Loopvaardigheid Spina Bifida

Initiatief: VRA Aantal modules: 22

Evalueren lopen bij kinderen met SB

Uitgangsvraag

Welke meetinstrumenten zijn valide en betrouwbaar om het lopen bij kinderen met SB te evalueren?

Aanbeveling

Aanbevolen wordt om bij kinderen met SB vanaf de leeftijd van vijf jaar die in staat zijn om de test instructies te volgen spierkracht van spieren in de onderste extremiteiten met minstens een MRC vier graad (op de manuele spierkrachttest) en waarbij er geen tekenen zijn van een spastische parese, te meten met hand-held dynamometrie.

 

De werkgroep geeft ter overweging om bij kinderen tussen de vijf en twaalf jaar die in staat zijn om de test instructies te volgen de spierkracht van de kuitmusculatuur te screenen met de “unilaterale heelrise test” indien de manuele spierkracht van de kuitmusculatuur MRC graad vier of hoger is.

 

De werkgroep adviseert om voor een inspanningstest door te verwijzen naar een gespecialiseerd centrum.

 

De werkgroep is van mening dat een biomechanische benadering van het gangpatroon met een tweedimensionale video observatie in het frontale en sagittale vlak met projectie van de grondreactiekracht in de videobeelden een optie is. Deze gangbeeldanalyse dient plaats te vinden in een centrum met expertise en vaste protocollen voor de beoordeling van het gangpatroon bij SB.

 

Aanbevolen wordt om bij buitenshuis lopende kinderen vanaf zes jaar de zes minuten wandeltest te gebruiken voor het meten van het vermogen tot lopen.

 

Aanbevolen wordt om bij kinderen met SB (leeftijd van zes maanden tot zeven en een half jaar) het domein “mobiliteit” van de PEDI-NL te gebruiken om de dagelijkse uitvoering van vaardigheden op activiteiten- en participatieniveau en de mate van verzorgingsassistentie te evalueren.

Overwegingen

De methodologische kwaliteit van de studies varieerde van zwak tot matig. In de meeste gevallen had dit te maken met de kleine onderzoekspopulaties (N <30). Aangezien de benodigde onderzoeksgrootte voor klinimetrische studies binnen de COSMIN werkgroep zelf nog onderwerp van discussie is, is de onderzoekspopulatie wel gerapporteerd in de evidence-tabel, maar niet als beoordelingscriterium meegenomen.

Er zijn te weinig studies van voldoende omvang en kwaliteit naar validiteit, betrouwbaarheid en de evaluatieve eigenschappen van de onderzochte meetinstrumenten om het lopen bij kinderen met SB te meten. De studies betreffen een beperkt aantal van de in de klinische praktijk gebruikte meetinstrumenten. Van een aantal andere meetinstrumenten zijn wel validiteitstudies verricht, echter bij andere patiënten groepen, vooral bij kinderen met CP. Omdat het gebruik van veel van deze instrumenten tot de dagelijkse klinische praktijk behoort zijn er toch op basis van expert opinie van de werkgroep onderstaande overwegingen betrokken bij het formuleren van de aanbevelingen. Voor elke test geldt dat een kind voldoende in staat moet zijn om de testinstructie te volgen, wil de meting valide en betrouwbaar zijn.

Bij kinderen in de leeftijd van vier tot zes jaar met IQ van 80 of hoger kan gekeken worden of zij al voldoende in staat zijn om aan deze testen mee te werken. Als blijkt dat het kind onvoldoende taakgericht is om bijvoorbeeld zes minuten aaneengesloten te kunnen lopen, dan heeft het starten van de loopbandtraining (nog ) geen zin.

Voor een stroomschema van meetinstrumenten voor lopende kinderen met SB, zie tabel 4.2.

 

Tabel 4.2 Stroomschema van aanbevolen meetinstrumenten voor lopende kinderen met SB

Meetinstrument

Doelgroep

Jaarlijkse controle

Op indicatie

Referentiewaarden

Opmerkingen

ASIA classificatie

kinderen vanaf 4 jaar die in staat zijn om de test instructies te volgen

x

 

www. asialearningcenter.org

Kirshblum 2011

Ervaring van tester en medewerking van het kind zijn nodig

Aangepaste classificatie van Hoffer

Binnen en buitenshuis lopende kinderen

x

 

Schoenmakers 2004

 

FMS classificatie

kinderen vanaf 4 jaar

x

 

Graham 2004

 

Manual musle testing

kinderen vanaf 5 jaar die in staat zijn om de test instructies te volgen

x

 

MRC criteria

Medewerking van het kind is nodig

Alleen mogelijk indien er geen tekennen zijn van een spastische bewegingsstoornis in de te meten spiergroep

Hand-held dynamometrie

kinderen vanaf 5 jaar, die in staat zijn om de test instructies te volgen

x

bij heup en knie spiergroepen met MRC ≥ 4

Beenakker 2001

Ervaring van tester en medewerking van het kind zijn nodig.

Alleen mogelijk indien er geen tekennen zijn van een spastische bewegingsstoornis in de te meten spiergroep

Unilaterale heelrise test

Kinderen in leeftijd van 5-12 jaar die in staat zijn om de test instructies te volgen

 

bij kuitspierkracht MRC ≥ 4

Geen

Enkel als screening

PEDI domein “mobiliteit”,

6 maanden -7.5 jaar

x

 

Custers 2002

De Pedi kan vanaf een half jaar gebruikt worden en is onafhankelijk van het cognitief functioneren.

Bij oudere kinderen van wie de functionele vaardigheden geringer zijn dan die van kinderen van 7,5 jaar zonder beperkingen kan PEDI ook worden afgenomen

6 minuten wandeltest

Buitenshuis lopende kinderen ≥ 6 jaar

 

jaarlijkse controle op indicatie

Geiger 2007

Het is te overwegen om rond de leeftijd van 6 jaar een nulmeting te verrichten en deze op indicatie te herhalen bij vermoeden van achteruitgang in loopfunctie of als kinderen in het dagelijks leven vermoeidheid ervaren tijdens het lopen.

Cardiorespiratoir uithoudings-vermogen

Buitenshuis lopende kinderen ≥ 6 jaar

 

Bij vermoeidheid, conditie problemen, inactiviteit en opstellen loopbandtraining

Groot 2011

Met gasanalyse bij inspanningsfysioloog, anders ook bij kinderfysiotherapeut

2 dimensionale gangbeeldanalyse

Binnen en buitenshuis lopende kinderen ≥ 6 jaar

 

op indicatie (bij twijfel over het gangpatroon of de effecten van interventies op het gangpatroon)

Normale gangpatroon

Nulmeting bij individueel kind

In een centrum met expertise en vaste protocollen voor de beoordeling van het gangpatroon bij SB. Het is te overwegen om rond de leeftijd van 6 jaar een nulmeting te verrichten.

 

Evaluatie van de spierkracht

Bij kinderen met SB is het meten van de spierkracht van een aantal vast omschreven spieren onderdeel van het testen nodig voor de ASIA classificatie. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van MMT. Bij MMT wordt de spierkracht gescoord op de medical research council (MRC) schaal (graad nul tot vijf). Hierbij geldt de restrictie dat er in de onderzochte spier groepen geen tekenen mogen zijn van een spastische parese. De eerste studie naar de discriminatieve validiteit van het MRC schaal bij volwassenen met neuromusculaire aandoeningen concludeerde dat ook ervaren clinici moeite hebben met het discrimineren tussen de verschillende MRC categorieën vooral in het midden gebied (graad twee tot vier) (Vanhoutte EK et al. 2012). Er is geen onderzoek verricht naar de discriminatieve validiteit van het MRC schaal bij kinderen met SB.

 

McDonald (N=177) onderzocht de stabiliteit en diagnostische accuratesse van MMT metingen (nul tot negen schaal) bij kinderen met MMC. Conclusies van het onderzoek waren dat ervaren therapeuten meer vertrouwen hebben in de accuratesse van hun MMT metingen bij patiënten die vijf jaar of ouder waren en dat de stabiliteit van metingen over de tijd over het algemeen verbeterde met leeftijd (piekstabiliteit als patiënten vijf tot zes jaar oud zijn (McDonald 1986). Nederlandse normwaarden voor kinderen zijn opgesteld voor HHD (Beenakker et al., 2001).

 

Voor een nauwkeurige meting van veranderingen in de spierkracht is HHD nauwkeuriger dan MMT. Ook hierbij geld de restrictie dat er in de onderzochte spiergroepen geen tekenen mogen zijn van een spastische parese. HHD is op vele afdelingen beschikbaar. Het gebruik is meer tijdsintensief dan MMT. Scholing en ervaring van de tester en goede medewerking van het kind zijn nodig. Meten van de spierkracht is mogelijk zodra het kind in staat is om medewerking te verlenen, maar betrouwbaarheid en validiteit van de meting is pas voldoende vanaf de leeftijd van vijf jaar. Spierkrachtmeting met HHD is alleen mogelijk als voldoende kracht aanwezig is voor het bewegen tegen de zwaartekracht in.

 

Manueel testen van een krachtige kuitspier (MMT ≥4) vraagt veel spierkracht van de onderzoeker. In de klinische praktijk kan men daarom bij kinderen die voldoende kracht hebben om op tenen te staan de kracht van de kuitmusculatuur screenen door ze te vragen om op een been in teenstand te komen. Deze “unilaterale heelrise test”(UHT) kan gebruikt worden als screening voor de kracht en het uithoudingsvermogen van de kuitspier, bij een goede spierkracht van de kuitspier (MMT ≥4) (Yocum et al., 2010). 

 

Evaluatie van het cardiorespiratoire uithoudingsvermogen

Slechts een klein aantal centra in Nederland is ingericht voor het meten van het cardiorespiratoir uithoudingsvermogen bij kinderen met een beperking. Het goed meten van het uithoudingsvermogen, uitgedrukt in maximale zuurstof opname en hartslag is een essentiële voorwaarde voor het opstellen van goede trainingsprotocollen. De kosten voor aanschaf van de inspanningsapparatuur en scholing van personeel zijn relatief hoog, maar kinderen kunnen worden doorverwezen voor een test naar deze gespecialiseerde centra. Voor het opstellen van een trainingsprogramma kan het protocol ook worden afgenomen zonder gasuitwisselingsanalyse. In dit geval kan dit uitgevoerd worden door een (kinder)fysiotherapeut met uitkomstmaten maximale hartslag en maximale loopsnelheid op de loopband. 

 

Evaluatie van energieconsumptie en energiekosten

Slechts een klein aantal centra in Nederland is ingericht voor het meten van energieconsumptie en energiekosten tijdens het lopen. De kosten voor aanschaf van de inspanningsapparatuur en scholing van personeel zijn relatief hoog. Hoewel veel studies rapporteren over energieconsumptie en energieverbruik bij kinderen met SB, laat de studie van de Groot (2011a) zien dat de intra-individuele variatie groot is, waardoor het lastig is om individuele waarden voor en na interventie met elkaar te vergelijken. Daarnaast is het meten van energieconsumptie en energiekosten alleen mogelijk als het kind goed instrueerbaar is en zes minuten op een stabiele snelheid kan lopen.

 

Evaluatie van het gangpatroon

Het is van belang om het gangpatroon en de effecten van interventies op het gangpatroon, vanuit een biomechanisch denkkader (zie algemene inleiding) te analyseren. Omdat de momenten en spierfuncties niet direct uit observatie van het gangpatroon kunnen worden afgeleid is daarvoor gebruik van tweedimensionale video observatie in het frontale en sagittale vlak met projectie van de grondreactiekracht in de videobeelden nodig (zie algemene inleiding).

Hoewel er geen literatuur gevonden is die de validiteit of betrouwbaarheid van gangbeeldanalyse onderzocht bij kinderen met SB, wordt de observationele (tweedimensionale video) gangbeeldanalyse in Nederland regelmatig gebruikt ter ondersteuning van de dagelijkse klinische praktijk. Vele centra in Nederland zijn reeds in bezit van gangbeeldanalyse apparatuur.

De hoge kosten van een gangbeeldanalyse betreffen met name die van specialistisch geschoold personeel voor de uitvoering van de metingen en de tijdsinvestering nodig voor het uitwerken en interpreteren van de resultaten van de gangbeeldanalyse. Voor de beoordeling en interpretatie van de gangbeeldanalyse moet tevens een gedegen orthopedisch en neurologisch onderzoek worden afgenomen. Kinderen jonger dan vijf jaar zijn voor het maken van een gangbeeldanalyse meestal onvoldoende coöperatief. 

 

6MWT

De 6MWT kan gemakkelijk worden afgenomen bij alle kinderen die met of zonder hulpmiddelen minstens zes minuten kunnen lopen (eventueel met pauzes) en behoeft geen dure investeringen in personeel of apparatuur. Het is wel van belang dat de test wordt afgenomen in een gang tussen de 15 en 20 meter en volgens het protocol van de American Thoracic Society (ATS) om betrouwbaarheid van de meting te garanderen (ATS, 2002). De gevonden literatuur over reproduceerbaarheid van de 6MWT bij kinderen met SB wordt ondersteund door gelijkaardige uitkomsten bij andere klinische pediatrische populaties (De Groot et al., 2011b). De 6MWT wordt vaak gebruikt als conditietest, maar daar is deze test bij kinderen met SB niet voor gevalideerd. Hij is wel geschikt om een loopbandtraining mee op te stellen en te evalueren (zie ook het hoofdstuk conservatieve behandeling). Voor de 6MWT zijn ook normwaarden opgesteld voor kinderen (Geiger et al., 2007). 

 

Activiteitenmonitor

Om te kunnen meten op participatie niveau zou gebruik van een activiteitenmonitor of accelerometer interessant zijn (Bussmann et al., 2001). Het registreert wanneer, hoe vaak en hoe lang een persoon aan mobiliteit gerelateerde activiteiten zoals staan of lopen uitvoert en meet dus meer de uitvoering dan het vermogen tot het lopen. Hoewel er tot nu toe geen studies zijn verricht naar de validiteit van accelerometers bij kinderen met SB is er wel een aantal studies met jongeren met SB waarbij accelerometerie wordt gebruikt (Van den Berg-Emons et al., 2001 en 2011; Buffart et al., 2008). Het gebruik van een accelerometer is tijdsintensief, relatief duur en wordt op dit moment alleen toegepast in wetenschappelijk onderzoek. 

 

PEDI

Voor het testen met de PEDI dienen de therapeuten een adequate training gevolgd te hebben. Scholing en implementatie van de PEDI binnen de revalidatie is al op brede schaal gerealiseerd naar aanleiding van de behandelrichtlijn CP waardoor dit instrument binnen de revalidatie ook makkelijk kan worden toegepast bij kinderen met SB. De PEDI-NL is primair ontworpen voor de evaluatie van jonge kinderen van zes maanden tot 7,5 jaar, maar kan ook gebruikt worden voor oudere kinderen van wie de functionele vaardigheden geringer zijn dan die van kinderen van 7,5 jaar zonder beperkingen. De Pedi is onafhankelijk van het cognitief functioneren.

Voor de PEDI zijn Nederlandse normwaarden bekend (Custers et al., 2005).

Onderbouwing

Zie voor de algemene inleiding van deze richtlijn de inleiding bij de module 'Meetinstrumenten bij Spina Bifida'

 

Niveau 3

Er zijn aanwijzingen dat de inter-tester en test-hertest betrouwbaarheid van spierkracht metingen van heup en kniespieren bij kinderen met SB tussen de vijf en zeventien jaar met hand-held dynamometrie goed is.

 

Bronnen (B: Mahoney et al., 2009; C: Effgen et al., 1992)

 

Niveau 3

Er zijn aanwijzingen dat de VO2piek waarde gemeten tijdens een gemodificeerd loopband protocol een valide maat is voor cardiorespiratoire uithoudingsvermogen bij lopende kinderen met SB. Daarnaast is de reproduceerbaarheid van deze conditietest goed.

 

Bronnen (B: De Groot et al., 2010; C: De Groot et al., 2009)

 

Niveau 3

Er zijn aanwijzingen dat de test-hertest betrouwbaarheid van energieconsumptie meting tijdens de zes minuten wandeltest bij lopende kinderen met SB goed is, terwijl tegelijkertijd de intra-individuele variatie groot is (18-30%).

 

Bronnen (B: De Groot et al., 2010)

 

Niveau 3

Er zijn aanwijzingen dat de test-hertest betrouwbaarheid van de zes minuten wandeltest bij lopende kinderen met SB goed is.

 

Bronnen (B: De Groot et al., 2011a)

 

Niveau 3

Er zijn aanwijzingen dat de PEDI-NL een goed onderscheid kan maken tussen kinderen met en zonder beperkingen.

 

Bronnen (B: Custers et al., 2002)

Er werden zes studies gevonden die de validiteit of betrouwbaarheid onderzochten van meetinstrumenten om het lopen bij kinderen en adolescenten met SB te evalueren. De methodologische kwaliteit van de studies werd beoordeeld aan de hand van de COSMIN checklist (zie het kopje 'Werkwijze' onder het tabblad 'Verantwoording').

 

Evalueren op niveau van lichaamsfuncties

Evaluatie van de spierkracht

De twee methoden om spierkracht te meten die veelal in de praktijk worden toegepast zijn: de klinische spierkrachtmeting (manual musle testing, MMT) en de ‘hand-held dynamometrie’ (HHD).

 

Twee studies onderzochten de betrouwbaarheid van HHD en MMT bij kinderen met SB (Effgen et al., 1992; Mahony et al., 2009). In de studie van Mahoney (N=20) werd de inter-tester betrouwbaarheid van HHD en MMT onderzocht. De groep bestond uit zowel lopende als niet ambulante kinderen met SB. De testen werden uitgevoerd door drie testers. De spierkracht van de heupflexoren, heupabductoren en knie-extensoren van het rechterbeen werd gemeten. De inter-tester betrouwbaarheid van de metingen met HHD waren hoger (intracorrelatie coëfficiënt [ICC] 0,76-0,83) dan de metingen met MMT (ICC 0,37-0,75). Voor HHD meting was het kleinst aantoonbare verschil in score tussen de 12 en 15 Newton voor HHD en voor MMT één punt. De resultaten van deze studie worden ondersteund door een eerdere en kleinere studie van Effgen (N=12). Ook in deze studie werd de betrouwbaarheid van de HHD onderzocht met als resultaat ICC variërend van 0,73 tot 0,96 voor spiergroepen van de onderste extremiteit.

 

Evaluatie van het cardiorespiratoir uithoudingsvermogen

Eén studie (N=23) onderzocht de reproduceerbaarheid van fysiologische maten tijdens een maximale conditie test op de loopband en tijdens een 6MWT (De Groot et al., 2011a). De test-hertest betrouwbaarheid was voor alle maximale en bijna alle submaximale metingen goed (ICC ≥ 0,78). Dit wil zeggen dat deze uitkomstmaten goed gebruikt kunnen worden om personen van elkaar te onderscheiden (testen op groepsniveau).

De Coefficient of variation (CV) voor hartslagmetingen (HR-piek, HR bij de ventilatoire drempel en HR tijdens de 6MWT en de maximale zuurstof opname (VO2piek) was <10% en deze metingen zijn daardoor goed om te gebruiken als evaluatief instrument. De CV was groter dan 10% voor zuurstofopname op de ventilatoire drempel, hartslag response en oxygen uptake efficiency slope.

 

Een andere studie (N=20) onderzocht of de VO2piek waarde vergelijkbaar is met de V02max waarde (content validiteit), gemeten tijdens een maximale inspanningstest op de loopband (De Groot et al., 2009). Het criterium voor het bereiken van V02max waren de Rowland criteria bestaande uit subjectieve en objectieve criteria. Alle deelnemers hadden één of meerdere subjectieve criteria (instabiel lopen, rennen of fietsen, zweten, rood aangelopen gezicht, duidelijke onwil om door te gaan ondanks aanmoediging) gedurende de test en 75% van de deelnemers voldeden aan ten minste twee van de drie objectieve criteria (hartslag >95% [210-leeftijd]; respiratory exchange ratio >1,00; zuurstof opname plateau in laatste minuut). Vervolgens werd gekeken of de kinderen nog veranderingen lieten zien op een supramaximale inspanning (110% van de maximaal bereikte snelheid). Dat was niet het geval en de V02piek gemeten tijdens dit aangepaste loopbandprotocol lijkt daarmee een goede reflectie van de VO2-max ofwel cardiorespiratoir uithoudingsvermogen te zijn.


Evaluatie van de energieconsumptie, energiekosten en loopsnelheid tijdens de 6MWT

Eén studie (N=14) onderzocht de test-hertest betrouwbaarheid van de energetische maten tijdens de 6MWT (De Groot, 2010). De betrouwbaarheid tussen de metingen was goed (ICC ≥0,86). De meetfout echter was redelijk groot (18-24% voor bruto waarden en tot 30% voor netto waarden) en dient in acht te worden genomen bij het meten van individuele verschillen.

 

Evaluatie van het gangpatroon

Hoewel door de gangbeeldanalyse duidelijk is geworden dat kinderen met SB gelijksoortige karakteristieke gangbeeld patronen laten zien, zijn er geen specifieke methodes ontwikkeld om de kwaliteit en de mate van pathologie van het gangpatroon bij SB te scoren. In de onderzochte literatuur worden de gangbeeld gegevens slechts beoordeeld op een beperkt aantal specifiek gekozen karakteristieke parameters. Daarnaast is er geen literatuur over de validiteit en reproduceerbaarheid van gangbeeldanalyse bij kinderen met SB.

 

Evalueren op activiteiten- en participatieniveau

6 minuten wandeltest (6MWT)

Met de 6MWT kan men het vermogen tot lopen meten (zie aanverant 'Specifieke inleiding'), uitgedrukt als de afstand die in zes minuten afgelegd wordt wanneer een persoon op zelfgekozen loopsnelheid een gang op en neer loopt. Secundaire uitkomstmaten die vaak gerapporteerd worden zijn vermoeidheid en hartfrequentie. De studie van De Groot (2011a) beschrijft de test-hertest betrouwbaarheid van de 6MWT bij lopende kinderen met SB (N=19). De betrouwbaarheid was zeer goed (ICC= 0,98) en het minimale aantoonbare verschil waarmee rekening gehouden moet worden is 36 meter.

 

Pediatric Evaluation of Disability Inventory (PEDI)

De PEDI is een gestructureerde vragenlijst voor de ouders die zowel het vermogen om een taak uit te voeren als de uitvoering van (wat het kind werkelijk in zijn dagelijks leven doet) in kaart brengt op drie domeinen: zelfverzorging, mobiliteit en sociaal functioneren. De drie domeinen mogen los van elkaar gescoord worden.

Er is een Nederlandse versie van de PEDI, PEDI-NL, beschikbaar. Eén studie onderzocht de discriminatieve validiteit van de PEDI-NL bij kinderen met functionele beperkingen (N=197), waarvan 41 kinderen met SB (MMC), ten opzichte van een groep kinderen zonder beperkingen (N=62) (Custers et al., 2002). Aan de hand van de PEDI-NL werd 93,5% van de kinderen zonder beperkingen en 91,6% van de kinderen met beperkingen correct geclassificeerd en konden bovendien de kinderen met centraal neurologische aandoeningen van die met neuromusculaire en musculoskeletale aandoeningen onderscheiden worden. De betrouwbaarheid of reproduceerbaarheid van de PEDI-NL bij SB is niet onderzocht.

  1. Mokkink, L. B., Terwee, C.B., Patrick, D.L., Alonso, J., Stratford, P.W., Knol, D.L. & de Vet, H.C.W. (2010). The COSMIN checklist for assessing the methodological quality of studies on measurement properties of health status measurement instruments: an international Delphi study. . Qual Life Res, 19, 539-549.
  2. Adviescommissie Richtlijnen (2011). Medisch-specialistische richtlijnen 2.0. . Utrecht: Orde van Medisch Specialisten., 1, 1-.
  3. ATS Committee on Proficiency Standards for Clinical Pulmonary Function Laboratories. (2002). ATS statement: guidelines for the six-minute walk test. . Am J Respir Crit Care Med, 166, 111-117.
  4. Beenakker, E.A., Hoeven, J.H. van der, Fock, J.M., Maurits, N.M. (2001). Reference values of maximum isometric muscle force obtained in 270 children aged 4-16 years by hand-held dynamometry. Neuromuscul Disord, 11, 441-6.
  5. Berg-Emons, R.J. van den, Bussmann, J.B., Brobbel, A.S., Roebroeck, M.E., Meeteren, J., van Stam, H.J. (2001). Everyday physical activity in adolescents and young adults with meningomyelocele as measured with a novel activity monitor. J Pediatr, 139, 880-6.
  6. Berg-Emons, R.J. van den, L'Ortye, A.A., Buffart, L.M., Nieuwenhuijsen, C., Nooijen, C.F., Bergen, M.P., Bussmann, J.B. (2011). Validation of the Physical Activity Scale for individuals with physical disabilities. Arch Phys Med Rehabil, 92, 923-8.
  7. Broughton, N. S., Menelaus, M. B., Cole, W. G., Shurtleff, D. B. (1993). The natural history of hip deformity in myelomeningocele. J Bone Joint Surg Br, 75, 760-763.
  8. Buffart, L.M., Roebroeck, M.E., Rol M., Stam, H.J., Berg-Emons, R.J. van den. (2008). Triad of physical activity, aerobic fitness and obesity in adolescents and young adults with myelomeningocele. J Rehabil Med, 40, 70-5.
  9. Bussmann, J.B., Martens, W.L., Tulen, J.H., Schasfoort, F.C., Berg-Emons, R.J. van den, Stam, H.J. (2001). Measuring daily behavior using ambulatory accelerometry: the Activity Monitor. Behav Res Methods Instrum Comput, 33, 349-56.
  10. Chafetz, R.S., Gaughan, J.P., Vogel, L.C., Betz, R., Mulcahey, M.J. (2009). The international standards for neurological classification of spinal cord injury: intra-rater agreement of total motor and sensory scores in the pediatric population. J Spinal Cord Med., 32 (2), 157-61.
  11. Custers, J.W., Net, J. van der, Hoijtink, H., Wassenberg-Severijnen, J.E., Vermeer, A., Helders, P. J. (2002). Discriminative validity of the Dutch Pediatric Evaluation of Disability Inventory. Arch Phys Med Rehabil, 83, 1437-1441.
  12. Effgen, S.K., Brown, D.A. (1992). Long-term stability of hand-held dynamometric measurements in children who have myelomeningocele. Physical Therapy, 72, 458-465.
  13. Geiger, R., Strasak, A., Treml, B., Gasser, K., Kleinsasser, A., Fischer, V., Stein, J.L. (2007). Six-minute walk test in children and adolescents. J Pediatr, 150, 395-9.
  14. Graham, H.K., Harvey, A., Rodda, J., Nattrass, G.R., Pirpiris, M. (2004). The Functional Mobility Scale (FMS). J Pediatr.Orthop, 24, 514-520.
  15. Groot, J.F. de, Takken, T., de, G.S., Gooskens, R.H., Helders, P.J., Vanhees, L. (2009). Treadmill testing of children who have SB and are ambulatory: does peak oxygen uptake reflect maximum oxygen uptake?. Physical Therapy, 89, 679-687.
  16. Groot, J.F. de, Takken, T., Schoenmakers, M.A., Tummers, L., Vanhees, L., Helders, P.J. (2010). Reproducibility of energy cost of locomotion in ambulatory children with SB. Gait & Posture, 31, 159-163.
  17. Groot, J.F. de, Takken, T., Gooskens, R.H., Schoenmakers, M.A., Wubbels, M., Vanhees, L. Helders, P.J. (2011). Reproducibility of maximal and submaximal exercise testing in "normal ambulatory" and "community ambulatory" children and adolescents with SB: which is best for the evaluation and application of exercise training?. Physical Therapy, 91, 267-276.
  18. Groot, J.F. de, Takken T. (2011). The six-minute walk test in paediatric populations. J Physiother., 57, 128-.
  19. Harvey, A.R., Morris, M.E., Graham, H.K., Wolfe, R., Baker, R. (2010). Reliability of the functional mobility scale for children with cerebral palsy. Phys Occup Ther Pediatr., 30, 139-149.
  20. Hoffer, M.M., Feiwell, E., Perry, R., Perry, J., Bonnett, C. (1973). Functional ambulation in patients with myelomeningocele. J Bone Joint Surg Am, 55, 137-148.
  21. Kirshblum, S.C., Waring, W., Biering-Sorensen, F., Burns, S.P., Johansen, M., Schmidt-Read, M. (2011). Revision of the International Standards for Neurological Classification of Spinal Cord Injury. J Spinal Cord Med., 34 (6), 547-54.
  22. Mahony, K., Hunt, A., Daley, D., Sims, S., Adams, R. (2009). Inter-tester reliability and precision of manual muscle testing and hand-held dynamometry in lower limb muscles of children with SB. Physical & Occupational Therapy in Pediatrics, 29, 44-59.
  23. Maynard, F.M., Jr., Bracken, M.B., Creasey, G., Ditunno, J.F., Jr., Donovan, W. H., Young, W. (1997). International Standards for Neurological and Functional Classification of Spinal Cord Injury: American Spinal Injury Association. Spinal Cord, 35, 266-274.
  24. McDonald, C.M., Jaffe, K.M., Shurtleff, D.B., Menelaus, M.B. (1991). Modifications to the traditional description of neurosegmental innervation in myelomeningocele. Dev Med Child Neurol., 33 (6), 473-81.
  25. McDonald, C.M., Jaffe, K.M., Shurtleff, D. B. (1986). Assessment of muscle strength in children with meningomyelocele: accuracy and stability of measurements over time. Arch Phys Med Rehabil., 67, 855-861.
  26. Mulcahey, M.J., Gaughan, J., Betz, R.R., Johansen, K.J. (2007). The International Standards for Neurological Classification of Spinal Cord Injury: reliability of data when applied to children and youths. Spinal Cord., 45 (6), 452-9.
  27. Schoenmakers, M.A., Gulmans, V.A., Gooskens, R.H., Helders, P.J. (2004). SB at the sacral level: more than minor gait disturbances. Clinical Rehabilitation., 18, 178-185.
  28. Sharrard, W. (1964). Segmental innervation of lower limb muscles in man. Ann R Coll Surg Engl., 35, 106-122.
  29. Vanhoutte, E.K., Faber, C.G., van, Nes, S.I., Jacobs, B.C., van, Doorn, P.A., van, Koningsveld, R., Merkies, I.S. (2012). Modifying the Medical Research Council grading system through Rasch analyses. Brain., 135 ( 5), 1639-49.
  30. Waring, W.P., Biering-Sorensen, F., Burns, S., Donovan, W., Graves, D., Jha, A., Jones, L., Kirshblum, S., Marino, R., Stein, A. (2010). 2009 review and revisions of the international standards for the neurological classification of spinal cord injury. J Spinal Cord Med, 33 (4), 346-52.
  31. Yocum, A., McCoy, S.W., Bjornson, K.F., Mullens, P., Burton, G.N. (2010). Reliability and Validity of the Standing Heel-Rise Test. Phys Occup Ther Pediatr, 30, 190-.

 

Research question: what are the clinimetric properties of health measurement instruments for gait disorders in children and adolescents with spina bifida?

Body functions and structures – Exercise testing (treadmill test, 6-minute walking test [6MWT])

De Groot, 2011

Type of study: reproducibility study (test-retest reliability)

 

Setting: hospital-based

 

Country: Netherlands

 

Source of funding:

Stichting BIO-Kinderrevalidatie Arnhem, the

Dutch Royal Society for Physiotherapy, the Wilhelmina Children’s Hospital Research

Fund, and the University of Applied Sciences,

Utrecht

Inclusion:

- spina bifida,

type MMC

- at least community ambulatory

- able to follow instructions regarding testing

- between 6 and 18 years

 

Exclusion:

- medical events that might interfere with the outcomes of the testing

- medical status that did not allow maximal exercise testing

 

N=23

 

Mean age ± SD: 10.7 ± 3.5 y

 

Sex: 48%M/52%F

 

Ambulation level:

10 normal ambulatory,

13 community ambulatory

Test:

Graded treadmill (EnMill) test for maximal and submaximal exercise testing with 2 different protocols according to ambulatory abilities (measured during 6MWT).

 

Procedure:

Retest 2 weeks after first test, at the same time of the day and by the same tester.

Performance measures

Maximal treadmill speed (km/h):

Intraclass correlation coefficient (ICC): 0.99

Smallest detectable difference (SDD): 0.5

 

6MWT distance:

ICC: 0.98

SDD: 36.3

 

Maximal measures

VO2 peak (L/min):

ICC: 0.98

Coefficient of variation (CV) (95%CI): 8.2 (6.1-12.5)

 

Heart rate (HR) peak:

ICC: 0.78

CV (95%CI): 5.0 (3.6-7.8)

 

Heart rate response (HRR):

ICC: 0.87

CV (95%CI): 17.3 (12.3-29.4)

 

Oxygen pulse:

ICC: 0.95

CV (95%CI): 9.7 (7.2-14.9)

 

Submaximal measures

VO2 at ventilatory threshold (VT) (L/min):

ICC: 0.89

CV (95%CI): 13.2 (9.6-21.1)

 

HR at VT:

ICC: 0.53

CV (95%CI): 4.6 (3.3-7.3)

 

Oxygen uptake efficiency slope (OUES):

ICC: 0.80

CV (95%CI): 24.3 (17.9-38.9)

 

HR during 6MWT:

ICC: 0.94

CV (95%CI): 5.4 (3.2-7.5)

 

Performance measures showed good reliability (ICC) and agreement (SDD).

 

For maximal measures, acceptable ICCs were found for all measures.

 

For submaximal measures, only HR at the ventilatory threshold showed an ICC of less than 0.80.

 

Agreement showed a CV of less than 10% for all measures, except for VO2 at the ventilatory threshold, HRR, and OUES.

Fair (B)

 

Assumable that patients were stable, measurements were independent and test conditions similar; small sample size

 

Missing data for 4 children (17%).

 

Small sample size.

 

De Groot, 2009

Type of study:

cross-sectional study (criterion validity)

 

Setting: hospital-based

 

Country: Netherlands

 

Source of funding:

Dutch Royal Society for Physiotherapy, the Wilhelmina Children’s Hospital Research

Fund, Stichting BIO-Kinderrevalidatie

Inclusion:

- spina bifida,

type MMC

- at least community ambulatory

- able to follow instructions regarding testing

- between 6 and 18 years

 

Exclusion:

- medical events that might interfere with the outcomes of the testing

- medical status that did not allow maximal exercise testing

 

N=20

 

Mean age ± SD: 10.3 ± 4.9 y

 

Sex: 45%M/55%F

 

Ambulation level:

10 normal ambulatory,

10 community ambulatory

 

Test:

Graded treadmill (EnMill) test for maximal and submaximal exercise testing with 2 different protocols according to ambulatory abilities (measured during 6MWT).

 

Criterion:

Rowland criteria:

Subjective:

- Unsteady walking, running, or biking

- Sweating

- Facial flushing

Objective:

- Heart rate (HR) of > 95% (210 - age)

- Respiratory exchange ratio (RER) of > 1.00

- Oxygen uptake plateau in last minute (measured as difference between normalized VO2 amd peak and VO2 in the last 30 seconds of the minute before

the last minute)

 

A child had to meet the subjective criteria and at least 2 of the objective criteria for the test to be considered of maximal effort and character.

 

Procedure:

- Graded treadmill test until exhaustion.

- After a resting period of 4 minutes, the children were tested for a maximum of 3 minutes at 110% of their maximum achieved speed (supramaximal testing).

Rowland criteria during exercise testing:

Signs of subjective criteria:

20/20 (100%)

 

HR peak of > 95% (210 - age):

13/20 (65%)

 

RER peak of > 1.00:

16/20 (80%)

 

VO2 plateau:

13/20 (65%)

 

The average values for VO2peak and normalized VO2peak were, respectively, 1.23 L/min (SD=0.6) and 34.1 mL/kg/min (SD=8.3).

 

Fifteen children (75%) met at least 2 of the 3 objective Rowland criteria; one child failed to meet any criteria.

 

Although there were no significant differences between VO2peak and VO2supramaximal, 5 children did show improvement during supramaximal testing.

Poor (C)

 

Correlations or area under the ROC curve not calculated

 

Small sample size, but based on power calculation.

De Groot, 2010

Type of study: reproducibility study (test-retest reliability)

 

Setting: hospital-based

 

Country: Netherlands

 

Source of funding:

Dutch Royal Society for Physiotherapy, the Wilhelmina Children’s Hospital Research

Fund

Inclusion:

- spina bifida,

type MMC

- at least community ambulatory

- able to follow instructions regarding testing

- between 6 and 18 years

 

Exclusion:

- medical events that might interfere with the outcomes of the testing

- medical status that did not allow maximal exercise testing

 

N=14

 

Mean age ± SD: 10.8 ± 3.5 y

 

Sex: 43%M/57%F

 

Ambulation level:

8 normal ambulatory,

6 community ambulatory

Test:

Measuring energy expenditure during rest and locomotion during 6MWT.

 

Procedure:

Retest 2 weeks after first test, at the same time of the day and by the same tester.

Speed (m/min):

ICC: 0.97

SDD%: 9.7

 

Energy consumption (ECS) (J/kg/min):

rest:

ICC: 0.96

SDD%: 22.8

gross:

ICC: 0.91

SDD%: 18.9

net:

ICC: 0.88

SDD%: 30.5

 

Energy cost (EC) (J/kg/min):

gross:

ICC: 0.91

SDD%: 24.8

net:

ICC: 0.86

SDD%: 37.0

 

Differences between normal and community ambulators:

Only gross EC and speed differed significantly among the groups. The difference in speed

was 20.8 m/min (p=0.01) while the difference in gross EC was 2.4 J/kg/m (p=0.02), with normal ambulatory children walking

faster at a lower cost.

Fair (B)

 

Assumable that patients were stable, measurements were independent and test conditions similar; small sample size

 

Body functions and structures – Muscle testing (manual muscle testing [MMT], hand-held dynamometry [HHD])

Mahony, 2009

Type of study: reproducibility study (inter-tester reliability)

 

Setting: hospital-based

 

Country:

Australia

 

Source of funding:

Not reported, presumably university or hospital funding

Inclusion:

- active movement in lower limbs

- able to follow instructions regarding testing

 

Exclusion:

- not reported

 

N=20

 

Mean age ± SD: 9 years and 10 months

 

Sex: 50%M/50%F

 

Ambulation level:

16 community ambulatory,

 4 wheelchair dependent

Tests:

- Manual muscle testing (MMT), 0-5

- Hand-held dynamometry (HHD)

 

Procedure:

- There were three testers (2 experienced physical therapists, 1 physical therapy student). None of the testers was experienced in the use of HHD.

- A randomized tester order was determined across all study participants prior to the study, using a computer formula (Excel).

- All tests were completed in one session of between 15 and 20 min. There was a rest period of 30 s between each HHD and MMT measure.

- Data were recorded by a nurse who was unable to view the patient responses.

- Testing of hip flexors, hip abductors and knee extensors.

- All testing was performed on the right leg.

MMT

Intertester reliability (ICC):

Hip flexors: 0.37

Hip abductors:0.75

Knee extensors: 0.40

Minimum detectable change (MDC 90%), 0-5 ordinal scale:

Hip flexors: 0.85

Hip abductors: 1.27

Knee extensors: 1.13

 

HHD

Intertester reliability (ICC):

Hip flexors: 0.83

Hip abductors:0.76

Knee extensors: 0.83

MDC 90%, in Newtons:

Hip flexors: 11.88

Hip abductors: 14.85

Knee extensors: 15.41

Fair (B)

 

Assumable that measurements were independent and test conditions similar

ICC calculated but model or formula of the ICC not described; small sample size

 

Small sample size, but based on power calculation.

 

Two children were unable to contract their hip abductors against gravity and consequently no HHD data could be obtained for these muscles. Data sets were therefore complete for 18 of the 20 participants.

Effgen, 1992

Type of study: reproducibility study (test-retest reliability)

 

Setting: summer camp

 

Country: USA

 

Source of funding:

grant from the Foundation for Physical Therapy and HahnernannUniversity

Inclusion:

- not reported

 

Exclusion:

- not reported

 

N=12

 

Mean age ± SD: 13.7 ± 2.6 y

 

Sex: 25%M/75%F

 

Ambulation level:

not reported

Test:

Hand-held dynamometry (HHD)

 

Procedure:

- Retest 23 days after first test, by same tester.

- The same examiner, who was blind to previous measures, conducted all muscle performance tests at both sessions.

- Interrater reliability was assessed on randomly selected muscle groups on each day of testing.

- Lower-extremity muscle testing included tests of the hip extensors, flexors, abductors, and adductors and the knee extensors and flexors.

- All testing was performed on both legs.

HHD

Intertester reliability (ICC):

Hip extensors (right leg): 0.94

Hip flexors (right leg): 0.96

Hip abductors (right leg):0.91

Hip adductors (right leg): 0.91

Knee extensors (right leg): 0.83

Knee flexors (right leg): 0.89

Poor (C)

 

Unclear if time interval between measurements (23 days) was appropriate; small sample size

 

Lower extremity testing based on child’s level of spinal lesion, therefore results available for minimum 5 and maximum 10 children.

Activity – Pediatric Evaluation of Disability Inventory (PEDI)

Custers, 2002

Type of study: validity study (discriminative validity)

 

Setting: home-/hospital-based

 

Country: Netherlands

 

Source of funding:

No commercial party having a direct financial interest in the results of the research

supporting this article has or will confer a benefit upon the author(s) or upon any

organization with which the author(s) is/are associated.

Inclusion:

- children with known disabilities

- children without known disabilities

 

Exclusion:

- not able to actively use Dutch language

 

N=259

 

Two groups:

1) children with known disabilities:

N=41 with spina bifida (MMC)

Mean age ± SD: 42.9 ± 25.6 months

Sex: 44%M/56%F

Lesion level:

7 with thoracic lesion,

8 with lumbar 1-3 lesion,

15 with lumbar 4-5lesion,

11 with sacral 1-2 lesion

 

2) children without known disabilities:

N=62

Mean age ± SD: 30.6 ± 3.8 months

Sex: 42%M/58%F

Test:

Dutch Pediatric Evaluation of Disability Inventory (PEDI).

 

Procedure:

- The child’s functional capability and performance was measured by using 3 functional skills scales and 3 caregiver assistance scales of the Dutch PEDI (self-care, mobility, and social function).

- Five experienced clinicians interviewed the parents.

- Interviews were at home, in the hospital or administered by telephone.

 - The PEDI was administered to the person who provided the most care for the child.

 

Sensitivity:

- 93.5% of the children without a disability were correctly predicted as being nondisabled.

- 91.6% of the children with a disability were correctly predicted as being disabled.

- 39.0% of the children with spina bifida were correctly predicted as having spina bifida.

Fair (B)

 

Unclear if criterion/reference test used for comparison can be considered adequate gold standard

 

Study also included patients with infantile encephalopathy, n=40; juvenile idiopathic

arthritis, n=20; neurometabolic conditions, n=36; neuromuscular disorders, n=9; skeletal disorders, n=28; traumatic injury, n=23

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 18-04-2013

Laatst geautoriseerd  : 18-04-2013

Geplande herbeoordeling  : 01-01-2019

Uiterlijk in 2018 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn, delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie

Algemene gegevens

Met ondersteuning van de Orde van Medisch Specialisten. De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel

Door de in Nederland bestaande expertise op het gebied van diagnostiek en behandeling van de loopstoornissen bij kinderen met SB en de bestaande wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp, is er een vruchtbare bodem ontstaan voor het opstellen van een multidisciplinaire richtlijn. Deze richtlijn geeft concrete aanbevelingen voor het optimaliseren van de multidisciplinaire zorg, ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering gericht op het bereiken en behouden van zelfstandig lopen van kinderen met SB en draagt bij aan een realistisch en objectief beeld ten aanzien van hun functionele prognose. Met deze richtlijn streeft men naar het bereiken van uniformiteit met betrekking tot de diagnostiek en behandeling door de diverse medici en paramedici.

 

Doelgroep

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de diagnostiek en behandeling van kinderen met loopstoornissen ten gevolge van SB. Voor kinderen met SB en hun naasten wordt een toegankelijke samenvatting van de richtlijn uitgewerkt.

Samenstelling werkgroep

  • Mw. dr. B. Ivanyi-Roelfsema, kinderrevalidatiearts, Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, voorzitter
  • Dr. J. van Aalst, neurochirurg, Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • Mw. dr. H.J.G. van den Berg-Emons, onderzoeker, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam
  • Dr. R.H.J.M. Gooskens, kinderneuroloog, Nederlandse Vereniging voor Kinderneurologie
  • Mw. dr. J.F. de Groot, fysiotherapeut/onderzoeker, Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Drs. T.H.R de Jong, neurochirurg, Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • Mw. dr. C.C.E. de Jong-de Vos van Steenwijk, kinderarts, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Dr. C.G.B. Maathuis, kinderrevalidatiearts, Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Dr. M.J. Nederhand, revalidatiearts, Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • C. Th. Noppe, orthopedisch technicus
  • Mw. dr. M.A.G.C. Schoenmakers, kinderfysiotherapeut/onderzoeker, Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Dr. J.A. van der Sluijs, orthopedisch chirurg, Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Dr. P.A.A. Struijs, orthopedisch chirurg, Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • J.M.A. Verheijden, beleidsmedewerker zorg, Vereniging van mensen met spina bifida (BOSK)

 

Met ondersteuning van:

  • Mw. drs. S.B. Muller-Ploeger, junior adviseur afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit, Orde van Medisch Specialisten
  • Mw. dr. N.H.J. van Veen, adviseur afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit, Orde van Medisch Specialisten

 

Kernredactie:

  • Mw. dr. B. Ivanyi-Roelfsema, kinderrevalidatiearts, Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Mw. dr. N.H.J. van Veen, adviseur afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit, Orde van Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. 

Geen van de werkgroepleden heeft aangegeven belangen te hebben die mogelijk kunnen interfereren met de besluitvorming in de werkgroep ten aanzien van de interpretatie van het wetenschappelijk bewijs en het opstellen van aanbevelingen.

Inbreng patiƫntenperspectief

Het perspectief van kinderen en jongeren met SB en hun verzorgers wordt gezien als een waardevolle en essentiële aanvulling bij het tot stand komen van deze richtlijn. In de werkgroep werden zij vertegenwoordigd door een afgevaardigde namens de vereniging van mensen met SB (BOSK).

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij werd uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

 

Na autorisatie zal de richtlijn digitaal worden verspreid onder de relevante beroepsgroepen. Daarnaast zal er een samenvatting van de richtlijn verstuurd worden naar de deelnemende wetenschappelijke verenigingen ter publicatie. Ook zal de richtlijn te downloaden zijn vanaf de website van de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen: www.revalidatiegeneeskunde.nl.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen in het rapport ‘Richtlijnen 2.0’ van de adviescommissie Richtlijnen van Orde van Medisch Specialisten. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2010 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van relevante specialismen die betrokken zijn bij de diagnostiek en behandeling van de loopstoornissen bij kinderen met SB (zie hiervoor de samenstelling van de werkgroep).

De leden van de werkgroep zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende twee jaar aan de totstandkoming van de richtlijn. De leden van de werkgroep schreven in subgroepen teksten die tijdens plenaire vergaderingen werden besproken en na verwerking van de commentaren werden geaccordeerd.

 

Knelpuntenanalyse, uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse binnen de werkgroep en inventarisatie van vragen en knelpunten middels een focusgroep bijeenkomst met mensen met SB en ouders van kinderen met SB, zijn er concept uitgangsvragen opgesteld. Na onderlinge discussie heeft de werkgroep de definitieve uitgangsvragen vastgesteld.

 

Voor de uitkomstmaten worden relevante domeinen in relatie tot het lopen op het niveau van functies, activiteiten en participatie van het ICF-CY model door de werkgroep gehanteerd. 

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen in Medline (OVID), de databases van het Guidelines International Network (GIN), de Kwaliteitskoepel en Artsennet (geen referenties, vanaf 2006) en naar systematische reviews in Medline (OVID) en de Cochrane Library (2 referenties vanaf 2000). Ook werd gezocht naar artikelen over patiëntenperspectief (24 referenties, vanaf 1996). Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in de Cochrane Library (Wiley), Embase (Elsevier) en/of Medline (OVID) tot uiterlijk juli 2011.

Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen.

In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Voor het identificeren van mogelijke systematische reviews en gerandomiseerde klinische trials werd gebruik gemaakt van zoekfilters, gebaseerd op de filters die gebruikt worden door het Scottish Intercollegiate Guideline Network (SIGN) (http://www.sign.ac.uk/).

 

De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van relevantie. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De searches werden gelimiteerd op literatuur in het Engels, Nederlands, Frans en Duits. Waar dat niet zo was, is dat vermeld. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden onder 'Zoekverantwoording'.

 

Beoordelen en samenvatten van de literatuur

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria (zie tabel 3.1 en 3.2). De relevante onderzoeksgegevens van de geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidence-tabellen, die per module te vinden zijn onder 'Evidence tabellen'. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur zijn beschreven in de samenvatting van de literatuur. Het wetenschappelijke bewijs werd samengevat in één of meerdere conclusies, waarbij het niveau van het meest relevante bewijs is weergegeven (zie tabel 3.3).

 

Tabel 3.1 GRADE bewijsniveaus van interventiestudies

Bewijsniveau

Interventie onderzoek

Hoog (A1)

    RCTs zonder ernstige beperkingen

    Observationele studies met zeer grote effecten en zonder ernstige beperkingen

Matig (A2)

    RCTs met ernstige beperkingen

    Observationele studies met grote effecten en zonder ernstige beperkingen

Laag (B)

    RCTs met zeer ernstige beperkingen

    Observationele studies zonder ernstige beperkingen

Zeer laag (C)

    RCTs met zeer ernstige beperkingen en inconsistente resultaten

    Observationele studies met ernstige beperkingen

    Niet-systematische klinische observaties (vb. case series of case reports)

 

Tabel 3.2 EBRO bewijsniveaus van diagnostische accuratessestudies en studies naar schade, etiologie of prognose

Bewijs niveau

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1

Meta-analyse van min. 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Onderzoek t.o.v. een referentietest (‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van resultaten, met voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Onderzoek t.o.v. een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiëntcontrole onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

 

Voor prognose: dwarsdoorsnede onderzoek

 

Tabel 3.3 Niveau van bewijskracht van de conclusie op basis van de aan de conclusie ten grondslag liggende literatuur

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

    Voor therapeutische interventiestudies: studies van hoge kwaliteit

    Voor diagnostisch accuratesse onderzoek of prognose, etiologie of bijwerkingen: onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

    Voor therapeutische interventiestudies: studies van matige kwaliteit

    Voor diagnostisch accuratesse onderzoek of prognose, etiologie of bijwerkingen: 1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

    Voor therapeutische interventiestudies: studies van lage kwaliteit

    Voor diagnostisch accuratesse onderzoek of prognose, etiologie of bijwerkingen: 1 onderzoek van niveau B of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau C

4

    Voor therapeutische interventiestudies: studies van zeer lage kwaliteit

    Voor diagnostisch accuratesse onderzoek of prognose, etiologie of bijwerkingen: 1 onderzoek van niveau C of D

 

De methodologische kwaliteit van de studies die de validiteit of betrouwbaarheid onderzochten van meetinstrumenten om het lopen bij kinderen en adolescenten met SB te evalueren werd beoordeeld aan de hand van de COSMIN checklist (Mokkink, 2010). Deze checklist is ontwikkeld en gevalideerd voor het beoordelen van studies die de validiteit en reproduceerbaarheid van meetinstrumenten evalueren. 

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs, ook andere aspecten belangrijk, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten en beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische zaken. Deze aspecten zijn, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen.

 

Indicatorontwikkeling

Er zijn door de werkgroep drie interne kwaliteitsindicatoren ontwikkeld om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader/vervolg onderzoek staat in de aanverwant 'Kennislacunes'.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn op sommige punten aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Prognostische factoren bij kinderen met SB