Lichen planus

Initiatief: NVDV Aantal modules: 19

Diagnostiek bij lichen planus

Aanbeveling

Cutane lichen planus

Bij iedere patiënt met cutane lichen planus dient gevraagd te worden naar afwijkingen (elders) op het lichaam, specifiek naar orale en genitale klachten, en dient inspectie van deze gebieden plaats te vinden.

 

Een stansbiopt wordt aanbevolen bij:

  1. Diagnostische onzekerheid
  2. Verdenking op neoplasie

 

Directe en indirecte immunofluorescentie kan worden verricht indien differentiaal diagnostisch wordt gedacht aan een auto-immuun blaarziekte.

 

Genitale lichen planus

Bij iedere patiënt met genitale lichen planus dient gevraagd te worden naar afwijkingen (elders) op het lichaam, specifiek naar orale klachten, en dient inspectie van de mond en de hele huid plaats te vinden.

 

Bij klassieke presentatie van genitale lichen planus volstaat anamnese en lichamelijk onderzoek voor het stellen van de diagnose en is het nemen van een stansbiopt niet noodzakelijk.

 

Een stansbiopt wordt aanbevolen bij:

  1. Diagnostische onzekerheid
  2. Verdenking op neoplasie
  3. Bij onvoldoende reactie op therapie

 

Orale lichen planus

Indien bij afwijkingen van het mondslijmvlies het klinisch beeld minder specifiek is voor orale lichen planus, wordt (bij afwezigheid van etiologische factoren) een biopsie verricht, met name om dysplasie en carcinoom uit te sluiten.

 

Bij erosieve afwijking en geen klassieke presentatie van lichen planus is het van belang om slijmvliespemfigoïd uit te sluiten middels IF onderzoek.

 

Als op basis van het klinisch beeld wordt gedacht aan een tandheelkundig restauratiemateriaal-geassocieerde orale lichenoïde contactlaesie, wordt het verrichten van epicutaan contactallergologisch onderzoek afgeraden.

 

Als het aannemelijk is dat een orale lichenoïde laesie veroorzaakt wordt door een restauratie of prothese, meestal betreft het metaal, kan bij klachten vervanging van de restauratie door bijvoorbeeld keramiek of kunststof worden overwogen.

 

De patiënt dient hierbij echter geïnformeerd te worden dat op geen enkele wijze kan worden gegarandeerd dat de slijmvliesafwijking hierbij ook daadwerkelijk zal verdwijnen.

 

Oesofageale lichen planus

Om oesofageale lichen planus te diagnosticeren is zowel endoscopisch als histologisch onderzoek noodzakelijk.

 

Bij patiënten met lichen planus dient gevraagd te worden naar dysfagie, odynofagie en ongewild gewichtsverlies.

 

Bij klachten van de slokdarm of ongewild gewichtsverlies dient laagdrempelig endoscopisch onderzoek van de slokdarm plaats te vinden.

 

Lichen planopilaris

Bij iedere patiënt met lichen planopilaris dient gevraagd te worden naar afwijkingen elders op het lichaam, specifiek naar orale en genitale klachten, en dient inspectie van deze gebieden plaats te vinden.

 

De diagnose lichen planopilaris kan soms op basis van trichoscopie worden gesteld. Bij diagnostische onzekerheid of indien bevestiging van de diagnose voor patiënt of in het kader van de therapie wenselijk is, worden twee stansbiopten (4mm) aanbevolen. Trichoscopie kan dan worden gebruikt bij het bepalen van de plek van het biopt.

 

Nagel lichen planus

Bij iedere patiënt met nagel lichen planus dient gevraagd te worden naar afwijkingen elders op het lichaam, specifiek naar orale en genitale klachten, en dient inspectie van deze gebieden plaats te vinden.

 

Een longitudinaal excisie biopt van nagelbed/nagelmatrix voor PA-onderzoek wordt aanbevolen bij:

  1. Diagnostische onzekerheid
  2. Verdenking op neoplasie

Onderbouwing

Bij alle patiënten met een verdenking op lichen planus, dienen onderstaande punten uitgevraagd te worden:

  • Pijn en/of jeuk van de huid, genitaliën of perianaal
  • Pijn in de mond
  • Voedselpassageklachten, pijn bij het slikken of heesheid
  • Haarverlies, zowel op het hoofd als op het lichaam
  • Afwijkingen aan de nagels
  • Auto-immuunziekten
  • Geneesmiddelengebruik

 

Per subtype lichen planus dienen vervolgens specifieke vragen gesteld te worden. Deze zullen hieronder worden genoemd, samen met instructies voor lichamelijk onderzoek en adviezen met betrekking tot eventueel aanvullend onderzoek.

Cutane lichen planus (2021)

Speciële anamnese

  • Tijdsrelatie met gebruik van geneesmiddelen
  • Köbner fenomeen
  • Donkere verkleuring

 

Lichamelijk onderzoek

Inspectie van de hele huid. Voorkeurslocalisaties:

  • voor de klassieke jeukende livide polygonale platte papels: de buigzijde van de polsen en onderarmen, de nek, de onderrug en de enkels
  • voor hypertrofische LP de onderbenen: met name pretibiaal
  • voor lichen planus pigmentosus aan zon blootgestelde gebieden: met name het gelaat en de onderarmen waar niet-jeukende livide maculae en soms papels verschijnen

 

Genitale lichen planus (2012)

Speciële anamnese

  • genitale klachten: pijn, branderigheid, jeuk, meer fluor, vaginaal bloedverlies
  • klachten bij seksueel functioneren, met name dyspareunie, apareunie, bloedverlies tijdens/na coïtus
  • klachten bij mictie, dysurie, verandering van straal
  • anale klachten, pijn jeuk en/of bloedverlies bij defecatie

 

Lichamelijk onderzoek

Perianaal meestal geen afwijkingen, soms hypertrofische, verruceuze of ulceratieve veranderingen waarbij verlittekening en stricturen kunnen ontstaan

 

Vrouwen

Voer eerst zorgvuldige inspectie van de vulva en van de introïtus vulvae uit. Als (voorzichtige) palpatie van de vagina mogelijk is, kan speculumonderzoek uitgevoerd worden.

  • inspectie anogenitaal: erythemateuze vaak glanzende maculae, erosies, soms reticulaire strepen (Wickhamse striae), verstrijken van de labia minora, adhesie van labia in mediaanlijn, fusie van het praeputium van de clitoris en vernauwing van de introïtus vaginae
  • in speculo: vaginale adhesies, scherp begrensde erosieve laesies, spontane bloeding.

 

Mannen

  • inspectie anogenitaal: erythemateuze glanzende erosieve maculae als klassieke, vaak annulaire plaques, soms reticulaire strepen (Wickhamse striae) op de glans penis en op het binnenblad van het preputium. Verkleving van het preputium aan de glans. Op de penisschacht de klassieke jeukende livide polygonale platte papels.

 

Voer gericht aanvullend lichamelijk onderzoek uit naar LP op andere lokalisaties.

 

De diagnose genitale LP kan op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek gesteld worden, mits het een klassieke presentatie betreft (zie de module Klinisch beeld).

 

Een stansbiopt wordt aanbevolen:

  1. bij onzekerheid over de diagnose
  2. bij verdenking op neoplasie/dysplasie
  3. bij onvoldoende reactie op therapie

 

Bij het verrichtten van lichamelijk onderzoek van het genitaal zijn een aantal zaken belangrijk: zorg voor continuïteit (bij voorkeur een vaste arts). Indien er in uw ziekenhuis coassistenten en arts-assistenten zijn. Voer bij voorkeur lichamelijk onderzoek gezamenlijk uit om te voorkomen dat patiënt zich vaker moet ontkleden. Vraag voorafgaand of patiënt akkoord is met de aanwezigheid van coassistent.

Als men genitale LP vermoedt, moet men altijd ook het mondslijmvlies bekijken. Omgekeerd moet men patiënten met LP van het mondslijmvlies instrueren om bij genitale klachten contact te zoeken met de specialist of huisarts. Differentieel-diagnostisch moet vooral worden gedacht aan lichen sclerosus, graft versus host disease, vulvovaginitis op basis van een bacteriële vulvovaginitis of ernstige candida en aan slijmvliespemfigoïd. Het is – zowel klinisch als histopathologisch – soms moeilijk LS en LP van elkaar te onderscheiden, vooral in de vroege fase. Ook zijn er patiënten die genitale lichen sclerosus hebben en tegelijkertijd LP. Bij aanwezigheid van vaginale erosies en/of adhesies kan de diagnose ‘lichen sclerosus’ worden verworpen. Bovendien staat bij LS de jeuk meer op de voorgrond. Histopathologisch en immunohistopathologisch onderzoek kan helpen om LP van slijmvliespemfigoïd te onderscheiden. Sluit bij een pijnlijke erosieve vulvovaginitis zonder duidelijk zichtbare verlittekening zoals bijvoorbeeld agglutinatie van de labia minora/vaginale adhesies, een bacteriële vulvovaginitis of ernstige candida uit. In het geval van het laatste, denk altijd aan een evt. onderliggende diabetes mellitus (slecht gereguleerd of de novo).

 

Differentiële diagnose genitale lichen planus

Aandoening

Diagnostische testen

Vulvitis/balanitis plasmacellularis circumscripta (Morbus Zoon)

biopt

Intraepitheliale neoplasie

biopt

Traumata

anamnese

Carcinoom

biopt

Lichen sclerosus

biopt

Ziekte van Behçet

klinisch

M. Paget

biopt

Extra-intestinale granulomatosis, zoals bij de ziekte van Crohn

biopt

Bulleus pemfigoïd

biopt, IF

Slijmvlies pemfigoïd

biopt, IF

Allergisch contacteczeem

allergie test

Recidiverende infecties

kweek, nuchter glucose bepalen

Fixed-drug eruption

biopt, allergie test

Lupus Erythematodes

biopt, IF, ARA criteria uitvragen

Hailey-Hailey

biopt

Graft versus host disease

anamnese, biopt

 

Differentiatie tussen genitale lichen sclerosus en genitale lichen planus

Lichen sclerosus

Lichen planus

Mannen en vrouwen

Hypopigmentatie, hyperkeratose, sclerose, excoriaties, ecchymosen, atrofie

Glanzend erytheem, erosies, Wickhamse striae

Jeuk (en pijn)

Pijn (en jeuk)

Extragenitale LS (zelden)

Mogelijk extragenitale LP

Geen nagelveranderingen

Mogelijk nagelveranderingen

Niet oraal

Mogelijk orale klachten

Vrouwen

Verstrijken labia minora en fusie van het preputium van de clitoris

Verstrijken labia minora en fusie van het preputium van de clitoris

Vulva én perianaal 8-figuur

Vulva en vagina (bloederige fluor, obliteratie/stricturen)

Mannen

Verkleving preputium aan de glans penis, (pseudo)phimosis

Verkleving preputium aan de glans penis, (pseudo)phimosis

 

Orale lichen planus (2012)

Speciële anamnese

  • pijnklachten m.b.t. mondholte
  • likproblemen of pijn bij het slikken (dysfagie/odynofagie)

 

Lichamelijk onderzoek

Bij onderzoek van de mondholte dienen partiële of volledige gebitsprothesen uitgenomen te worden. Alleen dan kan het gehele mondslijmvlies nauwkeurig worden geïnspecteerd. Om een goed onderzoek van de tong uit te kunnen voeren, wordt de patiënt gevraagd de tong uit te steken. De onderzoeker kan eventueel met behulp van een gaasje de tongpunt vasthouden, waarna de patiënt wordt gevraagd de tong te ontspannen. Op deze wijze kan goede inspectie van tongrug, tongranden en ten dele ook van de mondbodem plaatsvinden (van der Waal I, 1996).

Wanneer er anamnestisch sprake blijkt te zijn van klachten van de huid, de nagels en/of genitaliën dient nader dermatologisch en/of anogenitaal onderzoek plaats te vinden. Wanneer anamnestisch sprake blijkt van dysfagie of odynofagie of van minder specifieke klachten betreffende de voedselinname (dyspepsie, pyrosis, regurgitatie) dient een gastroduodenoscopie te worden verricht, waarbij slokdarmbiopten moeten worden afgenomen.

 

Differentiële diagnose van witte afwijkingen van het mondslijmvlies

Afwijking

Meest belangrijke diagnostische criterium

‘Aspirin burn’

anamnese vermeldt lokale applicatie van aspirine

Discoïde lupus erythematodes

circumscripte laesie met centraal erytheem, radiaire witte lijntjes

‘Frictional lesion’

aanwezigheid van mechanische irritatie (bijv. excessieve poetsgewoonte)

‘Hairy leukoplakia’

bilateraal tongranden; histopathologie (incl. EBV), HIV-serologie

Leukoedeem

bilateraal wangmucosa; verdwijnt bij rek; raciaal

Leukoplakie

witte afwijking niet als enig andere afwijking als hier beschreven te karakteriseren

Linea alba

klinisch aspect; op lijn van occlusie op wangslijmvlies

Morsicatio

irregulaire vlokkerige witte afwijking met onregelmatige contour; wang-/lipbijten

Papilloom

klinisch aspect; histopathologie

Pseudomembraneuze candidiasis

klinisch aspect; afschraapbaar; vaak symmetrisch voorkomen

Syfilis (2de st.’mucous patches’)

aantonen T. pallidum; serologie

‘White sponge nevus’

familiair voorkomen; klinisch aspect; symmetrisch voorkomen

 

Differentiële diagnose van rode afwijkingen van het mondslijmvlies

Afwijking

Meest belangrijke diagnostische criterium

Infectieus

Candidose, erythemateuze vorm

anamnese, klinisch aspect

Stomatitis prothetica

klinisch aspect

Cheilitis angularis

klinisch aspect

Mediane romboïde glossitis

klinisch aspect, lokalisatie tongrug

Reactief

Verbranding

anamnese

Radio- en chemotherapie geïnduceerd

anamnese

Auto-immuun

Contact laesie

klinisch aspect, relatie met agens

Plasmacel gingivitis

klinisch aspect, huidafwijkingen, histologie

Granulomateuze gingivitis

klinisch aspect, huidafwijkingen, histologie

Lineaire erythemateuze gingivitis

klinisch aspect, huidafwijkingen, histologie

Erosieve lichen planus

klinisch aspect, histologie en immunofluorescentie

Erythema exsudativum multiforme

klinisch aspect, huidafwijkingen, histologie

Pemphigus vulgaris

klinisch aspect, huidafwijkingen, histologie en immunofluorescentie

Slijmvliespemfigoïd

klinisch aspect, histologie en immunofluorescentie

Lupus erythematodes

klinisch aspect, histologie en immunofluorescentie

CREST-syndroom

klinisch aspect, aantonen anticentromeer antilichamen in bloed

Graft versus Host ziekte

anamnese; klinisch aspect

Potentieel maligne en maligne

Erytroplakie

klinisch aspect, histologie

Plaveiselcelcarcinoom

klinisch aspect, histologie

Overige

Atrofische glossitis

klinisch aspect, bloedonderzoek

Fellatio

anamnese, klinisch aspect

Lingua geografica

klinisch aspect

 

Oesofageale lichen planus (2021)

Speciële anamnese

  • Slikproblemen of pijn bij het slikken (dysfagie/odynofagie)

 

Endoscopisch onderzoek

De endoscopische bevindingen kunnen subtiel zijn en makkelijk worden gemist. Tekenen die verdacht zijn voor oesofageale LP en zijn opgenomen in de macroscopische criteria voor oesofageale LP zijn:

  1. Geen zichtbare afwijkingen (bij een deel van de patiënten zijn, hoewel wel sprake is van klachten, geen afwijkingen zichtbaar)
  2. Stricturen of stenosering
  3. Denudatie van mucosa spontaan of na biopsie. Eventueel met scheuren en loslaten van mucosa wat ook tijdens endoscopie spontaan kan optreden [Schauer 2019]

Ook hyperkeratose en/of trachealisatie kunnen een aanwijzing zijn voor oesofageale LP waarbij het beeld sterk kan gelijken op eosinofiele oesofagitis.

 

Differentiële diagnose bij oesofageale lichen planus

  • Eosinofiele oesofagitis
  • Reflux oesofagitis
  • Virale oesofagitis (HSV, HIV)
  • GVHD van de slokdarm
  • Slijmvlies pemfigoïd
  • Pemphigus vulgaris
  • Slokdarm carcinoom (bij stenosering)
  • Geneesmiddel gerelateerde slokdarm laesies (bijv. mycofenolaat)
  • Oesofageale locatie Morbus Crohn

Deze opsomming heeft niet de illusie volledig te zijn. Een beschrijving van de endoscopische beelden van bovenstaande aandoeningen is niet relevant omdat de beelden aspecifiek zijn en onderlinge flinke overlap vertonen zoals bijvoorbeeld met eosinofiele oesofagitis.

 

Lichen planopilaris (2021)

Speciële anamnese

  • Haaruitval
  • Klachten van de hoofdhuid zoals pijn, jeuk of een branderig gevoel

 

Lichamelijk onderzoek

Voor het stellen van de diagnose, is met name inspectie, trichoscopie en eventueel histopathologisch onderzoek van belang. De meest kenmerkende klinische en trichoscopische bevindingen van een actieve LPP zijn perifolliculair erytheem en (peri)folliculaire keratose. Indien histopathologisch onderzoek gewenst is, wordt dit idealiter afgenomen van een locatie met inflammatie (erytheem en perifolliculaire keratose). Zo nodig wordt de biopsie plaats afgetekend met behulp van de dermatoscoop.

 

Differentiële diagnose bij alopecie*

Afwijking

Kenmerken bij trichoscopie

Lichen planopilaris

Actieve LPP met inflammatie

• perifolliculaire keratose

• tubulaire omhulsels/hair casts

• verlengde lineaire bloedvaatjes

• livide-rode gebieden

Inactieve LPP met fibrose

• fibrose met witte gebieden/dots

tufting (5-7 haren)

Frontale fibroserende alopecia

Scalp frontaal

• afwezigheid van folliculaire openingen

• homogene ivoorkleurige achtergrond

• perifolliculaire schilfering en erytheem

lonely hairs nabij de haargrens

• perifolliculaire bruin tot bruin-livide gebieden (bij donkere huidtypen)

Wenkbrauwen

• multipele regulair gedistribueerde rode, grijze, of grijs-bruine dots

Alopecia androgenetica

Miniaturisatie: lonely hairs, dunne haren, vellus haren, gele dots

Alopecia areata

Gele dots, zwarte dots, uitroeptekenharen en afgebroken haren.

Cutane discoide lupus erythematosus

• keratine plugs: grote gele dots

• dikke arborizing vessels

• gedissemineerde hyperpigmentatie

• rode dots en blauw-grijze dots

Dissecting folliculitis

perifolliculaire gele structuurloze gebieden

• gele 3D dots met of zonder haar (residu)

• “icepick” kraters met haartufts (5-8haren)

Seborrhoisch eczeem

Gele squamae, multipele fijne arborizing vessels

Telogeen effluvium

Over de gehele scalp: lonely hairs, lege follikels, gele dots, kleine rechtopstaande haren, ontbreken van typische kenmerken van andere haarziekten

Tinea capitis

Komma haren, kurkentrekker haren

Trichotillomanie

• gebieden met verminderde haarimplant

• afgebroken haren van verschillende lengte

• korte haren met trichoptilosis (gespleten uiteinden)

• irregulaire korte, gekrulde haren

• hergroeiende rechtopstaande haren

• zwarte dots

vr*Dikrama 2018

 

Lichen planus van de nagel (2021)

Speciële anamnese

  • Klachten van de nagels zoals pijn en functieverlies
  • Hobby’s en sporten
  • Verzorging van de nagels
  • Bij teennagels: schoeisel

 

Lichamelijk onderzoek

Onderzoek van alle twintig nagels is wenselijk. Beoordeel de nagels ook met behulp van een dermatoscoop om details beter te kunnen zien. Gebruik eventueel strijklicht om oneffenheden in het dorsale oppervlak van de nagels zichtbaar te maken.

Let op de typische kenmerken van NLP:

  • Distale splijting van de nagel
  • Longitudinale erythemateuze lijnen als uiting van variatie in dikte van de nagel en daarmee activiteit in de matrix
  • Rode lunula
  • Geheel of partieel verlies van de nagel
  • Aanwezigheid pterygium: door fusie volaire en dorsale matrix waardoor splijting van de nagel in twee vleugels. Pathognomonisch voor NLP (komt echter ook voor na traumatische beschadiging of na een operatieve ingreep, echter aanwijsbare oorzaak en meestal een enkele nagel betreffend)
  • Longitudinale melanonychia door activatie melanocyten in de matrix. Equivalent van PIH. Vaker bij patiënten met huidtype III-IV.
  • Ulceratieve afwijkingen bij de bulleuze LP
  • Livide erytheem en zwelling proximale nagelplooi.

Let op en zoek naar cutane of mucosale uitingen van LP om de diagnose NLP te ondersteunen. Het is zeer ongebruikelijk dat NLP de eerste of enige manifestatie is van LP. Vaak is er sprake van een aanzienlijke doctor’s delay voordat patiënten gezien worden/de ziekte wordt herkend, mogelijk dat daarvoor andere uitingen van LP reeds genezen zijn of wel al behandeld zijn.

 

Aanvullend onderzoek

Histopathologisch onderzoek

Cutane en genitale lichen planus

Bij de diagnostiek van LP kan histopathologisch onderzoek een belangrijke rol spelen. Het klinisch beeld is echter leidend. De hallmark van de histologie van cutane lichen planus is de lichenoide ontsteking met vacuolaire degenaratie van de basale keratinocyten en de Cytoide (Civatte) bodies op de dermatoepidermale junction. Bij atrofische type LP is er sprake van verstrijking van de retelijsten waarbij geen sprake is van zaagtandvorming. Bij hypertrofische type LP is er sprake van acanthose met hyperkeratose, soms secundaire parakeratose (als gevolg van krabben), en zaagtandvormige configuratie van de epidermis. PAS-kleuring heeft geen betekenis in de histopathologisch diagnostiek van lichen planus. Het helpt wel om de differentiaal diagnose uit te werken en onderscheid te maken met andere lichenoide dermatose zoals LE waarbij sprake is van in PAS-kleuring duidelijk verbreed basaalmembraan. De Hypergranulose is vaak gerelateerd aan de acrosyringia als die aanwezig zijn in het biopt, maar is geen vereist histologisch kenmerk van cutane LP.

Het lichenoide infiltraat beperkt zich veelal in de superficiele dermis, in tegenstelling tot andere soorten lichenoide dermatosen (bijvoorbeeld LE, geneesmiddelenreacties).

De orale lichen planus kenmerkt zich ook door lichenoide mucositis/ontsteking waarbij vaak sprake is van orthokeratose. Parakeratotische verhoorning pleit in principe histologisch tegen orale LP en is reden om de differentiaal diagnose breed te trekken en actief te zoeken naar andere oorzaken van lichenoide mucositis. In de orale LP kan het infiltraat zich tot diep in het stroma uitbreiden met uitgebreide reactieve stromale veranderingen, soms met secundaire actieve ontsteking (neutrofiele granulocyten en plasmacellen).

 

Onderscheid hypertrofische cutane LP en een plaveiselcelcarcinoom

Bij laesies van hypertrofische lichen planus, welke vooral pretibiaal gevonden worden, kan ook histopathologisch het onderscheid met (goed gedifferentieerd) plaveiselcelcarcinoom en kerato-acanthoom moeilijk zijn. Het aanleveren van volledige klinische informatie over de laesie (aspect, afmeting, evolutie, duur van bestaan en aanwezigheid lichen planus elders) is hierbij van groot belang voor de interpretatie van het histologisch beeld.

Hypertrofische lichen planus toont soms diepreikende epidermale hyperplasie met opvallende (reactieve) proliferatieve activiteit. Daarnaast kan het begeleidend ontstekingsinfiltraat in vergelijking met klassieke lichen planus opvallend mild blijven, waarbij actieve grensvlakaantasting ook voornamelijk beperkt blijft tot de diep gelegen uiteinden van de retelijsten. In tegenstelling tot plaveiselcelcarcinoom en kerato-acanthoom wordt bij lichen planus echter geen significante cytonucleaire atypie gevonden. Ook de aanwezige mitosefiguren tonen geen atypische vormen. Richting het oppervlak blijft bij lichen planus globaal sprake van gelaagde uitrijping van de keratinocyten. Bovendien is het klassieke aspect van lichenoïde grensvlakaantasting minder compatibel met reëel invasief carcinoom.

In enkele gevallen kan aberrante overexpressie op p53 immuunhistochemische kleuring nog voorkeur bieden voor een plaveiselcelcarcinoom of kerato-acanthoom. Bij uitblijven van aberrante expressie is de kleuring echter niet bijdragend. Middels histochemische kleuringen kan soms ook de aanwezigheid van ingevangen elastinevezels binnen het epitheel aangetoond worden, dit is eveneens een sterk argumenten voor reële maligniteit.

De bovenbeschreven differentiërende kenmerken zijn echter vooral in de diepere delen van de afwijking gelegen, en daarom in een (oppervlakkig) biopt of shave excisie niet altijd beoordeelbaar. In deze gevallen kan het onderscheid tussen hypertrofische lichen planus of goed gedifferentieerd plaveiselcelcarcinoom of kerato-acanthoom soms niet zeker worden gemaakt, en is aanvullende sampling of diagnostische excisie alsnog noodzakelijk.

 

Orale lichen planus

In veel gevallen kan de diagnose OLP op grond van het klinisch beeld worden gesteld. Een proefexcisie kan dan achterwege blijven. Indien het klinisch beeld minder karakteristiek is en eerder sprake lijkt te zijn van een OLL, dient bij afwezigheid van etiologische factoren zoals een topografische relatie met tandheelkundige restauratiematerialen (zoals amalgaam, goud of palladium), geneesmiddelengebruik of graft versus host disease, erythro-leukoplakie in de differentiaal diagnose te worden opgenomen. In een dergelijke situatie is het aan te bevelen wél een proefexcisie te verrichten. Niet om een onderscheid te maken tussen OLP en een OLL, maar om epitheeldysplasie of een plaveiselcelcarcinoom uit te sluiten.

De als ‘gouden standaard’ gehanteerde definitie van de WHO uit 1978 vertoont bij zowel de histopathologische als de klinische diagnostiek van OLP slechts beperkte inter- en intraobserver overeenstemming. Een aantal auteurs heeft een voorstel gedaan voor het gebruik van diagnostische criteria voor zowel het klinische als het histopathologische beeld van OLP (Aguirre-Urizar 2020, Al-Hashimi 2006, Cheng 2016, van der Meij 2003, van der Waal 2018, Warnakulasuriya 2020). Deze criteria zijn echter nooit gevalideerd. De diagnose OLP kan niet uitsluitend worden gesteld op het histopathologische beeld, daarom blijft het klinisch beeld leidend in de diagnose. Het stellen van de diagnose OLP is derhalve veelal subjectief en beperkt reproduceerbaar.

De in 1985 door Krutchkoff en Eisenberg geïntroduceerde term ‘lichenoïde dysplasie’

beschrijft de aanwezigheid van lichen planus-achtige aspecten in dysplastisch epitheel (Krutchkoff 1985). Het gaat hier dus niet om de aanwezigheid van epitheeldysplasie bij OLP. De term ‘lichenoïde dysplasie’ is zowel voor clinicus als voor patholoog verwarrend en dient daarom vermeden te worden. De aanwezigheid van epitheeldysplasie sluit de diagnose OLP uit. In een dergelijke situatie dient de term erythro-leukoplakie te worden gehanteerd.

 

Oesofageale lichen planus

Voor het stellen van de diagnose oesofageale LP zijn, naast endoscopische en klinische criteria (Schauer 2019), ook willekeurige en op afwijkingen gerichte biopten noodzakelijk voor histologisch onderzoek. Deze biopten moeten worden genomen uit de proximale en middelste 1/3 deel van de oesofagus. Biopten uit de laatste 5 cm van de slokdarm dienen te worden vermeden om confounding met reflux oesofagitis te voorkomen.

Recent heeft een Duitse expertgroep uit Freiburg een voorstel voor diagnostische criteria gepresenteerd, gebaseerd op endoscopische en histologische bevindingen. [Schauer 2019] De combinatie van hyperkeratose van de slokdarm en mucosale ringen, zogenaamde trachealisatie, is verdacht voor oesofageale LP. Bij hyperkeratose, als mogelijk premaligne voorstadium van oesofageale LP, dient nauwkeurige diagnostiek naar plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm plaats te vinden, bij voorkeur middels een combinatie van hoge resolutie (HR) endoscopie en chromoendoscopie.

 

Lichen planopilaris

Histologisch wordt in actieve stadia net als bij lichen planus een bandvormig lymfocytair infiltraat gevonden. Bij lichen planopilaris is dit gelokaliseerd rond het bovenste deel van de follikel (isthmus en infundibulum), met overgrijpen op het follikelepitheel, apoptose en vacuolisatie rond het grensvlak. Latere stadia worden gekenmerkt door perifolliculaire fibrose rond isthmus en infundibulum. Uiteindelijk worden de follikels vervangen door bindweefselstrengen (fibrous tracts) en is er sprake van duidelijke vermindering van de hoeveelheid talgklieren. [Starink 2020]

 

Techniek biopt voor histopathologie

Huid en mucosa

Aanbevolen wordt een stansbiopt van 3 of 4 mm. Hierbij wordt een huidpreparaat van volledige dikte afgenomen. Na infiltratieve lokale anesthesie wordt uit de rand van de laesie een biopt genomen. Bij voorkeur op de rand van een typische laesie (erytheem met witte streepjes) met een klein deel niet aangedane huid. Centraal uit ulceraties en erosies dient niet gebiopteerd te worden; door het ontbreken van epitheel wordt het stellen van een histopathologische diagnose belemmerd. [Verrichtingen in de huisartspraktijk Goudswaard 2010, Zuber 2002, Goldstein 2009]

 

Scalp

Het biopt kan het beste in de richting van de haar worden genomen en moet tot in de subcutis reiken om de gehele follikel te kunnen onderzoeken. Meestal worden twee 4mm biopten genomen, waarbij één biopt horizontaal wordt aangesneden en één verticaal. [Starink 2020]

 

Nagels

Naast het klinische beeld kan een gericht nagelbiopt de diagnose NLP bevestigen. Echter, het afnemen van een nagelbiopt vergt een geleidingsblok (Oberst anesthesie). Gebruik van xylocaïne met adrenaline is geen bezwaar. Ook niet bij diabetici.

De voorkeur geniet een longitudinaal excisie biopt. Hiermee wordt nagelmatrix en nagelbed weefsel verkregen waardoor het stellen van de diagnose minder moeilijk wordt.

Een longitudinaal excisie biopt kan alleen aan de laterale zijde van de nagel afgenomen

worden.

 

Instructies voor afname biopt:

  • De nagel wordt longitudinaal ingeknipt tot in de proximale nagelplooi
  • Incisie tot op de onderliggende phalanx en mobiliseren over de phalanx naar lateraal
  • Tweede incisie over de gehele lengte van de laterale nagelplooi en daar voorbij tot aan de basis van de matrix. Hierdoor ontstaat een V-vormig excisiepreparaat
  • Versturen in formaline

Een punch-biopt uit het nagelbed is vaak aspecifiek en verdient niet de voorkeur. Een punchbiopt uit de matrix heeft het risico op ontstaan van splijting van de nagel. De kans hierop is kleiner wanneer het biopt uit het distale deel van de lunula wordt genomen ter hoogte van de overgang naar het nagelbed.

Het bepalen uit welke teen of vinger materiaal voor PA het best verkregen kan worden blijft een educated guess. Recent ontstane nagelafwijkingen in een teen of vinger of de meest pijnlijke, en erytheem als ook oedeem van de proximale nagelplooi zijn mogelijk aanwijzingen van een actieve lichen planus. De kans op een representatief (excisie)biopt is dan groter.

Bij afwezigheid van deze symptomen kan er sprake zijn van een uitgedoofde NLP. Histologie zal dan vaak ook weinig specifiek zijn.

 

Immunofluorescentie onderzoek

Immunofluorescentie onderzoek (IF) kan behulpzaam zijn indien differentiaal diagnostisch gedacht wordt aan auto-immuunblaarziekte zoals pemphigus vulgaris, slijmvliespemfigoïd of lineaire IgA dermatose. Direct IF toont bij OLP het beeld van een lineair patroon van positieve fluorescentie met antifibrinogeen ter hoogte van de basaalmembraan (Kulthanan 2007, Daniels 1981, Laskaris 1982, van Hale 1987, Schodt 1981, Helander 1994, Kilpi 1998). Studies naar indirect IF laten geen toegevoegde waarde zien bij de diagnostiek van OLP (McCartan 2000, Ingafou 1997, Camisa 1986).

 

Serologische bepalingen

Serologische bepalingen van auto-antistoffen worden geadviseerd bij een verdenking op auto-immuun blaarziekten of LE.

 

Allergologisch onderzoek

Genitale lichen planus

Er zijn geen aanwijzingen om routinematig allergologisch onderzoek te verrichten bij genitale LP. Alleen overwegen bij bijvoorbeeld verdenking op een allergie bij gebruikt geneesmiddel (bv corticosteroïd of wolalcoholen) of lokale contactfactoren.

 

Orale lichen planus

De toegevoegde waarde van allergologisch epicutaan onderzoek bij de diagnostiek van tandheelkundig restauratiemateriaal-geassocieerde OLL is op zijn minst controversieel te noemen. Er zijn diverse studies verschenen waarbij onderzocht werd of epicutane tests een voorspellende waarde hebben voor verbetering van de slijmvliesafwijkingen na vervanging van het amalgaam. Deze voorspellende waarde varieert sterk in de diverse onderzoeken (Laeijendecker 2005, Issa 2004, Issa 2005). Over het algemeen is de relatie tussen de lokalisatie van het restauratiemateriaal en de laesie de beste voorspeller van een goede kans op verbetering na vervanging van het restauratiemateriaal. Toch is verdwijning van de laesie niet gegarandeerd.

 

Microbiologisch onderzoek

Bij verdenking op bacteriële, virale of mycologische infectie, wordt aanvullend microbiologisch onderzoek geadviseerd.

  1. Aguirre-Urizar, JM, Alberdi-Navarro, J, Lafuente-Ibáñez de Mendoza I, Marichalar-Mendia X, Martínez-Revilla B, Parra-Pérez C, Juan-Galíndez AD, Echebarria-Goicouria MA. Clinicopathological and prognostic characterization of oral lichenoid disease and its main subtypes: A series of 384 cases. Med Oral Patol Oral Cir Bucal. 2020 Jul 1;25(4):e554-e562
  2. Al-Hashimi I, Schifter M, Lockhart PB, Wray D, Brennan M, Migliorati CA, Axéll T, Bruce AJ, Carpenter W, Eisenberg E, Epstein JB, Holmstrup P, Jontell M, Lozada-Nur F, Nair R, Silverman B, Thongprasom K, Thornhill M, Warnakulasuriya S, van der Waal I. Oral lichen planus and oral lichenoid lesions: diagnostic and therapeutic considerations. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod. 2007 Mar;103 Suppl:S25.e1-12.
  3. Camisa C, Allen CM, Bowen B, Olsen RG. Indirect immunofluorescence of oral lichen planus. J Oral Pathol 1986; 15:218-20
  4. Cheng YS, Gould A, Kurago Z, Fantasia J, Muller S. Diagnosis of oral lichen planus: A position paper of the American Academy of Oral and Maxillofacial Pathology. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol. 2016 Sep;122(3):332-54.
  5. Daniels TE,Quadra-White C. Direct immunofluorescence in oral mucosal disease: a diagnostic analysis of 130 cases. Oral Surg Oral Med Oral Pathol 1981; 51:38-47
  6. Dikrama, P.K. (2018). Trichoscopie. Nederlands Tijdschrift voor Dermatologie en Venereologie, 28(3), 15–17. Retrieved from http://hdl.handle.net/1765/112085.
  7. Hale HM van, Rogers RS III. Immunopathologyof oral mucosal inflammatory diseases. Dermatol Clin 1987; 5:739-50
  8. Helander SD, Rogers RS. The sensitivity and specificity of direct immunofluorescence testing in disorders of mucous membranes. J Am Acad Dermatol 1994; 30:65-75 Ingafou M, Lodi G, Olsen I, Porter SR. Oral lichen planus is not associated with IgG circulating antibodies to epithelial antigens. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod 1997; 84:175-8
  9. Issa Y, Brunton PA, Glenny AM, Duxbury AJ. Healing of oral lichenoid lesions after replacing amalgam restorations: a systematic review. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod 2004; 98:553-65
  10. Issa Y, Duxbury AJ, Macfarlane TV, Brunton PA. Oral lichenoid lesions related to dental restorative materials. Br Dent J 2005; 198:361-6
  11. Kilpi AM, Rich AM, Radden BG. Direct immunofluorescence in the diagnosis of oral mucosal diseases. Int J Oral Maxillofac Surg 1998; 17:6-10
  12. Krutchkoff DJ, Eisenberg E. Lichenoid dysplasia: a distinct histopathologic entity. Oral Surg Oral Med Oral Pathol 1985; 59:52-7
  13. Kulthanan K, Jiamton S, Varothai S, Pinkaew S, Sutthipinittharm P. Direct immunofluorescence study in patients with lichen planus. Int J Dermatol 2007; 46:1237-41
  14. Laeijendecker R. Oral lichen planus. Academisch proefschrift, 2005
  15. Laskaris G, Sklavounou A, Angelopoulos A. Direct immunofluorescence in oral lichen planus. Oral Surg Oral Med Oral Pathol 1982; 53:483-7
  16. McCartan BE, Lamey P. Lichen planus-specific antigen in oral lichen planus and oral lichenoid drug eruptions. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod 2000; 89:585-7
  17. Oral pathology; clinical pathologic correlations. Regezi- Sciubba-Jordan. 7e editie. Pagina’s 100-101.
  18. Practical Skin Pathology; A diagnostic Approach. James W. Patterson. 2013. Pagina’s 120-124.
  19. Shah K, Kazlouskaya V, Lal K, Molina D, Elston DM. Perforated elastic fibers (‘elastic fiber trapping’) in the differentiation of keratoacanthoma, conventional squamous cell carcinoma and pseudocarcinomatous epithelial hyperplasia. J Cutan Pathol. 2014 Feb;41(2):108-12.
  20. Schiodt M, Holmstrup P, Dabelsteen E. Deposits of immunoglobulins, complement, and fibrinogen in oral lupus erythematosus, lichen planus, and leukoplakia. Oral Surg Oral Med Oral Pathol 1981; 51:603-8
  21. Starink MV (2020). Lichen planopilaris. Kliniek en histologie. Nederlands Tijdschrift voor Dermatologie en Venereologie, 30(3), 42–44. Retrieved from https://nvdv.nl/storage/app/media/lichen-planopilaris-kliniek-en-histologie-mv-starink-ntvdv-2020-03.pdf
  22. van der Meij EH, van der Waal I. Lack of clinicopathologic correlation in the diagnosis of oral lichen planus based on the presently available diagnostic criteria and suggestions for modifications. J Oral Pathol Med. 2003 Oct;32(9):507-12.
  23. van der Waal I. Historical perspective and nomenclature of po-tentially malignant or potentially premalignant oral epithelial lesions with emphasis on leukoplakia-some suggestions for modifications. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol. 2018 Jun;125(6):577-581.
  24. Waal I van der, Kwast WAM van der, Wal JE van der. Pathologie van de mondholte. Klinische, röntgenologische, histopathologische en therapeutische aspecten van de meest voorkomende aandoeningen in de mond. Bohn, Stafleu Van Loghum, vierde herziene druk, 2003
  25. WHO collaborating centre for oral precancerous lesions. Definition of leukoplakia an related lesions: an aid to studies on oral precancer. Oral Surg Oral Med Oral Pathol 1978; 46:518-539.
  26. Warnakulasuriya S, Kujan O, Aguirre-Urizar JM, Bagan JV, González-Moles MÁ, Kerr AR, Lodi G, Mello FW, Monteiro L, Ogden GR, Sloan P, Johnson NW. Oral potentially malignant disorders: A consensus report from an international seminar on nomenclature and classification, convened by the WHO Collaborating Centre for Oral Cancer. Oral Dis. 2020 Oct 31.
  27. Weedon’s Skin Pathology. David Weedon. 3e editie. Pagina’s 39-40.
  28. Weedon’s Skin Pathology. James W. Patterson. 5e editie. Pagina 56

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 17-12-2021

Laatst geautoriseerd  : 17-12-2021

Geplande herbeoordeling  : 01-01-2027

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlandse Vereniging voor Seksuologie
  • Nederlandse Vereniging voor Mond- Kaak- en Aangezichtschirurgie
  • Nederlandse Wetenschappelijke Vereniging van Tandartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Vulva Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Bekkenfysiotherapie
  • Huid Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten
  • Lichen Planus Vereniging Nederland

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd vanuit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en discussie met  input van experts uit verschillende vakgebieden en patiëntvertegenwoordigers. De richtlijn geeft aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met lichen planus.

 

Doelgroep

De richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met lichen planus, zoals dermatologen, gynaecologen, urologen, apothekers, kinderartsen, MDL-artsen, huisartsen, tandartsen, MKA-chirurgen, pathologen, seksuologen, bekkenfysiotherapeuten, verloskundigen, psychologen, verpleegkundigen en mondhygiënisten. Voor patiënten werd informatie op www.thuisarts.nl en een patiëntenfolder ontwikkeld.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd in 2018 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld.

Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden.

Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een

patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn. Voor een volledig overzicht van voorgaande werkgroepen en alle betrokken partijen wordt verwezen naar tabel 2 en tabel 6 in bijlage 1.

 

Werkgroepleden – 2021

Affiliatie en vereniging

Drs. C.L.M. van Hees, voorzitter, dermatoloog

Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Drs. M.L. Bandell, gynaecoloog, seksuoloog NVVS/FECSM

Albert Schweitzer Ziekenhuis, Dordrecht, Nederlandse Wetenschappelijke Vereniging voor Seksuologie (NVVS)

E. Bol-van den Hil, mondhygiënist

 

Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten (NVM)

C.W.L. van den Bos, bekkenfysiotherapeut, MSPT

Nederlandse Vereniging voor Bekkenfysiotherapie (NVFB)

Drs. T. Breedveld, tandarts

­­­ Nederlandse Wetenschappelijke Vereniging van Tandartsen (NWVT)

Dr. G.R. Dohle, uroloog

Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam, Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU)

Dr. J.J.E. van Everdingen, dermatoloog n.p.

Directeur NVDV, Utrecht, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Drs. A. Glansdorp, huisarts en kaderhuisarts urogynaecologie

Leiden, Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

S. Groot, patiëntvertegenwoordiger, voorzitter Lichen Planus Vereniging Nederland

Lichen Planus Vereniging Nederland (LPVN)

Dr. W.A. ter Harmsel, gynaecoloog

Roosevelt Kliniek, Leiden, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG)

J. Janssens, verpleegkundig specialist

Bravis Ziekenhuis, Bergen op Zoom en Roosendaal, Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)

Dr. M.J. ten Kate-Booij, gynaecoloog

Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG)

Dr. E.H. van der Meij, MKA-chirurg

Nederlandse Vereniging voor Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie (NVMKA)

Drs. E.J. Mendels, dermatoloog

 

Sophia Kinderziekenhuis - Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Dr. J.M. Oldhoff, dermatoloog

Universitair Medisch Centrum Groningen, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Drs. M.C. Raadgers, bekkenfysiotherapeut, bewegingswetenschapper

Nederlandse Vereniging voor Bekkenfysiotherapie (NVFB)

Drs. M.J. Ramakers, arts-seksuoloog NVVS/FECSM

Nederlandse Wetenschappelijke Vereniging Voor Seksuologie (NVVS)

Drs. L.M.T. van der Spek-Keijser, dermatoloog

Bravis Ziekenhuis, Bergen op Zoom en Roosendaal, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

E. Swanborn, patiëntvertegenwoordiger, voorzitter stichting Lichen Sclerosus

Stichting Lichen Sclerosus (SLS)

Dr. R.A. Veenendaal

Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen (NVMDL)

Drs. H. Vermaat, dermatoloog

Spaarne Gasthuis, Haarlem, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV), Nederlandse Vereniging voor Vulva Pathologie (NVvVP)

Drs. A.H.I. Witterland, ziekenhuisapotheker

Nederlandse Vereniging van ZiekenhuisApothekers (NVZA)

Drs S.A.A. Wolt-Plompen, kinderarts

Universitair Medisch Centrum Utrecht, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK)

Ondersteuning werkgroep

Vereniging

S.L. Wanders, MSc, arts-onderzoeker (secretaris) vanaf juli 2021

Bureau NVDV, Utrecht, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

E. de Booij, MSc, arts-onderzoeker (secretaris) t/m juni 2021

Bureau NVDV, Utrecht, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

L.S. van der Schoot, MSc, arts-onderzoeker (secretaris) t/m november 2019

Bureau NVDV, Utrecht, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

M. Hofhuis, MSc, arts-onderzoeker (secretaris) t/m oktober 2019

Bureau NVDV, Utrecht, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Dr. W.A. van Enst, epidemioloog

Bureau NVDV, Utrecht, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Belangenverklaringen

De KNMG-code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in bijlage 2.

Inbreng patiëntenperspectief

In de huidige richtlijn wordt het belang onderschreven van het patiëntenperspectief in het algemeen en van behandeltevredenheid en kwaliteit van leven in het bijzonder. Veel van de aandachtspunten die de Lichen Planus Vereniging Nederland (LPVN) heeft aangedragen zijn verweven in deze richtlijn. Om het patiëntenperspectief meer kracht bij te zetten is er op verzoek van de LPVN een landelijk vragenlijstonderzoek uitgevoerd naar behandeltevredenheid en kwaliteit van leven bij patiënten met LP. In totaal werden 138 LP-patiënten door de LPVN aangeschreven voor deelname aan dit onderzoek, met een respons van 76,1% (88 patiënten). In dit onderzoek werden specifieke vragen gesteld over behandeltevredenheid. Bij de behandeling blijken patiënten effectiviteit het belangrijkste vinden, gevolgd door arts-patiënt relatie, veiligheid en informatieverschaffing. Ongeveer de helft van de patiënten (49,3%) is tevreden over de huidige behandeling, waarbij patiënten het meest tevreden waren over de arts-patiënt relatie, en het minst over effectiviteit van de behandeling. Tevens werden specifieke vragen gesteld over kwaliteit van leven. Uit het vragenlijstonderzoek kwam naar voren dat patiënten met LP een lichte tot middelmatige vermindering van kwaliteit van leven ervaren. De grootste vermindering wordt veroorzaakt door symptomen. Voor een volledig verslag van dit vragenlijstonderzoek zie bijlage 10. Tevens heeft de LPVN een lijst met aandachtspunten voor de zorgverlener aangedragen. Deze lijst geeft de zorgverlener in vogelvlucht een inzicht in de wensen van patiënten met lichen planus. Deze lijst met aandachtspunten is te vinden in bijlage 11.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

Voor een overzicht van alle aspecten van de ontwikkeling van een richtlijn wordt verwezen naar bijlage 1.

Volgende:
Lokale behandeling