelfzorg: activiteiten die individuen ondernemen en op zichzelf uitvoeren zonder de hulp van anderen.

16 artikelen gepubliceerd tussen jan 2004-mei 2011.

Lymfoe-

deem

 

- Search in 11 medische databases. Exclusie van kwalitatieve studies, case reports, ‘gray literatuur’, ‘nonrefereed’ artikelen, abstracts en dissertaties.

- 10 categorieën

zelfzorg:

pneumatische

compressieappa

raten,

aromatherapie,

compressiekous

en, full-body

oefeningen,

infectie

management,

fase 2 ‘complete

decongestive

therapy’,

simpele MLD,

huidzorg,

gewichtsverlies

en zelf-

monitoring.

-  geen van de artikelen voldeed aan de eisen voor ‘recommended for practise’

-  ‘likely to be effective’: full- body oefeningen lijken geen effect te hebben op armvolume, maar lijkt verbetering te geven van de klachten.

-  ‘Effectiveness Not Established’: pneumatische compressieappar aten, MLD en gewichtsverlies geven symptoom verlichting.

-  ‘Effectiveness Unlikely’: geen significant verschil in volume extremiteit bij gebruik van aromatherapie.

A1

- weinig RCT’s voldeden aan

gestelde

eisen

 

Shaw, 2007 I

RCT

Evealuatie van gewichtsverlies interventie als behandeling voor BCRL

Recruitement

via Royal

Marsden

Hospital

London en the

Lymphedema

Support

Network (een

Nat.patiënten

org.)

Lymfoedeem bij borstkanker

N=21

2 groepen: de eerste groep (n=11) kreeg een

dieetprogramma met 1000 kcal / dag minder en een

compressiekous. De tweede groep kreeg een boek over gezond eten en een

compressiekous.

-  omvang- metingen omgerekend naar volume extremitei

-  lengte & gewicht -huidplooien

-  eet gewoonten

Significante reductie in overtollig armvolume (afname van 349mL of 44%, p=0.003). gewicht (3.3kg, p=0.02) en BMI (1.3, p=0.016) in de groep met het

dieetprogramm

a.

B

voedings-

interventi

es

Shaw, 2007 II

RCT

Vergelijking van twee voedings interventies als behandeling voor BCRL

Recruitement via Royal Marsden Hospital London

Lymfoedeem bij borstkanker

N=51

3 groepen: 2 diëten: (1 met verminderde energie-inname (n=17) en 1met alleen

verminderde vet inname (n=19))

1 cö groep: geen therapie therapie (n=15)

 

Na 24 weken in

geen van de 3

groepen

significante

volume

dalingen

B

 

Springer,

2010

Prospectief

observation ele studie

In kaart brengen

dysfunctie

bovenste

extremiteit na

behandeling

borstkanker

National Naval Medical Center Breast Care Center, USA

Onbehandeld, unilateraal, stadium I-III borstkanker

N=94

(vrouw)

Alle patiënten kregen

preoperatieve educatie en instructies voor oefeningen en postoperatief een specifiek therapie protocol (PT), inclusief oefeningen ter verbetering van range of motion (ROM) en kracht.

Metingen bij baseline en 1,3­6 en 12mnd postoperatief.

Lichaamsgewic

ht, ROM,

pijnlevels,

volume

bovenste

extremiteit

1mnd

postoperatief significante afname van alle metingen, maar na 1 jaar meeste weer op baseline niveau.

Bij meeste vrouwen die PT kregen, ROM en kracht naar verwachting na 3mnd weer op baseline. Ontwikkeling lymfoedeem 3- 12mnd

postoperatief,

onafhankelijk

van

schouderfunctie

C

- geen controle

Stout,

2008

Case

controle

studie

Aantonen

effectiviteit

surveillance

programma ter

opsporing van

lymfoedeem

 

Unilateraal

stadium I-III

borstkanker

N=196

(vrouw) ^

43 werden

gediagnostic

eerd met

lymfoedeem

Twee groepen:

de ene groep

bestond uit 43

gezonde

vrouwen en de

andere groep uit

43 vrouwen

behandeld

vanwege

unilaterale

borstkanker.

Beide groepen

kregen

compressiethera

pie: bij de groep

met patiënten

werd de

compressiethera

pie gestart bij

volumetoename

van aangedane

arm van >3%

t.o.v. pre-op*.

Controles

gedurende

18mnd:

preoperatief en

1,3,6,9,12 en

18mnd

postoperatief

Afname

lymfoedeem

Korte

behandeling

van

lymfoedeem

met

therapeutisch

elastische

kousen in de

subklinische

fase (in deze

studie

gedefinieerd als

een

volumetoename

>3 %) was al

effectief om

lymfoedeem te

reduceren.

Gemiddelde

volumetoename

van aangedane

arm was 83mL

bij diagnose

lymfoedeem

(p=0.005). Na

interventie

significante

afname van

gemiddeld

48mL

(p=<0.0001)

B

- kleine

groepen

-

onduidelij

k onder

welke

voorwaar

den

controlegr

oep

startte

met

compress

ietherapie

-

onduidelij

k bij

hoeveel

afname

van

armvolum

e

(gemeten

mbv

peromete

r)

compress

ietherapie

gestaakt

mocht

worden

Szuba,

2002

Gerandomi

seerd,

prospectief

onderzoek

Het onderzoeken van de veiligheid en relatieve effectiviteit van adjuvante pneumatische compressietherap ie (PCT) in de behandeling van patiënten met borstkanker gerelateerde lymfoedeem.

Patiënten van het Stanford Center voor Lymfatische en Veneuze aandoeningen.

Stabiele en

behandelde

borstkanker

gerelateerde,

lymfoedeem.

N=23 in studie 1; 27 in studie 2 (vrouw)

23 patiënten, nog niet eerder behandeld voor lymfoedeem, werden

gerandomiseerd

naar ofwel

decongestieve

lymfatische

therapie (DLT)

alleen of DLT

met adjuvante

intermitterende

pneumatische

compressie

(IPC).

Veiligheid

en

effectiviteit

van

adjuvante

IPC

therapie.

Wanneer IPC wordt

toegepast in combinatie met andere

elementen van DLT,

waaronder manuele lymf drainage, compressie therapie en decongestieve oefeningen, laat het een verbetering zien in de therapeutische respons. De therapie wordt goed

verdragen en er worden geen

complicaties

gemeld.

B

Pneumatische

compressie

therapie

Er wordt niet duidelijk gemaakt of patiënten uit studie 2

dezelfde zijn als uit studie 1.

Methode van randomisatie niet

omschreven. Geen gegevens over sceening omschreven. Relatief kleine studiepopulatie (geen

powerberekenin g). Geen baseline table voor studie 2. Informed consent? Blindering van outcome assessor?

Tsai,

2009

Pilot studie;

gerandomis

eerd,

gecontrolee

rd.

Onderzoek van

het

behandeleffect en

behoud hiervan,

van standaard

decongestieve

lymfatische

therapie (DLT) in

combinatie met

pneumatische

compressie, in

vergelijking tot

aangepaste DLT

in combinatie met

pneumatische

compressie

waarbij de

zwachtel wordt

vervangen door

Kinesio tape.

Database werd

opgezet door

maatschappelij

k werkers

werkzaam bij

instellingen of

organisaties die

patiënten

begeleiden in

de behandeling

van

borstkanker.

Unilaterale

borstkanker

gerelateerde,

matige tot

ernstige

lymfoedeem

(>3 mnd)

N=41

(vrouw)

41 patiënten

werden

gerandomiseerd

in de DLT groep

(N=21) of in de

aangepaste

(Kinesio tape)

DLT groep

(N=20).

Daarnaast

werden

huidzorg,

manuele lymf

drainage

pneumatische

compressiethera

pie, en

fysiotherapie

toegepast.

Patiënten

hadden een

controle periode

van 4 weken,

gevolgd door 4

weken

interventie en

een follow-up

van 3 maanden.

Primaire

uitkomstmaat:

omvang van

ledemaat (arm).

Secundair:

water

compositie van

de bovenste

extremiteiten,

symptomen

gerelateerd aan

lymfoedeem,

kwaliteit van

leven en

acceptatie van

het

verbandmiddel

(waaronder

compliance).

Er is geen

significant

verschil tussen

beide groepen

op alle

uitkomstmaten.

De Kinesio tape

lijkt beter te

worden

verdragen dan

de zwachtel.

Echter, wel was

te zien dat bij

het gebruikt van

Kinesio tape

meer wonden

voorkwamen.

Gesuggereerd

wordt om de

zwachtel te

vervangen voor

de Kinesio tape

in het geval van

een lage

compliance na

een interventie

periode van 1

maand.

B

Hier zijn

subjectiev

e

bevinding

en en

omvangs

verminder

ing op

één hoop

gegooid.

Qua

omvangs

verminder

ing scoort

de

zwachtel

significant

beter!

Kleine

steekproe

f,

onvoldoe

nde

power.

Tuinman , 2008

Cross-

sectionele

studie

Valideren ‘Distress Thermometer’ (DT) in NL en overeenkomst onderzoeken met een 46-item probleemlijst, mogelijke risicofactoren en de wens tot verwijzing.

‘Comprehensiv

e’

kankercentrum

Noord-

Nederland,

Groningen,

Nederland

Psychologische stress bij kanker patiënten

N=277

kankerpatiën

ten

Een cross- sectionele groep kankerpatiënten behandeld in 9 verschillende ziekenhuizen vulden de DT en de ‘Hospital Anxiety and Depression Scale’ in en scoorden de aanwezigheid en ernst van problemen.

-  DT

-  Probleemlijst

-  Hospital Anxiety and Depression Scale

-  de

probleemlijst bleek een betrouwbare maatstaf. Vijf items

correleerden sterk met de DT, 13 items matig, 26 items zwak en 2 items

correleerden niet significant.

-  sterke relatie DT en

probleemlijst (r=0.68) en sterke relatie DT en HADS (r=0.57;

p<0.001).

C

 

Viehoff,

2013

Systematic

Review

Identificeren en kwantificeren van nuttige

onderdelen uit vragenlijsten gericht op lymfoedeem aan ICF.

Erasmus MC Rotterdam, afdeling dermatologie

Lymfoedeem

136 studies met een studiepopula tie waarvan 65%

lymfoedeem van de bovenste extremiteit had, 25% van de onderste extremiteit, 3% in de midline en 7% een combinatie van

bovenstaand

e.

Elektronische searches werd uitgevoerd in Medline, EMBASE, CINAHL, CENtral en Pedro (2005- 2010)naar lymfoedeem specifieke vragenlijsten gevonden.

Overeenkomst

gevonden

nuttige

onderdelen uit vragenlijsten met ICF categorieën.

- In totaal werden 12 lymfoedeem specifieke vragenlijsten gevonden: 10 voor de bovenste extremiteit, 1 voor de onderste en 1 voor

lymfoedeem in het algemeen).

A

 

Wilburn,

2006

Prospectief

gerandomis eerd, cross over design.

Het

onderzoeken van het effect van de Flexitouch in vergelijking tot manuele lymf

drainage.

Stanford Centrum voor lymfatische en veneuze aandoeningen.

Patiënten met uni­laterale borst­kanker gerelateer de lymfoe- deem van de arm

N=10

(vrouw)

Patiënten

werden

gerandomiseerd en pasten toe ofwel dagelijks gebruik van de Flexitouch ofwel compressie kledij in

combinatie met manuele lymf drainage, eenmaal daags, 14 dagen lang, gevolgd door 1 week wahs-out waarna

crossover plaats vond.

Gedurende de washout periode was het toegestaan om compressie kledij te dragen.

Primair:

volume

respons.

Deze relatief korte

evaluatie van

de Flexitouch

suggereert

dat deze de

onderhoudsb

ehandeling

van

lymfoedeem

beter

controleert dan manuele lymf drainage in patiënten met

borstkanker

gerelateerde

lymfoedeem.

B

Manuele lymf drainage Methode van randomisatie onduidelijk. Informatie omtrent sample size wordt niet duidelijk omschreven; sample size lijkt vrij klein te zijn voor een gerandomiseerd onderzoek (in discussie sectie wordt opeens gesproken over pilot studie?). Onafhankelijk onderzoek? Invloed industrie? In de conclusie sectie wordt nl. gesproken over de ‘evaluatie van de Flexitouch’. Terwijl het een vergelijkend onderzoek suggereert. Berekening SF-36 scores incorrect (Total scores? Ipv PCS en MCS scores). Er wordt geen therapietrouw gemeten. Follow-up periode is relatief kort.

Overwegingen

Om tot een eenduidige voorlichting te komen zouden behalve de (para)medici en de patiëntenorganisaties ook de verschillende opleidingen van artsen, paramedici, verplegenden en verzorgenden hierbij betrokken moeten worden. Alleen dan kan snel vooruitgang worden geboekt met implementatie en kunnen kosten en tijd worden bespaard die nu verloren gaat aan nodeloos overleg en afstemming. Binnen elke behandeling van lymfoedeem zou zelfmanagement besproken en geeffectueerd moeten worden.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-05-2014

Laatst geautoriseerd : 01-05-2014

Omdat deze richtlijn modulair is opgebouwd, kan herziening op onderdelen eenvoudig plaatsvinden. Een eerste moment zal zeker medio 2015-2016 zijn als de verwachte lymfoedeem core set ontwikkeld is. Op dat moment zal een nieuwe (deel)werkgroep worden samengesteld voor een herzieningstraject.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire geneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Algemene gegevens

Financiering

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun vanuit het SKMS-programma en Stichting Nationaal Huidfonds.

 

Deelnemende verenigingen / instanties

  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatiegeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie En Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie binnen de Lymfologie
  • Nederlandse Vereniging van Huidtherapeuten
  • Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers
  • Nederlandse Vereniging van Orthopaedisten en Bandagisten (NVOS-Orthobanda)
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland oncologie (V&VN oncologie)
  • Nederlands Netwerk voor lymfoedeem en lipoedeem (NLNet)
  • Borstkankervereniging Nederland.

 

Ondersteuning

  • Bureau Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.

Doel en doelgroep

Doelstelling van de richtlijn

Deze richtlijn dient als leidraad voor de dagelijkse praktijk om zo de kwaliteit van de zorg voor alle patiënten met (risico op) lymfoedeem te bevorderen. Rond chronische ziekten is op dit moment veel verandering in visie en aanpak gaande. Daarom is, indien mogelijk, gekozen om deze vernieuwde inzichten in overeenstemming met het overheidsbeleid voor chronisch zieken toe te passen. De basis hierbij is het streven om de zorg in alle fasen van ‘het ziek zijn’ tot een sluitende keten te maken: van vroegtijdige onderkenning, preventie, zelfmanagement, behandeling en follow-up alle gericht op goede zorg. Daarnaast is het doel om mensen langer gezond te laten leven en mensen zo lang mogelijk in de maatschappij te laten participeren en tegelijkertijd de zorg betaalbaar te houden (NIVEL 2011).

De aanpak kenmerkt zich door vier speerpunten:

  • Beter afgestemde multidisciplinaire zorg
  • Op elkaar aansluitende organisatie en zorg
  • Meer centraal stellen van de patiënt met eigen regie en eigen verantwoordelijkheid
  • Een goede samenhang tussen preventie en curatie.

Tot slot is er in deze richtlijn ook aandacht voor de toepasbaarheid en implementatie van de aanbevelingen. De werkgroep spreekt de hoop uit dat alle zorgaanbieders op basis van deze richtlijn voor het eigen ziekenhuis / kliniek een protocol en voorlichtingsmateriaal maken, waarin de stappen van (lichamelijk) onderzoek, diagnostiek, behandeling en (na)zorg worden beschreven.

 

Doelgroep / richtlijngebruikers

De doelgroep wordt gevormd door alle zorgaanbieders die werkzaam zijn op het gebied van lymfoedeem of betrokken zijn bij de diagnostiek en / of behandeling van patiënten met deze aandoening. Dit betreft zowel de medische, paramedische als verpleegkundige beroepsgroepen.

Samenstelling werkgroep

Werkgroepleden

Vereniging

Dr. R.J. Damstra (voorzitter)

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en

Mevrouw Drs. A.B. Halk (secretaris)

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en

Dr. J.P. van den Berg

Nederlandse Vereniging van Revalidatiegeneeskunde

Mevrouw Y. Born

Nederlandse Vereniging van Huidtherapeuten

Mevrouw E.S.F.A. Butter

V&VN oncologie

Mevrouw Drs. E.B.L. van Dorst

Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

Dr. J.J.E. van Everdingen

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en

Mevrouw C. Feenstra

Nederlandse Vereniging van Huidtherapeuten

Mevrouw Drs. P. Gielink

Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie binnen de

Mevrouw Drs. M.J. de Haas

Nederlondse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde

Mevrouw G. van der Heide-Schoon

Borstkankervereniging Nederland

De heer A. Hendrickx

Kon. Nederlandse Gen. voor Fysiotherapie

Mevrouw drs. J.T. Hidding

Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie binnen de

Drs. J.B. Storm van Leeuwen

Nederlogdse Vereniging voor Plastische Chirurgie

Mevrouw S. Nijland

V&VN dermatologie

Mevrouw E. Oskam

Borstkankervereniging Nederland

Mevrouw I. Paulusma

V&VN oncologie

Mevrouw Dr. N. Russell

Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie

Mevrouw K. Rutgers- van Wijlen

Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers

Mevrouw I. Sissingh

VATEK / NVOS-Orthobanda

Dr. L.J.A. Strobbe

Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Mevrouw Drs. C. J. A. Verhoeff-Braat

Nederlands Netwerk voor lymfoedeem en lipoedeem

De heer R. Verwaard

Nederlandse Vereniging van Orthopaedisten en

Mevrouw Dr. C. van der Vleuten

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en

Drs. H.G.J.M. Voesten

Nederlandse Vereniging voor vaatchirurgie

Drs. mevrouw A. Hartog

Ondersteuning NVDV

Drs. mevrouw M.C. Urgert

Ondersteuning NVDV

Inbreng patiëntenperspectief

Patiëntenorganisaties zullen trachten deze richtlijn uit te brengen in een speciale 'patiënten editie‘. Doel is de richtlijn in heldere taal beschikbaar te stellen aan niet-professionals waarbij patiënten de gelegenheid hebben voor een actieve participatie en kennis opbouw rond de diagnostiek en behandeling van hun aandoening.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Bij het opstellen van deze richtlijn is veel aandacht besteed aan praktische uitvoerbaarheid, effectiviteit en nut en noodzaak. Het koplopers project van de orde heeft hierbij richtinggevend gewerkt. Een aantal aanbevelingen zijn dan ook voorzien van normen als: minimum norm, standaard norm en streefnorm.

Werkwijze

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is gebruik gemaakt van de EBRO-criteria (evidence based richtlijn ontwikkeling). De richtlijn werd voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht in Medline-, Cochrane- en Cinahl-databases tot juni 2013. Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van opgevraagde literatuur. Ook werden andere richtlijnen aangaande lymfoedeem geraadpleegd. Na selectie door de werkgroepsleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld. De geselecteerde literatuur is samengevat in evidence tabellen, die zijn opgenomen in de bijlagen [bijlage 5]. Bij sommige hoofdstukken kon gebruik worden gemaakt van grote internationale meta-analyses uitgevoerd volgens de EBRO richtlijnen. Op grond van zorgvuldige overweging is er voor gekozen deze evidence tabellen niet allemaal te re-evalueren en de searches opnieuw uit te voeren. De gebruikte literatuur is daarnaast samengevat in de tekst van de hoofdstukken onder het kopje ‘wetenschappelijke onderbouwing’. Elke wetenschappelijke onderbouwing is afgesloten met één of meerdere conclusies. Deze conclusies en de daarvoor gebruikte literatuur zijn gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de volgende indeling gebruikt (tabel 1 en 2):

 

Tabel 1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studie

Kwaliteit

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade / bijwerkingen*, etiologie, prognose

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard') met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding' en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohortonderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohortonderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohortonderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies

 

Tabel 2: Niveau van conclusies

niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen