Transport met de buizenpost bij analyse bloedingsneiging

Laatst beoordeeld: 05-11-2020

Uitgangsvraag

Mogen bloedbuizen voor stollingsonderzoek worden getransporteerd met een buizenpostsysteem?

Aanbeveling

Buizenposten kunnen gebruikt worden voor het versturen van citraat volbloed voor routine stollingsbepalingen. Er zijn echter verschillen tussen buizenpostsystemen (snelheid, lengte, temperatuur) waardoor een validatie met klinisch relevante monsters bij grote wijzigingen of nieuwe systemen overwogen dient te worden. Dit laatste wordt zeker aanbevolen voor viscoelastische testen (bijv. TEG/ROTEM).

 

Voor trombocytenfunctietesten wordt aanbevolen om het materiaal niet te transporteren met een buizenpost.

Conclusies

Transport

Buizenpost

Conclusies

(gradatie, aantal studies)

PT

Buizenposten kunnen gebruikt worden voor het versturen van citraat volbloed voor routine stollingsbepalingen.

(3B, n=28)

Er zijn echter verschillen tussen buizenpostsystemen (snelheid, lengte, temperatuur) waardoor een validatie bij grote wijzigingen of nieuwe systemen overwogen dient te worden.

aPTT

D-dimeren

Fibrinogeen

Stollingsfactoren

Geen literatuur.

vWF

Trombinetijd

ROTEM

Resultaten kunnen beïnvloed worden door transport met buizenposten. (3B, n=28)

TEG

LTA

Resultaten kunnen beïnvloed worden door transport met buizenposten. (3B, n=28)

PFA

Resultaten kunnen beïnvloed worden door transport met buizenposten. (3B, n=28)

Samenvatting literatuur

Veel ziekenhuislaboratoria beschikken over een buizenpost voor het snelle transport van bloedbuizen. Men is terughoudend in het vervoeren van citraatbuizen t.b.v. stollingsonderzoek, met de buizenpost. Enkele studies die de effecten van de buizenposttransport op stollingstesten hebben beschreven zijn kort besproken in een review van Adcock et al. (2012). In de afgelopen jaren zijn vele studies gepubliceerd die de effecten van buizenpost op stollingsonderzoek hebben onderzocht. Plebani en Zaninotto (2011) en Adcock et al. (2012) beschrijven dat de lengte van de buizenpost en de snelheid waarmee patiëntmateriaal vervoerd wordt grote invloed kunnen hebben op laboratoriumuitslagen. Men denk dat dit te wijten is aan de acceleratie en deceleratie momenten wanneer de buizenpost gestart wordt en wanneer het materiaal aankomt bij het laboratorium. Door deze mechanische werking kan er potentieel hemolyse geïntroduceerd worden waardoor trombocytenactivatie kan optreden en mogelijk release optreedt van andere celcomponenten die kunnen leiden tot trombocytenactivatie, zoals fosfolipiden en adenosinedifosfaat (Adcock et al., 2012). Kratz et al. (2007) onderzocht de effecten van de buizenpost op de trombocytenconcentratie, hematocrietwaarde, MPV, PT, aPTT en fibrinogeen. Er werden geen klinische significante verschillen aangetoond. Een limitatie van de studie is dat deze effecten onderzocht zijn bij gezonde vrijwilligers. Daarom werd in deze studie aangegeven dat er meer onderzoek op het effect van de buizenpost moet plaats vinden met meer klinische relevant patiëntmateriaal.

Lebreton et al. (2017) ondervond dat monitoring van ongefractioneerd heparinetherapie middels aPTT e PT bemoeilijkt werd wanneer monsters getransporteerd werden met de buizenpost. In tegenstelling tot andere studies die geen effecten van de buizenpost ondervonden op hematologische parameters, routine stollingstesten en/of trombocyten functie testen (Enko et al., 2017; Braun et al., 2009; Le Quellec et al., 2017; Lee et al., 2017; Petit et al., 2017; Boss et al., 2015; Koçak et al., 2013; Pupek et al., 2017; Nissen et al., 2018; Al-Riyami et al., 2014; Lima-Oliveira et al., 2014). Klinisch relevante effecten op de anti-Xa, voor de monitoring van laagmoleculair gewicht heparine, werden niet gevonden door Lebreton et al (2017).

 

Trombocytenfunctietesten en buizenpost

Dyszkiewicz-Korpanty et al. (2004) onderzocht de effecten van de buizenpost op de PFA-100 en volbloed aggregatie. Men observeerde dat trombocyten functie testen beïnvloed kunnen worden wanneer afnamebuizen voor stollingsonderzoek vervoerd werden met de buizenpost. De effecten waren voornamelijk zichtbaar in een populatie patiënten die aspirine gebruikte. Daarom adviseren de auteurs dat bloedafname buizen voor deze testen het beste fysiek kunnen worden vervoerd. Bolliger et al. (2009) beschreef de effecten van de buizenpost op Multiplate analyses in 50 patiënten die coronaire bypassoperatie ondergaan en aspirine medicatie gebruiken. Trombocyten functie werd in aanwezigheid van thrombin-related activation peptide (TRAP) en arachidonzuur (ASPI) gemeten. Na transport met de buizenpost observeerden de auteurs een verminderde trombocyten functie in aanwezigheid van TRAP en ASPI. Deze reductie in trombocyten aggregatie werd beschouwd als klinisch relevant. Ook Hübner et al. (2010) vond in gezonde vrijwilligers een reductie in trombocyten aggregatie in aanwezigheid van collogeen en een verlengde CT-waarde met de PFA-100. Koessler et al. (2011) toonde ook aan dat trombocytenfunctie testen minder responsiviteit in trombocyten aggregatie vertoonden maar dat transport met de buizenpost geen invloed had op routine stollingstesten. In lijn met de bevindingen zijn de studies van Glas et al. (2013) en Thalén et al. (2013) die naar impedantie aggregometrie gekeken hebben en duidelijk klinisch relevant effect observeerden van de buizenpost in deze testen. In tegenstelling tot Dyszkiewicz-Korpanty et al. (2004) zijn er geen effecten van de buizenpost op de PFA-100 geobserveerd door Wallin et al. (2008), zelfs in een populatie met aspirine medicatie.

 

ROTEM/TEG

In de afgelopen jaren zijn er ook veel studies gepubliceerd die de effecten van de buizenpost op ROTEM-analyses hebben onderzocht. Colucci et al. (2011) vond in 30 gezonde vrijwilligers voor de EXTEM, INTEM, FIBTEM en APTEM geen significante verschillen wanneer materiaal was verstuurd via de buizenpost. Amann et al. (2012) observeerde dat verschillen in snelheid, afstand en duur van transport duidelijk bijdragen aan het effect van de buizenpost op ROTEM-parameters. Hoewel Lancé et al. (2013, 2012) significante verschillen observeerde in NATEM en EXTEMwaardes, achten de auteurs dat het haalbaar is om ROTEM-monsters te vervoeren via de buizenpost. Een kanttekening die de auteurs daarbij maken is het verschil in de buizenpostsystemen, die kunnen verschillen in acceleratie, deceleratie en omgevingstemperatuur. Enige effecten op trombo-elastografie werd wel geconstateerd met buizenpost transport in een andere studie (Wallin et al., 2008). De preanalytische variabelen kunnen daardoor bijdragen aan de verschillen in laboratoriumuitslagen. Op basis hiervan wordt geadviseerd dit voor het eigen laboratorium en buizenpostsysteem te valideren (Lancé et al., 2013; 2012). Vergelijkbare resultaten werden gepubliceerd door Martin et al. (2012).

 

De buizenpost is door de jaren heen ook doorontwikkeld en verbeterd. Zo beschrijft Suchsland et al. (2017) de effecten van een moderne innovatieve buizenpost. Deze buizenpost kan individuele bloedafnamebuizen vervoeren, zonder het gebruik van transportbuis, direct naar het buizenverdeelstation. Hier worden de buizen automatisch gesorteerd op soort bepaling en komen zo terecht in het laboratoriumsysteem van het laboratorium voor analyse. Men observeerde verschillende klinische, hematologische en coagulatietesten gedurende transport met deze buizenpost. Met dit buizenpostsysteem werden er geen significante effecten gezien op PT/INR, aPTT, D-dimeren, fibrinogeen, antitrombine, en FVIII. Daarnaast waren er ook geen significante verschillen te zien voor klinisch en hematologische parameters (bijvoorbeeld, trombocytenconcentratie en hematocrietwaarde). Een meta-analyse van Kapoula et al. (2017) heeft uitgewezen dat er geen grote variaties zijn wanneer buizenposttransport plaats vindt voor stollingstesten, maar ze adviseren wel om dit te valideren voor elk buizenpostsysteem.

Zoeken en selecteren

De zoekverantwoording is weergegeven onder het tabblad Verantwoording. Zie de zoekverantwoording voor de uitgebreide zoekstrategieën per module.

Referenties

  1. Adcock Funk DM, Lippi G, Favaloro EJ. Quality standards for sample processing, transportation, and storage in hemostasis testing. Semin Thromb Hemost. 2012;38(6):576-85.
  2. Al-Riyami AZ, Al-Khabori M, Al-Hadhrami RM, Al-Azwani IS, Davis HM, Al-Farsi KS, Alkindi SS, Daar SF. The pneumatic tube system does not affect complete blood count results; a validation study at a tertiary care hospital. Int J Lab Hematol. 2014;36(5):514-20.
  3. Amann G, Zehntner C, Marti F, Colucci G. Effect of acceleration forces during transport through a pneumatic tube system on ROTEM(R) analysis. Clin Chem Lab Med. 2012;50(8):1335-42.
  4. Bohm M, Taschner S, Kretzschmar E, Gerlach R, Favaloro EJ, Scharrer I. Cold storage of citrated whole blood induces drastic time-dependent losses in factor VIII and von Willebrand factor: potential for misdiagnosis of haemophilia and von Willebrand disease. Blood Coagul Fibrinolysis. 2006;17(1):39-45.
  5. Bolliger D, Seeberger MD, Tanaka KA, Dell-Kuster S, Gregor M, Zenklusen U, Grapow M, Tsakiris DA, Filipovic M. Pre-analytical effects of pneumatic tube transport on impedance platelet aggregometry. Platelets. 2009;20(7):458-65.
  6. Boss DS, Hackeng CM, Vlot EA, van Loon D. Het effect van buizenpost op stolling en hemolyseparameters:“To walk or not to walk”. Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk. 2015;40(4):234-8.
  7. Braun S, von Beckerath N, Ellert J, Kastrati A, Schomig A, Vogt W, Sibbing D. Assessment of platelet function in whole blood by multiple electrode aggregometry: transport of samples using a pneumatic tube system. Am J Clin Pathol. 2009;132(5):802-3; author reply 3-4.
  8. CLSI. Platelet function testing by aggregometry; approved guideline. CLSI Document H58-A. Wayne, PA: Clinical and Laboratory Standards Institue; 2008.
  9. CLSI. Collection, transport, and processing of blood specimens for testing plasma-based coagulation assays and molecular hemostasis assays; approved guideline – fifth edition. CLSI Document H21-A5. Wayne, PA: Clinical and Laboratory Standards Institute; 2008.
  10. Colucci G, Giabbani E, Barizzi G, Urwyler N, Alberio L. Laboratory-based ROTEM(®) analysis: implementing pneumatic tube transport and real-time graphic transmission. Int J Lab Hematol. 2011;33(4):441-6.
  11. Dyszkiewicz-Korpanty A, Quinton R, Yassine J, Sarode R. The effect of a pneumatic tube transport system on PFA-100 trade mark closure time and whole blood platelet aggregation. J Thromb Haemost. 2004;2(2):354-6.
  12. Enko D, Mangge H, Münch A, Niedrist T, Mahla E, Metzler H, Prüller F. Pneumatic tube system transport does not alter platelet function in optical and whole blood aggregometry, prothrombin time, activated partial thromboplastin time, platelet count and fibrinogen in patients on anti-platelet drug therapy. Biochem Med (Zagreb). 2017;27(1):217-24.
  13. Ergin M, Erdogan S, Akturk O, Erel O. The effects of transport by car on coagulation tests. Clin Chem Lab Med. 2017;55(12):1943-7.
  14. Favaloro EJ, Soltani S, McDonald J. Potential laboratory misdiagnosis of hemophilia and von Willebrand disorder owing to cold activation of blood samples for testing. Am J Clin Pathol. 2004;122(5):686-92.
  15. Glas M, Mauer D, Kassas H, Volk T, Kreuer S. Sample transport by pneumatic tube system alters results of multiple electrode aggregometry but not rotational thromboelastometry. Platelets. 2013;24(6):454-61.
  16. Hubner U, Bockel-Frohnhofer N, Hummel B, Geisel J. The effect of a pneumatic tube transport system on platelet aggregation using optical aggregometry and the PFA-100. Clin Lab. 2010;56(1-2):59-64.
  17. Kapoula GV, Kontou PI, Bagos PG. The impact of pneumatic tube system on routine laboratory parameters: a systematic review and meta-analysis. Clin Chem Lab Med. 2017;55(12):1834-44.
  18. Kattlove HE, Alexander B. The effect of cold on platelets. I. Cold-induced platelet aggregation. Blood. 1971;38(1):39-48.
  19. Koçak FE, Yöntem M, Yücel O, Cilo M, Genç O, Meral A. The effects of transport by pneumatic tube system on blood cell count, erythrocyte sedimentation and coagulation tests. Biochem Med (Zagreb). 2013;23(2):206-10.
  20. Koessler J, Kobsar AL, Brunner K, Stolz H, Dossler B, Walter U, Steigerwald U. The preanalytical influence of two different mechanical transport systems on laboratory analysis. Clin Chem Lab Med. 2011;49(8):1379-82.
  21. Kratz A, Salem RO, Van Cott EM. Effects of a pneumatic tube system on routine and novel hematology and coagulation parameters in healthy volunteers. Arch Pathol Lab Med. 2007;131(2):293-6.
  22. Lancé MD, Henskens YM. Effect of pneumatic tube transport on rotational thromboelastometry. Br J Anaesth. 2013;110(1):142.
  23. Lancé MD, Kuiper GJ, Sloep M, Spronk HM, van Oerle R, ten Cate H, Marcus MA, Henskens YM. The effects of pneumatic tube system transport on ROTEM analysis and contact activation assessed by thrombin generation test. Thromb Res. 2012;130(3):e147-50.
  24. Le Quellec S, Paris M, Nougier C, Sobas F, Rugeri L, Girard S, Bordet JC, Négrier C, Dargaud Y. Pre-analytical effects of pneumatic tube system transport on routine haematology and coagulation tests, global coagulation assays and platelet function assays. Thromb Res. 2017;153:7-13.
  25. Lebreton A, Casini A, Bulla O, Fontana P. Impact of pneumatic tube system transport for the monitoring of heparin therapy. Thromb Res. 2017;158:35-7.
  26. Lee AJ, Suk Suh H, Jeon CH, Kim SG. Effects of one directional pneumatic tube system on routine hematology and chemistry parameters; A validation study at a tertiary care hospital. Pract Lab Med. 2017;9:12-7.
  27. Lima-Oliveira G, Lippi G, Salvagno GL, Dima F, Brocco G, Picheth G, Guidi GC. Management of preanalytical phase for routine hematological testing: is the pneumatic tube system a source of laboratory variability or an important facility tool? Int J Lab Hematol. 2014;36(4):e37-40.
  28. Martin J, Schuster T, Moessmer G, Kochs EF, Wagner KJ. Alterations in rotation thromboelastometry (ROTEM®) parameters: point-of-care testing vs analysis after pneumatic tube system transport. Br J Anaesth. 2012;109(4):540-5.
  29. Nissen PH, Wulff DE, Torring N, Hvas AM. The impact of pneumatic tube transport on whole blood coagulation and platelet function assays. Platelets. 2018;29(4):421-4.
  30. Palmer RN, Gralnick HR. Cold-induced contact surface activation of the prothrombin time in whole blood. Blood. 1982;59(1):38-42.
  31. Petit M, Mine L, Pascreau T, Brouzes C, Majoux S, Borgel D, Beaudeux JL, Lasne D, Hennequin C. Preanalytical influence of pneumatic tube delivery system on results of routine biochemistry and haematology analysis. Ann Biol Clin (Paris) 2017;75(6):703-12.
  32. Plebani M, Zaninotto M. Pneumatic tube delivery systems for patient samples: evidence of quality and quality of evidence. Clin Chem Lab Med. 2011;49(8):1245-6.
  33. Pupek A, Matthewson B, Whitman E, Fullarton R, Chen Y. Comparison of pneumatic tube system with manual transport for routine chemistry, hematology, coagulation and blood gas tests. Clin Chem Lab Med. 2017;55(10):1537-44.
  34. Ridyard J, Bhavnani M, Seal LH. Laboratory control of oral anticoagulant therapy: preservation of prothrombin time specimens using a polypropylene collection system. Clin Lab Haematol. 1998;20(6):369-72.
  35. Suchsland J, Winter T, Greiser A, Streichert T, Otto B, Mayerle J, Runge S, Kallner A, Nauck M, Petersmann A. Extending laboratory automation to the wards: effect of an innovative pneumatic tube system on diagnostic samples and transport time. Clin Chem Lab Med. 2017;55(2):225-30.
  36. Thalén S, Forsling I, Eintrei J, Söderblom L, Antovic JP. Pneumatic tube transport affects platelet function measured by multiplate electrode aggregometry. Thromb Res. 2013;132(1):77-80.
  37. van Geest-Daalderop JH, Mulder AB, Boonman-de Winter LJ, Hoekstra MM, van den Besselaar AM. Preanalytical variables and off-site blood collection: influences on the results of the prothrombin time/international normalized ratio test and implications for monitoring of oral anticoagulant therapy. Clin Chem. 2005;51(3):561-8.
  38. Wallin O, Soderberg J, Grankvist K, Jonsson PA, Hultdin J. Preanalytical effects of pneumatic tube transport on routine haematology, coagulation parameters, platelet function and global coagulation. Clin Chem Lab Med. 2008;46(10):1443-9.
  39. Zaninotto M, Tasinato A, Padoan A, Vecchiato G, Pinato A, Sciacovelli L, Plebani M. Effects of sample transportation on commonly requested laboratory tests. Clin Chem Lab Med. 2012;50(10):1755-60.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 05-11-2020

Laatst geautoriseerd : 02-07-2020

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn wordt (een deel van) de werkgroep in stand gehouden. Op modulair niveau is een onderhoudsplan beschreven. Bij het afronden van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update). De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. De NVKC is regiehouder van deze richtlijn(module) en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn(module).

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
  • Vereniging Hematologische Laboratoriumdiagnostiek
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Vereniging Hematologische Laboratoriumdiagnostiek

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel

  • Het opstellen van laboratorium technische adviezen, voor zover mogelijk Evidence-Based met betrekking tot de pre-analyse van minimaal 10 testen die veel gebruikt worden in Nederland en die noodzakelijk zijn voor de analyse, diagnose en behandeling van patiënten met bloedingsneiging.
  • Een bijdrage leveren aan de standaardisatie van hemostase testen en de grotere uitwisselbaarheid van uitslagen en hemostase laboratoriumdiagnostiek tussen ziekenhuislaboratoria.
  • Een handreiking geven van de bekende literatuur op het gebied van de pre-analytische fase op het gebied van hemostase (t/m juli 2018).

 

Doelgroep

Deze richtlijn is een handreiking voor alle laboratoriumspecialisten klinische chemie (NVKC/VHL) die nauw in contact staan met de medisch specialist, waarbij de klinisch chemicus op het gebied van analyse bloedingsneigingen consultaties geeft en (eind)verantwoordelijk is voor de bloedafname, analyse en rapportage van stollingstesten. Indirecte gebruikers van deze voorschriften kunnen artsen en verpleegkundigen zijn, die de diagnose stellen en/of bloed afnemen ten behoeve van stollingsonderzoek. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen de huisartsen die basale testen aanvragen en aanvragers van het uitgebreide stollingspakket zoals internisten, internist-hematologen, gynaecologen, anesthesisten, kinderartsen, radiologen, tandartsen, en (kaak)chirurgen.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2017 een werkgroep ingesteld. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

  • Dr.ir. Y.M.C. (Yvonne) Henskens, laboratoriumspecialist klinische chemie, Maastricht UMC+, Maastricht (voorzitter), namens NVKC/VHL
  • Dr. Dr. M.L.J (Mike) Jeurissen, onderzoeker, Maastricht UMC+, Maastricht, namens NVKC
  • Dr. A.K. (An) Stroobants, laboratoriumspecialist klinische chemie, Amsterdam UMC, locatie AMC, Amsterdam, namens NVKC/VHL
  • Dr. M.P.M. (Moniek) de Maat, biochemicus, Erasmus MC, Rotterdam, namens VHL
  • C.A.M. (Caroline) Klopper, vakanalist, Amsterdam UMC, locatie AMC, namens NVTH werkgroep Hemostase
  • P.W.M. (Paul) Verhezen, vakanalist, Maastricht UMC+, Maastricht, namens NVTH werkgroep Hemostase
  • Dr. K.M.T. (Kim) de Bruyn, laboratoriumspecialist klinische chemie, Tergooi, Hilversum, Blaricum, namens NVKC/VHL
  • Dr. R.W.L.M. (René) Niessen, laboratoriumspecialist klinische chemie, OLVG, Amsterdam, namens NVKC/SKML

Belangenverklaringen

De KNMG-code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden is in onderstaande tabel weergegeven; er zijn geen restricties m.b.t. deelname aan de werkgroep.

 

Naam

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen

actie

Y. Henskens

Klinisch chemicus

Lid LGR Sanquin

Voorzitter gebruikersraad Sanquin ZON/Limburg

Voorzitter concilium NVKC (opleiding)

Lid Kennisplatform Transfusiegeneeskunde ZO

Bestuurslid VHL

Lid werkgroep Hemostase VHL

(allen onbetaald)

Richtlijn commissie Antitrombotisch beleid FMS/NIV namens NVKC

Richtlijn werkgroep FMS Bloedtransfusie (massaal bloedverlies) (vacatiegeld)

Voor alle studies in het kader van MUMC+ onderzoekslijn

“laboratory predictors of bleeding” worden IVD gebruikt die geheel of gedeeltelijk worden gesponsord door IVD firma’s

Geen: het betreft geen IVD in het kader van preanalyse

M. Jeurissen

Onderzoeker

Geen

Geen

Geen

A. Stroobants

Klinisch chemicus

Bestuurslid VHL

Voorzitter werkgroep Hemostase VHL

Richtlijn commissie Antitrombotisch beleid FMS/NIV namens NVKC

Geen

Geen

M. de Maat

Biochemicus

Lid RvT ECAT (vacatievergoeding)

Lid Council International Fibrinogen Research (onbetaald)

Geen

Geen

C. Klopper

Vakanalist

Lid WHD: Werkgroep Hemostase Diagnostiek NVTH (onbetaald)

Geen

Geen

P. Verhezen

Vakanalist

Lid WHD: Werkgroep Hemostase Diagnostiek NVTH (onbetaald)

Geen

Geen

K. de Bruyn

Klinisch chemicus

ISO 15189 auditor (betaald)

Geen

Geen

R. Niessen

Klinisch chemicus

Bestuurslid:

SKML sectie Hematologie

Sectie SKS-SKML

FNT

(allen onbetaald)

Geen

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

De richtlijn richt zich voornamelijk op de bloedstollingstesten die ingezet kunnen worden bij patiënten die verdacht worden van een congenitale (stollingsfactoren, trombopathie) of verworven (anticoagulantia, massaal bloedverlies) bloedingsneiging. In samenspraak met de Nederlandse Vereniging van Hemofilie Patiënten (NVHP) is uitleg opgesteld voor patiënten waarbij bloed wordt afgenomen voor stollingsonderzoek. De uitleg is op B1 niveau geformuleerd, met kernbegrippen waarop een patiënt zelf verder kan zoeken, indien gewenst.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Tijdens de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn (module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. Het implementatieplan is opgenomen bij de aanverwante producten.

Werkwijze

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase werden de knelpunten geïnventariseerd en een lange lijst van uitgangsvragen opgesteld. Tijdens een bijeenkomst werd door alle werkgroepleden een prioritering ingevuld van de verzamelde uitgangsvragen. De vragen met de hoogste prioriteit werden vervolgens gebruikt voor deze richtlijn.

 

Uitgangsvragen

De werkgroep heeft de volgende uitgangsvragen geprioriteerd:

  • Welke patiënten kenmerken (biologische status) kunnen de uitkomsten van bloedstollingstesten beïnvloeden?
  • Welke factoren kunnen invloed hebben op de (kwaliteit van de) bloedafname en hebben daardoor invloed op de uitkomsten van bloedstollingstesten?
  • Welke factoren kunnen invloed hebben op het transport van patiëntmateriaal waardoor ze hebben de uitkomst van bloedstollingstesten kunnen beïnvloeden?
  • Welke factoren kunnen invloed hebben op de verwerking van patiëntmateriaal tot plasma of plaatjes-rijk plasma waardoor ze de uitkomst van bloedstollingstesten kunnen beïnvloeden?
  • Hoe lang kan volbloed en plasma bewaard worden, zonder de uitkomst van bloedstollingstesten te beïnvloeden?

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

De zoekstrategieën die zijn verricht in het kader van de uitgangsvragen zijn systematisch uitgevoerd. De zoekstrategieën hebben plaats gevonden in het database Pubmed en/of Medline. Enkele zoektermen die veelvoudig zijn gebruikt zijn: blood coagulation, blood coagulation tests, blood clotting, hemostasis, blood collection, blood specimen. Deze zoektermen werden in combinatie gebruikt met specifiekere zoektermen gericht op het onderwerp. Zie de zoekverantwoording voor de uitgebreide zoek strategieën per module.

 

F1

 

Samenvatten van de literatuur

De belangrijkste bevindingen uit de wetenschappelijke literatuur zijn beschreven in de samenvatting van de literatuur.

 

De intentie voor het graderen van literatuur voor deze richtlijn was om gebruik te maken van GRADE. De beschikbare stollingstesten om de primaire en secondaire hemostase te analyseren zijn sterk afhankelijk van pre-analytische variabelen, die de uitslagen van deze testen sterk kunnen beïnvloeden. De literatuur biedt geen consensus in de optimale pre-analytische omstandigheden waarbij bloedstolling testen uitgevoerd kunnen worden. Om kwaliteit en de sterkte van aanbevelingen te kwantificeren werd eerst onderzocht of het GRADE-systeem implementeerbaar is in deze richtlijn. De vraag die wij ons hierbij eerst gesteld hebben is: is GRADE toepasbaar in een pre-analytische setting van de laboratoriumdiagnostiek? Bij GRADE wordt de kwaliteit van de studie per uitkomstmaat bepaald, geformuleerd via het PICO-principe. Vijf factoren bepalen de kwaliteit per uitkomstmaat: publicatiebias, beperking in studieopzet, imprecisie, indirectheid en inconsistentie (Guyatt et al., 2011, Boluyt et al., 2012). Om te kijken of GRADE toepasbaar is hebben we een kleine zoekopdracht uitgevoerd, waarbij gekeken is naar de interferentie van hemolyse op bloedstollingstesten om knelpunten van GRADE te identificeren. Knelpunten werden gevonden in de formulering van de PICO; keuze van populatie (patiënt en gezond), aangezien pre-analytische variaties in elke populatie kan voorkomen en daarbij de keuze van de juiste uitkomstmaat. De zoekopdracht resulteerde in drie studies die de juiste uitkomstmaat gebruikte uit een selectie van ±600 hits. Daarbij toonde de gekozen studies grote verschillen in apparatuur, reagentia, en methode van inductie en definitie van hemolyse. Op basis van de criteria volgens GRADE zou deze uitkomstmaten een zeer lage of geen gradatie krijgen. Onze conclusie was dat de PICO’s binnen GRADE zeer klinisch en patiëntgericht zijn waarbij voornamelijk gekeken wordt naar interventies; daardoor is GRADE niet toepasbaar binnen een preanalytische setting.

 

Op basis hiervan werd de literatuur gegradeerd m.b.v. het gradatiesysteem dat gebruikt is in de aanverwante richtlijn “Diagnostiek en behandeling van hemofilie en aanverwante hemostasestoornissen 2009”. Het gradatiesysteem dat in deze richtlijn wordt beschreven is gebaseerd op de US Agency for Health Care Policy and Research”. Zie voorbeeld in de onderstaande tabellen.

 

Tabel 1: Indeling van de literatuur naar mate van bewijskracht

Bewijskracht

Soort bewijs

Graad 1

Bewijs verkregen van meta-analyse van gerandomiseerd gecontroleerde onderzoeken (1a) of ten minste één geblindeerd gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek (1b)

Graad 2

Bewijs verkregen uit ten minste een goed gedefinieerd gecontroleerd onderzoek,

zonder randomisatie (2a) of een cohort- of patiëntcontrole-onderzoek van goede kwaliteit (2b) of een systematisch review zonder meta-analyse

Graad 3

Bewijs verkregen uit goed gedefinieerde, niet experimentele beschrijvende onderzoeken, zoals vergelijkende onderzoeken, correlatieonderzoeken of patiëntcontroleonderzoeken van slechte kwaliteit

Graad 4

Bewijs verkregen van expertpanels of opinies van deskundigen

 

Tabel 2: Niveau van aanbeveling

Niveau

Soort bewijs

A

Een onderzoek van graad 1a of 1b

B

Ten minste twee onderzoeken van graad 2a, 2b of graad 3

C

Berustend op bewijs van graad 4

 

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt gewogen. De bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de kritieke uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast wetenschappelijke publicaties ook andere aspecten belangrijk om te worden meegewogen, zoals de expertise van de werkgroepleden, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Kennislacunes

Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van de aanbevelingen voor nader/vervolgonderzoek is opgenomen onder het kopje ‘Kennislacunes’ (bij Aanverwante producten).

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de leden van de NVKC, VHL, SKML subcommissie stolling, NIV en aan Patiëntenfederatie Nederland voorgelegd ter commentaar. De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De autorisatieversie van de richtlijn is ter stemming gebracht tijdens de algemene ledenvergadering van de NVKC, en voorgelegd aan Patiëntenfederatie Nederland ter autorisatie c.q. instemming.

 

Literatuur

Boluyt N, Rottier BL, Langendam MW. [Guidelines are made more transparent with the GRADE method: considerations for recommendations are explicit in the new method]. Ned Tijdschr Geneeskd. 2012; 156: A4379.

Guyatt G, Oxman AD, Akl EA, Kunz R, Vist G, Brozek J, Norris S, Falck-Ytter Y, Glasziou P, DeBeer H, Jaeschke R, Rind D, Meerpohl J, Dahm P, Schünemann HJ. GRADE guidelines: 1. Introduction-GRADE evidence profiles and summary of findings tables. J Clin Epidemiol. 2011; 64: 383-394.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.