Psychosociale zorg: organisatie

Laatst beoordeeld: 13-11-2019

Uitgangsvraag

  1. Wie is verantwoordelijk voor psychosociale zorg in het somatische zorgtraject?
  2. Wat is het zorgaanbod?
  3. Hoe ziet de samenwerking eruit?

Aanbeveling

De hoofdbehandelaar is verantwoordelijk dat psychosociale zorg verleend of geïnitieerd wordt. De huisarts en medisch specialist zijn in de praktijk vaak verwijzers.

 

Overleg met de patiënt – na vaststelling van de psychosociale zorgbehoefte(n) – bij welke zorgverlener de patiënt het beste terecht kan met zijn zorgvraag.

 

Weet als zorgverlener naar wie je voor welke psychosociale ondersteuning en psychologische zorg kunt doorverwijzen zowel binnen de zorginstelling als daarbuiten.

 

Zorg als zorginstelling ervoor dat duidelijk is:

  1. welk zorgaanbod op psychosociaal vlak door wie geboden wordt in de instelling en met wie er wordt samengewerkt buiten de instelling; en
  2. waar deze informatie terug te vinden is voor zowel de patiënten als de zorgverleners.

Inleiding

Psychosociale zorg als onderdeel van het somatische zorgtraject kan op verschillende manieren georganiseerd worden in de 1e, 2e en 3e lijn. Bovendien ligt in het ziekenhuis niet alles op het bordje van de behandelend medisch specialist; andere zorgverleners verlenen ook, of misschien wel, vooral psychosociale ondersteuning en psychologische zorg. Daarom is het belangrijk te weten welk zorgaanbod bestaat en wie deze zorg verlenen, zodat er aangesloten kan worden op de behoefte van de patiënt (en naaste).

 

1. Aanbod van psychosociale zorg

Passende zorg

Het aanbod van psychosociale ondersteuning en psychologische zorg verschilt per instelling en regio, en varieert in doelstelling en setting. Voorbeelden zijn risicoreductie, versterking van zelfzorg of zelfmanagement, verbetering van psychosociaal functioneren en het behandelen van psychische stoornissen. De interventies variëren van voorlichting en educatie tot training, van cognitieve gedragstherapie tot psychotherapie en/of medicamenteuze behandeling.

Voor het inzetten van passende zorg is het belangrijk dat zorgverleners en patiënten bekend zijn met het lokale zorgaanbod op het gebied van psychosociale zorg, zowel in hun eigen netwerk, de eigen zorginstelling als in de regio. Met andere woorden: wat wordt waar en door wie geboden met welke specifieke deskundigheid. Dit zorgt ervoor dat – samen met de patiënt – gekozen kan worden voor zorg en ondersteuning passend bij de vraag van de patiënt; oftewel matched care.

 

Kernpunten

 

Het is van belang dat zorgverleners en patiënten bekend zijn met het lokale zorgaanbod, zowel buiten als binnen de zorginstelling.

 

Het is van belang dat de zorginstelling inzichtelijk maakt over welk zorgaanbod deze beschikt en welke zorgverleners op het psychosociaal vlak in huis heeft.

 

Een groot deel van de psychosociale ondersteuning van mensen met een somatische ziekte wordt gegeven door informele zorgverleners, zoals familieleden, vrienden en ervaringsdeskundigen. Zij verlenen de primaire, ondersteunende zorg. Daarnaast wordt psychosociale zorg verleend door huisartsen, medisch specialisten en verpleegkundigen/verpleegkundig specialisten. Naast artsen en verpleegkundigen/verpleegkundig specialisten bestaan er in zowel de 1e, 2e als 3e lijn zorgverleners die gespecialiseerd zijn in (zie de ‘Betrokken zorgverleners’ bij de aanverwante producten):

  • Psychosociale ondersteuning: sociaal werker Zorg, POH-GGZ, wijkteam, geestelijk verzorger, re-integratie coach en geschoolde vrijwilligers; en
  • Psychologische zorg (psychodiagnostiek en -behandeling): denk hierbij aan Gz-psycholoog, klinisch psycholoog of klinisch neuropsycholoog, psychotherapeut en psychiater.

 

Om dit te kunnen bereiken, is een overzicht van of informatiemateriaal over het (regionale) aanbod van psychosociale zorg bijvoorbeeld (per ziektebeeld) behulpzaam. Ook het samenstellen en ontsluiten van een overzicht van zorgverleners met specifieke psychosociale zorg deskundigheid (per ziektebeeld) in de regio kan hieraan bijdragen. De Verwijsgidskanker.nl is hier een voorbeeld van.

 

2. Samenwerking en medebehandeling

Onderlinge samenwerking

Psychosociale zorg voor patiënten met een somatische ziekte wordt idealiter verleend in onderlinge samenwerking en afstemming binnen zorginstellingen en/of regionale netwerken. Veelal wordt de samenwerking in een interdisciplinair behandelteam gezien als kwaliteitsverhogend, ook voor psychosociale ondersteuning en psychologische zorg. Binnen deze samenwerking is er tussen zorgverleners, onder regie van de hoofdbehandelaar (en patiënt), vanuit een bio-psychosociaal model afstemming en informatieoverdracht over de zorg.

 

Kernpunten

 

Er kunnen meerdere zorgverleners betrokken zijn bij het verlenen van psychosociale zorg aan een patiënt met een somatische ziekte.

 

De hoofdbehandelaar heeft de regierol daarin en is eindverantwoordelijk.

 

Samen met de patiënt wordt besloten of formele psychosociale zorg nodig is en waar de patiënt deze wilt krijgen.

 

Gedurende de medisch-specialistisch behandeling in het ziekenhuis is de medisch specialist hoofdbehandelaar. In deze rol is deze verantwoordelijk voor het signaleren van een psychosociale zorgbehoefte en het aanbieden van passende zorg (of daarvoor door te verwijzen. De verpleegkundig specialist mag ook verwijzen). Waar nodig doet de medisch specialist dat in samenwerking met verpleegkundigen/verpleegkundig specialisten en in afstemming met zorgverleners vanuit de (afdelingen) sociaal werk, geestelijke verzorging, (medische) psychologie en/of (ziekenhuis)psychiatrie. Binnen de huisartsenzorg gebeurt de psychosociale ondersteuning in samenwerking met de POH-GGZ. Voor psychische diagnostiek en behandeling verwijst de huisarts door.

Een medisch-specialistische behandeling is beëindigd als alle behandelaren inclusief medebehandelaars zoals de psycholoog en psychiater hun werk hebben afgerond.

Voorafgaand of na het medisch-specialistisch zorgtraject in het ziekenhuis kan de patiënt ook de gevolgen van de ziekte op psychosociaal functioneren ervaren. Sommige problemen ontstaan in aanloop naar of nadat een bepaalde fase in het medisch-specialistisch zorgtraject is afgerond. Voor of na het medisch-specialistisch traject en wanneer ook de psychosociale behandeling in het ziekenhuis is afgerond, ligt de verantwoordelijkheid voor psychosociale zorg bij de huisarts of bij de GGZ als de patiënt daar in behandeling is. Momenteel kan de huisarts patiënten niet doorverwijzen naar de afdeling medische psychologie in het ziekenhuis. Bij patiënten die in een verpleeghuis of revalidatiecentrum verblijven, ligt deze verantwoordelijkheid bij de specialist ouderengeneeskunde respectievelijk revalidatiearts.

 

Collaborative care

In het buitenland bestaan zorgmodellen als collaborative care, disease management of casemanagement (Keitner, 2006; Huffman, 2018). Deze modellen gaan ervan uit dat bij een chronische ziekte langdurige behandeling en ondersteuning noodzakelijk is; de aanpak is dus proactief. Het zijn behandelmodellen waarin zorgverleners uit verschillende disciplines (en over de muren van zorginstellingen heen) samenwerken om de zorg voor de patiënt zo goed mogelijk uit te voeren (Wodarski, 2000; Kim, 2016).

Binnen het collaborative care model houdt de hoofdbehandelaar de regie, geholpen door een zogeheten casemanager, bijvoorbeeld een verpleegkundige, verpleegkundig specialist of sociaal werker zorg, die de zorg coördineert. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor consultatie van gespecialiseerde zorgverleners (bijvoorbeeld een psycholoog of psychiater). Veelal worden matched care principes toegepast. Monitoring van de klachten staat centraal, evenals inzet van evidence-based behandelingen en ruime aandacht voor zelfmanagement en rehabilitatie of re-integratie (Gilbody, 2006; Badamgarav, 2003; Neumeyer-Gromen, 2004; Genischen, 2006; Van der Feltz-Cornelis, 2012; Huijbregts, 2013; Barlow, 2005).

 

Onderzoek in de eerste lijn wijst uit dat collaborative care in bescheiden mate kan bijdragen aan het bestrijden van depressie en depressieve klachten bij sommige aandoeningen. Hoewel het meeste onderzoek naar collaborative-care-programma’s in de Verenigde Staten gedaan is, worden dit soort programma’s in Nederland steeds meer ingezet (Lucassen, 2013).

 

Medebehandeling

Als psychische stoornissen worden behandeld naast de somatische behandeling is er sprake van medebehandeling. De medebehandelaar is dan bijvoorbeeld de GZ-psycholoog, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog, psychotherapeut of psychiater. Ook als er voorafgaand of volgend op een medische behandeling psychologische zorg wordt verleend, heet dit medebehandeling. Vaak is er dan een eigenstandige zorgvraag.

 

Psychologische behandeling van co-morbide psychische stoornissen kan plaatsvinden in het ziekenhuis en daarbuiten, afhankelijk van de voor de voorkeuren van de patiënt en beschikbare zorgmogelijkheden.

 

In de regel worden ziekenhuispatiënten met een psychische stoornis voor medebehandeling doorverwezen naar de verpleegkundig specialist GGZ, GZ-psycholoog, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog, psychotherapeut of psychiater in het ziekenhuis. Indien de psychische stoornis losstaand van de somatische behandeling of controles behandeld kan worden, of de patiënt de voorkeur geeft aan psychologische of psychiatrische behandeling buiten het ziekenhuis, zal de medisch specialist, psycholoog of psychiater doorverwijzing naar de huisarts of GGZ voorstellen. Afhankelijk van de ernst en complexiteit van de psychische problematiek wordt de patiënt doorverwezen naar de generalistische basis-GGZ of de gespecialiseerde GGZ. Psychische stoornissen kunnen bij licht disfunctioneren in de huisartsenpraktijk behandeld worden. Medebehandeling is dan niet nodig.

 

3. Financiering van psychosociale zorg

Bekostiging

Deze kwaliteitsstandaard richt zich, zoals eerder aangegeven, op psychosociale zorg voor patiënten met een somatische ziekte die een impact heeft op het psychisch en/of sociaal functioneren. Hierbij gaat het om psychosociale zorg voorafgaand aan, gedurende de behandeling en in de periode daarna. Als het mensen met een chronische ziekte betreft, kan dit levenslang spelen.

 

Kernpunt

 

Het bekostigingssysteem mag geen belemmering vormen voor het verlenen van psychosociale zorg bij een somatische ziekte.

 

De psychosociale zorg wordt verleend via de huisartsenzorg, de medisch-specialistische zorg en/of geestelijke gezondheidszorg (GGZ), de WLZ of WMO. Het onderscheid in bekostiging wordt medebepaald door het hoofdbehandelaarschap voor het betreffende zorgtraject.

Zolang de patiënt zorg ontvangt in het ziekenhuis, kan deze een beroep doen op de benodigde psychosociale ondersteuning en psychologische zorg in het ziekenhuis. Tevens kan de patiënt terecht bij de huisarts en POH-GGZ. Tegelijkertijd moet de patiënt ook de mogelijkheid hebben deze ondersteuning en zorg buiten het ziekenhuis te krijgen bijvoorbeeld in de GGZ, tijdens én na het somatische zorgtraject in het ziekenhuis. Hierbij is leidend waaraan de patiënt en diens naaste(n) de voorkeur geven en wat gezien de complexiteit het best passende advies is dat de zorgverlener hierbij kan geven.

 

Huidige bekostiging

Gedurende het medisch-specialistisch zorgtraject is psychosociale zorg integraal onderdeel van de somatische zorgvraag. Psychosociale ondersteuning in de vorm van sociaal werk zorg en geestelijke verzorging worden tijdens de medische specialistische behandeling in het ziekenhuis bekostigd vanuit een algemene opslag op het DBC-tarief. In geen enkele DBC is de psychosociale zorg geoormerkt. Psychologische zorg in de vorm van psychologische behandeling en diagnostiek wordt geregistreerd door zorgactiviteiten. Enkele psychologische verrichtingen zijn typerend (hartrevalidatie en kindergeneeskundige poli) en leiden tot een verhoogde DBC-prijs, waarbij in de administratie echter niet te herkennen is wanneer meer somatische diagnostische inzet dan wel psychologische inzet leidt tot meer inkomsten voor het ziekenhuis. Medische psychologie wordt in theorie bekostigd via prijsonderhandelingen over somatische DBC-zorgproducten. Deze onderhandelingen vinden echter niet plaats, vanwege de complexiteit van de materie. In de praktijk is een lumpsumfinanciering van ziekenhuiszorg ontstaan met diverse gevolgen voor de toegankelijkheid van psychosociale ondersteuning en psychologische zorg voor ziekenhuispatiënten.

 

Het medisch-specialistisch traject is afgelopen als de actieve behandeling beëindigd is en alle (mede)behandelaren – ook verpleegkundig specialist GGZ, psycholoog of psychiater – hun behandeling hebben afgerond en de patiënt is overgedragen aan de huisarts. Dit betekent echter niet altijd dat de zorg en zorgbehoefte stopt. Dit geldt zowel voor de somatische zorg als voor de psychosociale zorg. De psychosociale zorg na het medisch-specialistische traject wordt op verschillende manieren bekostigd. Huisartsenzorg valt onder de verzekerde aanspraak van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Begeleiding door sociaal werk Zorg (buiten het ziekenhuis) valt onder de WMO. Behandeling van psychische problemen valt onder de geneeskundige GGZ als sprake is van een DSM-diagnose (Diagnostic and Statistical Manual of Mental disorders) behalve als de medisch psycholoog in het ziekenhuis behandeld. De informele zorg, zoals inloophuizen, beschikken niet over wettelijke bekostigingssystematiek.

 

Bij het bepalen van de aanspraak op verzekerde geneeskundige GGZ op grond van de Zvw wordt gebruik gemaakt van de internationale DSM-classificatie. Behandeling van psychische problemen valt dus alleen onder de geneeskundige GGZ als sprake is van een DSM-stoornis, met uitzondering van de zorg die wordt geleverd aan personen met een aanpassingsstoornis en met uitzondering van medisch-psychologische zorg in het ziekenhuis. Deze laatste zorg wordt op verschillende wijzen bekostigd. De zorg die de huisarts levert, wordt vergoed vanuit de basisverzekering. Zorg door de bedrijfsarts wordt betaald door de werkgever. De behandeling voor aanpassingsstoornissen (met of zonder verwijzing) in de basis GGZ en gespecialiseerde GGZ wordt niet vergoed vanuit de Zvw. In enkele gevallen kan de werkgever deze zorg vergoeden voor de patiënt. Vanaf 1 maart 2018 start voor twee jaar een pilot voor (ex-)kankerpatiënten die te maken hebben met psychische klachten, gefinancierd door VWS, in samenwerking met het Integraal Kankercentrum Nederland en onderzocht door ZonMw. Met als doel om te kijken wat de invloed van zorg volgens de richtlijn Aanpassingsstoornis is op het welzijn en de behoefte aan zorg bij (ex-)kankerpatiënten met de indicatie aanpassingsstoornis. De resultaten van deze pilot dragen bij aan de besluitvorming rond de financiering van de behandeling van de aanpassingsstoornis bij kanker. De behandelaren zijn in de oncologie gespecialiseerde BIG-geregistreerde behandelaren uit het deskundigenbestand van de NVPO. Dit zijnde GZ-psycholoog, psychotherapeut, klinisch psychloog en psychiater.

 

Knelpunten

Het huidige bekostigingssysteem biedt ruimte en mogelijkheden om psychosociale zorg te bekostigen, maar kent tevens een aantal knelpunten:

 

  • Beperkte zichtbaarheid in de ziekenhuisadministratie.

In de praktijk is door DBC-bekostiging voor ziekenhuizen inmiddels een lumpsumfinanciering ontstaan hetgeen de zichtbaarheid (binnen de DBC-bekostiging) van psychosociale zorg beperkt. Bij het invoeren van DBC’s in ziekenhuizen is het geoormerkte budget voor psychosociale zorg (NRV-rapport, 1988) verloren gegaan. De financiering van de psychosociale zorg staat tweemaal onder druk in het huidige systeem.

1/ Er is geen geoormerkt budget voor psychosociale ondersteuning, noch voor medische psychologie. In sommige ziekenhuizen wordt het totale ziekenhuis budget onder de poortspecialismen verdeeld en deze dienen psychosociale zorg of medische psychologie zelf ‘in te kopen’. Hetgeen een remmende werking kan hebben op het doorverwijzen van patiënten voor psychosociale zorg (zie knelpunt 2). Momenteel worden DBC’s automatisch gesloten na gemiddeld 120 dagen. Het herbevestigen van ziekenhuisbeleid dat een DBC pas kan worden afgesloten indien alle behandelaren, inclusief de psychosociale zorgverleners, hiermee instemmen (zie Rapport Psychosociale zorg bij ingrijpende somatische aandoeningen, 2015), draagt bij aan zichtbaarheid van de psychosociale zorg. Het voorkomt daarnaast zwevende verrichtingen en zorgt dat bijvoorbeeld de psychosociale zorg verrichtingen wel op de factuur terecht komen.

2/ Neiging om te bezuinigen op psychosociale zorg in de DOT.

Omdat psychosociale zorg niet rechtstreeks gefactureerd kan worden, kan een neiging ontstaan om te bezuinigen op, dan wel niet te verwijzen naar psychosociale zorgverleners, terwijl dit wel gepast zou zijn binnen het medisch specialistisch kader en wellicht tot betere uitkomsten van de medisch specialistische zorg zou leiden. Medische zorgverleners in en buiten het ziekenhuis zouden mede moeten kunnen beoordelen wanneer psychosociale zorg binnen een medisch specialistisch kader valt.

 

  • Zwevende verrichtingen

Het komt regelmatig voor dat de somatische behandeling is afgerond en het DBC-zorgproduct gesloten, terwijl de patiënt nog steeds psychosociale zorg ontvangt dan wel nodig heeft (in feite mag het DBC-zorgproduct dan niet gesloten worden omdat de behandeling nog niet is afgerond). Deze zorg is vaak al gestart gedurende de somatische behandeling. De psychosociale zorg kan in deze gevallen wel geregistreerd worden, maar niet gekoppeld worden aan een DBC-zorgproduct waardoor de zorgactiviteiten gaan zweven. De kosten van zwevende verrichtingen kunnen wel worden meegenomen in de DBC-zorgproducten, maar worden niet direct aan een specifieke DBC gekoppeld. Het is daardoor niet direct inzichtelijk bij welke DBC-zorgproducten (en diagnoses) de zwevende activiteiten behoren. Zorgadministraties en ziekenhuisdirecties zetten vaak een rem op zwevende verrichtingen omdat deze vanuit administratief oogpunt ongewenst zijn. De geleverde psychosociale zorg zou in dat geval bekostigd dienen te worden door een opslag op de tarieven van DBC-zorgproducten af te spreken. In de praktijk gebeurt dit nagenoeg niet vanwege lumpsumfinanciering. Zwevende psychosociale verrichtingen worden door ziekenhuis administraties vaak gezien en ingeboekt als financieel risico. Het handhaven van de afspraak dat een DBC pas mag worden afgesloten als alle – inclusief de psychosociale – behandelaren hiermee instemmen (zie knelpunt 1), ondervangt het knelpunt van zwevende verrichtingen.

 

  • Diagnosticeren en behandelen van naasten

Binnen de zorgadministratie van onder andere ziekenhuis en verpleeghuis is nagenoeg geen ruimte voor het diagnosticeren en behandelen van naasten, terwijl dit expliciet ook in het belang is voor het welbevinden van de patiënt. Bijvoorbeeld mediatie (het behandelen van kinderen, door ouders nieuwe inzichten te geven en nieuw gedrag te leren) en systeemtherapie zijn belangrijke behandelstrategieën van de medische psychologie en passen in het behandelen van de patiënt binnen een medisch specialistisch kader. Het betrekken van het systeem van de patiënt bij de behandeling kan binnen het huidige stelsel op twee manieren gerealiseerd worden. Indien bij een gezinslid psychosociale problematiek wordt vermoed, die losstaat van de zorgvraag van de patiënt dan kan de psycholoog of medisch specialist deze gezinsleden verwijzen naar de huisarts of andere psychosociale zorgverleners in de eerste lijn. Indien het gaat om (gezins)systeembehandelingen of adviezen passend binnen de medische zorgvraag van de patiënt, dan maakt de behandeling deel uit van het somatische traject. Ook hier geldt dat de DBC pas gesloten kan worden als alle behandelaren hiermee instemmen (zie het 1e knelpunt).

 

  • Doorbehandelen na overlijden

Volgens de Kwaliteitsstandaard Palliatieve zorg is goede zorg niet afgelopen als de patiënt is overleden; er zijn nabestaanden, partners en (jonge) kinderen die zorg nodig kunnen hebben. Het registreren en administreren van deze zorg aan naasten is in Epic en HIX (ziekenhuisdossiers) niet mogelijk. Zowel zorgaanbieders zoals het VUmc (hebben telefoonlijn ingesteld hiervoor) als de Kinderombudsvrouw (zie NOS journaal 4-6-2018) en de minister van VWS (bekijken mogelijkheid van vrijmaken van gelden) realiseren zich deze tekortkoming in de zorg.

 

  • Onbekendheid medische psychologie

Kennis van medische psychologie in de eerste lijn is beperkt. Er bestaan enkele centra voor soma en psyche in de GGZ, maar niet in de basiszorg en deze zorg kent geen landelijke dekking. Dit zorgt ervoor dat patiënten met bijvoorbeeld aanhoudende psychosomatische klachten (SOLK, somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten) of angst en stemmingsstoornissen bij een chronische somatische aandoening in de eerste lijn geen adequate zorg kunnen krijgen. De beroepsgroep (LVMP/PAZ) wil graag met andere stakeholders in gesprek over hoe deze lacune in de zorg, ontstaan door verschuiving van zorg voor chronisch zieken naar de eerste lijn, effectief te kunnen opvullen. Het beschikbaar stellen van medisch psychologische zorg aan patiënten uit de eerste lijn zou geboden kunnen worden vanaf een half jaar na sluiting van de DBC in het ziekenhuis. Hiervoor zouden ziekenhuizen/medische psychologie afspraken dan moeten maken met individuele zorgverzekeraars voor een GGZ-contract. Hiermee is ervaring opgedaan in een pilot in Friesland ( 2018, Schuitemaker, Directe verwijzing naar medische psychologie loont).

Referenties

  1. Keitner et al., 2006 Keitner GI, Ryan CE, Solomon DA. Realistic expectations and a disease management model for depressed patients with persistent symptoms. J Clin Psychiatry. 2006;67(9):1412-21. PubMed PMID: 17017828.
  2. Gilbody S, Bower P, Fletcher J, et al. Collaborative care for depression: a cumulative meta-analysis and review of longer-term outcomes. Arch Intern Med. 2006 Nov 27;166(21):2314-21. Review.
  3. Badamgarav E, Weingarten SR, Henning JM, et al. Effectiveness of disease management programs in depression: a systematic review. Am J Psychiatry. 2003 Dec;160(12):2080-90.
  4. Neumeyer-Gromen A, Lampert T, Stark K, et al. Disease management programs for depression: a systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. Med Care. 2004;42(12):1211-21. PubMed PMID: 15550801.
  5. Wet langdurige zorg (WLZ) (2014, 3 december). Geraadpleegd tussen augustus 2017 – september 2018, van http://wetten.overheid.nl/BWBR0035917
  6. Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) (2014, 9 juli). Geraadpleegd tussen augustus 2017 – september 2018, van http://wetten.overheid.nl/BWBR0035362
  7. Zorgverzekeringswet (Zvw) (2005, 16 juni). Geraadpleegd tussen augustus 2017 – september 2018, van http://wetten.overheid.nl/BWBR0018450
  8. Van der Feltz-Cornelis CM, Hoedeman R, Keuter EJ, et al. Presentation of the Multidisciplinary Guideline Medically Unexplained Physical Symptoms (MUPS) and Somatoform Disorder in the Netherlands: disease management according to risk profiles. J Psychosom Res. 2012 Feb;72(2):168-9. doi: 10.1016/j.jpsychores.2011.11.007. Epub 2011 Dec 9.
  9. Lucassen PLBJ, Weel-Baumgarten EM van. Langetermijneffecten van collaborative care. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157:A6843
  10. Huijbregts KML, Jong FJ de, Marwijk H van, et al. Collaborative care voor depressieve patiënten. Huisarts&Wetenschap. 2013.
  11. Wodarski, JS. The role for social workers in the managed health care system: A model for empirically based psycho-social interventions. Crisis Intervention & Time-Limited Treatment. United Kingdom, 6, 2, 109-139, 2000. ISSN: 1064-5136
  12. Kim, K; et al. Effects of Community-Based Health Worker Interventions to Improve Chronic Disease Management and Care Among Vulnerable Populations: A Systematic Review. American Journal of Public Health. 106, 4, e3-e28, Apr. 2016. ISSN: 00900036.
  13. Barlow JH, Wright CC, Turner AP, et al. A 12-month follow-up study of self-management training for people with chronic disease: are changes maintained over time? Br J Health Psychol. 2005;10(Pt 4):589-99. PubMed PMID: 16238867.
  14. Collaborative Care and Related Interventions in Patients With Heart Disease: An Update and New Directions. Jeff C. Huffman, M.D., Caitlin N. Adams, M.D., Christopher M. Celano, M.D. Psychosomatics 2018:59:1–18
  15. Rapport Klinisch Psycholoog in Ziekenhuizen en Verpleeghuizen. Nationale Raad voor de Volksgezondheid.1988. Zoetermeer.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 13-11-2019

Laatst geautoriseerd : 13-11-2019

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze standaard is de schrijfgroep niet in stand gehouden. Uiterlijk in 2023 wordt bepaald of de modules van deze standaard nog actueel zijn. De geldigheid van de standaard komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De aan deze standaard deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de standaard delen de verantwoordelijkheid voor het actueel houden van de standaard.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Werkgroep psychosociale zorg bij een ingrijpende somatische aandoening
Geautoriseerd door:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Reumatologie
  • Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie
  • Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenverenigingen
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk
  • Nederlandse Vereniging voor Gezondheidszorgpsychologie
  • Landelijke vereniging Medische Psychologie
  • Inloophuizen en Psycho-oncologische centra Samenwerking en Ondersteuning

Algemene gegevens

Deze richtlijn is ontwikkeld in samenwerking met:

  • LVMP (regiehouder)

 

De ontwikkeling van de standaard werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten en werd gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Doel en doelgroep

Doel

  1. Het bewust maken van patiënten, naasten, zorgverleners en zorgaanbieders van de gevolgen van een somatische ziekte op psychosociaal functioneren, het belang van (tijdige en regelmatige) aandacht voor psychosociale aspecten en de verantwoordelijkheid van zorgverleners hierin.
  2. Het aanzetten van zorgverleners tot (tijdig) signaleren en bespreken van psychosociaal functioneren en psychische klachten, eventueel te screenen hierop en wanneer nodig door te verwijzen.
  3. Het ondersteunen van zorgverleners en zorgaanbieders voor het verlenen van en doorverwijzen naar psychosociale zorg.
  4. Het bevorderen van onderlinge samenwerking en afstemming tussen zorgverleners en zorgaanbieders binnen de psychosociale zorg.

 

Daarnaast kan naar deze standaard/modules verwezen worden in ziektespecifieke richtlijnen, zorgstandaarden en protocollen die (nog) geen module psychosociale zorg bevatten. Deze standaard kan tevens als basis dienen voor het ontwikkelen van een psychosociale zorgmodule die afgestemd is op de specifieke behoeften van de patiënt, die samenhangen met een specifieke ziekte.

 

Doelgroep

Deze standaard is geschreven voor alle zorgverleners en zorgaanbieders betrokken bij de zorg voor mensen met een somatische ziekte die een impact heeft op het psychisch en/of sociaal functioneren.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de standaard is in 2017 een multidisciplinaire schrijfgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van relevante disciplines die betrokken zijn bij de zorg voor, of te maken hebben met patiënten met een somatische ziekte met een impact op psychosociaal functioneren van die patiënten en hun naaste(n).

 

De schrijfgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname.

 

De schrijfgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze kwaliteitsstandaard.

 

Schrijfgroep:

  • Renske Kranenburg, beleidsmedewerker, Patiëntenfederatie Nederland (PFN)
  • Niek Golsteijn, verpleegkundig specialist (V&VN)
  • Rinske van Koningsveld, neuroloog (NVN)
  • Petra Kuijpers, cardioloog (NVVC)
  • Anette Pet, klinisch psycholoog en psychotherapeut (IPSO)
  • Rudolf Ponds, klinisch neuropsycholoog (NIP)
  • Joost van Tongeren, KNO-arts (NVKNO)
  • Jolanda Winters, sociaal werker (BPSW)
  • Rik Withaar, klinisch psycholoog-psychotherapeut (LVMP)

 

Meeleesgroep:

  • Hans Blaauwbroek - Huidpatiënten Nederland
  • Cécile van Dierendonck en Herman Kraaij - Stichting Hematon (namens de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties)
  • Jos van Erp - Harteraad
  • Masja van het Hoofd - Parkinson vereniging
  • Petra Kortenhoeven - Oogvereniging
  • Anne Speijer - VSOP: voor zeldzame en genetische aandoeningen
  • Fred Verbeek - Stichting Hoormij

 

Met ondersteuning van:

  • Loes Schouten, gezondheidswetenschapper en zelfstandig adviseur
  • Tessa Geltink, junior-adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Sanne Snoeijs, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Dunja Dreesens, senior-adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle schrijfgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoek financiering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van schrijfgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Golsteijn

Verpleegkundig specialist
Ziekenhuis Rivierenland te Tiel

geen

geen

Ponds

Afdelingshoofd Medische Psychologie, MUMC en klinisch neuropsycholoog Adelante revalidatiecentrum

Bestuurslid Nederlandse vereniging voor Neuropsychologie, onbetaald

geen

Tongeren

KNO-arts

Isala te Zwolle

Werkgroeplid van Richtlijn Tinnitus
Werkgroeplid Medisch technisch Stichting Eardrop

geen

Winters

Maatschappelijk werker, beleidsadviseur & trainer professionalisering sociaal werk. Ontwerper maatwerktrainingen

- Bestuurslid SKJ (Stichting kwaliteitsregister Jeugd) vacatiegeld - Opdracht BPSW, ondersteunen gezondheidszorg Maatschappelijk Werk. Betaald

Vanuit de BPSW word ik regelmatig voor opdrachten ingehuurd.

Kranenburg

Beleidsmedewerker Patiëntenfederatie Nederland

nvt

geen

Pet

Hoofd Patiëntenzorg Helen Dowling Instituut en klinisch psycholoog/psychotherapeut (fulltime)

Jaargroepopleider BIG-opleiding GZ-psycholoog bij RInogroep Utrecht (aanname gesprek, en halfjaarlijks schriftelijk evalueren en aan het begin, na een jaar en aan het eind, mondeling evalueren met praktijkopleider en opleiding) Betaalde functie.

Het Helen Dowling Instituut biedt psychologische zorg bij kanker als ggz-instelling. Het instituut heeft belang bij een helderheid omtrent de regelgeving. Als ggz-instelling is er op dit moment een duidelijke regelgeving mbt wat onder de verzekerde ggz valt.

Withaar

Klinisch psycholoog Isala
RV vz Medische Psychologie Isala te Zwolle

voorzitter CONEG bureau Isala (PeerSupport) betaald
Lid Raad van Toezicht Braindynamics BV te Hengelo (onkostenvergoeding)
Onderzoeker Penquin Study in Antartica Trial NTR: 1586 (onbetaald)
Beroepsbelangencommissie LVMP (onbetaald)
Financiële commissie LVMP (onbetaald)
Peer Support training (freelance) betaald)

In dienst van Isala, algemeen ziekenhuis te Zwolle. Isala heeft belang bij een goede afbakening psychologische zorg van ziekenhuispatiënten. Lidmaatschap LVMP (idem) collegae LVMP zijn gebaat bij duidelijkheid psychosociale zorg chronisch zieken.

Koningsveld, van

Neuroloog

 

Geen

Kuijpers

Cardioloog

MUMC+ te Maastricht

Eigenaar Hart voor de Zaak, advies en consultatie op het gebied van psychocardiologie sluimerend actief.
Ik ben lid van de werkgroep Cardiovasculaire preventie en Hartrevalidatie van de NVVC, onbezoldigd.

Nee, Zoals boven vermeld, bestaat mijn eigen zaak bij de KvK maar is zeer sluimerend. Het idee was ooit om kennis over dit onderwerp te verspreiden en consultaties of lezingen uit te voeren. Mocht dit in de toekomst toenemen, dan zal het te schrijven advies niet beïnvloed zijn hierdoor. De missie is al jarenlang mensen en collega's van het belang van psychosociale aspecten bij ziekte (cardiologie) te doordringen. Ik ben naar voren geschoven door de NVVC omdat ik al sinds jaar en dag met dit onderwerp bezig ben, en ik de expertise heb. Ik heb er geen persoonlijk belang bij. Mijn belang is dat men leert hoe belangrijk dit onderwerp is.

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief ten eerste door deelname in de schrijfgroep door de Patiëntenfederatie Nederland, ten tweede door het geven van input en meelezen van teksten door de meeleesgroep (zie samenstelling van de meeleesgroep), gebruikmaking van wetenschappelijke literatuur en tot slot door een enquête die is uitgezet bij het patiëntenpanel van de Patiëntenfederatie Nederland.

De conceptstandaard is tevens voor commentaar voorgelegd aan de relevante patiëntenverenigingen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de standaardontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de standaard(modules) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de standaard in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. Het implementatieplan is te vinden bij de aanverwante producten.

Werkwijze

AGREE

Deze standaard is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010) dat internationaal een breed geaccepteerd instrument is.

 

Knelpuntenanalyse

Voorafgaand aan de ontwikkeling van de standaard heeft een werkgroep onder voorzitterschap van het ministerie van VWS en later Zorginstituut Nederland de knelpunten op het vlak van psychosociale zorg in kaart gebracht (VWS, 2015). De volgende partijen hebben deelgenomen aan deze werkgroep: Patiëntenfederatie Nederland (PFN), Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), Nederlandse Federatie van Universitaire Medische Centra (NFU), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Verplegenden en Verzorgenden Nederland (V&VN), Federatie van Medisch Specialisten (FMS, onder wie NVKNO, NVVC en NVN), Instellingen Psychosociale Oncologie (IPSO) en Psycho-Oncologische Centra (Concentris), Landelijke Huisartsenvereniging (LHV), Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK), Nederlands Huisartsengenootschap (NHG), Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP), Nederlandse Vereniging Psychosociale Oncologie (NVPO), Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), GGZ Nederland, Zorginstituut Nederland (ZIN), Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en Integrale Kankercentra Nederland (IKNL). Het rapport van de werkgroep is opgenomen als aanverwant product.

 

Bij de start van het project heeft een werkconferentie plaatsgevonden. Tijdens deze conferentie zijn het raamwerk en thema’s voor de standaard bepaald. Aan deze conferentie hebben de volgende partijen deelgenomen: Patiëntenfederatie Nederland, V&VN, LVMP, NIP, IKNL, IGJ, FENAC, NVKNO en Zorginstituut Nederland. Het verslag is opgenomen als aanverwant product.

 

Daarnaast leverde een enquête die door de Patiëntenfederatie Nederland is uitgezet binnen haar patiëntenpanel ook knelpunten op.

 

Tot slot zijn er Interviews gehouden om een beeld te krijgen van de praktijk, organisatie van zorg en ervaringen op het vlak van psychosociale zorg bij somatische ziekte. Hiervoor is gesproken met:

  • patiënten (4);
  • psychologen (2 individuele interviews en een groepsinterview (3));
  • verpleegkundigen (5; groepsinterview);
  • sociaal werker Zorg (voorheen maatschappelijk werker) (1);
  • medisch specialisten: kno-artsen, cardioloog en neuroloog (4).

 

Uitgangsvragen

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de schrijfgroep en de adviseurs concept-uitgangsvragen opgesteld.

 

Samenvatten van de literatuur

Er is geen systematische literatuursearch en -analyse gedaan voor dit onderwerp. De aanbevelingen zijn gebaseerd op bij de schrijfgroep bekende richtlijnen, leidraden, zorgstandaarden, rapporten en wetenschappelijke artikelen en binnen de beroepsgroep gangbare afspraken, aangevuld met de expert-opinion van de schrijfgroepleden. Verder is gebruik gemaakt van interviews. Op basis van deze literatuur en expert opinion is de werkgroep tot een aanbeveling gekomen.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast wetenschappelijke literatuur, bestaande richtlijnen, rapporten ook andere aspecten belangrijk, zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op de wetenschappelijke literatuur, rapporten en bestaande richtlijnen en de overwegingen.

 

Randvoorwaarden (organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de standaard is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag.

 

Kennislacunes

Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, staat in de Kennislacunes (onder aanverwante producten).

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt)organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de schrijfgroep en tijdens een werkconferentie (12 april 2018). De definitieve richtlijn werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt)organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Lijst met gebruikte afkortingen

AGREE

Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation

FENAC

Federatie Nederlandse Audiologische Centra

FMS

Federatie van Medisch Specialisten

IGJ

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

IKNL

Integrale Kankercentra Nederland

IPSO

Instellingen Psychosociale Oncologie (IPSO) en Psycho-Oncologische Centra (Concentris)

KNMG

Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst 

LHV

Landelijke Huisartsenvereniging

LVMP

Landelijke Vereniging voor Medische Psychologie

NFU

Nederlandse Federatie van Universitaire Medische Centra

NHG

Nederlands Huisartsengenootschap

NIP

Nederlands Instituut voor Psychologen

NKF

Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties

NVKNO

Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied

NVN

Nederlandse Vereniging voor Neurologie

NVPO

Nederlandse Vereniging Psychosociale Oncologie

NVVC

Nederlandse Vereniging voor Cardiologie

NVZ

Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen

NZa

Nederlandse Zorgautoriteit

PFN

Patiëntenfederatie Nederland

PSZ

Psychosociale zorg

V&VN

Verplegenden en Verzorgenden Nederland

VWS

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WHO

World Health Organization

ZIN

Zorginstituut Nederland

ZN

Zorgverzekeraars Nederland

 

Literatuur

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. PubMed PMID: 20603348.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0. Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/richtlijnontwikkeling.html.

Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen: stappenplan. Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

Myers V, Gerber Y, Benyamini Y, et al. Post-myocardial infarction depression: increased hospital admissions and reduced adoption of secondary prevention measures--a longitudinal study. J Psychosom Res. 2012; 72(1): 5-10.

Andlin-Sobocki P, Wittchen HU. Cost of anxiety disorders in Europe. Eur J Neurol. 2005; 12 Suppl 1: 39-44.

Hochlehnert A, Niehoff D, Wild B, et al. Psychiatric comorbidity in cardiovascular inpatients: costs, net gain, and length of hospitalization. J Psychosom Res. 2011; 70(2): 135-9.

Coley KC, Saul MI, Seybert AL. Economic burden of not recognizing panic disorder in the emergency department. J Emerg Med. 2009; 36(1): 3-7. Multidisciplinaire Richtlijn Hartrevalidatie, NVVC, Utrecht, 2011.

Borrell-Carrió F, Suchman AL, Epstein RM. The biopsychosocial model 25 years later: principles, practice, and scientific inquiry. Ann Fam Med. 2004;2(6):576-82. PubMed PMID: 15576544.

Huber M, van Vliet M, Giezenberg M, et al. Towards a 'patient-centred' operationalisation of the new dynamic concept of health: a mixed methods study. BMJ Open. 2016 12;6(1):e010091. PubMed PMID: 26758267.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Rapport Psychosociale zorg voor patiënten met ingrijpende somatische aandoeningen, Den Haag, 2015.

Nicholls W, Patterson P, McDonald FE, et al. Unmet needs in young adults with a parent with a chronic condition: a mixed-method investigation and measure development study. Scand J Caring Sci. 2017;31(1):191-200. PubMed PMID: 27163582.

Visser E, Gosens T, Den Oudsten B, et al. Physical Trauma Patients with Symptoms of an Acute and Posttraumatic Stress Disorder: Protocol for an Observational Prospective Cohort Study. JMIR Res Protoc. 2018 29;7(3):e88.

Rademakers J. De actieve patiënt als utopie. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder Hoogleraar Gezondheidsvaardigheden en patiëntparticipatie aan de Faculteit Health, Medicine and Life Sciences van Maastricht University, vrijdag 13 mei 2016.

Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) (2017). Richtlijn Detecteren behoefte psychosociale zorg. Geraadpleegd tussen september 2017-augustus 2018, via http://www.oncoline.nl/detecteren-behoefte-psychosociale-zorg

Vragenlijst patiëntenpanel, Patiëntenfederatie Nederland, Utrecht, 2017

Raad voor volksgezondheid en samenleving (RVS). Zonder context geen bewijs. Over de illusie van evidence-based practice in de zorg. Den Haag, 2017.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Psychosociale zorg bij ingrijpende somatische aandoeningen, Den Haag, 2015.

Constitution of the World Health Organization. In: World Health Organization: Basic documents. 45th ed. Geneva: World Health Organization; 2005.

Skarstein J, Aass N, Fossa S, et al. Anxiety and depression in cancer patients: relation between the Hospital Anxiety and Depression Scale and the European Organization for Research and Treatment of Cancer Core Quality of Life Questionnaire. J Psychosom Res. 2000;49:27-34.

Kennard B, Stewart S, Olvera R, et al. Non-adherence in adolescent oncology patients: preliminary data on psychological risk factors and relationships to outcome. J Clin Psychol Med Settings. 2004;11:30-9.

Von Essen L, Larsson G, Oberg K, et al. 'Satisfaction with care': associations with health-related quality of life and psychosocial function among Swedish patients with endocrine gastrointestinal tumours. Eur J Cancer Care (Engl). 2002;11(2):91-9.

Pratt LA, Druss BG, Manderscheid RW, et al. Excess mortality due to depression and anxiety in the United States: results from a nationally representative survey. Gen Hosp Psychiatry. 2016 Mar-Apr;39:39-45. doi:10.1016/j.genhosppsych.2015.12.003. Epub 2015 Dec 18. PubMed PMID: 26791259; PubMed Central PMCID: PMC5113020.

Katon WJ. Epidemiology and treatment of depression in patients with chronic medical illness. Dialogues Clin Neurosci. 2011;13(1):7-23. Review. PubMed PMID: 21485743; PubMed Central PMCID: PMC3181964.

Roddis JK, Holloway I, Bond C, et al. Living with a long-term condition: Understanding well-being for individuals with thrombophilia or asthma. Int J Qual Stud Health Well-being. 2016 Aug 16;11:31530. doi: 10.3402/qhw.v11.31530. eCollection 2016. PubMed PMID: 27534945; PubMed Central PMCID: PMC4989274.

Van der Stege H, Visser AP, Vahedi Nikbakht-van de Sande CVM, Den Hollander RMC, Van den Brom A (IPSO). Over naasten en onderzoek over kinderen. Rotterdam, 2014.

Richards SH, Anderson L, Jenkinson CE, et al. Psychological interventions for coronary heart disease: Cochrane systematic review and meta-analysis. Eur J Prev Cardiol. 2018 Feb;25(3):247-259. doi:10.1177/2047487317739978. Epub 2017 Dec 7.

Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL). Ontwikkelingen in de zorg voor chronisch zieken. Utrecht, 2012

Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL). Zorg- en leefsituatie van mensen met kanker 2013. Utrecht, 2013