Loopvaardigheid Spina Bifida

Initiatief: Cluster Motorische stoornissen (voorheen Bewegingsstoornissen) Aantal modules: 25

Zorg tijdens geboorte en eerste twee levensjaren

Publicatiedatum: 30-06-2026
Beoordeeld op geldigheid: 30-06-2026

Uitgangsvraag

Organisatie van zorg

  • Hoe kan de zorg ten aanzien van behandeling na de geboorte en eerste twee levensjaren bij kinderen met spina bifida (SB) het beste worden georganiseerd?

Communicatie en informatievoorziening

  • Op welke wijze kunnen kinderen en jongeren met spina bifida en gezin optimaal medisch en psychosociaal ondersteund worden na de geboorte en eerste twee levensjaren?
  • Welke informatie is voor de ouders en kinderen van belang bij de diagnose SB na de geboorte en eerste twee levensjaren?

Aanbeveling

Organisatie van zorg

Beschrijf in een lokaal medisch en verpleegkundig protocol de volgende zaken over de geboorte en de zorg voor pasgeborenen met SB:

  • Beleid ten aanzien van de partus.
  • Opname afdeling.
  • Eerste opvang en verpleegkundige aandachtspunten van zorg.
  • Inschakelen van het multidisciplinair SB-team.

De geboorte vindt plaats in een SB centrum.

 

De zorg voor kinderen met spina bifida vindt plaats met ondersteuning van een multidisciplinair team. Dit team bestaat uit een kinderneuroloog en/of neurochirurg, kinderarts en/of nefroloog, uroloog, revalidatiearts, kinderfysiotherapeut medisch maatschappelijk werk, psycholoog, continentieverpleegkundige en/of urotherapeut (klinische consensus). Het team kan laagdrempelig advies vragen van een kinderorthopeed en (plastisch) chirurg.

 

Overweeg de inzet van een extramuraal revalidatieteam en eerstelijns paramedici zoals kinderfysiotherapeut voor kinderen die meer ondersteuning nodig hebben in de ontwikkeling.

 

Overweeg de indicatie voor therapeutische peutergroep of extra begeleiding op een regulier kinderdagverblijf voor kinderen die meer ondersteuning nodig hebben in de ontwikkeling.

 

Communicatie en informatievoorziening

Geef naar aanleiding van de klinische bevindingen voorlichting over de prognose en het monitoren van symptomen door ouders (van o.a. de mobiliteit, cognitieve ontwikkeling en blaas- en darmfunctie).

 

Geef voorlichting over het mogelijk verlaat behalen van motorische mijlpalen en de mogelijkheid dat een kind de loopvaardigheid verliest op basis van de beschrijving van het natuurlijk beloop.

Overwegingen

Inleiding

SB leidt tot afwijkingen in motoriek en sensibiliteit, blaas- en darmfunctiestoornissen en hydrocefalus en geassocieerde leer- en gedragsproblemen. De ernst is afhankelijk van het anatomische niveau van het defect, maar de functionele uitkomst in het individuele kind/jongere kent toch een behoorlijke variatie en geeft daarmee onzekerheid in prognose. Geassocieerde intracerebrale afwijkingen zijn bijvoorbeeld een Chiari II malformatie, het (ontstaan van) een hydrocefalus, corpus callosumafwijkingen en heterotopieën. Daarnaast zijn er vaak belangrijke, minder bekende, problemen waaronder slaap gerelateerde ademhalingsstoornissen, syringomyelie, tethered cord syndroom en scoliose. Ook orthopedische en urologische complicaties zijn veelvuldig voorkomend, waarvoor ook operaties nodig kunnen zijn. Al met al is SB een complexe aandoening die levenslang om zorg vraagt en een multidisciplinaire benadering vereist.

 

Organisatie van zorg

Geboorte vindt plaats in een landelijk SB centrum met beschikbaarheid van een multidisciplinair team (klinische consensus).

 

Een verpleegkundig protocol voor de geboorte, eerste opvang en zorg van een neonaat met SB zorgt ervoor dat ook in afwezigheid van de verpleegkundig specialist en specialisten van het SB team de juiste zorg geboden wordt. Het wordt ook gebruikt voor de voorbereiding van de partus.

In dit protocol worden de onderstaande aandachtspunten besproken:

  • Wijze van partus: Er zijn onvoldoende gegevens om een vaginale partus te ontraden indien er geen sprake is van een ernstige hydrocefalus of grote meningo(myelo)cele (Cuppen, 2011) .
  • Opname afdeling: meestal neonatale intensive care afdeling, soms ook zuigelingenafdeling.
  • Verpleegkundige aandachtspunten zoals: verpleging in buikligging met monitorbewaking en voorkomen van decubitus (knieën); verzorging van de cèle; urinewegcatheterbeleid; observatie neurologische symptomen zoals tekenen van verhoogde intracraniële druk en respiratoire problemen waaronder apneus.
  • Inschakelen multidisciplinaire SB-team en plannen van een multidisciplinair overleg.

Een multidisciplinair SB-team in een klinisch SB centrum bestaat uit: een zorgcoördinator, een kinderneuroloog, neurochirurg, kinderarts en/of nefroloog, uroloog, revalidatiearts, kinderfysiotherapeut, medisch maatschappelijk werker, psycholoog, incontinentieverpleegkundige en/of urotherapeut (klinische consensus). Het team kan laagdrempelig advies vragen van een kinderorthopeed en (plastisch) chirurg.

 

De neonaat wordt beoordeeld om vast te leggen wat de status localis is met het oog op de mogelijkheden tot sluiting, de anatomische en functionele hoogte van het defect en vroege complicaties worden geïdentificeerd. Hierbij kan gedacht worden aan nefrologische afwijkingen of standsafwijkingen van ledematen zoals de hakvoet of de klompvoet. Postnataal zal beeldvorming (tenminste een MRI van hoofd en wervelkolom) plaatsvinden en een consult met kinderneurologie, neurochirurgie, kinderfysiotherapie/revalidatiearts, orthopedie en nefrologie/urologie (SB team).

 

De bevindingen, wensen van ouders en het beleid worden in een multidisciplinair overleg gedeeld. In bepaalde gevallen, bijv. bij een hoog defect en/of veel bijkomende problematiek, kan na multidisciplinair overleg een behandelbeperking of palliatief beleid overwogen worden. Het is belangrijk om te realiseren dat behandeling van een hydrocefalus ook een onderdeel kan uitmaken van een palliatief beleid.

 

Indien besloten wordt tot behandeling, zal er gestart worden met sluiten van het open defect door de neurochirurg en plastisch chirurg. In tweede instantie wordt, zo nodig, door de neurochirurg een ventriculoperitoneale drain geplaatst. De neonaat zal postoperatief enkele dagen tot weken in het ziekenhuis opgenomen blijven voor het wondherstel.

 

De poliklinische zorg bij kinderen met SB vindt, afhankelijk van de leeftijd, plaats met vaste intervallen: 1e levensjaar: iedere 3 maanden, 2e levensjaar: iedere 6 maanden (klinische consensus). Het wordt aangeraden om kinderen die geboren zijn na foetale chirurgie nauwgezet te volgen, gezien de beperkte wetenschappelijke gegevens over het natuurlijk beloop, bijvoorbeeld ten aanzien van hydrocefalus, in deze groep.

 

Het wordt aanbevolen dat de zorgcoördinator samenwerkt met de familie en het multidisciplinaire SB-zorgteam om ervoor te zorgen dat het kind de ziekenhuisafspraken kan nakomen op een efficiënte manier. De zorgcoördinator houdt zicht op de overdracht van de aanbevelingen van het multidisciplinaire SB-team naar de eerstelijnszorgverleners (Dicianno, 2010) .

 

Tijdens de opname en de eerste poliklinische afspraken wordt door de kinderneuroloog en revalidatiearts het neurologisch en motorisch niveau vastgelegd zodat er een uitgangspunt is vastgelegd om eventuele toekomstige neurologische veranderingen te monitoren (klinische consensus).

 

Beoordeel de voortgang van ontwikkelingsmijlpalen op meerdere domeinen met behulp van gestandaardiseerde instrumenten. Een revalidatieteam met inzet van verschillende therapeuten (kinderfysiotherapie, ergotherapie, logopedie, maatschappelijk werk, psychologie) kan worden betrokken voor kinderen die meer ondersteuning nodig hebben in de ontwikkeling. Denk ook aan indicatiestelling voor een therapeutische peutergroep of extra begeleiding op een regulier kinderdagverblijf of een peuterspeelzaal (klinische consensus). Een therapeutische peutergroep is gekoppeld aan een revalidatiecentrum en biedt medisch specialistische revalidatiezorg in groepsverband. Een kind kan ook verwezen worden naar een (kinder-)revalidatiecentrum in de buurt voor individueel vervolg en behandeling, als dat regionaal makkelijker voor ouders is. Hierbij is multidisciplinaire samenwerking in 1e, 2e en 3e lijn zorgverleners van belang zoals kinderfysiotherapeuten, ergotherapeuten en logopedisten gezien het belang dat ouders hechten aan zorg in de context, en passende zorg.

 

Communicatie en informatievoorziening

Geef naar aanleiding van de klinische bevindingen en aanvullend onderzoek voorlichting over de prognose (van o.a. de mobiliteit en blaas- en darmfunctie). Zorg ervoor dat ouders zich ervan bewust zijn dat alle kinderen die in potentie kunnen gaan lopen, mogelijk enige vertraging kunnen hebben in het bereiken van deze mijlpaal (zie tabel 1). Andere onderwerpen kunnen zijn: revalidatiebehandeling, orthopedische interventies en voorlichting om families te helpen potentiële neurochirurgische complicaties te herkennen.

 

Ook de algehele ontwikkeling, waaronder de cognitieve ontwikkeling en schoolprestaties, worden gevolgd en ouders worden geïnformeerd over mogelijke aandachtspunten. Neuropsychologische onderzoeken tonen een profiel van sterk ontwikkelde verbale en sociale eigenschappen en zwak ontwikkelde functies op het gebied van motoriek, cognitieve functies, schoolprestaties en aanpassingsvermogen bij personen met SB (Dennis, 2010; Dennis, 2006; Fletcher 2008). Dit profiel wordt het meest gezien bij mensen met SB die geboren zijn met een myelomeningocele en meestal een Chiari II-malformatie of andere aangeboren hersenafwijkingen aan het cerebellum, het mesencephalon en het corpus callosum hebben. De bestaande literatuur beschrijft mensen met spina bifida waarbij de hydrocephalus behandeld werd met een ventriculoperitoneale drain. Er is pas recent meer onderzoek bij jongere groepen die met een derde ventriculostomie behandeld zijn, die vaak een vergelijkbaar cognitief profiel hebben. Het neurocognitieve patroon bij myelomeningocele toont sterke vaardigheden in het leren en uitvoeren van taken die gebaseerd zijn op associatief, regel-gebaseerd verwerken van informatie (bijvoorbeeld wiskundige feiten en woordenschat), en zwakkere vaardigheden wanneer het leren en presteren vereist dat informatie geïntegreerd wordt (bijvoorbeeld probleemoplossing bij wiskunde, begrijpend lezen) (Lomax-Bream, 2007; Taylor 2013).

 

Tabel 1. Eigenschappen van het lopen naar leeftijd bij kinderen met SB (Williams, 1999)

Laesieniveau

Loopvaardigheid

% ambulant

Gemiddelde leeftijd van aanvang lopen

Gemiddelde leeftijd indien stoppen lopen

Sacraal (S1-S3)

Meestal zelfstandig lopen, soms met hulpmiddelen.

100%

2 jaar en 2 maanden

N/A

Laag lumbaal (L4-L5)

Lopen met beugels of krukken, soms zelfstandig binnenshuis.

84%

3 jaar en 10 maanden

9 jaar en 1 maanden

Midden lumbaal (L2-L3)

Behoefte aan orthesen en krukken, vaak rolstoelgebruik op lange afstanden.

60%

5 jaar

7 jaar

Hoog lumbaal

Behoefte aan orthesen en krukken, overgrote deel rolstoelgebonden.

50%

5 jaar en 2 maanden

6 jaar en 11 maanden

Thoracaal

Behoefte aan orthesen en krukken, overgrote deel rolstoelgebonden.

20%

4 jaar en 6 maanden

6 jaar en 9 maanden

Patiëntenvereniging SBH Nederland

Patiëntenverenigingen hebben een essentiële rol in het opstellen van richtlijnen, het opkomen voor de belangen van de persoon met spina bifida en bieden de mogelijkheid voor lotgenotencontact in toenemende mate via internetforums. Het is belangrijk dat mensen met SB zich blijven verenigen voor hun belangen en hiermee voor verschillende partijen een gesprekspartner zijn. Het advies is dan ook om deelname aan zelfvertegenwoordigingsmogelijkheden, zoals SBH Nederland, te stimuleren. Patiëntenverenigingen zoals SBH Nederland vormen een platform voor kennisdeling, lotgenotencontact, maar ook voor vertegenwoordiging en het delen van ervaringen. Zij vormen een belangrijke schakel in het ondersteunen van ouders, en de samenwerking tussen ouders en professionals en beleidsmakers.

 

Kwaliteit van bewijs

Niet van toepassing.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun naasten/verzorgers)

De impact van het hebben van een kind met SB op het gezin varieert aanzienlijk (Holmbeck, 2010).

 

Het is belangrijk om hier met ouders over in gesprek te gaan. Naast uitgebreide en passende vroege voorlichting over het hele spectrum van symptomen en aandoeningen die verband houden met SB, geeft een goed gesprek met ouders of andere gezinsleden inzicht in de aandoening en een gevoel van meer controle over de situatie. Daarbij moet er ruimte en aandacht zijn voor de waarden en eigen ideeën van ouders en andere naasten en duidelijk aandacht zijn voor wat mogelijk is. Hierbij kan ook de term ‘levend verlies’ worden toegelicht (levend-verlies.nl).

 

Over het algemeen zijn de percentages van disfunctioneren op gezinsniveau relatief laag (10-15%) en is de veerkracht binnen het gezin hoog (Spaulding, 1986). Desalniettemin heeft het hebben van een kind met een beperking, in dit geval spina bifida veel impact op het functioneren van het gezin. Positieve gezinsattitudes ten aanzien van SB, de algemene tevredenheid binnen het gezin en de mate van conflicten tussen broers en zussen zijn belangrijke voorspellers voor de aanpassing van de broers en zussen. Stress bij ouders in gezinnen die kinderen met SB opvoeden is hoger dan in de algemene bevolking (21). Het is belangrijk om in de zorg voor kinderen met spina bifida ook aandacht te hebben voor (psychosociale aspecten) van het functioneren van ouders en andere gezinsleden. Hiertoe is door de patiëntenvereniging, samen met professionals en onderzoekers een kwaliteitsstandaard ontwikkeld, de kwaliteitsstandaard psychosociale zorg in de kinderrevalidatie (www.revaliderendoejesamen.nl). In deze kwaliteitstandaard zijn concrete aanbevelingen te vinden over het ondersteunen van ouders en andere gezinsleden waar nodig.

 

SB heeft een aanzienlijke impact op de aanpassing van ouders aan de situatie met een pasgeborene en op uitkomsten zoals slaapduur, vooral bij moeders. Ouders kunnen ook te maken krijgen met posttraumatische stressstoornis (PTSS) en depressie. Het functioneren van de ouders van een kind met SB beïnvloedt in grote mate de psychosociale gevolgen voor het kind (Vermaes, 2005). De kwaliteitsstandaard ‘Psychosociale zorg bij somatische aandoeningen’ beschrijft wat psychosociale zorg bij somatische ziekte inhoudt; op welke wijze deze geleverd kan worden; en hoe deze zorg in onderlinge samenwerking gedurende het hele ziekteproces georganiseerd kan worden. Het biedt ook handvatten voor de begeleiding voor personen met spina bifida en hun gezinnen.

 

Kostenaspecten

Frequente poliklinische follow-up is voor deze groep passende zorg die vergoed wordt door elke zorgverzekeraar.

 

Gelijkheid ((health) equity/equitable)

Poliklinische follow-up en zorgcoördinatie leidt tot meer gelijkheid in zorg (Bellin, 2009; Bellin & Rice, 2009).

 

Ouderlijke stress is het hoogst bij moeders, alleenstaande ouders, oudere ouders en/of ouders met een economische achterstand en culturele diversiteit (21). Bij deze risicofactoren is het van belang laagdrempelig medisch maatschappelijk werk en psychologie in te schakelen.

 

Aanvaardbaarheid

Zorgcoördinatie lijkt aanvaardbaar voor de betrokkenen.

 

Duurzaamheid

Frequente afspraken leiden tot meer vervoersbewegingen. De meeste expertisecentra hebben een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Zorgcoördinatie leidt tot clustering van zorg en efficiëntere ziekenhuisbezoeken en reduceert hiermee vervoersbewegingen. Een videogesprek is qua CO₂-uitstoot en energiegebruik veel duurzamer en een goede optie als de technische mogelijkheden vanuit het ziekenhuis voldoende zijn.

 

Haalbaarheid

Zorgcoördinatie lijkt haalbaar voor de betrokkenen.

 

Rationale van aanbeveling Organisatie van zorg: weging van argumenten voor en tegen de interventies

SB is een complexe aandoening die levenslang om zorg vraagt en vereist een multidisciplinaire benadering. In Nederland worden nagenoeg alle kinderen en adolescenten met SB periodiek gezien door een van de expertisecentra. Daarnaast worden veel van de kinderen met SB behandeld door revalidatieteams van verschillende revalidatiecentra en ziekenhuizen, therapeutische peutergroepen, mytylscholen en kinderfysiotherapeuten. Tijdens het spreekuur van het SB team worden de kinderen gezien door verschillende specialisten.

 

Eindoordeel:

Sterke aanbeveling.

 

Rationale van aanbeveling Communicatie en informatievoorziening: weging van argumenten voor en tegen de interventies

Geef naar aanleiding van de klinische bevindingen en aanvullend onderzoek voorlichting over de prognose (van o.a. de mobiliteit en blaas- en darmfunctie). Zorg ervoor dat ouders zich ervan bewust zijn dat alle kinderen die in potentie kunnen gaan lopen, mogelijk enige vertraging kunnen hebben in het bereiken van deze mijlpaal. Andere onderwerpen kunnen zijn: revalidatiebehandeling orthopedische interventies en voorlichting om families te helpen potentiële neurochirurgische complicaties te herkennen.

 

Eindoordeel:

Neutrale aanbeveling.

Onderbouwing

  1. Akre C, Light A, Sherman L, Polvinen J, Rich M. What young people with spina bifida want to know about sex and are not being told. Child Care Health Dev. 2015;41(6):963-9. Epub 20150831. doi: 10.1111/cch.12282. PubMed PMID: 26331351; PubMed Central PMCID: PMC4715573.
  2. American Academy of P, American Academy of Family P, American College of Physicians-American Society of Internal M. A consensus statement on health care transitions for young adults with special health care needs. Pediatrics. 2002;110(6 Pt 2):1304-6. PubMed PMID: 12456949.
  3. Bellin MH, Bentley KJ, Sawin KJ. Factors associated with the psychological and behavioral adjustment of siblings of youths with spina bifida. Fam Syst Health. 2009;27(1):1-15. doi: 10.1037/a0014859. PubMed PMID: 19630441.
  4. Bellin MH, & Rice, K. M. . Individual, family, and peer factors associated with the quality of sibling relationships in families of youth with Spina Bifida. Journal of Family Psychology. 2009;23:39-47.
  5. Brown SD, Feudtner C, Truog RD. Prenatal Decision-Making for Myelomeningocele: Can We Minimize Bias and Variability? Pediatrics. 2015;136(3):409-11. Epub 20150803. doi: 10.1542/peds.2015-1181. PubMed PMID: 26240211.
  6. Brustrom J, Thibadeau J, John L, Liesmann J, Rose S. Care coordination in the spina bifida clinic setting: current practice and future directions. J Pediatr Health Care. 2012;26(1):16-26. Epub 20100710. doi: 10.1016/j.pedhc.2010.06.003. PubMed PMID: 22153140.
  7. Cuppen I, Eggink AJ, Lotgering FK, Rotteveel JJ, Mullaart RA, Roeleveld N. Influence of birth mode on early neurological outcome in infants with myelomeningocele. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol. 2011;156(1):18-22. Epub 20110217. doi: 10.1016/j.ejogrb.2011.01.012. PubMed PMID: 21333435.
  8. Davis BE, Shurtleff DB, Walker WO, Seidel KD, Duguay S. Acquisition of autonomy skills in adolescents with myelomeningocele. Dev Med Child Neurol. 2006;48(4):253-8. doi: 10.1017/S0012162206000569. PubMed PMID: 16542511.
  9. Dennis M, Barnes MA. The cognitive phenotype of spina bifida meningomyelocele. Dev Disabil Res Rev. 2010;16(1):31-9. doi: 10.1002/ddrr.89. PubMed PMID: 20419769; PubMed Central PMCID: PMC2924202.
  10. Dennis M, Landry SH, Barnes M, Fletcher JM. A model of neurocognitive function in spina bifida over the life span. J Int Neuropsychol Soc. 2006;12(2):285-96. doi: 10.1017/S1355617706060371. PubMed PMID: 16573862.
  11. Dicianno BE, Fairman AD, Juengst SB, Braun PG, Zabel TA. Using the spina bifida life course model in clinical practice: an interdisciplinary approach. Pediatr Clin North Am. 2010;57(4):945-57. doi: 10.1016/j.pcl.2010.07.014. PubMed PMID: 20883884.
  12. Dunleavy MJ. The role of the nurse coordinator in spina bifida clinics. ScientificWorldJournal. 2007;7:1884-9. Epub 20071126. doi: 10.1100/tsw.2007.305. PubMed PMID: 18060326; PubMed Central PMCID: PMC5901226.
  13. EUROCAT. Prevalence per 10,000 births. All anomalies - 2005 to 2023 - All full registries - Including genetic anomalies. Retrieved from: https://eu-rd-platform.jrc.ec.europa.eu/eurocat/eurocat-data/prevalence.
  14. Fletcher JM, Ostermaier KK, Cirino PT, Dennis M. Neurobehavioral outcomes in spina bifida: Processes versus outcomes. J Pediatr Rehabil Med. 2008;1(4):311-24. PubMed PMID: 20798790; PubMed Central PMCID: PMC2928154.
  15. Graham HK, Harvey A, Rodda J, Nattrass GR, Pirpiris M. The Functional Mobility Scale (FMS). Journal of Pediatric Orthopaedics. 2004;24(5):514-20. PubMed PMID: 01241398-200409000-00011.
  16. Holmbeck GN, Devine KA. Psychosocial and family functioning in spina bifida. Dev Disabil Res Rev. 2010;16(1):40-6. doi: 10.1002/ddrr.90. PubMed PMID: 20419770; PubMed Central PMCID: PMC2926127.
  17. Holmbeck GN, Gorey-Ferguson L, Hudson T, Seefeldt T, Shapera W, Turner T, et al. Maternal, paternal, and marital functioning in families of preadolescents with spina bifida. J Pediatr Psychol. 1997;22(2):167-81. doi: 10.1093/jpepsy/22.2.167. PubMed PMID: 9114641.
  18. Kazak AE, & Marvin, R. S. . Differences, difficulties and adaptation: Stress and social networks in families with a handicapped child. Family Relations. 1984;33(1):67- 77.
  19. Lassmann J, Garibay Gonzalez F, Melchionni JB, Pasquariello PS, Jr., Snyder HM, 3rd. Sexual function in adult patients with spina bifida and its impact on quality of life. J Urol. 2007;178(4 Pt 2):1611-4. Epub 20070816. doi: 10.1016/j.juro.2007.03.162. PubMed PMID: 17707040.
  20. Lindquist B, Jacobsson H, Strinnholm M, Peny-Dahlstrand M. A scoping review of cognition in spina bifida and its consequences for activity and participation throughout life. Acta Paediatr. 2022 Sep;111(9):1682-1694.
  21. Lomax-Bream LE, Taylor, H.B., Landry, S.H., Barnes, M.A., Fletcher, J.M., & Swank, P. Role of early parenting and motor skills on development in children with spina bifida. Journal of Applied Developmental Psychology. 2007;28(3):250-63.
  22. Oakeshott P, Hunt GM, Poulton A, Reid F. Expectation of life and unexpected death in open spina bifida: a 40-year complete, non-selective, longitudinal cohort study. Dev Med Child Neurol. 2010;52(8):749-53. Epub 20091209. doi: 10.1111/j.1469-8749.2009.03543.x. PubMed PMID: 20015251.
  23. Oakeshott P, Hunt GM. Long-term outcome in open spina bifida. Br J Gen Pract. 2003;53(493):632-6. PubMed PMID: 14601340; PubMed Central PMCID: PMC1314678.
  24. Overgoor ML, de Jong TP, Cohen-Kettenis PT, Edens MA, Kon M. Increased sexual health after restored genital sensation in male patients with spina bifida or a spinal cord injury: the TOMAX procedure. J Urol. 2013;189(2):626-32. Epub 20121016. doi: 10.1016/j.juro.2012.10.020. PubMed PMID: 23079372.
  25. Parens E, Asch A. Disability rights critique of prenatal genetic testing: reflections and recommendations. Ment Retard Dev Disabil Res Rev. 2003;9(1):40-7. doi: 10.1002/mrdd.10056. PubMed PMID: 12587137.
  26. Psihogios AM, Holmbeck GN. Discrepancies in mother and child perceptions of spina bifida medical responsibilities during the transition to adolescence: associations with family conflict and medical adherence. J Pediatr Psychol. 2013;38(8):859-70. Epub 20130710. doi: 10.1093/jpepsy/jst047. PubMed PMID: 23843631; PubMed Central PMCID: PMC3895972.
  27. Roberts TT, Leonard GR, Cepela DJ. Classifications In Brief: American Spinal Injury Association (ASIA) Impairment Scale. Clin Orthop Relat Res. 2017;475(5):1499-504. Epub 20161104. doi: 10.1007/s11999-016-5133-4. PubMed PMID: 27815685; PubMed Central PMCID: PMC5384910.
  28. Seeley A, Lindeke L. Developing a Transition Care Coordination Program for Youth With Spina Bifida. J Pediatr Health Care. 2017;31(6):627-33. Epub 20170729. doi: 10.1016/j.pedhc.2017.04.015. PubMed PMID: 28760316.
  29. Sivarajah K, Relph S, Sabaratnam R, Bakalis S. Spina bifida in pregnancy: A review of the evidence for preconception, antenatal, intrapartum and postpartum care. Obstet Med. 2019;12(1):14-21. Epub 20180517. doi: 10.1177/1753495X18769221. PubMed PMID: 30891087; PubMed Central PMCID: PMC6416695.
  30. Spaulding BR, Morgan SB. Spina bifida children and their parents: a population prone to family dysfunction? J Pediatr Psychol. 1986;11(3):359-74. doi: 10.1093/jpepsy/11.3.359. PubMed PMID: 3534207.
  31. Stromfors L, Wilhelmsson S, Falk L, Host GE. Experiences among children and adolescents of living with spina bifida and their visions of the future. Disabil Rehabil. 2017;39(3):261-71. Epub 20160304. doi: 10.3109/09638288.2016.1146355. PubMed PMID: 26939640.
  32. Taylor HB, Barnes MA, Landry SH, Swank P, Fletcher JM, Huang F. Motor contingency learning and infants with Spina Bifida. J Int Neuropsychol Soc. 2013;19(2):206-15. Epub 20130108. doi: 10.1017/S1355617712001233. PubMed PMID: 23298791; PubMed Central PMCID: PMC4067977.
  33. van Staa A, Sattoe JN, Strating MM. Experiences with and Outcomes of Two Interventions to Maximize Engagement of Chronically Ill Adolescents During Hospital Consultations: A Mixed Methods Study. J Pediatr Nurs. 2015;30(5):757-75. Epub 20150718. doi: 10.1016/j.pedn.2015.05.028. PubMed PMID: 26199096.
  34. Verhoef M, Barf HA, Vroege JA, Post MW, Van Asbeck FW, Gooskens RH, et al. Sex education, relationships, and sexuality in young adults with spina bifida. Arch Phys Med Rehabil. 2005;86(5):979-87. doi: 10.1016/j.apmr.2004.10.042. PubMed PMID: 15895345.
  35. Vermaes IP, Janssens JM, Bosman AM, Gerris JR. Parents' psychological adjustment in families of children with spina bifida: a meta-analysis. BMC Pediatr. 2005;5:32. Epub 20050825. doi: 10.1186/1471-2431-5-32. PubMed PMID: 16120229; PubMed Central PMCID: PMC1215488.
  36. von Linstow ME, Biering-Sorensen I, Liebach A, Lind M, Seitzberg A, Hansen RB, et al. Spina bifida and sexuality. J Rehabil Med. 2014;46(9):891-7. doi: 10.2340/16501977-1863. PubMed PMID: 25148270.
  37. Williams EN, Broughton NS, Menelaus MB. Age-related walking in children with spina bifida. Dev Med Child Neurol. 1999;41(7):446-9. PubMed PMID: 10454227.
  38. Ziring PR, Brazdziunas D, Cooley WC, Kastner TA, Kummer ME, Gonzalez de Pijem L, et al. American Academy of Pediatrics. Committee on Children With Disabilities. Care coordination: integrating health and related systems of care for children with special health care needs. Pediatrics. 1999;104(4 Pt 1):978-81. PubMed PMID: 10506246.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 30-06-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 30-06-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Cluster Motorische stoornissen (voorheen Bewegingsstoornissen)
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • SBH Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2024 een multidisciplinair cluster ingesteld. Het cluster Motorische stoornissen bestaat uit meerdere richtlijnen (zie hier de actuele clusterindeling). De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden brengen hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:

 

Clusterstuurgroepleden

  • Mevr. dr. A.I. (Annemieke) Buizer, kinderrevalidatiearts, namens de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA)
  • Mevr. M.A. (Adhiambo) Witlox, orthopedisch chirurg, namens de Nederlandse Orthopaedische Vereniging (NOV)
  • Mevr. drs. W.L. (Bertie) van der Leij, kinderrevalidatiearts, namens de VRA
  • Dhr. dr. J. (Jeroen) Vermeulen, hoogleraar kinderneurologie, namens de Nederlandse Vereniging van voor Neurologie (NVN)
  • Mevr. drs. M.G. (Marieke) van Driel, vertegenwoordiger Cerebrale Parese Nederland (CP Nederland) 

Betrokken clusterexpertisegroepleden

  • Mevr. dr. D.P. (Dewi) Bakker, kinderneuroloog, namens de NVN
  • Mevr. dr. E.B. (Eveline) Boeker, kinderrevalidatiearts, namens de VRA
  • Mevr. C.J. (Carola) McDonald- ten Thij, verpleegkundig specialist, namens de Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

Met ondersteuning van

  • Mevr. dr. I. J. (Ilse) Blokland, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Mevr. dr. M. (Mirre) den Ouden - Vierwind, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Mevr. drs. D. (Danique) Middelhuis, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • E. (Esther) van der Bijl, Informatiespecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

Een overzicht van de belangen van de clusterleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.

 

Gemelde (neven)functies en belangen Stuurgroep

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Datum

Restrictie

Annemieke Buizer

 

Kinderrevalidatiearts en hoogleraar, Amsterdam UMC

 

Voorzitter Dutch Academy of Childhood Disability (DACD)

Chair Scientific Committee van de European Academy of Childhood Disability (EACD)

Secretaris/bestuurslid van de VRA CP werkgroep

Toezichthouder Expertisecentrum Ontwikkelingsondersteuning Prematuren (EOP)

Geen

 

Geen

 

Ja, hier 5 projecten vermeld, maar er zijn nog meer

1. Hersenstichting/KNGF/Phelps Stichting/JKF Kinderfonds - Power2Walk (Projectleider JA)

2. Phelps Stichting/JKF Kinderfonds - FootFBI (Projectleider JA)

3. ForWishdom Stichting - GNAO1 (Projectleider JA)

4. Esther Vergeer Foundation - Sport4Impact (Projectleider JA)

5. Medtronic - TB in CP-register (Projectleider JA)

 

Geen

 

Geen

 

13-11-2024

 

Geen restricties

 

Adhiambo Witlox

MUMC+ orthopedisch chirurg

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

ZonMw Onderzoek

 

Geen

 

Geen

 

03-12-2024

Geen restricties

 

Bertie van der Leij-Roelofsen

Kinderrevalidatiearts Adelante

- Bestuurslid SBOK (Stichting scholing begeleiders van het in zijn ontwikkeling bedreigde kind)

- Vanaf 2025 bestuurslid werkgroep CP van de VRA

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

29-11-2024

Geen restricties

 

Jeroen Vermeulen

Hoogleraar kinderneurologie

Voorzitter adviesraad CP-net (onbetaald)

advies stichting enablement (onbetaald)

richtlijn cerebrale parese

organisatie van wetenschappelijke dag voor Medtronics 2022

 

Geen

 

Geen

 

Haptic master

Sensorische handfunctie

Dystonie

Benefit studie

FESpa studie

1. health foundation limburg - haptic master: sensorische-motorische intregartaie bij dystonie (Projectleider JA)

2. stichting vooruit - sensorische afwijkingen bij kinderen met CP (Projectleider JA)

3. stichting Janivo -

neurale mechanismen bij dystonie (Projectleider JA)

4. ZONMW - kosten effectiviteitstudie: vergelijking SDR vs ITB bij spastische CP (Projectleider NEE)

5. Phelpsstichting voor spastici -

functionele electrische stimulatie bij kinderen met spastische CP (Projectleider JA)

 

Geen

 

Geen

 

13-11-2024

Geen restricties

 

Marieke van Driel

Geen betaalde baan. Ik zit namens CP Nederland in commissie. Ik ben onbezoldigd voorzitter.

 

Voorzitter CP Nederland-onbetaald

Bestuurslid CP-Net - onbetaald

Bestuurslid Stichting Fietsmaatjes Schaarsbergen - onbetaald

Bestuurslid Stichting Dogs DO Matter - onbetaald

Geen

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

03-09-2024

 

Geen restricties

Gemelde (neven)functies en belangen Expertisegroep

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Datum

Restrictie

Dewi Bakker

Kinderneuroloog

AUMC

 

Geen

Geen

Geen relevante operkingen

Stichting vooruit - sensorische afwijkingen bij kinderen met CP

 

Geen

Geen

14-06-2024

 

Eveline Boeker

Kinderrevalidatiearts Amsterdam UMC - patiëntenzorg, onderwijs en opleiding - betaald conform de CAO academische ziekenhuizen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

06-02-2025

 

Carola McDonald- ten Thij

Verpleegkundig specialist

amsterdamUMC

 

Geen

Geen

Geen

Geen

Boegbeeldfunctie expertisecentrum en patiëntenvereniging

Geen

07-02-2025

 

Inbreng patiëntenperspectief

Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz

Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Spina Bifida organisatie van de zorg - Zorg tijdens geboorte en eerste twee levensjaren

geen financiële gevolgen

Uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen zal hebben voor de collectieve uitgaven.

 

Werkwijze

Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.