Loopvaardigheid Spina Bifida

Initiatief: Cluster Motorische stoornissen (voorheen Bewegingsstoornissen) Aantal modules: 25

Poliklinische zorg voor kinderen ouder dan twee jaar en adolescenten met spina bifida

Publicatiedatum: 30-06-2026
Beoordeeld op geldigheid: 30-06-2026

Uitgangsvraag

Organisatie van zorg

  • Hoe kan de poliklinische zorg ten aanzien van behandeling van kinderen ouder dan twee jaar met spina bifida het beste worden georganiseerd?

Communicatie en informatievoorziening

  • Op welke wijze kunnen kind/jongere en gezin optimaal medisch en psychosociaal ondersteund worden tijdens de poliklinische zorg voor personen ouder dan twee jaar?
  • Welke informatie is voor de ouders en kinderen van belang bij de diagnose spina bifida in de poliklinische fase?

Aanbeveling

Organisatie van zorg

Plan minimaal jaarlijkse bezoeken aan een SB behandelcentrum, naast de zorg in regionale behandelcentra en scholen.

 

Zorg ervoor dat spreekkamers en onderzoekkamers goed toegankelijk zijn met een rolstoel en onderzoektafels verstelbaar zijn om transfers voor lichamelijk onderzoek mogelijk te maken.

 

Leg de loopvaardigheid vast met een gangbeeldanalyse (video + EMG) wanneer een kind goed kan lopen (meestal rond de leeftijd van 4-5 jaar).

 

Verwijs zo nodig naar een kinderfysiotherapeut voor het in kaart brengen van het (algehele) motorisch functioneren en ondersteunen van de motorische ontwikkeling.

 

Verwijs bij complexe problematiek zo nodig naar een revalidatiearts in de regio voor medisch specialistische revalidatie in een revalidatieteam, bijvoorbeeld verbonden aan de mytylschool of het dagcentrum.

 

Leg jaarlijks de Functional Mobility Scale vast en leg de AIS-classificatie vast (bijvoorbeeld bij 8 en 18 jaar) om de individuele motorische functie in de tijd te vervolgen.

Met behulp van veldtesten is hiervan een goede indruk te krijgen door een kinderfysiotherapeut (in de eerste lijn). Indien nodig, kan verwezen worden voor inspanningsanalyse in het expertisecentrum. Dit geldt voor kinderen die lopen en kinderen die een rolstoel gebruiken.

 

Zorg dat transitie een vast onderdeel is van de poliklinische bezoeken vanaf 12 jaar en aan de hand van een gestructureerde transitiemethode wordt gedaan. Zie hiervoor ook de algemene richtlijn over transitiezorg: Jongeren in transitie van kinderzorg naar volwassenenzorg.

 

Communicatie en informatievoorziening

Geef voorlichting over de prognose van loopvaardigheid en het mogelijk verliezen van de loopvaardigheid en bespreek alternatieve mogelijkheden van mobiliteit.

 

Informeer mensen met SB over seksuele gezondheid en geef de mogelijkheid voor vragen over seksualiteit.

 

Informeerkind/jongere met SB en gezinnen over de signalen, symptomen en actieplannen voor het omgaan met veelvoorkomende complicaties bij SB: shuntproblemen, urineweginfecties, obstipatie en (decubitus)wonden.

 

Stimuleer deelname aan zelfvertegenwoordigingsmogelijkheden, zoals SBH Nederland.

 

Geef beweegadvies op basis van de Beweegrichtlijnen en verwijs naar kinderfysiotherapeut, een regionaal sportloket of sportpoli die kunnen meedenken over (aangepast) sporten in de eigen regio.

Overwegingen

Organisatie van zorg

In Nederland wordt zorg geleverd aan mensen met SB in regionale behandelcentra door artsen, paramedici waaronder kinderfysiotherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten, pedagogen en maatschappelijk werk. Daarnaast worden veel van de kinderen met SB behandeld door revalidatieteams van verschillende revalidatiecentra en ziekenhuizen, therapeutische peutergroepen en mytylscholen.

 

Doordat de incidentie van SB in Nederland afneemt bij kinderen, bestaat het risico dat ook de expertise met de behandeling van kinderen met SB afneemt. Om voldoende expertise te behouden is het van belang om de diagnostiek en behandeling van kinderen met SB te laten coördineren vanuit multidisciplinaire SB teams. Samenwerking en kennisoverdracht tussen de verschillende SB teams onderling is hierbij van belang.

 

Multidisciplinair team

Er wordt geadviseerd dat kinderen met een neuraal buisdefect minimaal één keer per jaar op een multidisciplinair spreekuur in een SB centrum beoordeeld worden (klinische consensus). Tijdens het spreekuur van het SB team worden de kinderen gezien door het multidisciplinaire team (Ziemodule Zorg tijdens geboorte en eerste twee levensjaren”, voor toelichting op de inrichting van dit multidisciplinaire team).

 

Het is belangrijk dat de spreekkamers voor dit spreekuur toegankelijk zijn. Een toegankelijke spreekkamer zorgt ervoor dat iedereen, ongeacht beperking, op een waardige en zelfstandige manier hiervan gebruik kan maken. Als een kind/jongere met SB zich fysiek en sociaal welkom voelt, kan dit leiden tot beter wederzijds begrip, effectievere communicatie, minder stress of schaamte en een hogere patiënttevredenheid. Het is daarom belangrijk dat spreekkamers en onderzoekkamers goed toegankelijk zijn met een rolstoel en onderzoektafels verstelbaar om transfers voor lichamelijk onderzoek mogelijk te maken. Het is belangrijk een weegschaal te hebben die rolstoeltoegankelijk is en veilig voor mensen met balansproblemen.

 

In de spreekuurvoorbereiding zijn patiënt gerapporteerde uitkomstmaten (PROMs) waardevol. Dit met behulp van een gevalideerd hulpmiddel zoals de TAPQOL, PEDSQOL, groeiwijzer 7-11 jaar, Ready-Steady-Go vragenlijsten, last-thermometer ouders en BRIEF die gebundeld zijn in KLIK methode (https://www.hetklikt.nu/). Evalueren van zelfmanagement en onafhankelijkheid tijdens de transitie kan het beleid ondersteunen.

 

Een groot deel van de symptomen bij SB is stabiel. Medisch specialistische behandeling is gericht op veranderingen in het looppatroon, sensibiliteit, darm- en blaasfunctie, en musculoskeletale veranderingen (klinische consensus). Het is daarom van belang om het neurologisch en motorisch niveau te monitoren met behulp van gestandaardiseerde beoordelingsinstrumenten zoals de functionele mobiliteitsschaal (FMS) en de ASIA impairment score. Hiermee wordt zorggedragen voor het vastleggen van een uitgangssituatie en om neurologische veranderingen te monitoren. Leg hiervoor bij voorkeur ook 1 keer per kalenderjaar de functioneel mobiliteitsschaal (FMS) vast (Graham, 2004. De The ASIA (American Spinal Injury Association) Impairment Scale geeft een gedetailleerder beeld van de neurologische symptomen, maar is tijdsintensief en kan ook belastend zijn voor het kind/jongere. Het wordt geadviseerd om deze score vast te leggen als uitgangspunt rond de leeftijd van 8 jaar, te herhalen bij verdenking op verslechtering van symptomen en/of de leeftijd van 18 jaar (Roberts, 2017).

 

Een verwijzing naar een kinderfysiotherapeut is zinvol voor het in kaart brengen van het motorisch functioneren. Als er een kinderfysiotherapeut betrokken is, is het aan te raden dat deze jaarlijks een motorische test afneemt die passend is bij de leeftijd en het niveau van het kind. Bij vragen over fysieke fitheid kan gedacht worden aan een inspanningsanalyse met maximaaltest. Een loopanalyse is bij spina bifida een waardevol hulpmiddel om de complexe bewegingsproblemen in kaart te brengen, de juiste behandeling te kiezen, de functionele mobiliteit van het kind/jongere te verbeteren en kan helpen om een toekomstige verslechtering te begrijpen en de oorzaak vast te stellen. De inspanningsanalyse is ook mogelijk bij rolstoel gebonden kinderen (in expertisecentra). Het vastleggen van de loopvaardigheid kan bij uitstek door middel van een gangbeeldanalyse (video + EMG) wanneer een kind goed kan lopen (meestal bij de leeftijd van 4 tot 5 jaar).

 

Een verwijzing naar een kinderergotherapeut kan zinvol zijn als er beoordeeld moet worden hoe het kind dagelijkse activiteiten zo zelfstandig mogelijk kan uitvoeren, hoe het kind goed mee kan doen/participeren en mogelijke inzet van hulpmiddelen/voorzieningen of woningaanpassingen. Daarnaast kan een ergotherapeut ook ondersteunen in vragen rondom school, studiekeuze en werk.

 

Kinderen met ontwikkelingsproblematiek op verschillende domeinen kunnen ook een indicatie hebben op medisch specialistische revalidatie (MSR), bij een team verbonden aan een revalidatiecentrum, mytylschool of dagcentrum. Overleg hiervoor laagdrempelig met een revalidatiearts in de regio en verwijs zo nodig. Als het kind in behandeling wordt genomen, is deze revalidatiearts hoofdbehandelaar van het revalidatieteam en is communicatie met het SB centrum essentieel.

 

Voor volwassenen met SB zijn landelijk slechts enkele multidisciplinaire SB teams beschikbaar, terwijl er een grote behoefte aan is. Jongeren gaan meestal over van de kinderrevalidatiearts naar de revalidatiearts voor volwassenen en naar een uroloog. Van belang is dat er specifieke kennis en ervaring beschikbaar is ten aanzien van de neurologische complicaties en neurogene blaasfunctiestoornissen. De voorkeur gaat uit naar het bundelen van de expertise binnen multidisciplinaire SB teams voor volwassenen.

 

Zorgcoördinatie

Zorgcoördinatie blijft ook op deze leeftijd een essentieel onderdeel van het multidisciplinaire SB-zorgteam en van vitaal belang voor het verbeteren van de gezondheidszorg voor mensen die met SB leven. Zorgcoördinatie voor mensen met SB en hun families kan echter ingewikkeld zijn vanwege de medische complexiteit van de aandoening en de behoefte aan multidisciplinaire zorg, evenals economische en sociaal-culturele barrières. Om deze reden heeft de zorgcoördinator de primaire verantwoordelijkheid voor het toezicht op het algehele behandelplan voor de persoon met SB (Brustrom, 2012; Ziring, 1999). Een zorgcoördinator is vaak een verpleegkundige of verpleegkundig specialist of physician assistant met specifieke kennis en expertise over spina bifida.

 

Zorgcoördinatie omvat ook de communicatie met de zorgverleners buiten het ziekenhuis (klinische consensus).

De doelen van zorgcoördinatie zijn doorgaans de volgende:

  • Mensen met SB toegang verlenen tot adequate zorg en middelen.
  • Overlap van zorg en onnodige kosten vermijden.
  • Zorgdragen voor betere gezondheidszorg voor e individuele mens.
  • Transitie naar volwassenheid.

Transitie naar volwassenheid

Op de volwassenleeftijd wordt verwacht dat de jongvolwassene zelf regie voert over zijn of haar gezondheid en zelfredzaam is in zorgtaken zoals katheterisatie. Het is van belang om jongvolwassene voor te bereiden op de overgang van de kinder- naar de volwassenzorg. Deze overgang heet de transitieperiode. Het doel van deze periode is het bevorderen van zelfmanagement, therapietrouw en zelfredzaamheid zodat de (jong)volwassene zelf de regie in zijn eigen zorgproces kan leren nemen (van Staa, 2015).

 

Zelfmanagement van medische zorg door adolescenten en volwassenen met SB kan moeilijk zijn door het aantal medische problemen en de complexiteit ervan. Ook het cognitieve profiel van jongvolwassen met SB kan leiden tot uitdagingen in zelfstandigheid. Mensen met SB ondervinden ook moeilijkheden vanwege het gebrek aan kennis of herkenning van veelvoorkomende medische aandoeningen die verband houden met SB bij medische professionals.

 

Het primaire doel bij de transitiefase van adolescentie naar volwassenheid is het optimaliseren van de gezondheid en continuïteit te bieden in de zorg. Momenteel bereikt meer dan 85% procent van de kinderen met SB de volwassenleeftijd, maar de mate van volwassen afhankelijkheid varieert binnen de populatie. Dit is onder andere afhankelijk van cognitieve mogelijkheden. De diversiteit aan gezondheidsproblemen maakt de zorg voor mensen met SB complex en vereist multidisciplinaire zorg en begeleiding om de fysieke, sociale en psychische gezondheid en ontwikkeling te bewaken. Afhankelijk van de beperking(en) kan dit gaan om levenslang medicatie, darmspoelingen, blaaskatheterisatie, revalidatie, fysiotherapie, ergotherapie, voor het toewerken/trainen naar (grotere) zelfredzaamheid, het adviseren van aanpassingen en het (leren) gebruiken van hulpmiddelen en ook psychische en sociale begeleiding. Vanaf de geboorte worden beslissingen genomen door ouders en een multidisciplinair team van artsen, verpleegkundigen en paramedici. De ouders leren de benodigde zorgtaken zoals katheteriseren. Het is zorgwekkend dat jonge volwassenen met SB minder vaak de volwassen mijlpalen bereiken, zoals het verlaten van huis, het volgen van een opleiding, het vinden van werk, het vinden van een partner en het hebben van een sociaal netwerk in vergelijking met hun leeftijdsgenoten zonder SB.

 

Transitie is een vast onderdeel van zorg vanaf de leeftijd van 12 jaar. De voortgang wordt vastgelegd in een individueel transitieplan (Seeley, 2017) en kan aan de hand van een gestructureerde transitiemethode gedaan worden (zoals bijvoorbeeld het Ready Steady Go programma). De daadwerkelijke overgang naar de volwassenenzorg vindt vaak plaats op de leeftijd van 18 jaar, maar de optimale leeftijd kan per individu verschillen en verschillende betrokkenen pleiten voor een uitloop tot 23 jaar. Er is aandacht voor acht domeinen: kennis en vaardigheden, opkomen voor jezelf, gezondheid en leefstijl, dagelijkse activiteiten, school en je toekomst, vrije tijd, omgaan met je gevoelens en de overgang naar de volwassenzorg. Het doel is om het gesprek met het kind/jongere en zijn ouders aan te gaan en er wordt gezamenlijk een plan gemaakt om toe te werken naar zelfstandigheid. Het individuele transitieplan wordt gedeeld met de betrokken zorgverleners.

 

De controle over de darmen en blaas is een belangrijke factor is in het bevorderen van sociale participatie, kwaliteit van leven en kansen op onderwijs en werk op lange termijn. Het is dus van belang om deze functie en de zelfstandigheid hierin te optimaliseren.

 

Het is belangrijk dat er ook tijd is voor een individueel gesprek van de jongvolwassene met de teamleden van het SB team tijdens het bezoek aan het multidisciplinaire spreekuur. Dit biedt de mogelijkheid om een vertrouwelijk en individueel te spreken. Het is van belang dat er een omgeving is waarin de jongvolwassene zich comfortabel en veilig voelt om ook bijvoorbeeld seksuele gezondheid te bespreken.

 

De zorgcoördinator bereidt een overdrachtspakket voor dat het medische overzicht, actieplannen, benodigdheden/hulpmiddelen en andere belangrijke informatie over zorgcoördinatie bevat om over te dragen aan de aangewezen volwassen zorgverleners. Voor de aandoening-specifieke zorg zijn de revalidatiearts, neurochirurg (bij shunt of andere neurochirurgische voorgeschiedenis) en uroloog (bij een neurogene blaas) betrokken. De huisarts levert de basis huisartsgeneeskundige zorg aan patiënten met spina bifida.

 

Communicatie en informatievoorziening: Samen beslissen met ouders en het opgroeiende kind

Samen beslissen in de medische zorg vraagt om een gelijkwaardige samenwerking tussen zorgverlener, jongvolwassene en ouders. De jongvolwassene wordt actief betrokken bij het keuzeproces, met respect voor diens groeiende autonomie en ontwikkelingsniveau. Ouders blijven een belangrijke ondersteunende rol vervullen, maar hun betrokkenheid verschuift geleidelijk van medebeslisser naar begeleider. Beslissingen worden genomen op basis van duidelijke, begrijpelijke informatie over de beschikbare opties, baten en risico’s. Het proces vraagt tijd, herhaling en een vertrouwensrelatie om de jongvolwassene te ondersteunen bij het nemen van eigen regie over de zorg.

 

Kinderen hebben eigen verwachtingen die soms niet in het verlengde liggen van de verwachtingen van de ouders/behandelaars. Ouders hebben immers meer het belang van het kind op het oog, ook op de langere termijn, terwijl kinderen nog niet zo ver vooruit kunnen kijken en meer in het hier en nu leven en dus het lange termijnperspectief nog missen. Samen beslissen zorgt voor verhoogde betrokkenheid van het opgroeiende kind en ouders, betere therapietrouw doordat het kind medebeslisser is, en angstvermindering door meer duidelijkheid bij het nemen van een bewuste keuze.

 

Een uitgebreid (schriftelijk) informatiepakket

Verschillende SB teams hebben hun eigen informatiedossiers over de gevolgen en de behandeling bij kinderen met SB.

 

Een uitgebreid informatiepakket over de diverse aspecten van SB kan naar behoefte, en bij voorkeur elektronisch, worden aangeboden aan ouders. Het is hierbij belangrijk dat de informatie in een voor ouders en kind begrijpelijke taal opgesteld is rekening houdend met verschillen in taal, achtergrond en opleidingsniveau van de ouders en de ontwikkeling en cognitief niveau van het kind. Kinderen en hun ouders hebben soms een andere culturele achtergrond of land van herkomst. Informatiemateriaal is bij voorkeur in meerdere talen beschikbaar.

 

Via de SBH Nederland, maar ook via internet, is contact met lotgenoten mogelijk. Niet alle ouders willen direct lid worden van een vereniging om met lotgenoten in contact te komen. Behandelaars kunnen helpen om individuele contacten tussen ouders te leggen naar aanleiding van specifieke behoeftes van individuele ouders en patiënten. Ook vanuit SBH Nederland is informatie beschikbaar, zoals een boek voor kinderen: ‘kijk mijn ruggenmerg’.

 

Over de communicatie tussen de zorgverleners en de ouders en kinderen zijn ook een aantal concrete aanbevelingen gedaan in de modules 'Conservatieve behandeling van Spina bifida en Maatschappelijke participatie bij Spina bifida'.

 

Lopen en lichaamsbeweging

Een deel van de kinderen die tot lopen komt, verliest deze vaardigheid, als gevolg van de toename van gewicht door groei en eventuele complicaties als contractuurvorming (zie tabel 1, module Zwangerschap en prenatale counseling)

 

Het geven van informatie over het beloop van loopvaardigheid en de mogelijkheid dat kinderen met SB hun loopvaardigheid (deels) kunnen verliezen is om meerdere redenen belangrijk. Ouders en kinderen krijgen een duidelijk beeld van wat ze kunnen verwachten in de toekomst. Door inzicht te geven in mogelijke veranderingen in de loopvaardigheid, kunnen zij beter voorbereid zijn. Als ouders en kinderen weten dat loopvaardigheid kan verminderen, kunnen ze tijdig maatregelen nemen zoals aanpassingen in huis of school om veiligheid en zelfstandigheid te waarborgen. Het besef dat lopen mogelijk moeilijker kan worden of verloren kan gaan, kan emotioneel zwaar zijn. Door dit op tijd te bespreken, kunnen kinderen en ouders omgaan met deze onzekerheid, en eventueel ondersteuning krijgen van bijvoorbeeld een psycholoog of maatschappelijk werker.

 

Informatie geeft kinderen en hun families de mogelijkheid om actief mee te denken en te beslissen over hun behandeling en leefstijl. Ze kunnen zelf alert zijn op veranderingen en snel hulp inschakelen als dat nodig is. Door tijdig te anticiperen op een vermindering van loopvaardigheid, kunnen secundaire problemen (zoals contracturen, huidproblemen of obesitas door minder beweging) beter voorkomen worden. Als kinderen en ouders weten waarom het belangrijk is om oefeningen te doen en therapie vol te houden, zijn ze vaak gemotiveerder om actief mee te werken. Daarnaast is het ook van belang oefeningen functioneel te integreren in het dagelijks leven.

 

Voorlichting over de prognose van loopvaardigheid en het mogelijk verliezen van de loopvaardigheid op basis van de beschrijving van het natuurlijk beloop (zie tabel 1) helpt om onzekerheid te verminderen, de juiste zorg en ondersteuning te bieden, en de kwaliteit van leven voor kinderen met SB en hun gezinnen te verbeteren. Benadruk dat verlies van loopvaardigheid niet betekent dat iemand minderwaardig is, maar dat het een verandering is waar goede ondersteuning voor bestaat (Williams, 1999). Zo zijn er ook rolstoelvaardigheid trainingen ter verbetering van de participatie.

 

De Beweegrichtlijnen (2017) gelden voor iedereen. Lichamelijke activiteit is de sleutel tot gezondheid en welzijn. Voor de overgrote meerderheid van mensen met SB kan dit aangemoedigd worden in plaats van voorzichtig te zijn. De voordelen van fysieke activiteit zijn in de algemene populatie bekend: lagere percentages van hartziekten, depressie, type II diabetes en beroertes. Naast de fysieke en functionele voordelen van lichaamsbeweging zijn er ook veel mentale gezondheidsvoordelen, zoals een verbetering in dagelijkse activiteiten, betere sportieve vaardigheden, een fysiekfysiekgezonderfysiek uiterlijk, een groter gevoel van eigenwaarde en een hogere levenskwaliteit. Kinderen en volwassenen met SB, evenals andere groepen met een beperking zijn nog minder actief in vergelijking met de algemene bevolking. Leer een kind het belang van lichamelijke activiteit om flexibiliteit, kracht en gezondheid te behouden, vooral tijdens de groeijaren. Verken hoe een kind met SB met loopstroonissenloopstoornissenloopstroonissenloopstroonissenloopstoornissen wel mee kan doen met gym en zorg voor ondersteuning van bijvoorbeeld een kinderfysiotherapeut. Geef beweegadvies op basis van de beweegrichtlijn en verwijs naar een regionaal sportloket of sportpoli die kunnen meedenken over (aangepast) sporten in de eigen regio.

 

Neuropsychologische aspecten van spina bifida en hydrocefalus

Bij patiënten met spina bifida wordt systematisch gescreend op aandachts- en executieve functiestoornissen, aangezien deze frequent voorkomen en significant impact hebben op dagelijks functioneren en leervermogen. Bij vermoeden van nieuw ontstane of verergerende klachten moet beeldvorming en neurologische beoordeling worden overwogen om (shunt)complicaties, progressieve hydrocefalus of andere structurele oorzaken uit te sluiten. Neuropsychologische diagnostiek en een multidisciplinaire behandeling (educatie, revalidatie, schoolaanpassingen en - waar geïndiceerd - farmacotherapie) vormen de hoeksteen van de zorg (Lindquist, 2022).

 

Transitie

Bespreek de transitieplanning met de adolescent en het gezin gedurende de hele adolescentie en zorg ervoor dat hun voorkeuren worden meegenomen in de planning. De transitieplanning omvat het volgende:

  • Verwachtingen over wanneer de overdracht naar volwassenenzorg zal plaatsvinden.
  • Verwachtingen over wie zorg zal verlenen na het transitieproces. Multidisciplinaire teams zijn vaak niet beschikbaar voor volwassenen. De huisarts levert de basis huisartsgeneeskundige zorg aan patiënten met spina bifida. Voor de aandoening-specifieke zorg zijn de revalidatiearts (bij voorkeur verbonden aan een dwarslaesieteam) en de uroloog vaak betrokken in de volwassenenzorg. Langetermijnplanning voor financiën, verzekering en ondersteunend wonen (huisvesting en vervoer), gebaseerd op huidige behoeften en de waarschijnlijke functionele ontwikkeling.
  • Informatie over onderwijs- en werk, schooltransitieplanning en aangepaste werkvoorzieningen.
  • Voorbereiding op besluitvormingsondersteuning en mogelijkheden voor de persoon om zo veel mogelijk zelf beslissingen te nemen na hun 18e, zoals een medische volmacht, bewindvoering. Doorverwijzing naar juridische-medische samenwerkingsverbanden kan nodig zijn.
  • Kinderen en gezinnen moeten de signalen, symptomen en actieplannen kennen voor het omgaan met veelvoorkomende complicaties bij SB: shuntproblemen, urineweginfecties, obstipatie en (decubitus)wonden, tethered cord syndroom en slaap gerelateerde ademhalingsstoornissen (klinische consensus). Deze actieplannen worden samen met het medische overzicht aan de volwassenenzorg overgedragen.

Uit meerdere studies blijkt dat de seksuele voorlichting, met name met betrekking tot SB, ontoereikend is. Adolescenten met SB hebben minder kennis over seks dan hun leeftijdsgenoten (Akre, 2015). De eerste seksuele ervaring zijn op hogere leeftijd dan gebruikelijk. Seksuele voorlichting die specifiek betrekking had op SB, werd zelden gegeven door zorgprofessionals. Minder dan een kwart van de mensen gaf aan dat hun seksuele voorlichting specifiek op SB was toegespitst. Het is belangrijk om mensen met SB de mogelijkheid te geven om relevante en correcte kennis over seksuele gezondheid op te doen, en vaardigheden te ontwikkelen om seksuele verlangens, intimiteit en activiteit op een gezonde manier te benaderen (von Linstow, 2014; Verhoef, 2005; Lassmann, 2007). Medische ingrepen, zoals de TOMAX-procedure kunnen bijdragen aan verbeterde seksuele gezondheid in mannen met SB (Overgoor, 2013).

 

Patiëntenvereniging SBH Nederland

Patiëntenverenigingen hebben een essentiële rol in het opstellen van richtlijnen, het opkomen voor de belangen van de individu met SB en bieden de mogelijkheid voor lotgenotencontact in toenemende mate via internetforums. Het is belangrijk dat mensen met SB zich blijven verenigen voor hun belangen en hiermee voor verschillende partijen een gesprekspartner zijn. Het advies is dan ook om deelname aan zelfvertegenwoordigingsmogelijkheden, zoals SBH Nederland, te stimuleren. Patiëntenverenigingen zoals SBH Nederland vormen een platform voor kennisdeling, lotgenotencontact, maar ook voor vertegenwoordiging en het delen van ervaringen. Zij vormen een belangrijke schakel in het ondersteunen van ouders, en de samenwerking tussen ouders en professionals en beleidsmakers.

 

Kwaliteit van bewijs

Niet van toepassing.

 

Waarden en voorkeuren van mensen met SB (en eventueel hun naasten/verzorgers)

Meer dan 85% van de kind/jongere met SB bereikt de volwassen leeftijd, maar de mate van zelfstandigheid in deze populatie varieert (American Academy of P, 2002).

 

Het is belangrijk op te merken dat jongvolwassenen met SB niet alleen de uitdagingen van overgang naar de gezondheidszorg voor volwassen ervaren, maar ook meer gezondheidsproblemen kunnen hebben tijdens de transitiefase. Veel jongvolwassenen met SB worden vaker opgenomen in het ziekenhuis vanwege verergering van chronische aandoeningen zoals urineweginfecties, shuntcomplicaties en doorligwonden, en ze hebben vaak meer moeite met het verkrijgen van de juiste zorg dan leeftijdsgenoten zonder SB.

 

Daarnaast is het zorgwekkend dat jongvolwassenen met SB minder vaak volwassen mijlpalen bereiken, zoals het huis uitgaan, naar een hogeschool of universiteit gaan, werk vinden, relaties aangaan en vriendschappen onderhouden, vergeleken met hun leeftijdsgenoten zonder SB. Executieve functies, sociaaleconomische status, intrinsieke motivatie en het bevorderen van zelfstandigheid door ouders zijn belangrijke voorspellers van een succesvolle overgang naar volwassenheid.

 

De kwaliteitsstandaard ‘Psychosociale zorg bij somatische aandoeningen’ beschrijft wat psychosociale zorg bij somatische ziekte inhoudt; op welke wijze deze geleverd kan worden; en hoe deze zorg in onderlinge samenwerking gedurende het hele ziekteproces georganiseerd kan worden. Het biedt ook handvatten voor de begeleiding voor personen met spina bifida en hun gezinnen.

 

Kostenaspecten

Patiëntgerichte, allesomvattende transitiezorg, die gericht is op het chronische gezondheidsprobleem, financiering, coördinatie van zorg, zelfmanagement en sociale uitdagingen waarmee adolescenten en jongvolwassenen met SB te maken hebben is een essentieel onderdeel van medische zorg. Veel zorg valt onder de basisverzekering, maar bepaalde hulpmiddelen of therapieën kunnen een eigen bijdrage of aanvullende verzekering vereisen.

 

Gelijkheid ((health) equity/equitable)

Adolescenten met SB ervaren een vertraging van twee tot vijf jaar in het ontwikkelen van autonomievaardigheden in vergelijking met hun typisch ontwikkelende leeftijdsgenoten, en zij kunnen hun eigen vaardigheden overschatten (Stromfors, 2017; Psihogios, 2013; Davis, 2006). Dit is een belangrijk argument om het transitiemoment aan te passen naar uiterlijk de leeftijd van 23 jaar.

 

Op dit moment is de gestructureerde transitiezorg mogelijk nog afhankelijk van de mogelijkheden per centrum. Het is een gebied in ontwikkeling. De ontwikkeling van richtlijnen helpt zorgverleners hiervoor tijd en menskracht te verwerven, waardoor dit voor alle mensen met spina bifida gelijk beschikbaar is.

 

In tegenstelling tot de Nederlandse populatie is van de mensen met SB tegen de leeftijd van 30 jaar ongeveer een derde van de mensen met SB volledig zelfstandig, een derde heeft toezicht en af en toe hulp nodig, en een derde heeft routinematig hulp nodig bij dagelijkse zorgtaken (Oakeshott, 2003). Een gecoördineerd transitieproces draagt bij aan meer gelijke kansen in de maatschappij, betere kwaliteit van leven en een lang leven in gezondheid.

 

Aanvaardbaarheid

Ethische aanvaardbaarheid

Organisatie van zorg lijkt aanvaardbaar voor de betrokkenen. Er zijn geen ethische bezwaren.

Duurzaamheid

Frequente afspraken om bijvoorbeeld individuele gesprekken mogelijk te maken leiden tot meer vervoersbewegingen. De meeste SB behandelcentra hebben een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer.

 

Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies

Een multidisciplinair team in een klinisch SB centrum bestaat uit: een zorgcoördinator, kinderneuroloog, neurochirurg, kinderarts en/of nefroloog, uroloog, revalidatiearts en paramedici waaronder een kinderfysiotherapeut, medisch maatschappelijk werk, psycholoog, continentieverpleegkundige en/of urotherapeut (klinische consensus). Het team kan laagdrempelig advies vragen van een kinderorthopeed en (plastisch) chirurg. De expertisecentra staan vermeld op de website van SBH Nederland.

 

Er wordt geadviseerd dat kinderen met een neuraal buisdefect minimaal één keer per jaar op een multidisciplinair spreekuur in een SB centrum beoordeeld worden (klinische consensus). Tijdens het spreekuur van het SB team worden de kinderen gezien door het multidisciplinaire team. Het primaire doel van de zorgtransitie is het optimaliseren van de gezondheid en continuïteit te bieden in de zorg wanneer het individu van de adolescentie naar volwassenheid overgaat en om zo veel mogelijk zelfstandigheid en zelfmanagement te bereiken.

 

Eindoordeel:

Sterke aanbeveling voor.

Onderbouwing

Rond het tweede levensjaar wordt het functionele uitvalsniveau vaak duidelijk en ook de gevolgen voor de blaas- en darmfunctiestoornis. Deze fase is gericht op het bereiken van een zo optimaal mogelijk functioneren en participatie van het kind met spina bifida ten aanzien van motorische en algehele ontwikkeling. Daarnaast is de zorg gericht op het voorkomen van complicaties zoals contracturen en ventriculoperitoneale draindysfunctie. Ook, soms minder bekende, problemen waaronder slaap gerelateerde ademhalingsstoornissen, syringomyelie, tethered cord syndroom en scoliose behoren hiertoe. Orthopedische en urologische complicaties zijn veelvuldig voorkomend, waarvoor ook operaties nodig kunnen zijn. Al met al is SB een complexe aandoening die levenslang om zorg vraagt en een multidisciplinaire benadering vereist en een goede begeleiding naar een zo zelfstandig mogelijk leven.

 

Over de afgelopen 25 jaar heeft de vooruitgang in de zorg geleid tot betere overleving van kinderen met SB. Een belangrijk onderdeel hiervan is de verbeterde urologische zorg en catheterisatiebeleid. En slechte neurologische toestand is een risicofactor voor overlijden. Ernstige complicaties van de aangeboren aandoening komen nog steeds voor: denk aan acute hydrocefalus, epilepsie, ileus of gecompliceerde urineweginfecties en sepsis (Oakeshott, 2010). Zorgverleners moeten zich bewust zijn van dat ook op latere leeftijd adequate zorg en herkenning van symptomen essentieel is. Als het kind/jongere ouder wordt heeft deze een steeds grotere rol in het zelf herkennen van symptomen en zelfmanagement.

  1. Akre C, Light A, Sherman L, Polvinen J, Rich M. What young people with spina bifida want to know about sex and are not being told. Child Care Health Dev. 2015;41(6):963-9. Epub 20150831. doi: 10.1111/cch.12282. PubMed PMID: 26331351; PubMed Central PMCID: PMC4715573.
  2. American Academy of P, American Academy of Family P, American College of Physicians-American Society of Internal M. A consensus statement on health care transitions for young adults with special health care needs. Pediatrics. 2002;110(6 Pt 2):1304-6. PubMed PMID: 12456949.
  3. Bellin MH, Bentley KJ, Sawin KJ. Factors associated with the psychological and behavioral adjustment of siblings of youths with spina bifida. Fam Syst Health. 2009;27(1):1-15. doi: 10.1037/a0014859. PubMed PMID: 19630441.
  4. Bellin MH, & Rice, K. M. . Individual, family, and peer factors associated with the quality of sibling relationships in families of youth with Spina Bifida. Journal of Family Psychology. 2009;23:39-47.
  5. Brown SD, Feudtner C, Truog RD. Prenatal Decision-Making for Myelomeningocele: Can We Minimize Bias and Variability? Pediatrics. 2015;136(3):409-11. Epub 20150803. doi: 10.1542/peds.2015-1181. PubMed PMID: 26240211.
  6. Brustrom J, Thibadeau J, John L, Liesmann J, Rose S. Care coordination in the spina bifida clinic setting: current practice and future directions. J Pediatr Health Care. 2012;26(1):16-26. Epub 20100710. doi: 10.1016/j.pedhc.2010.06.003. PubMed PMID: 22153140.
  7. Cuppen I, Eggink AJ, Lotgering FK, Rotteveel JJ, Mullaart RA, Roeleveld N. Influence of birth mode on early neurological outcome in infants with myelomeningocele. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol. 2011;156(1):18-22. Epub 20110217. doi: 10.1016/j.ejogrb.2011.01.012. PubMed PMID: 21333435.
  8. Davis BE, Shurtleff DB, Walker WO, Seidel KD, Duguay S. Acquisition of autonomy skills in adolescents with myelomeningocele. Dev Med Child Neurol. 2006;48(4):253-8. doi: 10.1017/S0012162206000569. PubMed PMID: 16542511.
  9. Dennis M, Barnes MA. The cognitive phenotype of spina bifida meningomyelocele. Dev Disabil Res Rev. 2010;16(1):31-9. doi: 10.1002/ddrr.89. PubMed PMID: 20419769; PubMed Central PMCID: PMC2924202.
  10. Dennis M, Landry SH, Barnes M, Fletcher JM. A model of neurocognitive function in spina bifida over the life span. J Int Neuropsychol Soc. 2006;12(2):285-96. doi: 10.1017/S1355617706060371. PubMed PMID: 16573862.
  11. Dicianno BE, Fairman AD, Juengst SB, Braun PG, Zabel TA. Using the spina bifida life course model in clinical practice: an interdisciplinary approach. Pediatr Clin North Am. 2010;57(4):945-57. doi: 10.1016/j.pcl.2010.07.014. PubMed PMID: 20883884.
  12. Dunleavy MJ. The role of the nurse coordinator in spina bifida clinics. ScientificWorldJournal. 2007;7:1884-9. Epub 20071126. doi: 10.1100/tsw.2007.305. PubMed PMID: 18060326; PubMed Central PMCID: PMC5901226.
  13. EUROCAT. Prevalence per 10,000 births. All anomalies - 2005 to 2023 - All full registries - Including genetic anomalies. Retrieved from: https://eu-rd-platform.jrc.ec.europa.eu/eurocat/eurocat-data/prevalence.
  14. Fletcher JM, Ostermaier KK, Cirino PT, Dennis M. Neurobehavioral outcomes in spina bifida: Processes versus outcomes. J Pediatr Rehabil Med. 2008;1(4):311-24. PubMed PMID: 20798790; PubMed Central PMCID: PMC2928154.
  15. Graham HK, Harvey A, Rodda J, Nattrass GR, Pirpiris M. The Functional Mobility Scale (FMS). Journal of Pediatric Orthopaedics. 2004;24(5):514-20. PubMed PMID: 01241398-200409000-00011.
  16. Holmbeck GN, Devine KA. Psychosocial and family functioning in spina bifida. Dev Disabil Res Rev. 2010;16(1):40-6. doi: 10.1002/ddrr.90. PubMed PMID: 20419770; PubMed Central PMCID: PMC2926127.
  17. Holmbeck GN, Gorey-Ferguson L, Hudson T, Seefeldt T, Shapera W, Turner T, et al. Maternal, paternal, and marital functioning in families of preadolescents with spina bifida. J Pediatr Psychol. 1997;22(2):167-81. doi: 10.1093/jpepsy/22.2.167. PubMed PMID: 9114641.
  18. Kazak AE, & Marvin, R. S. . Differences, difficulties and adaptation: Stress and social networks in families with a handicapped child. Family Relations. 1984;33(1):67- 77.
  19. Lassmann J, Garibay Gonzalez F, Melchionni JB, Pasquariello PS, Jr., Snyder HM, 3rd. Sexual function in adult patients with spina bifida and its impact on quality of life. J Urol. 2007;178(4 Pt 2):1611-4. Epub 20070816. doi: 10.1016/j.juro.2007.03.162. PubMed PMID: 17707040.
  20. Lindquist B, Jacobsson H, Strinnholm M, Peny-Dahlstrand M. A scoping review of cognition in spina bifida and its consequences for activity and participation throughout life. Acta Paediatr. 2022 Sep;111(9):1682-1694.
  21. Lomax-Bream LE, Taylor, H.B., Landry, S.H., Barnes, M.A., Fletcher, J.M., & Swank, P. Role of early parenting and motor skills on development in children with spina bifida. Journal of Applied Developmental Psychology. 2007;28(3):250-63.
  22. Oakeshott P, Hunt GM, Poulton A, Reid F. Expectation of life and unexpected death in open spina bifida: a 40-year complete, non-selective, longitudinal cohort study. Dev Med Child Neurol. 2010;52(8):749-53. Epub 20091209. doi: 10.1111/j.1469-8749.2009.03543.x. PubMed PMID: 20015251.
  23. Oakeshott P, Hunt GM. Long-term outcome in open spina bifida. Br J Gen Pract. 2003;53(493):632-6. PubMed PMID: 14601340; PubMed Central PMCID: PMC1314678.
  24. Overgoor ML, de Jong TP, Cohen-Kettenis PT, Edens MA, Kon M. Increased sexual health after restored genital sensation in male patients with spina bifida or a spinal cord injury: the TOMAX procedure. J Urol. 2013;189(2):626-32. Epub 20121016. doi: 10.1016/j.juro.2012.10.020. PubMed PMID: 23079372.
  25. Parens E, Asch A. Disability rights critique of prenatal genetic testing: reflections and recommendations. Ment Retard Dev Disabil Res Rev. 2003;9(1):40-7. doi: 10.1002/mrdd.10056. PubMed PMID: 12587137.
  26. Psihogios AM, Holmbeck GN. Discrepancies in mother and child perceptions of spina bifida medical responsibilities during the transition to adolescence: associations with family conflict and medical adherence. J Pediatr Psychol. 2013;38(8):859-70. Epub 20130710. doi: 10.1093/jpepsy/jst047. PubMed PMID: 23843631; PubMed Central PMCID: PMC3895972.
  27. Roberts TT, Leonard GR, Cepela DJ. Classifications In Brief: American Spinal Injury Association (ASIA) Impairment Scale. Clin Orthop Relat Res. 2017;475(5):1499-504. Epub 20161104. doi: 10.1007/s11999-016-5133-4. PubMed PMID: 27815685; PubMed Central PMCID: PMC5384910.
  28. Seeley A, Lindeke L. Developing a Transition Care Coordination Program for Youth With Spina Bifida. J Pediatr Health Care. 2017;31(6):627-33. Epub 20170729. doi: 10.1016/j.pedhc.2017.04.015. PubMed PMID: 28760316.
  29. Sivarajah K, Relph S, Sabaratnam R, Bakalis S. Spina bifida in pregnancy: A review of the evidence for preconception, antenatal, intrapartum and postpartum care. Obstet Med. 2019;12(1):14-21. Epub 20180517. doi: 10.1177/1753495X18769221. PubMed PMID: 30891087; PubMed Central PMCID: PMC6416695.
  30. Spaulding BR, Morgan SB. Spina bifida children and their parents: a population prone to family dysfunction? J Pediatr Psychol. 1986;11(3):359-74. doi: 10.1093/jpepsy/11.3.359. PubMed PMID: 3534207.
  31. Stromfors L, Wilhelmsson S, Falk L, Host GE. Experiences among children and adolescents of living with spina bifida and their visions of the future. Disabil Rehabil. 2017;39(3):261-71. Epub 20160304. doi: 10.3109/09638288.2016.1146355. PubMed PMID: 26939640.
  32. Taylor HB, Barnes MA, Landry SH, Swank P, Fletcher JM, Huang F. Motor contingency learning and infants with Spina Bifida. J Int Neuropsychol Soc. 2013;19(2):206-15. Epub 20130108. doi: 10.1017/S1355617712001233. PubMed PMID: 23298791; PubMed Central PMCID: PMC4067977.
  33. van Staa A, Sattoe JN, Strating MM. Experiences with and Outcomes of Two Interventions to Maximize Engagement of Chronically Ill Adolescents During Hospital Consultations: A Mixed Methods Study. J Pediatr Nurs. 2015;30(5):757-75. Epub 20150718. doi: 10.1016/j.pedn.2015.05.028. PubMed PMID: 26199096.
  34. Verhoef M, Barf HA, Vroege JA, Post MW, Van Asbeck FW, Gooskens RH, et al. Sex education, relationships, and sexuality in young adults with spina bifida. Arch Phys Med Rehabil. 2005;86(5):979-87. doi: 10.1016/j.apmr.2004.10.042. PubMed PMID: 15895345.
  35. Vermaes IP, Janssens JM, Bosman AM, Gerris JR. Parents' psychological adjustment in families of children with spina bifida: a meta-analysis. BMC Pediatr. 2005;5:32. Epub 20050825. doi: 10.1186/1471-2431-5-32. PubMed PMID: 16120229; PubMed Central PMCID: PMC1215488.
  36. von Linstow ME, Biering-Sorensen I, Liebach A, Lind M, Seitzberg A, Hansen RB, et al. Spina bifida and sexuality. J Rehabil Med. 2014;46(9):891-7. doi: 10.2340/16501977-1863. PubMed PMID: 25148270.
  37. Williams EN, Broughton NS, Menelaus MB. Age-related walking in children with spina bifida. Dev Med Child Neurol. 1999;41(7):446-9. PubMed PMID: 10454227.
  38. Ziring PR, Brazdziunas D, Cooley WC, Kastner TA, Kummer ME, Gonzalez de Pijem L, et al. American Academy of Pediatrics. Committee on Children With Disabilities. Care coordination: integrating health and related systems of care for children with special health care needs. Pediatrics. 1999;104(4 Pt 1):978-81. PubMed PMID: 10506246.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 30-06-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 30-06-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Cluster Motorische stoornissen (voorheen Bewegingsstoornissen)
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • SBH Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2024 een multidisciplinair cluster ingesteld. Het cluster Motorische stoornissen bestaat uit meerdere richtlijnen (zie hier de actuele clusterindeling). De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden brengen hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:

 

Clusterstuurgroepleden

  • Mevr. dr. A.I. (Annemieke) Buizer, kinderrevalidatiearts, namens de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA)
  • Mevr. M.A. (Adhiambo) Witlox, orthopedisch chirurg, namens de Nederlandse Orthopaedische Vereniging (NOV)
  • Mevr. drs. W.L. (Bertie) van der Leij, kinderrevalidatiearts, namens de VRA
  • Dhr. dr. J. (Jeroen) Vermeulen, hoogleraar kinderneurologie, namens de Nederlandse Vereniging van voor Neurologie (NVN)
  • Mevr. drs. M.G. (Marieke) van Driel, vertegenwoordiger Cerebrale Parese Nederland (CP Nederland) 

Betrokken clusterexpertisegroepleden

  • Mevr. dr. D.P. (Dewi) Bakker, kinderneuroloog, namens de NVN
  • Mevr. dr. E.B. (Eveline) Boeker, kinderrevalidatiearts, namens de VRA
  • Mevr. C.J. (Carola) McDonald- ten Thij, verpleegkundig specialist, namens de Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

Met ondersteuning van

  • Mevr. dr. I. J. (Ilse) Blokland, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Mevr. dr. M. (Mirre) den Ouden - Vierwind, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Mevr. drs. D. (Danique) Middelhuis, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • E. (Esther) van der Bijl, Informatiespecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

Een overzicht van de belangen van de clusterleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.

 

Gemelde (neven)functies en belangen Stuurgroep

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Datum

Restrictie

Annemieke Buizer

 

Kinderrevalidatiearts en hoogleraar, Amsterdam UMC

 

Voorzitter Dutch Academy of Childhood Disability (DACD)

Chair Scientific Committee van de European Academy of Childhood Disability (EACD)

Secretaris/bestuurslid van de VRA CP werkgroep

Toezichthouder Expertisecentrum Ontwikkelingsondersteuning Prematuren (EOP)

Geen

 

Geen

 

Ja, hier 5 projecten vermeld, maar er zijn nog meer

1. Hersenstichting/KNGF/Phelps Stichting/JKF Kinderfonds - Power2Walk (Projectleider JA)

2. Phelps Stichting/JKF Kinderfonds - FootFBI (Projectleider JA)

3. ForWishdom Stichting - GNAO1 (Projectleider JA)

4. Esther Vergeer Foundation - Sport4Impact (Projectleider JA)

5. Medtronic - TB in CP-register (Projectleider JA)

 

Geen

 

Geen

 

13-11-2024

 

Geen restricties

 

Adhiambo Witlox

MUMC+ orthopedisch chirurg

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

ZonMw Onderzoek

 

Geen

 

Geen

 

03-12-2024

Geen restricties

 

Bertie van der Leij-Roelofsen

Kinderrevalidatiearts Adelante

- Bestuurslid SBOK (Stichting scholing begeleiders van het in zijn ontwikkeling bedreigde kind)

- Vanaf 2025 bestuurslid werkgroep CP van de VRA

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

29-11-2024

Geen restricties

 

Jeroen Vermeulen

Hoogleraar kinderneurologie

Voorzitter adviesraad CP-net (onbetaald)

advies stichting enablement (onbetaald)

richtlijn cerebrale parese

organisatie van wetenschappelijke dag voor Medtronics 2022

 

Geen

 

Geen

 

Haptic master

Sensorische handfunctie

Dystonie

Benefit studie

FESpa studie

1. health foundation limburg - haptic master: sensorische-motorische intregartaie bij dystonie (Projectleider JA)

2. stichting vooruit - sensorische afwijkingen bij kinderen met CP (Projectleider JA)

3. stichting Janivo -

neurale mechanismen bij dystonie (Projectleider JA)

4. ZONMW - kosten effectiviteitstudie: vergelijking SDR vs ITB bij spastische CP (Projectleider NEE)

5. Phelpsstichting voor spastici -

functionele electrische stimulatie bij kinderen met spastische CP (Projectleider JA)

 

Geen

 

Geen

 

13-11-2024

Geen restricties

 

Marieke van Driel

Geen betaalde baan. Ik zit namens CP Nederland in commissie. Ik ben onbezoldigd voorzitter.

 

Voorzitter CP Nederland-onbetaald

Bestuurslid CP-Net - onbetaald

Bestuurslid Stichting Fietsmaatjes Schaarsbergen - onbetaald

Bestuurslid Stichting Dogs DO Matter - onbetaald

Geen

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

Geen

 

03-09-2024

 

Geen restricties

Gemelde (neven)functies en belangen Expertisegroep

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Datum

Restrictie

Dewi Bakker

Kinderneuroloog

AUMC

 

Geen

Geen

Geen relevante operkingen

Stichting vooruit - sensorische afwijkingen bij kinderen met CP

 

Geen

Geen

14-06-2024

 

Eveline Boeker

Kinderrevalidatiearts Amsterdam UMC - patiëntenzorg, onderwijs en opleiding - betaald conform de CAO academische ziekenhuizen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

06-02-2025

 

Carola McDonald- ten Thij

Verpleegkundig specialist

amsterdamUMC

 

Geen

Geen

Geen

Geen

Boegbeeldfunctie expertisecentrum en patiëntenvereniging

Geen

07-02-2025

 

Inbreng patiëntenperspectief

Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz

Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Spina Bifida organisatie van de zorg - Poliklinische zorg voor kinderen ouder dan twee jaar en adolescenten met spina bifida

geen financiële gevolgen

Uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen zal hebben voor de collectieve uitgaven.

 

Werkwijze

Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.