Versterking eerste lijn
Uitgangsvraag
Hoe kan de eerste lijn het beste worden versterkt?
Aanbeveling
Overweeg de inzet van (een) zorgprofessional(s) met ervaring (en/of interesse) in pijnzorg in de eerste lijn die:
- Op indicatie aanvullende (biopsychosociale) diagnostiek, indicatiestelling en monitoring kan verrichten en adviezen kan geven over waar patiënten de juiste zorg op de juiste plek krijgen.
- Patiënten met complexe problematiek (patiëntgebonden factoren en factoren van zorgproces) kan ondersteunen in de regievoering.
Voor de zorgprofessional(s) met expertise en vaardigheden in pijnzorg:
Voer op indicatie en in afstemming met de huisarts één of meerdere van onderstaande taken uit:
- Screen patiënten op biopsychosociale factoren die pijn beïnvloeden en bespreek de uitkomsten van de screening met patiënt.
- Bespreek met de patiënt de invloed van biopsychosociale factoren op het pijnprobleem en geef pijneducatie om tot een gezamenlijk verwijzings- of behandelplan te komen. Zet dit plan (via de huisarts) in werking.
- Bespreek waar nodig de patiënt ook in het regionaal (of lokaal) samenwerkingsverband (zie module Organisatie van de chronische pijnzorg).
- Wees het aanspreekpunt na diagnostiek en behandeling in eerste, tweede of derde lijn, en bij een terugval.
Overwegingen
Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs
In de literatuuranalyse zijn drie studies geïncludeerd waarin een vergelijking is gemaakt tussen zorg met coördinatoren zorg zonder coördinator bij patiënten met chronische pijn. Bij de interpretatie van deze resultaten moet de heterogeniteit tussen de studies (patiëntpopulaties, landen, interventies, follow-up duur) in acht worden genomen.
Cicolini (2011) betreft een niet-gerandomiseerde vergelijkende studie naar de effecten van een coördinator in patiënten met hoofdpijn. Kroenke (2014) betreft een gerandomiseerde gecontroleerde studie naar de effecten van een casemanagementprogramma in patiënten met musculoskeletale pijn. Tot slot onderzocht Smith (2017) zorggebruik in twee grote groepen patiënten in de private zorgsector voor en na invoering van een casemanagement service. Aanvullend werd patiënttevredenheid in een kleine groep voor en na de interventie gemeten. Echter, aangezien er geen controle conditie is bij deze uitkomstmaat, is het niet mogelijk om hier conclusies uit te trekken.
Voor de cruciale uitkomstmaten ‘patiënttevredenheid’ en ‘tevredenheid van de zorgprofessional’ werden geen vergelijkende resultaten beschreven of was de rapportage zeer beperkt. Hiermee is de bewijskracht over de uitkomstmaten onbepaald.
De belangrijke uitkomstmaten ‘zorggebruik’ en ‘kwaliteit van leven’ werden beschreven door zowel de gerandomiseerde gecontroleerde studie (Kroenke, 2014) als de niet-RCT’s. De bewijskracht werd gebaseerd op de RCT en werd afgewaardeerd voor methodologische beperkingen en aantal patiënten. De verschillen tussen de studiegroepen waren niet klinisch relevant. Daardoor kan geconcludeerd worden dat zorg met coördinator mogelijk resulteert in een vergelijkbaar zorggebruik en kwaliteit van leven als zorg zonder coördinator bij patiënten met chronische pijn. Er was geen literatuur beschikbaar waarin de ‘kosteneffectiviteit’ van zorg met coördinator werd vergeleken met zorg zonder coördinator in patiënten met chronische pijn.
Gezien de grote knelpunten in de huidige chronische pijnzorg, acht de werkgroep het belangrijk om - ondanks de duidelijke kennislacune die hierboven is beschreven - de eerste lijn nu te gaan versterken. De werkgroep verwacht op basis van klinische praktijkervaring en patiënten inbreng dat de grootste winst gehaald kan worden door de inzet van een zorgprofessional met expertise/interesse/vaardigheden in pijnzorg in de eerste lijn. Deze professional kan 1) op indicatie aanvullende diagnostiek en monitoring verrichten en adviezen geven over waar patiënten de juiste zorg op de juiste plek (JZOJP) krijgen en 2) patiënten met complexe problematiek (patiëntgebonden factoren en factoren van zorgproces) waar nodig ondersteunen in de regievoering. We lichten deze twee aspecten hieronder toe.
Bij een deel van de patiënten met chronische pijn is er sprake van complexe biopsychosociale problematiek. De triage en gerichte verwijzing bij deze patiënten vragen uitgebreide kennis van het biopsychosociale model en de mogelijke verwijsmogelijkheden, en vaardigheden om de psychosociale factoren bespreekbaar te maken en om tot een gezamenlijk besluit te komen over het behandelplan. Uit eerder onderzoek blijkt dat de zorgprofessionals in de eerste lijn het biopsychosociale model omarmen. Echter, ze ervaren barrières bij het bespreken van dit model met de patiënt (Houwen, 2019; Verwoerd, 2021; Cowell, 2018). Door middel van een structurele ondersteuning van in eerste instantie de huisarts door een zorgprofessional met expertise/interesse/vaardigheden in de pijnzorg zou de coördinatie en inhoud van de zorg geoptimaliseerd kunnen worden en onnodige verwijzingen voorkomen kunnen worden. Het is belangrijk dat deze zorgprofessional zich (ook) heeft toegelegd op chronische pijnzorg en sterk in verbinding staat met de zorgprofessionals in de eerste, tweede en derde lijn. Dit levert naar verwachting een kwaliteitsverbetering en efficiëntieslag op. Op deze wijze kunnen de eerste en hogere lijnen nauw samenwerken en ontstaat er de mogelijkheid tot gecoördineerde minimaal multidisciplinaire, bij voorkeur interdisciplinaire, diagnostiek, indicatiestelling en behandeling op basis van het biopsychosociale model.
De werkgroep ziet ook een ondersteunende rol voor deze zorgprofessional met expertise in pijnzorg bij patiënten met chronische pijn die moeite hebben om overzicht te houden en zelf de regie te voeren omdat de zorgsituatie te complex wordt op fysiek, psychisch en sociaal-maatschappelijk vlak. Het is de verwachting dat het hier om een klein gedeelte van de patiënten gaat, waarbij er vaker sprake zal zijn van co- of multimorbiditeit.
De volgende taken zouden na afstemming met de huisarts opgepakt kunnen worden:
- Het screenen van patiënten op biopsychosociale factoren die pijn kunnen beïnvloeden en het bespreken van de uitkomsten van de screening met patiënt.
- Met de patiënt de impact van de biopsychosociale factoren gerelateerd aan de chronische pijn bespreken en het geven van pijneducatie om tot een gezamenlijk verwijzings- of behandelplan te komen en (via de huisarts) in werking stellen.
- Het waar nodig bespreken van de patiënt in het regionaal (of lokaal) samenwerkingsverband (zie module Organisatie van de chronische pijnzorg).
- Het aanspreekpunt zijn na ontslag uit eerste, tweede of derde lijn of bij een terugval.
|
Potentiële invulling zorgprofessional met expertise/ interesse/ vaardigheden in pijnzorg Hieronder worden een aantal voorbeelden gegeven: de onderstaande opties geven weer door wie de, in deze module beschreven taken, opgepakt zouden kunnen worden. Deze opties zijn nadrukkelijk niet uitputtend. Deze professional kan ook de coördinator of de regiebehandelaar zijn (zie module Organisatie van de chronische pijnzorg), maar dat hoeft niet. Het is belangrijk dat regionaal (lokaal) wordt onderzocht welke optie het beste past bij de regionale (lokale) situatie.
Invulling door de praktijkondersteuner-geestelijke gezondheidszorg (poh-ggz) en de huisarts Een poh-ggz die zich ook heeft toegelegd op chronische pijn zou de huisarts kunnen ondersteunen bij diagnostiek en behandeling van patiënten met chronische pijn conform de NHG-Standaard Pijn. De huisarts en poh-ggz zouden de taken kunnen verdelen. De poh-ggz heeft in zijn algemeenheid meer tijd binnen een consult. Bij de verdeling van taken is het goed om te kijken naar en aan te sluiten bij de achtergrond van de poh-ggz. Gezamenlijk moet de integrale biopsychosociale aanpak worden geborgd. Het grote voordeel van deze optie is dat het niet nodig is dat er een extra zorgverlener in de praktijk komt en het denken vanuit de eerste lijn vanzelfsprekend is. In sommige huisartsenpraktijken heeft de poh-ggz al een belangrijke rol binnen de zorg voor patiënten met chronische pijn. De poh ggz heeft echter geen rol in het leveren van zorg die verder gaat dan de basishuisartsenzorg, bijvoorbeeld coördinator van zorg. Bij cliënten die moeite hebben met eigen regie en waarbij sprake is van sociale, economische multi-problematiek zou aanvragen WMO Ambulante Begeleiding/ondersteunende begeleiding die helpt in de thuissituatie nog een aanvulling kunnen zijn, dit ook ter ontlasting mantelzorger.
Invulling door de physician assistent of verpleegkundig specialist uit de tweede lijn Verpleegkundig specialisten (VS) of physician assistents (PA’s) van het pijnteam bezitten al veel van de benodigde kennis en competenties (zie paragraaf Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie) die voor deze rol benodigd zijn. Daarnaast is het voordeel dat ze in het algemeen wat ‘dichterbij’ de patiënt staan dan de medisch specialist, en dat de lijnen met de medisch specialisten kort en goed zijn. Ook zijn ze door hun werkervaring in het ziekenhuis goed op de hoogte van de routes binnen en eventueel buiten het ziekenhuis. De VS of PA zou als onderdeel van hun functie in het ziekenhuis, parttime gedetacheerd kunnen worden naar de 1e lijn.
Invulling door een medisch specialist (anesthesioloog-pijnspecialist of pijnrevalidatiearts) In sommige regio’s verzorgen medisch specialisten (digitale) spreekuren in de 1e lijn. Dit zou voor de pijnzorg ook een mogelijkheid kunnen zijn. In dit geval verwijzen huisartsen patiënten naar een hiervoor ingericht spreekuur. De anesthesioloog-pijnspecialist of pijnrevalidatiearts kan dan in een voor de patiënt vertrouwde omgeving de zorg (zie aanbevelingen) verlenen. In Limburg wordt reeds volgens dit systeem gewerkt (Netwerk Pijnrevalidatie Limburg - Home)
Invulling door een paramedicus gespecialiseerd in pijn, bijvoorbeeld de (psychosomatisch) fysio-/oefentherapeut Een paramedicus gespecialiseerd in chronische pijn zou met aanvullende scholing de benodigde kennis en competenties op kunnen doen voor het verlenen van deze zorg. Het is hierbij noodzakelijk dat de paramedicus korte lijnen onderhoudt met de tweede lijn.
Invulling door een BIG geregistreerde psycholoog[8] in de huisartsenpraktijk Een BIG-geregistreerde psycholoog[8] kan samenwerken met de huisarts. Gezamenlijk kunnen zij de integrale biopsychosociale aanpak borgen. Dit verbetert de diagnostiek en indicatiestelling en levert doelmatiger verwijzingen op zowel naar de somatische gezondheidszorg als naar de geestelijke gezondheidszorg.
In alle voorbeelden: Bij cliënten die moeite hebben met eigen regie en waarbij sprake is van sociale, economische multi problematiek zou de ondersteunende professional kunnen helpen bij het aanvragen van WMO begeleiding. |
[8] GZ-psycholoog of K(N)P-psycholoog
Afhankelijk van de lokale situatie en de competenties van de zorgprofessional kan de precieze taakstelling van de zorgprofessional voor chronische pijn variëren. Het is wenselijk dat de indicatiestelling voor het inzetten van deze zorgprofessional bij een patiënt duidelijk wordt beschreven, evenals de verwachte kennis en competenties gekoppeld aan deze taakstelling.
Waarden en voorkeuren van patiënten (en evt. hun naasten, mantelzorgers)
Het is voor patiënten belangrijk dat zij tijdig de juiste diagnose krijgen, en dat een optimaal zorgplan kan worden ingezet. Daarnaast vinden patiënten het belangrijk dat zij voldoende en passende informatie krijgen. De voorkeur gaat uit naar pijnzorg dicht bij hen in de buurt. We verwachten daarom dat patiënten over het algemeen positief zullen zijn over de betrokkenheid van een zorgprofessional met expertise in pijnzorg op het gebied van de chronische pijn in de eerste lijn.
De informatie en het zorgplan dienen in een begrijpelijke taal te worden geschreven, bijvoorbeeld ondersteund door infographics, en zowel digitaal als geprint beschikbaar te zijn.
Het is de ervaring van de werkgroep dat patiënten het belangrijk vinden om overzicht te hebben over het zorgproces. Een klein gedeelte van de patiënten heeft hier ondersteuning bij nodig en hulp bij het maken van keuzes. Voor hen is het belangrijk dat zij ondersteund worden in de regievoering en met hen overzicht in het zorgproces wordt gecreëerd.
Kosten (middelenbeslag)
Er zijn weinig gegevens over de kosteneffectiviteit voorhanden. De werkgroep verwacht echter dat de voorgestelde aanbevelingen op termijn kostenbesparend zullen zijn. Voor het opleiden van zorgprofessionals met expertise in pijnzorg zullen in eerste instantie kosten worden gemaakt. Ook de eventueel te ontwikkelen scholing (Zie ‘Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie’) zou in eerste instantie een aanzienlijke kostenpost kunnen zijn. Echter, zoals uitgewerkt in de kader zijn er mogelijk ook al zorgprofessionals in het netwerk die reeds voldoende expertise hebben en weinig scholing behoeven om deze taken te kunnen uitoefenen. De werkgroep verwacht een blijvende reductie in het aantal verwijzingen vanuit de eerste lijn naar tweede en derdelijnszorg. Hierdoor zullen de kosten van diagnostiek, aanvullende onderzoeken, indicatiestelling en behandelingen in de tweede en derde lijn dalen. Zo zal de inzet van zorgprofessionals met expertise in pijnzorg in de eerste lijn waarschijnlijk een belangrijke kostenbesparing teweegbrengen.
Het is belangrijk dat de kosten en baten worden verdeeld over de lijnen. Dit is een belangrijke voorwaarde voor implementatie.
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
De voorgestelde aanbevelingen sluiten aan bij de wens van de overheid om meer in te zetten op taakherschikking en –verschuiving om de juiste zorg op de juiste plek te kunnen realiseren. De implementatie vraagt aandacht maar lijkt haalbaar met de -reeds aanwezige- zorgprofessionals die al voldoende expertise in pijnzorg in de eerste lijn hebben, zie ook eerder kader met potentiële inzetbare experts.
We adviseren om met implementatie te starten door het inzetten van de beschikbare experts. Door deze expert beter te positioneren in het zorgpad, kunnen patiënten eerder door deze experts gezien worden. Dit versnelt adequate diagnostiek en indicatiestelling, waardoor patiënten eerder de juiste zorg op de juiste plek krijgen en onnodige kosten voorkomen kunnen worden.
De werkgroep adviseert hierbij om te starten met een (actie)onderzoek gericht op de kosten- en gezondheidseffectiviteit. Intussen zal passende en structurele financiële (formatieve) ruimte geschapen moeten worden om deze verbetering van netwerksamenwerking verder te kunnen initiëren en implementeren. Het veld kan zich dan steeds meer ontwikkelen om tot een optimale pijnzorg te komen.
Waar we in deze leidraad op landelijk niveau de grote lijnen beschrijven, zal de invulling vooral regionaal moeten gebeuren met de experts die de regio tot zijn beschikking heeft. Dit betekent dat er ook verschillende specialismen als expert zullen worden ingezet. Dit biedt de mogelijkheid om te onderzoeken of er specialismen zijn die beter geoutilleerd zijn dan andere specialismen voor deze functie. Indien dit het geval is, zal de inzet van dit specialisme tot meer doelmatige pijnzorg leveren.
De werkgroep acht het belangrijk dat er regionaal/lokaal afspraken worden gemaakt over welke zorgprofessional(s) de verschillende experttaken op zich gaan nemen. Afhankelijk van de invulling zullen er ook afspraken moeten worden gemaakt over supervisie en de juridische aansprakelijkheid. De ‘Handreiking Verantwoordelijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg’ kan hierbij een hulpmiddel zijn.
Voor aspecten met betrekking tot haalbaarheid, randvoorwaarden en implementatie wordt verder verwezen naar het bijgaande document daarover.
Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Ondanks de lage bewijskracht ziet de werkgroep een duidelijke noodzaak om de eerste lijn te versterken. Op basis van expert opinion en het patiëntperspectief is de werkgroep positief over de inzet van een zorgprofessional met expertise/interesse/vaardigheden in pijnzorg in de eerste lijn. Om bewijskracht te verzamelen zal de implementatie vergezeld moeten worden met (kosten-)effectiviteitsonderzoek om de impact van het versterken van de eerste lijn in kaart te brengen.
Onderbouwing
Uit de analyse van de knelpunten (zie bijlage Verslag invitational conference en module Organisatie van de chronische pijnzorg) kwam onder andere naar voren dat er behoefte is om de eerste lijn te versterken en patiënten met complexe pijnproblematiek die moeite hebben om de regie te voeren, meer te ondersteunen. In deze module wordt onderzocht en vervolgens aanbevelingen gedaan over hoe deze ondersteuning kan worden gerealiseerd.
De literatuuranalyse richt zich specifiek op de gunstige en ongunstige effecten van de inzet van coördinator. Later in de leidraad wordt deze functie benoemd als “zorgprofessional met expertise/ interesse/ vaardigheden in pijnzorg” omdat er (in de literatuur en ook in de dagelijkse praktijk) vele benamingen zijn voor een dergelijke functie zoals casemanager of coördinator.
|
no GRADE |
Er was geen literatuur met absolute gegevens beschikbaar waarin patiënttevredenheid en therapietrouw met zorg met een coördinator werd vergeleken met zorg zonder coördinator bij patiënten met chronische pijn.
Bronnen: - |
|
no GRADE |
Er was geen literatuur met absolute gegevens beschikbaar waarin de tevredenheid van de zorgverlener met zorg met een coördinator werd vergeleken met zorg zonder coördinator bij patiënten met chronische pijn.
Bronnen: - |
|
no GRADE |
Er was geen literatuur beschikbaar waarin de kosteneffectiviteit van zorg met een coördinator werd vergeleken met zorg zonder coördinator bij patiënten met chronische pijn.
Bronnen: - |
|
laag GRADE |
Zorg met een coördinator resulteert mogelijk in een vergelijkbaar zorggebruik in vergelijking met zorg zonder coördinator bij patiënten met chronische pijn.
Bron: Kroenke 2014 |
|
laag GRADE |
Zorg met een coördinator resulteert mogelijk in een vergelijkbare kwaliteit van leven in vergelijking met zorg zonder coördinator bij patiënten met chronische pijn.
Bron: Kroenke 2014 |
Beschrijving studies
Cicolini (2011) beschrijft resultaten van een Italiaans onderzoek waarin telefonisch casemanagement door een verpleegkundige (EN: nurseled telephonic-case-management, TCM) voor 13 weken werd vergeleken met standaard zorg.
Patiënten: Patiënten die voor de eerste keer in het hoofdpijncentrum kwamen, werden uitgenodigd voor deze studie. Zij waren 18 tot 70 jaar oud, hadden een diagnose van primaire hoofdpijn, maandelijks drie tot acht keer hoofdpijn met een intensiteit van migraine aanvallen (50 – 80 mm op een VAS schaal). Patiënten met medicatie-overgebruikshoofdpijn werden geëxcludeerd. Alle patiënten werden verzocht een dagboek bij te houden en ontvingen een informatieve brochure over medicatie en migraine preventie.
Interventie: Patiënten in de interventiegroep werden opgevolgd door een getrainde verpleegkundige, die de data van het dagboek verzamelde tijdens wekelijkse telefonische interviews. Aanvullend was de verpleegkundige 12 uur per dag bereikbaar voor steun en advies. Wanneer er ernstige medische problemen waren, nam de verpleegkundige contact op met de specialist van het hoofdpijncentrum voor ondersteuning. De interventie duurde 13 weken.
Controle: De controlegroep ontving standaard zorg. Dit hield in dat zij geen aanvullend contact hadden met een verpleegkundige. Zij hadden toegang tot het hoofdpijncentrum gedurende openingstijden.
Uitkomsten: De uitkomsten die van belang waren voor deze literatuursamenvatting, zijn therapietrouw, zorggebruik en kwaliteit van leven. De scores voor kwaliteit van leven lijken niet correct opgenomen te zijn in de publicatie (tabel 2). Om deze reden is alleen de tekstuele conclusie over kwaliteit van leven opgenomen in deze literatuuranalyse.
Follow up: er werd wekelijks informatie verzameld, tot de laatste follow-up na drie maanden.
Risk of bias: Het betreft een niet-gerandomiseerde interventie studie (quasi-RCT). Alle patiënten die het hoofdpijncentrum voor het eerst bezochten werden uitgenodigd. Van 70 patiënten die wilden meedoen, werden er acht geëxcludeerd vanwege medicatie-overgebruikshoofdpijn en werden 62 patiënten geïncludeerd. Het is onduidelijk hoeveel patiënten er initieel werden uitgenodigd. Uitkomstmaten werden duidelijk gedefinieerd. Het is onduidelijk of de follow-up duur van drie maanden lang genoeg is om mogelijke effecten waar te nemen. In de analyses zijn geen mogelijke confounders meegenomen.
Kroenke (2014) beschrijft de resultaten van de Stepped Care to Optimize Pain Care Effectiveness (SCOPE) studie. In deze RCT worden de effecten onderzocht van een samenwerking rondom zorgmanagement die via de telefoon aan de patiënt werd aangeboden (EN: telephone-delivered collaborative care management intervention).
Patiënten: Patiënten met een bezoek aan de deelnemende centra in de afgelopen 12 maanden en een diagnose musculoskeletale pijn (ICD, 9th rev.) kwamen in aanmerking voor deelname aan het onderzoek. Zij waren 18 tot 65 jaar oud, met regionale of meer algemene musculoskeletale pijn, matig ernstige pijn (BPI score vijf of hoger voor de gemiddelde of meest erge pijn in de afgelopen week) en persisterende pijn (≥ drie maanden) ondanks het proberen van tenminste één analgeticum. Patiënten met een lopende pijn-gerelateerde schadeclaim, schizofrenie, bipolaire stoornis, matige cognitieve stoornis, suïcidale gedachten, huidig drugsgebruik of een terminale ziekte werden geëxcludeerd.
Interventie: De interventie omvatte twee hoofdcomponenten: automatische symptoom monitoring en geoptimaliseerde management van analgetica door een verpleegkundig zorgmanager en een pijnspecialist. Deze componenten werden uitgevoerd in samenwerking met de huisarts.
Automatische symptoom monitoring (ASM): deze monitoring vond plaats via telefoon of internet, afhankelijk van de voorkeur van de patiënt. De eerste maand werd er wekelijks gemonitord, in de tweede en derde maand om de week en daarna maandelijks tot 12 maanden. De ASM bevatte vragen over symptomen, over in hoeverre pijn interfereerde met gebruikelijke activiteiten, veranderingen in pijn, bijwerkingen, therapietrouw, of aanpassing in medicatie gewenst was en of de patiënt de verpleegkundige wilde verzoeken hem/haar te bellen.
Case Management: Er vond een fysieke ontmoeting plaats met de verpleegkundig zorgmanager, om informatie te verzamelen over de pijngeschiedenis en pijnbehandelingen in heden en verleden. Tijdens de wekelijkse casemanagement bijeenkomst werd de informatie besproken met de pijnspecialist en werd een behandelplan gemaakt om het medicatiemanagement te optimaliseren. De verpleegkundig zorgmanager besprak dit plan telefonisch met de patiënt, doorgaans in de eerste week na het initiële contact. Telefoongesprekken werden standaard uitgevoerd na één en drie maanden. Overige contacten met de verpleegkundige werden vanuit het zorgteam geïnitieerd op basis van informatie uit de ASM of op verzoek van de patiënt.
Controlegroep: De controlegroep ontving standaard zorg. Het studiepersoneel ondernam geen acties om de reguliere zorg te wijzigen, tenzij er sprake was van een noodgeval (bijv. identificatie van suïcide gedachten op baseline).
Uitkomsten: De uitkomsten die van belang waren voor deze literatuursamenvatting, zijn patiënttevredenheid, zorggebruik en kwaliteit van leven.
Follow-up: De follow-up was 12 maanden; kwaliteit van leven is gerapporteerd voor drie en 12 maanden follow-up.
Risk of bias: De randomisatie en maskering van allocatie lijkt adequaat. Patiënten en zorgprofessionals konden niet geblindeerd worden voor de behandeling. Personen die de metingen deden, waren blind voor de therapie van de deelnemer. De trial is geregistreerd. Uitkomstmaten zijn duidelijk gedefinieerd. Het is onduidelijk hoe is omgegaan met missing data (2% op drie maanden, 5% op 12 maanden). Er is geen analyse volgens intention-to-treat protocol uitgevoerd, maar slecht één persoon in de interventie groep was lost-to-follow-up.
Smith (2017) vergelijkt het gebruik van zorg voor en na invoering van een casemanagement systeem in de private sector. De zorgregistratie van 11 maanden in 2011, voor invoering van de casemanagement service (CMS), werd vergeleken met die van 11 maanden in 2014, na de invoering van de CMS. Aanvullend werden patiënten die verwezen werden naar de CMS binnen een periode van drie maanden, uitgenodigd voor de evaluatie van CMS.
Patiënten: Patiënten van 18 jaar of ouder en zes of meer behandelsessies zonder positief resultaat werden verwezen naar CMS. Zo werden er 98 patiënten geïncludeerd, waarvan er uiteindelijk 62 ook de eindevaluatie invulden. Deze groep bestond voor 69% uit vrouwen en was gemiddeld 45,73 (SD 12,02) jaar oud. Zij hadden gemiddeld 16,9 (SD 50,6) maanden klachten.
Interventie: De interventie is gebaseerd op de National Health Service (NHS), Musculoskeletal Clinical Assessment Service. Hierin triëren advanced physiotherapy practitioners verwijzingen en leiden zij de patiënten via lokale zorgpaden. Deze structuur laat onder andere een daling zien in onnodige verwijzingen naar de 2e lijn, een hogere patiënttevredenheid en betere patiënt-gerapporteerde uitkomsten waaronder algehele gezondheidsstatus en pijn. Deze structuur was aangepast naar de private sector en een CMS, geleid door fysiotherapeuten, werd ontwikkeld.
De coördinator was gesitueerd in de private verzekeringssetting en had daardoor overzicht in de behandelroutes, verzekeringsvoordelen en klinische presentaties van de patiënt. De taak van de coördinator was om waar nodig snelle toegang tot advies te bieden en onnodige zorg te vermijden.
Uitkomsten: Uitkomsten die voor deze samenvatting van belang waren, waren patiënttevredenheid, zorggebruik en kwaliteit van leven.
Risk of bias: Het totale zorggebruik van de pre- en postsituatie is over een even lange periode genomen. Het is niet duidelijk of er in die jaren nog andere zaken veranderd zijn, bijvoorbeeld economisch of politiek, welke invloed zouden kunnen hebben op het gebruik van zorg of verwijzingen van patiënten. Wel wordt gehint dat men de zorg meer in lijn heeft gebracht met de NICE-richtlijn, waarin wordt aangegeven dat niet-specifieke rugpijn conservatief behandeld moet worden. De patiëntgroepen die onderzocht zijn, zijn groot en daardoor redelijk robuust. Echter, voor de patiënt-gerapporteerde uitkomsten heeft een selectieve groep uiteindelijk zijn ervaringen gedeeld. Van de 98 patiënten die initieel meededen, hebben 62 (63%) patiënten de eindevaluatie ingevuld. Het is niet duidelijk waarom de overige patiënten lost-to-follow-up waren. De resultaten van deze groep geven mogelijk een vertekend beeld.
Resultaten
Patiënttevredenheid over zorg (cruciaal)
Patiënttevredenheid over zorg werd in de geïncludeerde studies niet vergeleken tussen de interventiegroep en controlegroep.
Kwalitatieve beschrijving patiënttevredenheid interventie
Twee studies (Kroenke 2014, Smith 2017) beschreven de patiënttevredenheid van de interventiegroep.
Van de interventiegroep van Kroenke (2014) koos de helft van de patiënten (51%) voor de telefoon als medium voor de automatische symptoom monitoring en de andere helft (49%) voor internet. Door 108 patiënten werd een tevredenheidsvragenlijst ingevuld aan het einde van de studie. Van deze patiënten rapporteerde 95% dat de gesprekken met de verpleegkundige ‘erg nuttig’ of ‘vrij nuttig’ waren. Bij evaluatie van de automatische symptoom monitoring werd gerapporteerd dat deze ‘makkelijk’ was door 92% van de patiënten en dat deze ‘erg nuttig’ of ‘vrij nuttig’ was.
Smith (2017) evalueerde aan de hand van de Consultant and Relational Empathy (CARE) uitkomstmaat, de ervaren empathie van de zorgverlener en tevredenheid. Deze schaal bevat 10 items, waarop 1 (slecht) tot 5 (excellent) gescoord kan worden (totale score min. 10, max. 50). De scores van de patiënten in de interventiegroep telden op tot scores van ‘slecht’ (2%), redelijk (2%), goed (10%), zeer goed (39%) tot excellent (47%). Slechts 24% van de patiënten vulde de vragenlijst in. Er zijn geen gegevens over de tevredenheid van voor de invoering van het casemanagementsysteem.
Therapietrouw
Eén studie (Cicolini, 2011) beschreef de mate waarin patiënten hun behandelplan volgden. Er werden geen absolute data gegeven en de figuur waarnaar verwezen wordt mist. Cicolini (2011) rapporteert dat de patiënten in de interventiegroep zich beter aan hun behandelplan en medicatieschema hielden in vergelijking met de controlegroep. Dit verschil was statistisch significant verschillend in de laatste vijf weken van de interventie. Door de zeer beperkte informatie kan er geen inschatting gemaakt worden van de klinische relevantie van deze resultaten.
Eén patiënt van de interventiegroep en vier patiënten van de controlegroep stopten met de behandeling omdat de pijn niet verholpen werd.
Bewijskracht van de literatuur
Er was geen literatuur met absolute gegevens beschikbaar waarin patiënttevredenheid en therapietrouw van de interventiegroep werd vergeleken met de patiënttevredenheid en therapietrouw van de controlegroep. Het is daarom niet mogelijk om de bewijskracht te graderen.
Tevredenheid van de zorgprofessional (cruciaal)
Tevredenheid van de zorgverlener over de zorg werd in de geïncludeerde studies niet vergeleken tussen de interventiegroep en controlegroep.
Bewijskracht van de literatuur
Er was geen literatuur beschikbaar waarin de tevredenheid van de zorgverlener van de interventiegroep werd vergeleken met de tevredenheid van de zorgverlener van de controlegroep.
Kosteneffectiviteit (belangrijk)
Er was geen literatuur beschikbaar waarin specifiek de kosteneffectiviteit van de interventie met een coördinator onderzocht werd.
Zorggebruik (belangrijk)
Drie studies (Cicolini 2011, Kroenke 2014, Smith 2017) beschreven het gebruik van zorg van de interventie en controlegroep.
Cicolini (2011) rapporteerde geen ziekenhuisopnames in de interventiegroep en twee ziekenhuisopnames in de controlegroep. Verder maakten de patiënten in de interventiegroep geen gebruik van de eerstelijnszorg en belde één patiënt van de interventiegroep de huisarts en één de ‘Medical Guard’ (huisartsenpost).
Kroenke (2014) beschreef het aantal bezoeken aan artsen, specialisten en de spoedeisende hulp en de ziekenhuisopnames van de interventie- en controlegroep. Er werden geen klinisch relevante verschillen tussen de groepen gevonden:
Het gemiddeld totaal aantal polibezoeken was 11,9 (SD 12,1) in de interventiegroep en 11,6 (12,5) in de controlegroep. Gemiddeld aantal bezoeken aan de spoedeisende hulp per persoon was 0,4 (SD 1,0) in de interventiegroep en 0,3 (SD 0,8) in de controlegroep. Het aantal ziekenhuisopnames was gemiddeld 0,08 (SD 0,3) in de interventiegroep en 0,02 (SD 0,2) in de controlegroep. De gemiddelde duur van ziekenhuisopname was 0,28 (SD 1,3) in de interventiegroep en 0,09 (SD 0,8) in de controlegroep. Deze verschillen zijn niet klinisch relevant.
Smith (2017) beschreef het gebruik van zorg en de bijbehorende kosten van 2011 (voor invoering van het casemanagement service systeem) en 2014.
Er werden in 2014 in totaal minder patiënten gezien (2572874 in 2011 versus 2233945 in 2014), waarvan een hoger percentage behandeld werden binnen een zorgtraject voor rugpijn (80.225 (3,12%) versus 81.677 (3,65%)). Het gemiddeld aantal sessies per persoon nam af na invoering van het casemanagement service systeem (6,7 versus 4,7), evenals de totale kosten voor (£10.772.875 versus £10.520.034).
Echter het aantal consulten (‘consultant appointment’) nam toe van 80 naar 89% en werden er bij meer patiënten MRI’s (14.637 (18%) versus 19.037 (23%)) en spinale injecties (12.276 (15%) versus 16.996 (21%)) uitgevoerd. De totale kosten van deze consultaties en MRI’s stegen (£96.738.398 versus £102.802.486).
Gebruik van zorg binnen interventie
Kroenke (2014) beschreef het gebruik van zorg voor specifieke delen van de interventie. De patiënten in de interventiegroep hadden gemiddeld 12,7 (mediaan 12) contacten met de verpleegkundige en 13,5 (mediaan 15) contacten met het automatische symptoom monitoringsysteem.
Bewijskracht van de literatuur
De bewijskracht voor de uitkomstmaat Zorggebruik begon hoog, omdat het gebaseerd werd op een RCT. De bewijskracht is met twee niveaus verlaagd gezien beperkingen in de onderzoeksopzet (risk of bias, -1) en het geringe aantal patiënten (imprecisie). Met betrekking tot de risk of bias kan opgemerkt worden dat het bij niet placebo-gecontroleerde studies vrijwel onmogelijk is om alle betrokken in de studie adequaat te blinderen. Echter, deze onmogelijkheid maakt niet dat het vertrouwen in het geschatte effect groter wordt. De bewijskracht komt op laag. Het toevoegen van de andere studies (non-RCTs) zal niet bijdragen aan deze bewijskracht.
Kwaliteit van leven, incl. emotioneel functioneren, zelfefficiëntie (belangrijk)
Twee studies rapporteerden uitkomsten voor kwaliteit van leven.
Cicolini (2011) beschrijft kwaliteit van leven na drie maanden. De data die zijn weergegeven in het artikel lijken niet allen correct. De auteurs beschrijven echter dat de kwaliteit van leven in het begin vergelijkbaar was tussen de studiegroepen en na de interventie significant beter in de interventiegroep. Dit resultaat vonden ze op zowel de mentale als fysieke sub-schaal van de SF-12 vragenlijst.
Kroenke (2014) beschrijft de kwaliteit van leven op zowel drie maanden als 12 maanden follow-up. De scores op de SF-12 en SF-36 voor diverse subschalen zijn gerapporteerd (schaal 0-100; hoger score is beter; gemiddelde (SD), verschilscore (95% CI)). Als klinisch relevant verschil werd een verschil van 10% van de gemiddelde score op baseline aangehouden (SF-12 fysieke component: 3,5; SF-12 mentale component: 4,8; SF-36 sociale component: 6,7; SF-36 vitaliteit: 4,1; SF-36 mentale component: 6,9).
Op de follow-up na drie maanden werden kleine verschillen gevonden ten gunste van de interventiegroep, maar deze verschillen waren niet klinisch relevant.
- De SF-12 fysieke componentscore was 37,2 (10,1) voor de interventiegroep en 36,4 (9,4) voor de controlegroep. De verschilscore was 0,8 (−1,6 tot 3,3). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep 1,8 en in de controlegroep 0,9.
- De SF-12 mentale componentscore was 49,9 (11,3) voor de interventiegroep en 47,4 (11,6) voor de controlegroep. De verschilscore was 2,5 (−0,4 tot 5,4). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep 1,2 en in de controlegroep -0,5.
- De SF-36 score voor sociaal functioneren was 71,3 (27,7) voor de interventiegroep en 66,0 (28,2) voor de controlegroep. De verschilscore was 5,2 (−1,8 tot 12,3). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep 4,6 en in de controlegroep -0,8.
- De SF-36 score voor vitaliteit was 44,3 (24,3) voor de interventiegroep en 40,3 (21,0) voor de controlegroep. De verschilscore was 4,0 (−1,7 tot 9,7). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep 3,8 en in de controlegroep -0,4.
- De SF-36 score voor mentale gezondheid was 72,8 (19,6) voor de interventiegroep en 68,8 (20,4) voor de controlegroep. De verschilscore was 4,0 (−1,1 tot 9,0). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep 1,9 en in de controlegroep -0,4.
Op de follow-up na 12 maanden werden kleine verschillen gevonden ten gunste van de interventiegroep, maar deze verschillen waren niet klinisch relevant (grens klinisch relevant verschil: 10% van de gemiddelde score op baseline).
- De SF-12 fysieke componentscore was 39,3 (10,1) voor de interventiegroep en 36,8 (9,7) voor de controlegroep. De verschilscore was 2,5 (0,0 tot 5,0). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep 3,9 en in de controlegroep 1,3.
- De SF-12 mentale componentscore was 48,4 (11,9) voor de interventiegroep en 48,2 (12,5) voor de controlegroep. De verschilscore was 0,2 (−2,9 tot 3,3). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep -0,3 en in de controlegroep 0,3.
- De SF-36 score voor sociaal functioneren was 72,6 (26,6) voor de interventiegroep en 67,3 (27,4) voor de controlegroep. De verschilscore was 5,3 (−1,6 tot 12,2). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep 5,9 en in de controlegroep 0,5.
- De SF-36 score voor vitaliteit was 44,8 (24,4) voor de interventiegroep en 42,6 (23,1) voor de controlegroep. De verschilscore was 2,2 (−3,9 tot 8,2). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep 4,3 en in de controlegroep 1,9.
- De SF-36 score voor mentale gezondheid was 72,2 (20,5) voor de interventiegroep en 70,3 (21,9) voor de controlegroep. De verschilscore was 1,9 (−3,5 tot 7,3). Ten opzichte van de eigen baseline scores was de verschilscore in de interventiegroep 1,3 en in de controlegroep 1.2.
Vergelijkbare resultaten werden gevonden voor scores van depressieve symptomen (GAD en PHQ vragenlijsten).
Smith (2017) beschrijft kwaliteit van leven in een subgroep van de patiënten (n=62) door gebruik van de EQ‐5D‐5L (max 1,00; hogere score geeft betere kwaliteit van leven weer, mediaan (IKR)). De score van de interventiegroep was 0,6476 (IQR 0,21) vóór de interventie en 0,7357 (IQR 0,15) na de interventie. De EQ-VAS% (max 100%, mediaan (IKR)) werd gebruikt om de waargenomen verbetering weer te geven. De score van de interventiegroep was 60% (IQR 20%) vóór de interventie en 75% (IQR 21.25%) na de interventie.
Er zijn in het artikel geen scores voor kwaliteit van leven van patiënten voorafgaand aan de invoering van het casemanagement service systeem gerapporteerd. Daardoor kan geen uitspraak worden gedaan over of de interventie andere pre- en postscores laat zien in vergelijking met een controle conditie.
Bewijskracht van de literatuur
De bewijskracht voor de uitkomstmaat kwaliteit van leven begon hoog, omdat de studie van Kroenke (2014) een RCT betreft. De bewijskracht is met twee niveaus verlaagd gezien beperkingen in de onderzoeksopzet (risk of bias, -1; zie ook de opmerking met betrekking tot de blindering bij de uitkomstmaat ‘zorggebruik’), het geringe aantal patiënten en de brede betrouwbaarheidsintervallen en daarmee overschrijden van de grenzen van klinische relevantie (imprecisie, -1). De bewijskracht voor de uitkomstmaat kwaliteit van leven komt uit op laag. Het toevoegen van de andere studies (non-RCTs) zal niet bijdragen aan deze bewijskracht.
Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden is er een systematische literatuuranalyse verricht naar de volgende zoekvraag: Wat zijn de (on)gunstige effecten van de inzet van een casemanager/zorgcoördinator in de zorg voor patiënten met chronische pijn?
P: Patiënten met chronische pijn
I: Inzet van een coördinator
C: Standaardzorg, wachtlijst controle, actieve controlegroep, overige interventies
O: Patiënttevredenheid (incl. therapietrouw), tevredenheid van de zorgprofessional, kosteneffectiviteit, zorggebruik, kwaliteit van leven (incl. emotioneel functioneren, zelfefficiëntie)
Relevante uitkomstmaten
De werkgroep achtte patiënttevredenheid en tevredenheid van zorgverlener voor de besluitvorming cruciale uitkomstmaten; en kosteneffectiviteit, zorggebruik en kwaliteit van leven voor de besluitvorming belangrijke uitkomstmaten.
De werkgroep definieerde niet a priori de genoemde uitkomstmaten, maar hanteerde de in de studies gebruikte definities.
De werkgroep definieerde op basis van consensus voor continue maten 10% als een klinisch (patiënt) relevant verschil. Voor resultaten van vragenlijsten werd 10% van de gemiddelde score op baseline gehanteerd.
Zoeken en selecteren (Methode)
In de databases Ovid/Medline, Embase, CINAHL is op 01-12-2020 met relevante zoektermen gezocht naar studies over coördinator/casemanagement voor patiënten met chronische pijn. De zoekverantwoording is weergegeven onder het tabblad Verantwoording. De literatuurzoekactie leverde 570 treffers op. Studies werden geselecteerd op grond van de volgende selectiecriteria: I) studie naar de rol en meerwaarde van de coördinator, II) bij patiënten met chronische pijn. Op basis van titel en abstract werden in eerste instantie 56 studies voorgeselecteerd. Na raadpleging van de volledige tekst, werden vervolgens 53 studies geëxcludeerd (zie exclusietabel onder het tabblad Verantwoording), en drie studies definitief geselecteerd.
Bewijskracht
In het geval dat een uitkomstmaat door zowel RCT’s als observationele studies wordt beschreven, wordt de bewijskracht gebaseerd op de resultaten uit de RCT. De observationele studie is uitgewerkt, maar zal in dit geval niet bijdragen aan de bewijskracht.
Resultaten
Drie onderzoeken zijn opgenomen in de literatuuranalyse. De belangrijkste studiekarakteristieken en resultaten zijn opgenomen in de evidencetabellen. De beoordeling van de individuele studieopzet (risk of bias) is opgenomen in de risk-of-biastabellen.
- Cicolini, G., Palma, E., Tafuri, E., Sansoni, J., ; Giamberardino, M. A. (2011). Effectiveness of the telephonic-case-management for treatment of headache. A pilot study. Professioni infermieristiche, 64(3), 173-178.
- Cowell I, O'Sullivan P, O'Sullivan K, Poyton R, McGregor A, Murtagh G. Perceptions of physiotherapists towards the management of non-specific chronic low back pain from a biopsychosocial perspective: A qualitative study. Musculoskelet Sci Pract. 2018;38:113-119. doi:10.1016/j.msksp.2018.10.006
- Houwen J, Lucassen PLBJ, Verwiel A, et al. Which difficulties do GPs experience in consultations with patients with unexplained symptoms: a qualitative study. BMC Fam Pract. 2019;20(1):180. Published 2019 Dec 29. doi:10.1186/s12875-019-1049-x
- Kroenke, K., Krebs, E. E., Wu, J., Yu, Z., Chumbler, N. R., ; Bair, M. J. (2014). Telecare collaborative management of chronic pain in primary care: a randomized clinical trial. JAMA, 312(3), 240-248. https://doi.org/10.1001/jama.2014.7689
- Smith, J., Yeowell, G., ; Fatoye, F. (2017). Clinical and economic evaluation of a Case Management Service for patients with back pain. Journal of evaluation in clinical practice, 23(6), 1355-1360. https://doi.org/10.1111/jep.12797
- Verwoerd MJ, Wittink H, Goossens MEJB, Maissan F, Smeets RJEM. Physiotherapists' knowledge, attitude and practice behavior to prevent chronification in patients with non-specific, non-traumatic, acute- and subacute neck pain: A qualitative study. Musculoskelet Sci Pract. 2022;57:102493.
Evidence table for intervention studies
Risk of bias table for intervention studies (randomized controlled trials)
|
Study reference
(first author, publication year) |
Describe method of randomisation |
Bias due to inadequate concealment of allocation?
(unlikely/likely/unclear) |
Bias due to inadequate blinding of participants to treatment allocation?
(unlikely/likely/unclear) |
Bias due to inadequate blinding of care providers to treatment allocation?
(unlikely/likely/unclear) |
Bias due to inadequate blinding of outcome assessors to treatment allocation?
(unlikely/likely/unclear) |
Bias due to selective outcome reporting on basis of the results?
(unlikely/likely/unclear) |
Bias due to loss to follow-up?
(unlikely/likely/unclear) |
Bias due to violation of intention to treat analysis?
(unlikely/likely/unclear) |
|
Kroenke, 2014 |
Computer-generated randomization list
“To maintain allocation concealment, assignment to treatment group was determined by a computer-generated randomization list with randomly varying block sizes of 4 and 8.” |
Unlikely
“To maintain allocation concealment, assignment to treatment group was determined by a computer-generated randomization list with randomly varying block sizes of 4 and 8.” |
Likely
Patients could be aware of additional actions or changes in care management |
Likely
Not possible to blind the care providers for this type of intervention |
Unlikely
“Randomized assignment was conducted by the project coordinator to ensure that the 2 research assistants responsible for outcome assessments were blinded to treatment group assignment.” “Assessments were conducted at baseline and at 1, 3, 6, and 12 months by a research assistant blinded to study group assignment” |
Unlikely
REGISTRATION clinicaltrials.gov Identifier: NCT00926588; only primary outcome reported in register. Reported outcomes in article fit research question and type of intervention; no post-hoc subgroup analyses or stratification |
Unlikely
N=1 lost to follow-up in intervention group |
Unclear
N=1 lost to follow-up; Unclear how missing data were handled. “Follow-up rates were excellent, with outcome assessments completed by 99% of participants at 1 month, by 98% at 3 and 6 months, and by 95% at 12 months.”
|
Risk of bias table for intervention studies (observational: non-randomized clinical trials, cohort and case-control studies)
|
Study reference
(first author, year of publication) |
Bias due to a non-representative or ill-defined sample of patients?
(unlikely/likely/unclear) |
Bias due to insufficiently long, or incomplete follow-up, or differences in follow-up between treatment groups?
(unlikely/likely/unclear)
|
Bias due to ill-defined or inadequately measured outcome ?
(unlikely/likely/unclear) |
Bias due to inadequate adjustment for all important prognostic factors?
(unlikely/likely/unclear) |
|
Cicolini, 2011 |
Unlikely
Clear inclusion and exclusion criteria. Unclear how many patients were initially invited to participate.
“All patients accessing the Centre who met the inclusion criteria and signed the consent form were asked to participate. Seventy patients accepted to enter the study and were enrolled. After the enrolment, 62 of 70 patients entered the study (48 women and 14 men, age range 20-62 years). Eight patients were excluded because suffering from Medication Overuse Headache (MOH).” |
Unclear
It is unclear whether patients were lost to follow-up and whether numbers were equal between groups. It is unclear whether follow-up is too short to detect possible effects. |
Unlikely
Outcomes well-defined and adequately measured |
Likely
No adjustments for possible confounding demographics (age, gender, menstruations, type of headache, sleep problems) |
|
Smith, 2017 |
Satisfaction data: Likely
High rate of lost-to-follow-up. Of the 110 patients that were referred into study, 9 were excluded and 3 declined. 98 patients were included at baseline, 36 patients (37%) were lost to follow-up and 62 patients completed follow-up assessment.
Health care use data: Unlikely
|
Satisfaction data: Likely
Of the 110 patients that were referred into study, 9 were excluded and 3 declined. 98 patients were included at baseline, 36 patients (37%) were lost to follow-up and 62 patients completed follow-up assessment. Health care use data: Unlikely
|
Satisfaction data: Unlikely
Outcomes well-defined and adequately measured
Health care use data: Unlikely
|
Satisfaction data: Likely
Descriptive data; no confounders taken into accounts
Health care use data: Unlikely
|
Exclusietabel
|
Auteur en jaartal |
Redenen van exclusie |
|
Butler, 2007 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Lamb, 2007 |
Sluit niet aan bij PICO (O) |
|
Oestergaard, 2020 |
Sluit niet aan bij PICO (O) |
|
Tierce-Hazard, 2014 |
Studie design / publicatie type |
|
Bordman, 2006 |
Studie design / publicatie type |
|
Brand, 2014 |
Sluit niet aan bij PICO (P, I) |
|
Cochrane, 2017 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Coenen, 2020 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Doebl, 2020 |
Studie design / publicatie type |
|
Ryan, 2012 |
Sluit niet aan bij PICO (O) |
|
Lineker, 2010 |
Sluit niet aan bij PICO (I) |
|
Ospina, 2013 |
Sluit niet aan bij PICO (I) |
|
Palos, 2008 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Ramond-Roquin, 2015 |
Studie design / publicatie type |
|
Salle, 2009 |
Sluit niet aan bij PICO (I); + studie design / publicatie type |
|
Schultz, 2007 |
Studie design / publicatie type |
|
Bultmann, 2009 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Chouinard, 2013 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Ferris, 2001 |
Sluit niet aan bij PICO (P, I) |
|
Jensen, 2013 |
Sluit niet aan bij PICO (O) |
|
Jensen, 2011 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Lincoln, 2002 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Marek, 2006 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Matchar, 2008 |
Sluit niet aan bij PICO (I) |
|
Ming-Fang, 2017 |
Taal (alleen abstract in Engels) |
|
Muller, 2018 |
Studie design / publicatie type |
|
Neven, 2016 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Oliver, 2012 |
Studie design / publicatie type |
|
Pols, 2008 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Rosemann, 2007 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Salsbury, 2018 |
Sluit niet aan bij PICO (I) |
|
Schultz, 2008 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Serra, 2019 |
Studie design / publicatie type |
|
Soler-Font, 2019 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Sreenivasan, 2014 |
Studie design / publicatie type |
|
Weiss, 2014 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Davis, 2001 |
Sluit niet aan bij PICO (I) |
|
Grover, 2016 |
Studie design / publicatie type |
|
Dunstan, 2006 |
Studie design / publicatie type |
|
Wong, 2020 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Beemster, 2020 |
Sluit niet aan bij PICO (O) |
|
Carter, 2014 |
Studie design / publicatie type |
|
de Heer, 2013 |
Studie design / publicatie type |
|
Madhusudhan, 2020 |
Studie design / publicatie type |
|
Skinner, 2000 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Stapelfeldt, 2011 |
Sluit niet aan bij PICO (O) |
|
Steenstra, 2007 |
Sluit niet aan bij PICO (I) |
|
Tijhuis, 2003 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Tokem, 2011 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
van der Sluis, 2009 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
van Vilsteren, 2012 |
Sluit niet aan bij PICO (P) |
|
Wynne-Jones, 2018 |
Sluit niet aan bij PICO (P, O) |
|
McMenamy, 2004 |
Studie design / publicatie type |
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 12-02-2026
Beoordeeld op geldigheid : 12-02-2026
Algemene gegevens
Goedgekeurd door:
- Nederlands Huisartsen Genootschap
- Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem
- Nederlandse Vereniging van Rugpatiënten ‘de Wervelkolom‘
- Patiëntenfederatie Nederland
De ontwikkeling/herziening van deze leidraad werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).
De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de leidraad.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de leidraad zijn in 2020 een multidisciplinaire werkgroep en klankbordgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met chronische pijn. De werkgroep heeft de leidraad opgesteld, de leden uit de klankbordgroep hebben deze kritisch meegelezen. Naast deze groepen is in 2021 een werkgroep Haalbaarheid & Implementatie gevormd, welke: 1. Input heeft gegeven met betrekking tot de haalbaarheid, implementatie en randvoorwaarden voor toepassing van de leidraad; en 2. Het disseminatie- en implementatieplan heeft ontwikkeld.
Werkgroep leidraad
- Prof. dr. A. Wolff, anesthesioloog, NVA (voorzitter)
- Dr. H.R. Schiphorst Preuper, revalidatiearts, VRA (vicevoorzitter)
- Drs. Z. Damen, huisarts niet praktiserend en senior wetenschappelijk medewerker, NHG
- P. de Haan, ergotherapeut, EN
- E. de Jong, oefentherapeut, VvOCM
- Dr. B.C. ter Meulen, neuroloog, NVN
- Drs. C.J. van Oort, anesthesioloog, NVA
- Prof. dr. R.J.E.M. Smeets, revalidatiearts, VRA
- Drs. I.L. Thomassen-Hilgersom, patiëntvertegenwoordiger, Samenwerkingsverband pijnpatiënten naar één stem
- Dr. L.P. Voogt, lector complexe pijn, fysiotherapeut en manueel therapeut, KNGF
- Dr. L.N.L. Zonneveld, klinisch psycholoog, NIP
Meelezers leidraad
- G. Fennis-de Vries, MSc, pijnverpleegkundige, V&VN
- Drs. M.E. Havinga, orthopedisch chirurg, NOV
- Drs. J. Heering, huisarts en senior beleidsmedewerker, LHV
- G.R.M van Hoof, arts M&G, medisch adviseur, ZN
- Prof. dr. F.J.P.M. Huygen, anesthesioloog, pijnspecialist, NvNN
- Dr. P. van den Munckhof, neurochirurg, NVvN
-
J.F.A. van Kessel, Physician Assistant, NAPA
- Dr. A.J.A. Köke, senior onderzoeker en fysiotherapeut/bewegingswetenschapper KNGF
- Drs. R.L. Kriekaart, klinisch geriater, NVKG
- Dr. M.M. Lipvsky, internist en psychotherapeut, NIV
- Drs. C.H. Lunter, psychiater, NVvP
- H. Macleane, MPA, bedrijfskundig zorgmanager en physician assistant, NAPA
- R. Mali, oefentherapeut NCP, VvOCM
- R. van der Noord, MSc, fysiotherapeut, psychosomatisch fysiotherapeut en EFIC pijnfysiotherapeut, KNGF
-
K. Roeleveld, oefentherapeut NCP, psychosomatisch oefentherapeut, VvOCM
- V.M. Schoorlemmer, MSc, geriatrie oefentherapeut, VvOCM
- Dr. A.C.L.P.J. Verhoeven, bedrijfsarts, NVAB
- B.L. van der Vossen, MSc, chiropractor, NCA
- L. Voogt, patiëntvertegenwoordiger, NVVR
- H.W.A. Walravens, MANP, verpleegkundig specialist, V&VN
- Dr. T.R. Zijlstra, reumatoloog, NVR
Werkgroep haalbaarheid & implementatie
- Dr. L. Timmerman, NVA (Voorzitter)
-
R. Mali, oefentherapeut NCP, VvOCM
- M.P.G.J. Berkhout, VRA
- I. Bruaset, NVZ
- A. van der Gaag, NVA
- M. Horn, ZIN (toehoorder)
- G.R.M van Hoof, arts M&G, medisch adviseur, ZN
- M. Liedorp, ZKN
- Drs. M.J. Oostindiër, FMCC
- Drs. C. Ritoe, ZN (toehoorder)
- Dr. H.R. Schiphorst Preuper, revalidatiearts, VRA
- V.M. Schoorlemmer, MSc, geriatrie oefentherapeut, VvOCM
- Drs. J. Smale, VRA/RN
- Drs. I.L. Thomassen-Hilgersom, patiëntvertegenwoordiger, Samenwerkingsverband pijnpatiënten naar één stem
- Dr. L.P. Voogt, lector complexe pijn, fysiotherapeut en manueel therapeut, KNGF
- Prof. Dr. A. Wolff, anesthesioloog, NVA
- Dr. L.N.L. Zonneveld, klinisch psycholoog, NIP (meelezer)
Met ondersteuning van Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten:
- Dr. L.M.P. Wesselman, adviseur
- Dr. L.M. van Leeuwen, adviseur (vanaf maart 2023)
- Dr. S.N. Hofstede, senior adviseur (vanaf september 2022)
- Dr. D.H.H. Dreesens, senior adviseur (van april 2022 tot maart 2023)
- Dr. S. Persoon, senior adviseur (tot maart 2022)
Belangenverklaringen
De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werk- en klankbordgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling van de leidraad zijn wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring zijn opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.
Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
Werkgroep leidraad
|
Werkgroeplid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Wolff (Voorzitter) |
Anesthesioloog-pijnspecialist, medisch hoofd UMCG Pijncentrum Universitair Medisch Centrum Groningen Hoogleraar Anesthesiologie i.h.b. Pijngeneeskunde Rijksuniversiteit Groningen |
Bestuurslid stichting Helpelandsdoorn (onbetaald)
Beleidsadviseur VOLT (onbetaald) Co-voorzitter PA!N (onbetaald) Counsilor EFIC (onbetaald)klankbordgroep RL pijnrevalidatie (onbetaald) |
Extern gefinancierd onderzoek: ZonMw; AAL; Philips; Grünenthal; (investigator initiated onderzoek).
Consultancy of vergoedingen: Pfizer QPS, Equip, Novartis; NVA, NPZF, Overprikkeling |
Geen actie, alle subsidiegevers hebben geen belang bij adviezen uit de leidraad. |
|
Schiphorst Preuper |
Revalidatiearts, Universitair docent Afdeling Revalidatiegeneeskunde UMCG |
Voorzitter Werkgroep Pijnrevalidatie Nederland (WPN) van de VRA tot 2022 onbetaald; per 2022 lid WPN; Secretaris van de Pijnalliantie in Nederland (PA!N); van 2022 t/m 2023 lid algemeen bestuur PA!N, onbetaald; Lid van kernredactie NTPP t/m 2023, onbetaald; Lid van congrescommissie PA!N congres 2022 (08-12-2022), onbetaald; Lid van congrescommissie 18th International Forum on Back and Neck Pain Research in Primary Care 2023; (onbezoldigd) Werkgroeplid Richtlijn Pijnrevalidatie; vacatiegelden naar CvR UMCG; Per 2023 WECO van de VRA (lid); onbezoldigd. |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Damen |
Senior wetenschappelijk medewerker/huisarts niet praktiserend bij het NHG |
Geen |
Betrokken bij de herziening van de NHG-standaard Pijn, op het gebied van toepassing opioïden bij chronische niet-oncologische pijn. |
Geen actie nodig |
|
De Haan |
Ergotherapeut Praktijkhouder ErgoAnders (gespecialiseerd in chronische pijn en vermoeidheid). Daarnaast 27,5 contracturen Roessingh Revalidatiecentrum |
Docent Pro-Education (NCOI) (betaald). Verzorging cursussen (betaald) Teamondersteuner RC Roessingh – betaald Lid Overleggroep Chronische pijn Ergotherapie Nederland (onbetaald).
|
|
Geen actie nodig |
|
De Jong |
Werkzaam als Oefentherapeut Cesar/Mensedieck in praktijk Isokin Training & Therapie voor 24 uur per week |
Bestuurslid Landelijk Netwerk Oefentherapeuten Chronische Pijn, (deels betaald, deels onbetaald) |
Bestuurslid bij Landelijk Netwerk Oefentherapeuten Chronische Pijn |
Geen actie nodig |
|
Smeets |
Hoogleraar Revalidatiegeneeskunde, Universiteit Maastricht (0,5 fte) Revalidatiearts, CIR revalidatie (0,6 fte) |
Lid van Wetenschappelijke Advies Raad patiëntenvereniging de Wervelkolom. Lid van Wetenschappelijk Advies Raad patiëntenvereniging HME/MO |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Ter Meulen |
Neuroloog OLVG |
Raad van advies Nederlandse Vereniging van Rugpatiënten ‘de Wervelkolom’ |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Thomassen-Hilgersom |
Vrijwilliger Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem (onbetaald) |
Voorzitter patiëntenvereniging CRPS, vrijwilliger (onbetaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Van Oort |
Anesthesioloog-pijnbestrijder; Ikaziaziekenhuis en van Weel Bethesda ziekenhuis Dirksland |
Centraal Medisch Tuchtcollege (onkostenvergoeding) adviseur NVA (onkostenvergoeding) Medisch coördinator OK tot 1 juli 2021 (betaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Voogt |
Lector ‘Complexe pijn’ Hogeschool Rotterdam |
Visiting professor Vrije Universiteit Brussel. Lid commissie Zorgstandaard Chronische Pijn (KNGF). |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Zonneveld |
Klinisch psycholoog, Amsterdam UMC, locatie AMC (Poli pijngeneeskunde) |
Voorzitter werkgroep ‘Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen’ van de Landelijke Vereniging Medische Psychologie (LVMP) (onbetaald) Voorzitter commissie ‘Financiering van het NIP en de LVMP’ (onbetaald) Bestuurslid PA!N (onbetaald) |
ZonMw, Amsterdams Universiteitsfonds |
|
Klankbordgroep leidraad
|
Klankbordgroeplid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Fennis-de Vries |
Verpleegkundig Specialist pijnkliniek
|
lid congrescommissie V&VN pijn (onbetaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Havinga |
Orthopedisch chirurg OCON |
Lid beroepsbelangen commissie NOV (onbetaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Heering |
beleidsadviseur Landelijke Huisartsen Vereniging |
huisarts (betaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Huygen |
Hoogleraar Anesthesiologie Erasmusmc (0,9 fte) Hoogleraar Anesthesiologie UMCU (0,1 fte) |
Lid Centraal tucht college (vacatiegeld). Lid wetenschappelijke adviesraad Patiëntenvereniging voor CRPS (Nederland en USA) (onbezoldigd). Director International Research Consortium CRPS (onbezoldigd). Lid Advisory Board Abbott, Boston Scientific, Saluda, Medtronic (bezoldigd). Voorzitter Vereniging voor Neuromodulatie Nederland (onbezoldigd). |
Geen |
Geen actie nodig. De leidraad richt zich niet op medicatie/medische technologie. |
| Van Kessel
|
Physician Assistant Libra revalidatie&audiologie locatie Blixembosch Eindhoven |
Geen |
Geen actie nodig |
Geen actie nodig |
|
Köke |
Senior onderzoeker, vakgroep revalidatiegeneeskunde Universiteit Maastricht 0,5 fte. Coordinator innovatie Kenniscentrum Adelante Hoensbroek 0,5 fte. |
Hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift Pijn en Pijnbestrijding, (onbetaald). Vertegenwoordiger KNGF bij Pijn Alliantie Nederland, (onbetaald). |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Kriekaart |
Tot oktober 2021: Klinische geriater Radboudumc. Klinisch geriater Sint Maartenskliniek. Waarnemend klinisch geriater Propersona, locatie Marie McKenzie, ouderenpsychiatrie. Vanaf oktober 2021: Klinisch geriater werkzaam in Gelre ziekenhuis Apeldoorn/Zutphen. |
Geen |
|
Geen actie nodig |
|
Lipovsky |
Internist en psychotherapeut, boegbeeld TOPGGZ, Altrecht Psychosomatiek Eikenboom |
Gastdocentschappen SOLK-communicatie voor medisch specialisten en AIOS, deels betaald, (ism Erasmus Medisch Centrum), deels onbetaald (UMCU e.a.). |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Lunter |
Psychiater en boegbeeld TOPGGZ, Altrecht Psychosomatiek Eikenboom |
Bestuurslid landelijk Netwerk Aanhoudende Lichamelijke Klachten (NALK) – (onbetaald) Bestuurslid Pijn Alliantie In Nederland (PA!N) – (onbetaald) Enkele docentschappen – (betaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Macleane |
Physician assistant bij Excellent Klinieken, 85% Bestuurder bij Ecxellent Klinieken, 15% |
Geen |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Van den Munckhof |
Neurochirurg Amsterdam UMC |
Geen |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Van Hoof |
Medisch adviseur bij zorgverzekeraar bij CZ |
Lid commissie EEK van ZonMw |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Schoorlemmer |
Geriatrie oefentherapeut, praktijk Oefentherapie in Kampen en in Lemmer. |
Ketenpartner vanuit Netwerk Oefentherapeuten Chronische Pijn bij Regionaal Pijncentrum Zwolle (onbetaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Van der Noord |
Praktijkeigenaar Interfysio, fysiotherapiepraktijk voor chronische pijn en psychosomatiek |
Wetenschappelijke Advies Raad (WAR) Psychosomatiek namens de Nederlandse vereniging voor Fysiotherapie volgens de Psychosomatiek (NFP) – alleen vergaderingen betaald. - Projectgroep Psychosomatische fysiotherapie binnen de GGZ (een NFP project) – Betaald - Projectgroep Visie op (chronische) pijn voor de fysiotherapeut, voor de Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) – Betaald - Scholingen voor fysiotherapeuten op het gebeid van pijn diagnostiek en pijneducatie – betaald. |
Geven van scholingen op het gebied van diagnostiek en educatie bij chronische pijn voor fysiotherapeuten |
Geen actie nodig |
|
Roeleveld |
Praktijkeigenaar oefentherapie voor chronische pijn en neurologische aandoeningen BeweegBewust in Aalsmeer |
Regiocoördinator/voorzitter Parkinsonnet regio Amsterdam/Amstelland (onbetaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Van der Vossen |
Chiropractor, Chiropractie Epe |
Bestuurslid Stichting Chiropractie (onbetaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Verhoeven |
Instituutsopleider, bedrijfsarts en verzekeringsarts (0,8fte) |
Adviseur en docent via eigen bedrijf 'carco consult & medische advies' (betaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Voogt |
Voorzitter NVVR de Wervelkolom |
Geen |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Walravens |
Verpleegkundig specialist, polikliniek Pijnbehandeling UMC Utrecht |
Incidenteel consultancy voor Grunenthal gericht op scholing neuropathische pijn |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Zijlstra |
Reumatoloog, Isala, Zwolle |
Geen |
Geen |
Geen actie nodig |
Werkgroep haalbaarheid & implementatie
|
Werkgroeplid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Timmerman (voorzitter) |
Anesthesioloog-pijnspecialist St Antonius Ziekenhuis, Utrecht-Nieuwegein |
Hoofd afdeling R&D anesthesiologie, coördinatie wetenschappelijk onderzoek op gebied van anesthesiologie, IC en pijngeneeskunde. Onbetaald. |
Lid maatschap anesthesiologie, intensive care en pijngeneeskunde. |
Geen actie nodig |
|
Mali |
Oefentherapeut NCP, Praktijkeigenaar Haarlem Centrum & Velserbroek |
Voorzitter Platform Psychosomatiek & Netwerk Chronische Pijn VvOCM (bestuursvergoeding) Algemeen Bestuurslid PA!N (Pijn Alliantie in Nederland), als afgevaardigde namens de oefentherapeuten (onbetaald) Lid Congrescommissie PA!N (Pijn Alliantie in Nederland) (onbetaald) Voorzitter Regionaal Netwerk Chronische Pijn Haarlem/Haarlemmermeer e.o. (onbetaald) Voorzitter Patform oefentherapie Kennemerland & Haarlemmermeer (POKH) (onkostenvergoeding) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Berkhout |
Directeur Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen |
Bestuurslid stichting Revalidatie Impact. Onbetaald |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Bruaset |
Medisch Manager Anesthesiologie en pijnbestrijding |
Geen |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Van der Gaag |
Medisch Specialist Anesthesioloog - pijnspecialist |
Bestuurslid sectiebestuur pijn en pallitatieve geneeskunde Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Horn (toehoorder) |
Adviseur, Zorginstituut Nederland.
|
Geen |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Van Hoof |
Medisch adviseur bij zorgverzekeraar bij CZ |
Lid commissie EEK van ZonMw |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Liedorp |
Lid commissie - vertegenwoordiger ZKN |
lid MR basisschool IKC de Piramide (onbetaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Oostindiër |
Maxima Medisch Centrum (MMC): Beleidsadviseur huisartsenzorg w.o. secretaris bestuur FMCC |
Mede-eigenaar van medisch kwartier Eindhoven (onbezoldigd) 1e lijns gezondheidscentrum
|
Geen |
Geen actie nodig |
|
Ritoe |
Medisch Adviseur - Zorgverzekeraars Nederland |
Geen |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Schoorlemmer |
Geriatrie oefentherapeut, praktijk Oefentherapie in Kampen en in Lemmer. |
Ketenpartner vanuit Netwerk Oefentherapeuten Chronische Pijn bij Regionaal Pijncentrum Zwolle (onbetaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Schiphorst Preuper |
Revalidatiearts, Universitair docent Afdeling Revalidatiegeneeskunde UMCG |
Voorzitter Werkgroep Pijnrevalidatie Nederland (WPN) van de VRA tot 2022 onbetaald; per 2022 lid WPN; Secretaris van de Pijnalliantie in Nederland (PA!N); van 2022 t/m 2023 lid algemeen bestuur PA!N, onbetaald; Lid van kernredactie NTPP t/m 2023, onbetaald; Lid van congrescommissie PA!N congres 2022 (08-12-2022), onbetaald; Lid van congrescommissie 18th International Forum on Back and Neck Pain Research in Primary Care 2023; (onbezoldigd) Werkgroeplid Richtlijn Pijnrevalidatie; vacatiegelden naar CvR UMCG; Per 2023 WECO van de VRA (lid); onbezoldigd. |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Smale |
Beleidsadviseur |
Geen |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Thomassen-Hilgersom |
Vrijwilliger Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem (onbetaald) |
Voorzitter patiëntenvereniging CRPS, vrijwilliger (onbetaald) |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Voogt |
Lector ‘Complexe pijn’ Hogeschool Rotterdam |
Visiting professor Vrije Universiteit Brussel. Lid commissie Zorgstandaard Chronische Pijn (KNGF). |
Geen |
Geen actie nodig |
|
Wolff |
Anesthesioloog-pijnspecialist, medisch hoofd UMCG Pijncentrum Universitair Medisch Centrum Groningen Hoogleraar Anesthesiologie i.h.b. Pijngeneeskunde Rijksuniversiteit Groningen |
Bestuurslid stichting Helpelandsdoorn (onbetaald)
Beleidsadviseur VOLT (onbetaald) Co-voorzitter PA!N (onbetaald) Counsilor EFIC (onbetaald)klankbordgroep RL pijnrevalidatie (onbetaald) |
Extern gefinancierd onderzoek: ZonMw; AAL; Philips; Grünenthal; (investigator initiated onderzoek).
Consultancy of vergoedingen: Pfizer QPS, Equip, Novartis; NVA, NPZF, Overprikkeling |
Geen actie, alle subsidiegevers hebben geen belang bij adviezen uit de leidraad. |
|
Zonneveld |
Klinisch psycholoog, Amsterdam UMC, locatie AMC (Poli pijngeneeskunde) |
Voorzitter werkgroep ‘Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen’ van de Landelijke Vereniging Medische Psychologie (LVMP) (onbetaald) Lid commissie ‘Financiering van de LVMP’ (onbetaald) Bestuurslid PA!N (onbetaald) |
ZonMw, Amsterdams Universiteitsfonds |
Geen actie nodig |
Inbreng patiëntenperspectief
Er werd aandacht besteed aan het patiënten perspectief door het uitnodigingen de Nederlandse Vereniging van Rugpatiënten ‘de Wervelkolom’ (NVVR) en het Samenwerkingsverband pijnpatiënten naar één stem voor de invitational conference en de deelname van een afgevaardigde namens het Samenwerkingsverband in de werkgroep en van de NVVR in de klankbordgroep. De conceptleidraad is tevens voor commentaar voorgelegd aan het Samenwerkingsverband, de NVVR en Patiëntenfederatie Nederland en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase). Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er geen substantiële financiële gevolgen zijn: het merendeel van de kosten van chronische pijn wordt niet veroorzaakt door medische kosten maar door indirecte maatschappelijke kosten door ziekteverzuim en presenteïsme. De verwachting is dat bij een betere organisatie van de pijnzorg deze kosten zullen afnemen. Een overzicht van uitkomsten van de kwalitatieve raming met bijbehorende toelichting vindt u in onderstaande tabel.
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Module Organisatie van de chronische pijnzorg |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht. |
|
Module Versterking eerste lijn |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht. |
|
Module Op- en afschalingscriteria |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht. |
Ten aanzien van de aanbevelingen
De voorgestelde aanbevelingen sluiten aan bij de wens van de overheid om meer in te zetten op taakherschikking en -verschuiving en de juiste zorg op de juiste plek. De implementatie zal echter veel aandacht vragen. Waar we in deze leidraad op landelijk niveau de grote lijnen beschrijven, zal de invulling vooral regionaal moeten gebeuren. De werkgroep acht het bijvoorbeeld belangrijk dat er regionaal/lokaal afspraken worden gemaakt over welke zorgprofessional(s) de verschillende taken op zich gaan nemen. Afhankelijk van de invulling zullen er ook afspraken moeten worden gemaakt over supervisie en de juridische aansprakelijkheid. Er zijn op dit moment nog een aantal algemene barrières voor implementatie, te weten:
- Financiering voor de inzet van de zorgprofessionals met expertise in pijnzorg.
- Er zijn op dit moment landelijk gezien te weinig – in chronische pijn geschoolde – professionals beschikbaar die in de eerste lijn kunnen worden ingezet. Voor de uitvoering van de beschreven taken bestaat nog geen specifieke opleiding. Als startpunt acht de werkgroep het gewenst dat de zorgprofessional minimaal is opgeleid in alle componenten zoals beschreven in het curriculum van de International Association for Study of Pain (IASP). In de toekomst zou het wenselijk zijn als voor de zorgprofessionals die deze taken gaan oppakken een beroepsprofiel, kwaliteitscriteria en opleiding beschikbaar komen.
Het veld zal tijd nodig hebben om deze barrières te overkomen. Met betrekking tot haalbaarheid en implementatie en randvoorwaarden daarvoor wordt verwezen naar het bijgaande Haalbaarheid & Implementatieplan.
Werkwijze
Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen
Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten in de organisatie en werkwijze van de zorg voor patiënten met chronische pijn. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door de NVA, VRA, KNMP, KNGF, NAPA, NCA, PA!N, Samenwerkingsverband pijnpatiënten naar één stem, VVOCM, VVGN, ZiNL, ZKN, NVVR en twee personen op eigen titel tijdens een invitational conference. Een verslag hiervan is opgenomen onder aanverwante producten.
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep drie concept uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld. Deze drie vragen worden in afzonderlijke modules beantwoord. In de eerste module worden de knelpunten en gewenste situatie omschreven in de organisatie van chronische pijn zorg. In de laatste twee modules wordt er respectievelijk ingezoomd op twee specifieke aspecten binnen de organisatie van de pijnzorg: de versterking van de eerste lijn en de op- en afschalingscriteria. Bij de ontwikkeling van deze modules is de gangbare richtlijnmethodiek gevolgd. Deze methodiek voldoet aan de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit, welke is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010). De methodiek wordt in de onderstaande paragrafen toegelicht. De gehanteerde werkwijze wordt in de overwegingen van de deze module verder toegelicht.
Voor de modules ‘Organisatie van de chronische pijnzorg’ en ‘Op- en afschalingscriteria’
Er zijn zorgpaden uitgewerkt die beschrijven en visueel weergeven welk traject de patiënt doorloopt wanneer er sprake is van (een vermoeden van) chronische pijn. Hiervoor werden vier werksessies en een focusgroep georganiseerd. De vier werksessies werden gehouden bij verschillende lokale samenwerkingsverbanden voor chronische pijn (regio’s Maastricht, Sneek, Eindhoven en Zwolle). Hierbij waren verschillende zorgverleners en patiëntvertegenwoordigers aanwezig. Daarnaast is een focusgroep gehouden met patiënten. Naast het uitwerken van de zorgpaden werden beïnvloedende factoren voor het doorlopen van de zorgpaden geïnventariseerd, en werden mogelijke oplossingsrichtingen om de beïnvloedende factoren te overwinnen in het zorgpad besproken. Tevens werden op- en afschalingscriteria besproken.
Voor de modules ‘Versterking van de eerste lijn’ en ‘Op- en afschalingscriteria’
Uitkomstmaten
Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep (inclusief patiëntvertegenwoordiger) welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep (waaronder de patiëntvertegenwoordiger) tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch relevant (voor de patiënt) vonden.
Methode literatuursamenvatting
Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur en de beoordeling van de risk-of-bias van de individuele studies is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.
Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).
GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).
|
GRADE |
Definitie |
|
Hoog |
|
|
Redelijk |
|
|
Laag |
|
|
Zeer laag |
|
Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in kwaliteitsstandaarden volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE methodiek.
Voor alle modules
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.
In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.
|
Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende gebruikers |
||
|
|
Sterke aanbeveling |
Zwakke (conditionele) aanbeveling |
|
Voor patiënten |
De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet. |
Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. |
|
Voor behandelaars |
De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen. |
Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren. |
|
Voor beleidsmakers |
De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid. |
Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. |
Organisatie van zorg
Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van de chronische pijnzorg. Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen.
Commentaar- en autorisatiefase
De concept leidraad werd schriftelijk aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep, waarna een tweede commentarenronde volgde. Daarna is de aangepaste leidraad besproken tijdens een tweede invitational conference. Naar aanleiding van de twee commentaarrondes en de input tijdens de tweede invitational conference werd de conceptleidraad aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve leidraad werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.
Literatuur
Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.
Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.
Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.
Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.
Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.
Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. http://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/over_richtlijnontwikkeling.html
Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.
Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.
Zoekverantwoording
Zoekverantwoording
Algemene informatie
|
Richtlijn: Leidraad Organisatie en werkwijze zorg voor patiënten met chronische pijn |
|
|
Uitgangsvraag: Wat is de waarde en plaats van een coördinator in de zorg voor patiënten met chronische pijn? |
|
|
Database(s): Ovid/Medline, Embase, CINAHL |
Datum: 01-12-2020 |
|
Periode: 2000 -2020 |
Talen: Engels, Nederlands |
|
Literatuurspecialist: Miriam van der Maten |
|
|
BMI zoekblokken: voor verschillende opdrachten wordt (deels) gebruik gemaakt van de zoekblokken van BMI-Online https://blocks.bmi-online.nl/ Bij gebruikmaking van een volledig zoekblok zal naar de betreffende link op de website worden verwezen. |
|
|
Toelichting en opmerkingen:
|
|
|
Te gebruiken voor richtlijnen tekst: In de databases Ovid/Medline, Embase, CINAHL is op 1-12-2020 met relevante zoektermen gezocht naar systematische reviews, randomized controlled trials en observationele studies over de waarde en plaats van coördinator in de zorg voor patiënten met chronische pijn. De literatuurzoekactie leverde 570 unieke treffers op. |
|
Zoekopbrengst
|
|
Embase |
OVID/MEDLINE |
CINAHL |
Ontdubbeld |
|
SRs |
47 |
61 |
12 |
89 |
|
RCT |
108 |
118 |
76 |
221 |
|
Observationeel |
125 |
176 |
40 |
260 |
|
Totaal |
280 |
355 |
128 |
570 |
Zoekstrategie
Embase
|
No. |
Query |
Results |
|
#10 |
#7 OR #8 OR #9 |
280 |
|
#9 |
#3 AND #6 NOT (#7 OR #8) |
125 |
|
#8 |
#3 AND #5 NOT #7 |
108 |
|
#7 |
#3 AND #4 |
47 |
|
#6 |
'major clinical study'/de OR 'clinical study'/de OR 'case control study'/de OR 'family study'/de OR 'longitudinal study'/de OR 'retrospective study'/de OR 'prospective study'/de OR 'cohort analysis'/de OR cohort*:ab,ti OR (('case control' NEAR/1 (study OR studies)):ab,ti) OR (('follow up' NEAR/1 (study OR studies)):ab,ti) OR (observational NEAR/1 (study OR studies)) OR ((epidemiologic NEAR/1 (study OR studies)):ab,ti) OR (('cross sectional' NEAR/1 (study OR studies)):ab,ti) |
5768288 |
|
#5 |
'clinical trial'/exp OR 'randomization'/exp OR 'single blind procedure'/exp OR 'double blind procedure'/exp OR 'crossover procedure'/exp OR 'placebo'/exp OR 'prospective study'/exp OR rct:ab,ti OR random*:ab,ti OR 'single blind':ab,ti OR 'randomised controlled trial':ab,ti OR 'randomized controlled trial'/exp OR placebo*:ab,ti |
3169446 |
|
#4 |
'meta analysis'/exp OR 'meta analysis (topic)'/exp OR metaanaly*:ti,ab OR 'meta analy*':ti,ab OR metanaly*:ti,ab OR 'systematic review'/de OR 'cochrane database of systematic reviews'/jt OR prisma:ti,ab OR prospero:ti,ab OR (((systemati* OR scoping OR umbrella OR 'structured literature') NEAR/3 (review* OR overview*)):ti,ab) OR ((systemic* NEAR/1 review*):ti,ab) OR (((systemati* OR literature OR database* OR 'data base*') NEAR/10 search*):ti,ab) OR (((structured OR comprehensive* OR systemic*) NEAR/3 search*):ti,ab) OR (((literature NEAR/3 review*):ti,ab) AND (search*:ti,ab OR database*:ti,ab OR 'data base*':ti,ab)) OR (('data extraction':ti,ab OR 'data source*':ti,ab) AND 'study selection':ti,ab) OR ('search strategy':ti,ab AND 'selection criteria':ti,ab) OR ('data source*':ti,ab AND 'data synthesis':ti,ab) OR medline:ab OR pubmed:ab OR embase:ab OR cochrane:ab OR (((critical OR rapid) NEAR/2 (review* OR overview* OR synthes*)):ti) OR ((((critical* OR rapid*) NEAR/3 (review* OR overview* OR synthes*)):ab) AND (search*:ab OR database*:ab OR 'data base*':ab)) OR metasynthes*:ti,ab OR 'meta synthes*':ti,ab |
685636 |
|
#3 |
#1 AND #2 AND ([english]/lim OR [dutch]/lim) AND [2000-2020]/py NOT ('conference abstract'/it OR 'editorial'/it OR 'letter'/it OR 'note'/it) |
524 |
|
#2 |
'case manager'/exp OR 'case management'/exp OR 'case manage*':ti,ab,kw OR casemanage*:ti,ab,kw OR 'care coordinator'/exp OR ((care NEAR/2 coordinat*):ti,ab,kw) |
36006 |
|
#1 |
'chronic pain'/exp OR 'complex regional pain syndrome'/exp OR 'low back pain'/exp OR 'fibromyalgia'/exp OR 'rheumatic disease'/exp OR 'whiplash injury'/exp OR 'neuropathic pain'/exp OR 'headache'/exp OR 'abdominal pain'/exp OR 'visceral pain'/exp OR 'pelvic pain'/exp OR 'pelvic girdle pain'/exp OR 'fibromyalgia':ti,ab,kw OR 'rheuma*':ti,ab,kw OR 'whiplash*':ti,ab,kw OR 'headache*':ti,ab,kw OR 'head ache*':ti,ab,kw OR neuralgia:ti,ab,kw OR ((chronic NEAR/3 pain):ti,ab,kw) OR (((longterm OR 'long term') NEAR/2 pain):ti,ab,kw) OR 'complex regional pain':ti,ab,kw |
1023476 |
Ovid/Medline
|
# |
Searches |
Results |
|
11 |
8 or 9 or 10 |
355 |
|
10 |
(4 and 7) not (8 or 9) |
176 |
|
9 |
(4 and 6) not 8 |
118 |
|
8 |
4 and 5 |
61 |
|
7 |
Epidemiologic studies/ or case control studies/ or exp cohort studies/ or Controlled Before-After Studies/ or Case control.tw. or cohort*.tw. or Cohort analy$.tw. or (Follow up adj (study or studies)).tw. or (observational adj (study or studies)).tw. or Longitudinal.tw. or Retrospective*.tw. or prospective*.tw. or consecutive*.tw. or Cross sectional.tw. or Cross-sectional studies/ or historically controlled study/ or interrupted time series analysis/ |
3719038 |
|
6 |
exp clinical trial/ or randomized controlled trial/ or exp clinical trials as topic/ or randomized controlled trials as topic/ or Random Allocation/ or Double-Blind Method/ or Single-Blind Method/ or (clinical trial, phase i or clinical trial, phase ii or clinical trial, phase iii or clinical trial, phase iv or controlled clinical trial or randomized controlled trial or multicenter study or clinical trial).pt. or random*.ti,ab. or (clinic* adj trial*).tw. or ((singl* or doubl* or treb* or tripl*) adj (blind$3 or mask$3)).tw. or Placebos/ or placebo*.tw. |
2232660 |
|
5 |
meta-analysis/ or meta-analysis as topic/ or (metaanaly* or meta-analy* or metanaly*).ti,ab,kf. or systematic review/ or cochrane.jw. or (prisma or prospero).ti,ab,kf. or ((systemati* or scoping or umbrella or "structured literature") adj3 (review* or overview*)).ti,ab,kf. or (systemic* adj1 review*).ti,ab,kf. or ((systemati* or literature or database* or data-base*) adj10 search*).ti,ab,kf. or ((structured or comprehensive* or systemic*) adj3 search*).ti,ab,kf. or ((literature adj3 review*) and (search* or database* or data-base*)).ti,ab,kf. or (("data extraction" or "data source*") and "study selection").ti,ab,kf. or ("search strategy" and "selection criteria").ti,ab,kf. or ("data source*" and "data synthesis").ti,ab,kf. or (medline or pubmed or embase or cochrane).ab. or ((critical or rapid) adj2 (review* or overview* or synthes*)).ti. or (((critical* or rapid*) adj3 (review* or overview* or synthes*)) and (search* or database* or data-base*)).ab. or (metasynthes* or meta-synthes*).ti,ab,kf. |
488072 |
|
4 |
limit 3 to (english language and yr="2000 -Current") |
782 |
|
3 |
1 and 2 |
955 |
|
2 |
exp Case Management/ or exp Case Managers/ or 'case manage*'.ti,ab,kf. or casemanage*.ti,ab,kf. or (care adj2 coordinat*).ti,ab,kf. |
27560 |
|
1 |
exp Chronic Pain/ or pain*.ti,ab,kf. or exp "Complex Regional Pain Syndromes"/ or "Low Back Pain"/ or Fibromyalgia/ or exp "Rheumatic Diseases"/ or exp "Whiplash Injuries"/ or exp Neuralgia/ or exp Headache/ or exp "Abdominal Pain"/ or exp "Visceral Pain"/ or exp "Pelvic Pain"/ or exp "Pelvic Girdle Pain"/ or 'fibromyalgia'.ti,ab,kf. or 'rheuma*'.ti,ab,kf. or 'whiplash*'.ti,ab,kf. or 'headache*'.ti,ab,kf. or 'head ache*'.ti,ab,kf. or neuralgia.ti,ab,kf. or (chronic adj3 pain).ti,ab,kf. or ((longterm or 'long term') adj2 pain).ti,ab,kf. or 'complex regional pain'.ti,ab,kf. |
1087101 |
CINAHL
|
# |
Query |
Results |
|
S10 |
S7 OR S8 OR S9 |
128 |
|
S9 |
S3 AND S6 not (S7 OR S8) |
40 |
|
S8 |
S3 AND S5 not S7 |
76 |
|
S7 |
S3 AND S4 |
12 |
|
S6 |
(MH "Case Control Studies+") OR (MH "Case Studies") OR (MH "Cross Sectional Studies") OR (MH "Prospective Studies+") OR (MH "Retrospective Panel Studies") OR (MH "Correlational Studies") OR TI "case control" OR TI “case referent” OR AB “case referent*” OR TI “case stud*” OR AB “case stud*” OR TI “case series” OR AB “case series” OR TI cohort* OR AB cohort* OR TI “cross sectional” OR AB “cross sectional” OR TI “follow up” OR AB “follow up” OR TI longitudinal OR AB longitudinal OR TI retrospective* OR AB retrospective* OR TI prospective* OR AB prospective* OR TI observational OR AB observational OR TI “Controlled before and after” OR AB “Controlled before and after” OR TI “Interrupted time series” OR AB “Interrupted time series” OR TI Correlational OR AB Correlational |
1,199,998 |
|
S5 |
(MH "Clinical Trials+") OR (PT (Clinical trial)) OR (MH "Random Assignment") OR (MH "Quantitative Studies") OR (TX ((clini* N1 trial*) OR (singl* N1 blind*) OR (singl* N1 mask*) OR (doubl* N1 blind*) OR (doubl* N1 mask*) OR (tripl* N1 blind*) OR (tripl* N1 mask*) OR (random* N1 allocat*) OR placebo* OR ((waitlist* OR (wait* and list*)) and (control* OR group)) OR "treatment as usual" OR tau OR (control* N3 (trial* OR study OR studies OR group*)) OR randomized OR randomised)) |
1,524,983 |
|
S4 |
(MH "Meta Analysis") or TX (meta-analy* or metanaly* or metaanaly* or meta analy*) or TX (systematic* N5 review*) or (evidence* N5 review*) or (methodol* N5 review*) or (quantitativ* N5 review*) or TX (systematic* N5 overview*) or (evidence* N5 overview*) or (methodol* N5 overview*) or (quantitativ* N5 overview*) or TX (systematic* N5 survey*) or (evidence* N5 survey*) or (methodol* N5 survey*) or (quantitativ* N5 survey*) or TX (systematic* N5 overview*) or (evidence* N5 overview*) or (methodol* N5 overview*) or (quantitativ* N5 overview*) or TX (pool* N2 data) or (combined N2 data) or (combining N2 data) or (pool* N2 trials) or (combined N2 trials) or (combining N2 trials) or (pool* N2 studies) or (combined N2 studies) or (combining N2 studies) or (pool* N2 results) or (combined N2 results) or (combining N2 results) |
229,777 |
|
S3 |
(S1 AND S2) |
332 |
|
S2 |
(MH "Case Managers") OR (MH "Case Management") OR "case manage*" OR "casemanage*" OR "care coordinat*" |
27,367 |
|
S1 |
(MH "Chronic Pain") OR (MH "Complex Regional Pain Syndromes+") OR (MH "Neuralgia+") OR (MH "Fibromyalgia") OR (MH "Low Back Pain") OR (MH "Rheumatic Diseases+") OR (MH "Whiplash Injuries") OR (MH "Headache+") OR (MH "Abdominal Pain+") OR (MH "Pelvic Pain+") OR (MH "Chronic Pain") OR (MH "Visceral Pain") OR (TI("fibromyalgia" OR "rheuma*" OR "whiplash*" OR "headache*" OR "head ache*" OR "neuralgia") OR (AB("fibromyalgia" OR "rheuma*" OR "whiplash*" OR "headache*" OR "head ache*" OR "neuralgia") OR (TI(chronic N3 pain)) OR (AB(chronic N3 pain)) OR (TI((longterm OR 'long term') N2 pain)) OR (AB((longterm OR 'long term') N2 pain)) OR (TI(complex regional pain)) OR (AB(complex regional pain)) |
198,485 |