Materiaalkeuze voor centraal veneuze katheters
Uitgangsvraag
Aan welke materiaaleisen moet een centraal veneuze katheter voldoen?
Aanbeveling
Aanbeveling 1 – Antimicrobiële coating
Centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter
- Overweeg voor chirurgische patiënten en patiënten op de intensive care het gebruik van een antimicrobieel gecoate katheter wanneer de lokale incidentie van katheter-gerelateerde bloedbaaninfecties hoger is dan op basis van vergelijkende (historisch of externe benchmark) surveillancegegevens verwacht, ondanks optimale naleving van de aanbevelingen in deze richtlijn.
- Gebruik bij een indicatie voor een antimicrobieel gecoate katheter bij voorkeur een katheter gecoat met chloorhexidine-zilversulfadiazine.
- Gebruik voor andere patiëntengroepen bij voorkeur geen antimicrobieel gecoate katheter.
Perifeer ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter
- Gebruik voor toediening van chemotherapie of parenterale voeding bij voorkeur geen antimicrobieel gecoate katheter.
- De werkgroep doet geen aanbeveling over het gebruik van antimicrobieel gecoate katheters voor andere indicaties.
Overige centraal veneuze katheters
- De werkgroep doet geen aanbeveling over het gebruik van antimicrobieel gecoate katheters bij patiënten met een indicatie voor een centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheter of poortkatheter.
Aanbeveling 2 – Aantal lumina
Centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter
- Gebruik een katheter met niet meer lumina dan nodig zijn.
- Gebruik geen enkellumen katheter voor het gelijktijdig toedienen van geneesmiddelen of vloeistoffen die niet gemengd mogen worden.
Overige centraal veneuze katheters
- De werkgroep doet geen aanbeveling over het aantal lumina van de katheter bij patiënten met een indicatie voor een perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter, een centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheter, of een poortkatheter.
Aanbeveling 3 – Overige materiaaleisen
Kies een centraal veneuze katheter die voldoet aan Europese wetgeving op het gebied van medische hulpmiddelen, waaronder de Verordening (EU) 2017/745, de REACH-verordening (EG) 1907/2006, en de geharmoniseerde Europese normen:
- NEN-EN-ISO 10555-1 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 1. Algemene eisen;
- NEN-EN-ISO 10555-3 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 3. Centraal veneuze katheters;
- NEN-EN-ISO 10555-6 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 6. Onderhuids geïmplanteerde aansluitingen;
- NEN-EN-ISO 10555-6/A1 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 6. Onderhuids geïmplanteerde aansluitingen. Amendement 1;
- NEN-EN-ISO 10555-7 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 7. Perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter.
Overwegingen
Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs
Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar de plaats van materiaaleisen voor centraal veneuze katheters bij de preventie van katheter-gerelateerde infecties bij volwassen patiënten en kinderen (geen neonaten) in de medisch-specialistische zorg.
Voor aanbevelingen baseert de werkgroep zich op de eerdere WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters, internationale richtlijnen, wettelijke kaders, ondersteunende literatuur, en expert opinie.
Antimicrobiële coating
Antimicrobieel gecoate centraal veneuze katheters zijn gemaakt van materialen die behandeld (‘gecoat’) zijn met antimicrobiële middelen zoals desinfectantia of antibiotica. Dit in tegenstelling tot een antimicrobieel katheterslot, waarbij een antimicrobieel middel in het lumen van de (afgesloten) katheter wordt ingebracht.
•Intensive care- en chirurgische patiënten
In een meta-analyse van achttien gerandomiseerde klinische studies in volwassen intensive care- en chirurgische patiënten met een centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter werden antimicrobieel gecoate katheters vergeleken met niet-gecoate katheters (Niël-Weise, 2007). Er werd een klinisch relevant verschil gevonden in het optreden van katheter-gerelateerde bloedbaaninfectie (KRBBI) in het voordeel van antimicrobieel gecoate katheters (RR 0.40; 95% CI 0.25 tot 0.62). Bijna alle studies toonden ernstige beperkingen in studiekwaliteit. Daarnaast waren er sterke argumenten dat de gehanteerde definitie voor KRBBI heeft geresulteerd in een systematische bias in het voordeel van antimicrobieel gecoate katheters.
In drie gerandomiseerde klinische studies in volwassen patiënten met een niet-getunnelde centraal veneuze katheter werd de kans op KRBBI vergeleken tussen katheters gecoat met chloorhexidine-zilversulfadiazine en katheters gecoat met minocycline-rifampicine. De resultaten waren inconsistent. Centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheters, perifeer ingebrachte centraal veneuze katheters en poortkatheters werden niet onderzocht. Hier ligt een kennisvraag.
•Toediening van chemotherapie of parenterale voeding
In een meta-analyse van acht gerandomiseerde klinische studies in volwassen patiënten met een centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter of perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter voor chemotherapie of parenterale voeding werden met katheters gecoat met chloorhexidine-zilversulfadiazine vergeleken met niet-gecoate katheters. Er werd geen klinisch relevant verschil in het optreden van KRBBI gevonden (Niël-Weise, 2008). Er werden geen studies beschreven die centraal veneuze katheters gecoat met minocycline-rifampicine voor onderzochten bij patiënten in het ziekenhuis. Centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheters en poortkatheters werden niet onderzocht. Hier ligt een kennisvraag.
•Resistentie
Het gebruik van antibiotica kan leiden tot resistentieontwikkeling. Op dit ogenblik is hierover weinig bekend in relatie tot het gebruik van antimicrobieel gecoate centraal veneuze katheters. Hier ligt een kennisvraag.
Gezien de beperkte kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs adviseert de werkgroep om voor intensive care- en chirurgische patiënten antimicrobieel gecoate niet-getunnelde centraal veneuze katheters alleen te gebruiken wanneer de lokale incidentie van katheter-gerelateerde bloedbaaninfecties hoger is dan op basis van vergelijkende surveillancegegevens verwacht, ondanks optimale naleving van de aanbevelingen in deze richtlijn. Surveillance gegevens kunnen worden vergeleken met eerdere gegevens van de eigen instelling dan wel met een externe regionale of landelijke benchmark. De meerwaarde van het gebruik van antimicrobieel gecoate katheters in dergelijke situaties is mede afhankelijk van eventueel andere maatregelen die tegelijkertijd worden genomen.
Aantal lumina
Centraal veneuze katheters kunnen één lumen of meerdere lumina hebben. De proximale openingen van multilumen katheters zijn tot in de bloedbaan gescheiden en gemarkeerd.
Multilumen katheters worden gebruikt voor het gelijktijdig toedienen van geneesmiddelen of vloeistoffen die niet gemengd mogen worden.
In een meta-analyse van vijf gerandomiseerde klinische studies in volwassen patiënten met een centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter voor parenterale voeding werd het gebruik van een multilumen katheter vergeleken met een enkellumen katheter. Er werd een klinisch relevant verschil in het optreden van KRBBI gevonden in het voordeel van enkellumen katheters (OR 2.58; 95% BI 1.24 tot 5.37) (Zürcher, 2004). De resultaten waren inconsistent en alle studies hadden ernstige beperkingen in studiekwaliteit. Centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheters, perifeer ingebrachte centraal veneuze katheters en poortkatheters werden niet onderzocht. Hier ligt een kennisvraag.
Voor aanbevelingen over het aantal lumina van een centraal veneuze katheter bij het gelijktijdig toedienen van medicatie en bloedproducten wordt verwezen naar de richtlijn Bloedtransfusiebeleid. Voor randvoorwaarden voor het gebruik van multi-infusie toedieningssystemen wordt verwezen naar de leidraad Infusietechnologie (NVKF, in ontwikkeling).
Internationale richtlijnen
De richtlijnen van Centers for Disease Prevention and Control (CDC) (O’Grady, 2017), International Nursing Society (INS) (No authors listed, 2021), Society for Healthcare Epidemiology of America, Infectious Disease Society of America and Association for Professionals in Infection Control and Epidemiology (SHEA/IDSA/APIC) (Buetti, 2022), en World Health Organization (WHO) (No authors listed, 2024) zijn geraadpleegd (Tabel 1).
CDC, INS en SHEA/IDSA/APIC bevelen het gebruik van antimicrobieel gecoate centraal veneuze katheters aan in bepaalde situaties. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen het gebruik van desinfectantia of antibiotica. WHO doet geen aanbevelingen over het gebruik van antimicrobieel gecoate centraal veneuze katheters.
CDC beveelt aan om een centraal veneuze katheter met niet meer lumina dan nodig zijn te gebruiken. WHO suggereert om voor perifeer ingebrachte centraal veneuze katheters een enkellumen katheter te gebruiken, tenzij er een indicatie is voor meer lumina. INS en SHEA/IDSA/APIC doen geen aanbevelingen over het aantal lumina van centraal veneuze katheters.
Tabel 1. Internationale richtlijnen voor de preventie van katheter-gerelateerde infecties
|
Richtlijn |
Aanbeveling(en) |
|
CDC (O’Grady, 2017) |
|
|
INS (No authors listed, 2021)1,2 |
|
|
SHEA/IDSA/APIC (Buetti, 2022) |
|
|
WHO (No authors listed, 2024) |
|
APIC = Association for Professionals in Infection Control; CABSI = catheter-associated bloodstream infection (NL: katheter-geassocieerde bloedbaaninfectie); CDC = Centers for Disease Prevention and Control; CLABSI = central line-associated bloodstream infection (NL: centraal veneuze katheter-geassocieerde bloedbaaninfectie); CVAD = central venous access device (NL: centraal veneuze katheter); CVC = central venous catheter (NL: centraal veneuze katheter); IDSA = Infectious Diseases Society of America; SHEA = Society for Healthcare Epidemiology of America; WHO = World Health Organization.
1 De INS-richtlijn is ontwikkeld met financiële ondersteuning van de industrie; ook waren auteurs niet vrij van persoonlijke financiële belangen.
2 Er wordt niet verwezen naar de in 2024 verschenen update van de INS-richtlijn, omdat deze niet publiek beschikbaar is.
Wettelijke kaders
Centraal veneuze katheters zijn medische hulpmiddelen en moeten als zodanig voldoen aan Europese wetgeving op het gebied van medische hulpmiddelen, waaronder de Verordening (EU) 2017/745, de REACH-verordening (EG) 1907/2006, en de geharmoniseerde Europese normen:
- NEN-EN-ISO 10555-1 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 1. Algemene eisen;
- NEN-EN-ISO 10555-3 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 3. Centraal veneuze katheters;
- NEN-EN-ISO 10555-6 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 6. Onderhuids geïmplanteerde aansluitingen;
- NEN-EN-ISO 10555-6/A1 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 6. Onderhuids geïmplanteerde aansluitingen. Amendement 1;
- NEN-EN-ISO 10555-7 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 7. Perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter.
Waarden en voorkeuren van patiënten (en evt. hun verzorgers)
Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar de waarden en voorkeuren van patiënten met betrekking tot materiaalkeuze voor centraal veneuze katheters.
In het algemeen kan gezegd worden dat de preventie van katheter-gerelateerde infecties past binnen de huidige maatstaven voor passende zorg. Standaardisatie en naleving van aanbevelingen over materiaalkeuze voor centraal veneuze katheters is voor patiënten belangrijk omdat dit de kans op infecties niet wegneemt, maar wel vermindert.
Bij de materiaalkeuze voor centraal veneuze katheters is het belangrijk rekening te houden met eventuele allergieën voor gebruikte materialen, zoals bijvoorbeeld polyurethaan overgevoeligheid (McCleskey, 2011; Milanesi, 2018; Pastor-Nieto, 2015).
Kosten (middelenbeslag)
Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar de kosteneffectiviteit van materiaalkeuze voor centraal veneuze katheters.
In het algemeen kan gezegd worden dat katheter-gerelateerde infecties gepaard gaan met meer zorgkosten (Baier, 2020; Patel 2019; Pu, 2020; Ullman 2022). Het voorkómen van deze complicaties door standaardisatie en naleving van aanbevelingen over materiaalkeuze voor centraal veneuze katheters resulteert naar verwachting in een vermindering van zorgkosten.
Antimicrobieel gecoate katheters zijn in het algemeen duurder dan niet-gecoate katheters.
Gelijkheid ((health) equity)
De werkgroep voorziet voor aanbevelingen over materiaaleisen voor centraal veneuze katheters geen effect op de gezondheidsgelijkheid.
Aanvaardbaarheid
Ethische aanvaardbaarheid
De werkgroep voorziet voor aanbevelingen over materiaaleisen voor centraal veneuze katheters geen ethische bezwaren.
Duurzaamheid
Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar duurzaamheid van materiaalkeuze voor centraal veneuze katheters.
Het is belangrijk een afweging te maken tussen de noodzaak van het gebruik van verschillende materialen voor centraal veneuze katheters enerzijds en duurzaamheid anderzijds. Deze afweging moet vanuit infectiepreventieoogpunt verantwoord gebeuren en kan verschillen per zorgsetting. Uitgangspunt hierbij is dat duurzaamheid niet ten koste mag gaan van patiëntveiligheid.
In het algemeen kan gezegd worden dat de preventie van katheter-gerelateerde infecties leidt tot minder gebruik van medische hulpmiddelen, minder gebruik van antibiotica en de daarmee gepaard gaande ontwikkeling van antibioticaresistentie.
Het gebruik van antimicrobieel gecoate katheters resulteert in meer gebruik van desinfectantia dan wel antibiotica en kan daarmee bijdragen aan het ongewenst ontwikkelen van resistentie tegen deze middelen. Eventuele voordelen van het gebruik van chloorhexidine-gluconaat (CHG)-bevattende producten moeten worden afgewogen tegen het feit dat CHG moeilijk afbreekbaar is, waardoor het zich kan ophopen in het milieu en langere tijd schadelijk kan blijven. CHG is toxisch voor waterorganismen en kan niet-specifieke schade aanrichten aan microbiële populaties in het milieu. Daarnaast is het onduidelijk wat het effect is van CHG op het menselijk en dierlijk microbioom en op microbiomen in het milieu (Gezondheidsraad, 2016).
Haalbaarheid
De werkgroep voorziet voor aanbevelingen over materiaaleisen voor centraal veneuze katheters geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid.
Rationale van aanbeveling1 – Antimicrobiële coating : weging van argumenten voor en tegen de interventies
Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar het effect van antimicrobiële coating van centraal veneuze katheters op katheter-gerelateerde infecties bij volwassen patiënten en kinderen (geen neonaten) in de medisch-specialistische zorg. De aanbevelingen zijn gebaseerd op het literatuuronderzoek in de eerdere WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters, internationale richtlijnen, en expert opinie.
- Het wetenschappelijk bewijs voor een gunstig effect van antimicrobieel gecoate centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheters op katheter-gerelateerde infecties bij chirurgische patiënten en patiënten op de intensive care is van beperkte kwaliteit. De werkgroep adviseert daarom om voor deze patiëntengroep antimicrobieel gecoate niet-getunnelde centraal veneuze katheters alleen te gebruiken wanneer de lokale incidentie van katheter-gerelateerde bloedbaaninfecties hoger is dan op basis van vergelijkende (historisch of externe benchmark) surveillancegegevens verwacht, ondanks optimale naleving van de aanbevelingen in deze richtlijn. De meerwaarde van het gebruik van antimicrobieel gecoate katheters in dergelijke situaties is mede afhankelijk van eventueel andere maatregelen die tegelijkertijd worden genomen. De werkgroep maakt hierbij geen onderscheid tussen volwassen patiënten en kinderen.
- De resultaten van studies die de effectiviteit van centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheters gecoat met chloorhexidine-zilversulfadiazine en minocycline-rifampicine hebben vergeleken in chirurgische patiënten en patiënten op de intensive care zijn inconsistent. Omdat de gebruikte antibiotica essentieel zijn voor de behandeling van infectieziekten, en het gebruik van antibiotica kan leiden tot antibioticaresistentie geeft de werkgroep – indien er een indicatie is voor antimicrobieel gecoate niet-getunnelde centraal veneuze katheters – de voorkeur aan het gebruik van een chloorhexidine-zilversulfadiazine gecoate katheter en wordt het gebruik van minocycline-rifampicine gecoate katheters ontraden. De werkgroep maakt hierbij geen onderscheid tussen volwassen patiënten en kinderen.
- Het beschikbare wetenschappelijke bewijs laat geen gunstig effect zien voor het gebruik van antimicrobieel gecoate perifeer of centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheters voor toediening van chemotherapie of parenterale voeding. De werkgroep raadt het gebruik van antimicrobieel gecoate katheters voor toediening van chemotherapie of parenterale voeding daarom af. De werkgroep maakt hierbij geen onderscheid tussen volwassen patiënten en kinderen.
De werkgroep doet geen aanbeveling over het gebruik van antimicrobieel gecoate katheters bij patiënten met een indicatie voor een centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheter of poortkatheter. Hier ligt een kennisvraag.
Rationale van de aanbeveling 2 – Aantal lumina: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar het effect van het aantal lumina van centraal veneuze katheters op katheter-gerelateerde infecties bij volwassen patiënten en kinderen (geen neonaten) in de medisch-specialistische zorg.
De aanbevelingen over het aantal lumina van centraal veneuze katheters zijn gebaseerd op het literatuuronderzoek in de eerdere WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters, internationale richtlijnen, en expert opinie.
Multilumen katheters worden gebruikt voor het gelijktijdig toedienen van geneesmiddelen of vloeistoffen die niet gemengd mogen worden.
Voor centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheters is er wetenschappelijk bewijs van beperkte kwaliteit dat het gebruik van een multilumen katheter voor toediening van parenterale voeding kan leiden tot meer katheter-gerelateerde infecties dan een enkellumen katheter. Meerdere lumina zijn echter soms nodig, bijvoorbeeld als geneesmiddelen of vloeistoffen gelijktijdig moeten worden toegediend, en te verkiezen boven het inbrengen van meerdere enkellumen katheters. Daarom beveelt de werkgroep aan het aantal lumina van een niet-getunnelde centraal veneuze katheter te laten afhangen van de noodzaak. De werkgroep maakt hierbij geen onderscheid tussen volwassen patiënten en kinderen.
De werkgroep doet geen aanbevelingen over het aantal lumina van de katheter bij patiënten met een indicatie voor een perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter, een centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheter, of een poortkatheter. Hier ligt een kennisvraag.
Voor aanbevelingen over het aantal lumina van een centraal veneuze katheter bij het gelijktijdig toedienen van medicatie en bloedproducten wordt verwezen naar de richtlijn Bloedtransfusiebeleid.
Voor randvoorwaarden voor het gebruik van multi-infusie toedieningssystemen wordt verwezen naar de leidraad Infusietechnologie (NVKF, in ontwikkeling).
Rationale van de aanbeveling 3 – Overige materiaaleisen: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar de plaats van overige materiaaleisen voor centraal veneuze katheters bij de preventie van katheter-gerelateerde infecties bij volwassen patiënten en kinderen (geen neonaten) in de medisch-specialistische zorg.
De aanbevelingen over materiaaleisen voor centraal veneuze katheters zijn gebaseerd op vigerende wet- en regelgeving.
Centraal veneuze katheters zijn medische hulpmiddelen en moeten als zodanig voldoen aan Europese wetgeving op het gebied van medische hulpmiddelen, waaronder de Verordening (EU) 2017/745, de REACH-verordening (EG) 1907/2006, en de geharmoniseerde Europese normen:
- NEN-EN-ISO 10555-1 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 1. Algemene eisen;
- NEN-EN-ISO 10555-3 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 3. Centraal veneuze katheters;
- NEN-EN-ISO 10555-6 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 6. Onderhuids geïmplanteerde aansluitingen;
- NEN-EN-ISO 10555-6/A1 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 6. Onderhuids geïmplanteerde aansluitingen. Amendement 1;
- NEN-EN-ISO 10555-7 - Intravasculaire katheters - Steriele katheters voor eenmalig gebruik - Deel 7. Perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter.
Onderbouwing
Achtergrond
Een centraal veneuze katheter wordt ingebracht in een perifere of centrale vene en reikt tot in een centrale vene.
Een centraal veneuze katheter wordt gebruikt om (langer durend) toegang te verkrijgen tot de bloedbaan voor het toedienen van medicatie, vloeistoffen, bloedproducten en parenterale voeding, en in uitzonderlijk gevallen voor het afnemen van bloed.
Er zijn verschillende typen centraal veneuze katheters: 1) een centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter zonder ‘cuff’; 2) een centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheter met ‘cuff’; 3) een perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter, ook wel bekend als ‘PICC’; en 4) een poortkatheter, ook wel bekend als ‘port-a-cath’. Centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheters zonder ‘cuff’ worden buiten beschouwing gelaten omdat deze in de Nederlandse praktijk niet worden toegepast.
Het gebruik van een centraal veneuze katheter kan gepaard gaan met infectieuze en niet-infectieuze complicaties, zoals een bloedbaaninfectie en trombose. Deze complicaties kunnen belastend zijn voor de patiënt en kunnen resulteren in een afname van de kwaliteit van leven en een toename in zorgkosten.
Deze module beschrijft de materiaaleisen voor centraal veneuze katheters die van belang zijn bij de preventie van katheter-gerelateerde infecties voor volwassen patiënten en kinderen (geen neonaten) in de medisch-specialistische zorg. Centraal veneuze katheters voor hemodialyse vallen buiten de scope van deze richtlijn.
Samenvatting literatuur
Not applicable
Zoeken en selecteren
No systematic literature search was performed to answer the clinical question.
The recommendations were based on the previous WIP-guideline Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters, international guidelines, legal regulations, supporting literature, and expert opinion.
Referenties
- Baier C, Linke L, Eder M, Schwab F, Chaberny IF, Vonberg RP, Ebadi E. Incidence, risk factors and healthcare costs of central line-associated nosocomial bloodstream infections in hematologic and oncologic patients. PLoS One. 2020 Jan 24;15(1):e0227772. doi: 10.1371/journal.pone.0227772. PMID: 31978169; PMCID: PMC6980604.
- Buetti N, Marschall J, Drees M, Fakih MG, Hadaway L, Maragakis LL, Monsees E, Novosad S, O'Grady NP, Rupp ME, Wolf J, Yokoe D, Mermel LA. Strategies to prevent central line-associated bloodstream infections in acute-care hospitals: 2022 Update. Infect Control Hosp Epidemiol. 2022 May;43(5):553-569. doi: 10.1017/ice.2022.87. Epub 2022 Apr 19. PMID: 35437133; PMCID: PMC9096710.
- Gezondheidsraad. Zorgvuldig omgaan met desinfectantia. 2016. (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-795009.pdf, accessed 7 September 2023).
- McCleskey P, Clark S. Contact dermatitis from a polyurethane dialysis catheter. Dermatitis. 2011 Mar-Apr;22(2):123-4. PMID: 21504702.
- Milanesi N, Gola M, Francalanci S. Allergic contact dermatitis caused by a polyurethane catheter. Contact Dermatitis. 2018 Nov;79(5):313-314. doi: 10.1111/cod.13050. Epub 2018 Jun 20. PMID: 29923607.
- Niël-Weise BS, Stijnen T, van den Broek PJ. Anti-infective-treated central venous catheters: a systematic review of randomized controlled trials. Intensive Care Med. 2007 Dec;33(12):2058-68. doi: 10.1007/s00134-007-0897-3. Epub 2007 Oct 17. PMID: 17940746.
- Niël-Weise BS, Stijnen T, van den Broek PJ. Anti-infective-treated central venous catheters for total parenteral nutrition or chemotherapy: a systematic review. J Hosp Infect. 2008 Jun;69(2):114-23. doi: 10.1016/j.jhin.2008.02.020. Epub 2008 Apr 25. PMID: 18439717.
- O'Grady NP, Alexander M, Burns LA, Dellinger EP, Garland J, Heard SO, Lipsett PA, Masur H, Mermel LA, Pearson ML, Raad II, Randolph AG, Rupp ME, Saint S; Healthcare Infection Control Practices Advisory Committee (HICPAC). Guidelines for the prevention of intravascular catheter-related infections, 2011. Update 2017. 2017. (https://www.cdc.gov/infection-control/media/pdfs/Guideline-BSI-H.pdf, accessed November 1, 2024)
- Pastor-Nieto MA, Alcántara F, Ballano A, Vergara A, Belmar P, Sánchez-Herreros C, Martín-Fuentes A, Jiménez E, De Eusebio E. Allergic contact dermatitis resulting from a poly(carbonate urethane) chronic haemodialysis central venous catheter. Contact Dermatitis. 2015 Feb;72(2):124-6. doi: 10.1111/cod.12325. Epub 2014 Dec 18. PMID: 25524294.
- Patel AR, Patel AR, Singh S, Singh S, Khawaja I. Central Line Catheters and Associated Complications: A Review. Cureus. 2019 May 22;11(5):e4717. doi: 10.7759/cureus.4717. PMID: 31355077; PMCID: PMC6650175.
- Pu YL, Li ZS, Zhi XX, Shi YA, Meng AF, Cheng F, Ali A, Li C, Fang H, Wang C. Complications and Costs of Peripherally Inserted Central Venous Catheters Compared With Implantable Port Catheters for Cancer Patients: A Meta-analysis. Cancer Nurs. 2020 Nov/Dec;43(6):455-467. doi: 10.1097/NCC.0000000000000742. PMID: 31464692.
- Ullman AJ, Gibson V, Takashima MD, Kleidon TM, Schults J, Saiyed M, Cattanach P, Paterson R, Cooke M, Rickard CM, Byrnes J, Chopra V. Pediatric central venous access devices: practice, performance, and costs. Pediatr Res. 2022 Nov;92(5):1381-1390. doi: 10.1038/s41390-022-01977-1. Epub 2022 Feb 8. PMID: 35136199; PMCID: PMC9700519.
- Zürcher M, Tramèr MR, Walder B. Colonization and bloodstream infection with single- versus multi-lumen central venous catheters: a quantitative systematic review. Anesth Analg. 2004 Jul;99(1):177-182. doi: 10.1213/01.ANE.0000118101.94596.A0. PMID: 15281526.
- No authors listed. 2021 Infusion Therapy Standards of Practice Updates. J Infus Nurs. 2021 Jul-Aug 01;44(4):189-190. doi: 10.1097/NAN.0000000000000436. PMID: 34197345.
- No authors listed. Guidelines for the prevention of bloodstream infections and other infections associated with the use of intravascular catheters: Part 1: peripheral catheters [Internet]. Geneva: World Health Organization; 2024. PMID: 38810002.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 12-02-2026
Beoordeeld op geldigheid : 12-02-2026
Algemene gegevens
De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd door het ministerie van VWS. De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.
Samenstelling werkgroep
Werkgroep
- S. (Selma) Bons, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), voorzitter
- Dr. M. (Michelle) Gompelman, Nederlandse Internisten Vereniging (NIV), Nederlandse Vereniging van Internist-Infectiologen (NVII)
- R. (Renze) Jongstra, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN)
- H. (Heidy) Koene, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG)
- M.H.H. (Marc) Königs, Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC)
- Dr. B.J. (Bart) Laan (AIOS), Nederlandse Internisten Vereniging (NIV), Nederlandse Vereniging van Internist-Infectiologen (NVII)
- K. (Kelly) Niggebrugge-Mentink, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (NVZA)
- Dr. J.H. (Jan) van Zeijl, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM)
Klankbordgroep
- Dr. J.R.A. (Jeetindra) Balak, Nederlandse Internisten Vereniging (NIV), Nederlandse Federatie voor Nefrologie (NFN)
- Werkgroep richtlijn Centraal veneuze toegang (NVvH)
- Werkgroep leidraad Infusietechnologie (NVKF)
Met ondersteuning van
- Mw. A. (Alies) Oost, informatiespecialist, Kennisinstituut van Federatie Medisch Specialisten
- Dr. H. (Haitske) Graveland, senior adviseur, Kennisinstituut van Federatie Medisch Specialisten
- Dr. M.F.Q. (Marjolein) Kluijtmans-van den Bergh, senior adviseur, Kennisinstituut van Federatie Medisch Specialisten
Belangenverklaringen
De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.
Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
|
Werkgroeplid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
S. (Selma) Bons |
Anesthesioloog, Prinses Maxima Centrum voor kinderoncologie, Utrecht |
Lid werkgroep SRI richtlijnen
Lid bestuur sectie kinderanesthesiologie NVA
Lid SRI |
Geen |
Geen restrictie |
|
Dr. M. (Michelle) Gompelman |
Internist-infectioloog, Elkerliek Ziekenhuis, Helmond |
Lid werkgroep FMS-richtlijn Centraal veneuze toegang
|
Geen |
Geen restrictie |
|
A. (Renze) Jongstra |
Intensive care verpleegkundige |
Vicevoorzitter V&VN afdeling IC (onbetaald)
|
Geen |
Geen restrictie |
|
H. (Heidy) Koene |
Deskundige infectiepreventie, Erasmus MC, Rotterdam |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
M.H.H. (Marc) Königs |
Intensivist, Maxima Medisch Centrum. Eindhoven/Veldhoven (100%) |
Duikerarts / duikclubarts
Waarnemer intensivist Aruba en via IC (max. 200 uur/jaar) In het verleden voordrachten op congressen voor 3M en BD (betaald) - ESAIC ( Milaan / München) - WOCOVA ( Athene) - Nordic congres for vasculary acces |
Geen |
Geen restrictie (adviseurschap 3M onbetaald) |
|
Dr. B.J. (Bart) Laan |
AIOS Interne Geneeskunde, Amsterdam UMC, Amsterdam |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
K. (Kelly) Niggebrugge-Mentink |
Ziekenhuisapotheker, Hagaziekenhuis, Den Haag |
Gastdocent Fontys Hogeschool (verpleegkundig specialistenopleiding); betaald Gastspreker congres Stichting Vascular Infusion Technology; onbetaald |
Geen |
Geen restrictie |
|
Dr. J.H. (Jan) van Zeijl |
Arts-microbioloog, Certe Medische Diagnostiek & Advies, afdeling Medische Microbiologie (tot april 2024)
Waarnemend arts-microbioloog, Certe Medische Diagnostiek & Advies, afdeling Medische Microbiologie (september t/m december 2025) |
Bestuurslid (sinds januari 2024 voorzitter) Vasculitis Stichting met portefeuille vrijwilligersbeleid en Zorg, Research en Belangenbehartiging; onbetaald |
Geen |
Geen restrictie |
|
Klankbordgroeplid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Dr. J.R.A. (Jeetindra) Balak |
Internist, Leids UMC, Leiden |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
Inbreng patiëntenperspectief
Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door het uitnodigen van Patiëntenfederatie Nederland (PFNL) voor de schriftelijke knelpunteninventarisatie. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan PFNL en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Materiaalkeuze voor centraal veneuze katheters |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het overgrote deel (±90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht. |
Werkwijze
AGREE
Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 3.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II-instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).
Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen
Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten met betrekking tot infectiepreventiemaatregelen rondom intravasculaire katheters. De werkgroep beoordeelde de aanbeveling(en) uit de eerdere WIP-richtlijn Arteriële katheters en de WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters. Tevens zijn er in de schriftelijke knelpunteninventarisatie knelpunten aangedragen door Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), Landelijke Vereniging van Operatieassistenten (LVO), Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers (NVAM), Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA), Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH), Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM), Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Stichting Kind en Ziekenhuis, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG), Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN). Een verslag hiervan is opgenomen onder Verslag schriftelijke knelpunteninventarisatie.
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep concept uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.
Uitkomstmaten
Na het opstellen van de zoekvragen behorende bij de uitgangsvragen inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Ook definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.
Methode literatuursamenvatting
Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder Zoekverantwoording. Indien mogelijk werden de gegevens uit verschillende studies gepoold in een random-effects-model. Review Manager 5.4 werd gebruikt voor de statistische analyses. De beoordeling van de wetenschappelijke bewijskracht wordt hieronder toegelicht.
Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie https://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).
GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).
|
GRADE |
Definitie |
|
Hoog |
|
|
Redelijk |
|
|
Laag |
|
|
Zeer laag |
|
Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nul effect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), duurzaamheid, aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje Overwegingen en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016A; Alonso-Coello 2016B). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE-methodiek.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling is gekomen.
In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.
|
Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers |
||
|
|
Sterke aanbeveling |
Zwakke (conditionele) aanbeveling |
|
Voor patiënten |
De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet. |
Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. |
|
Voor behandelaars |
De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen. |
Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren. |
|
Voor beleidsmakers |
De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid. |
Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. |
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijnmodule werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnmodule aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodule werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.
Literatuur
Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.
Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417. A
Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494. B
Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.
Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.
Medisch Specialistische Richtlijnen 3.0 (2023). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Available from: https://richtlijnendatabase.nl/uploaded/docs/FMS_MedSpecRicht_2023__v04.pdf?u=1bULOR
Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. PMID: 26772609.
Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from: https://gdt.gradepro.org/app/handbook/handbook.html.