Voorkomen opname voor hyperbilirubinemie

Laatst beoordeeld: 01-01-2008

Uitgangsvraag

Kunnen bij gezonde a terme pasgeborenen zonlicht, ‘speciale voeding’ of ‘snel afnavelen’ een ziekenhuisopname voor fototherapie helpen voorkomen?

Aanbeveling

Vanwege de redenen genoemd in de conclusie heeft de werkgroep ervan afgezien een aanbeveling te formuleren.

Overwegingen

De werkgroep heeft overwogen om een aanbeveling te formuleren voor deze nieuwe uitgangsvraag.

Conclusies

De werkgroep stelt vast dat:

  • Studies over het tijdstip van ‘afnavelen’ geen statistisch significant effect laten zien op bilirubinewaarde of frequentie van fototherapie.
  • Er geen relevante studies zijn gevonden over het effect van zonlicht of over ‘speciale voeding’ (zie samenvatting literatuur).

Samenvatting literatuur

Eileen K. Hutton, PhD; Eman S. Hassan, MBBCh. Late vs Early Clamping of the Umbilical Cord in Full-term Neonates Systematic Review and Meta-analysis of Controlled Trials. JAMA. 2007;297:1241-1252.

 

Outcomes of interest were decided a priori and included:

reported or clinically determined jaundice, use of phototherapy, polycythemia (defined as hematocrit increased to >65%), tachypnea or respiratory grunting, admission to the neonatal intensive care unit (NICU), short- and long-term risk of anemia (defined as either hemoglobin concentration <6,2 mmol/l or hematocrit level <46%) and iron-deficiency anemia (defined as hemoglobin concentration <6,8 mmol/l and ferritin concentration <10 µg/L). the absolute values of hemoglobin, hematocrit, blood volume and viscosity, and bilirubin, as well as iron status measured by levels of ferritin and stored iron.

 

Risk of Clinical Jaundice and Use of Phototherapy. A pooled analysis of data from 8 trials (1009 infants) did not show an increased risk of developing neonatal jaundice within the first 24 to 48 hours of life associated with late cord clamping (RR, 1.35; 95% CI, 1.00 to 1.81). When low-quality trials were excluded, findings still showed no significant difference between groups in the risk of jaundice (4 trials, 889 infants) (RR 1.16; 95% CI, 0.85 to 1.58). Similarly, no significant differences were noted between late and early clamping in risk of jaundice at 3 to 14 days after birth (1 trial, 332 infants) (RR, 1.27; 95% CI, 0.76 to 2.10). In addition, no significant differences were found between groups in the proportions of infants who had elevated bilirubin levels (>256.5 mmo/L [15 g/dL]) that necessitated use of phototherapy (3 trials, 699 infants) (RR, 1.78; 95% CI, 0.71 to 4.46).

 

Commentaar werkgroep: wijde betrouwbaarheidsintervallen; te weinig power om verschillen vast te stellen.

 

 

Gourley,-G-R; Kreamer,-B; Cohnen,-M; Kosorok,-M-R. Neonatal jaundice and diet. Arch-Pediatr-Adolesc-Med. 1999 Feb; 153(2): 184-8.

Studie over verschillende typen kunstvoeding. Veel uitvallers. Resultaten gecompromitteerd.

Zoeken en selecteren

De hiervoor genoemde AAP-richtlijn is beoordeeld met het AGREE-instrument; deze beoordeling wordt elders uitgebreid toegelicht. Uit deze beoordeling komt duidelijk naar voren dat de richtlijn van de AAP slechts gedeeltelijk een evidence-based richtlijn is: voor een belangrijk deel van de aanbevelingen is namelijk geen systematisch literatuuronderzoek verricht. Alleen voor de aanbevelingen die verband houden met de uitgangsvragen behandeld in de modules is systematisch literatuuronderzoek gedaan.

 

Voor de uitgangsvragen is ten behoeve van deze richtlijn een literatuurupdate verricht. Daartoe zochten voorzitter en CBO-adviseurs literatuur en beoordeelden de kwaliteit hiervan met behulp van literatuurbeoordelingsformulieren. De werkgroep heeft ook een nieuwe uitgangsvraag opgesteld, namelijk: kunnen bij gezonde a terme pasgeborenen zonlicht, ‘speciale voeding’ of ‘snel afnavelen’ een ziekenhuisopname voor fototherapie helpen voorkomen?

Tijdens drie vergaderingen becommentarieerde de gehele werkgroep de literatuurbeoordeling, die terug kan worden gevonden in de appendix. Details over de zoekstrategie kunnen worden opgevraagd bij het secretariaat van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO.

 

In de AAP-richtlijn wordt voor iedere aanbeveling aangegeven op welke niveau van bewijs (uit de literatuur verkregen) deze is gebaseerd. Daartoe is in de AAP-richtlijn de onderstaande indeling gebruikt; deze indeling verschilt op een aantal punten van de door het CBO gehanteerde indeling:

  • Well-designed, randomized, controlled trials or diagnostic studies on relevant populations
  • Randomized, controlled trials or diagnostic studies with minor limitations; overwhelming, consistent evidence from observational studies
  • Observational studies (case-control and cohort design)
  • Expert opinion, case reports, reasoning from first principles

 

In de onderhavige richtlijn wordt bij iedere aanbeveling het niveau van bewijs aangegeven, zoals in de AAP-richtlijn vermeld, tenzij de met de literatuurupdate verkregen evidentie een ander niveau van bewijs aannemelijk maakte. De in de AAP-richtlijn gebruikte classificatie van bewijs is niet geconverteerd naar de door het CBO gebruikte indeling. De reden is dat de bewijskracht van de individuele studies voor de meeste AAP-aanbevelingen niet wordt weergegeven in de AAP-richtlijn, waardoor conversie niet mogelijk is.

De subgroepen zijn voor alle aanbevelingen in de AAP-richtlijn nagegaan of specifieke Nederlandse omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de organisatie van zorg of beschikbare voorzieningen, dan wel nieuwe evidentie uit de literatuur adaptatie van de oorspronkelijke aanbevelingen noodzakelijk maakte.

Referenties

  1. Almeida MFB de, Draque CM. Neonatal Jaundice and Breastfeeding. NeoReviews 2007;8;e282-e288.
  2. Ahlfors CE. Criteria for exchange transfusions in jaundiced newborns. Pediatrics 1994;93:488-94.
  3. Boo NY, Lee HT. Randomized controlled trial of oral versus intravenous fluid supplementation on serum bilirubin level during phototherapy of term infants with severe hyperbilirubinaemia. J Paediatr Child Health. 2002 Apr;38(2):151-5. Erratum in: J Paediatr Child Health 2002 Dec; 38 (6): 625.
  4. Agarwal R, Kaushal M, Aggarwal R, Paul VK, Deorari AK (2002). Early Neonatal Hyperbilirubinemia Using First Day Serum Bilirubin Level. Indian Pediatrics 39:724-730.
  5. Bernaldo AJN, de Mattos Segre CA (2004). Bilirubin dosage in cord blood: could it predict neonatal hyperbilirubinemia? Sao Paulo Med J 122(3):99-103.
  6. Bunn HF, Rosse W. Hemolytic anemias and acute blood loss. In: Kasper DL, Braunwald E, Longo DL et al. Eds. Harrison’s principles of internal medicine. 16th ed. McGraw Hill, London 2005:607-611.
  7. Chen WX, Wong V (2006). Visual Evoked Potentials in Neonatal Hyperbilirubinemia. J Cild Neurol 21: 58-62.
  8. Duman N, Ozkan H, Serbetçioglu B, Ogun B, Kumral A and Avci M (2004). Long-term follow-up of otherwise healthy term infants with marked hyperbilirubinaemia: should the limits of exchange transfusion be changed in Turkey? Acta Paediatr 93: 361-367.
  9. Ebbesen F (2000). Recurrence of kernicterus in term and near-term infants in Denmark. Acta Paediatr 89:1213-1217.
  10. Ebbesen F, Rasmussen LM, Wimberley PD (2002). A new transcutaneous bilirubinometer, BiliCheck, used in the neonatal intensive care unit and the maternity ward. Acta Paediatr. 91(2):203-11.
  11. Engle WD, Jackson GL, Stehel EK, Sendelbach DM, Manning MD (2005). Evaluation of a transcutaneous jaundice meter following hospital discharge in term and near-term neonates. J Perinatol. 25(7):486-90.
  12. Evans D (searchdate 2006). Neonatal jaundice. BMJ Clin Evid 2007;12:319
  13. Ho C (2002). Using a spectral reflectance technique to measure transcutaneous bilirubin in neonates: a new device.Issues Emerg Health Technol. 33:1-4.
  14. Gourley,GR; Kreamer,B; Cohnen,M; Kosorok,MR. Neonatal jaundice and diet. Arch-Pediatr-Adolesc-Med. 1999 Feb; 153(2): 184-8.
  15. Grohmann K, Roser M, Rolinski B, Kadow I, Müller C, Goerlach-Graw A, Nauck M, Küster H (2006). Bilirubin measurement for neonates: comparison of 9 frequently used methods. Pediatrics 117(4):1174-83.
  16. Hutton EK, Hassan ES (2007). Late vs Early Clamping of the Umbilical Cord in Full-term Neonates Systematic Review and Meta-analysis of Controlled Trials. JAMA 297:1241-1252.
  17. Isoorani-lunsing I, Woltil HA, Hadders-Algra M (2001). Are Moderate Degrees of Hyperbilirubinemia in Healthy Term Neonates Really Safe for the Brain? Pediatric Research Vol. 50, No. 6: 701-705.
  18. Johnson LH, Bhutani VK, Brown AK. System-based approach to management of neonatal jaundice and prevention of kernicterus. J Pediatr 2002;140:396-403.
  19. Keren R, Bhutani VK, Luan X, Nihtianova X, Cnaan A, Schwartz JS (2005). Identifying newborns at risk of significant hyperbilirubinaemia: a comparison of two recommended approaches. Arch Dis Child 90:415–421.
  20. Mohammadzadeh A, Farhat AS, Iranpour R (2005). Effect of clofibrate in jaundiced term newborns. Indian J of Pediatrics 72, 2: 123-126.
  21. Mehta S, Kumar P, Narang A. A randomized controlled trial of fluid supplementation in term neonates with severe hyperbilirubinemia. J Pediatr. 2005 Dec;147(6):781-5.
  22. Miqdad AM, Abdelbasit OB, Shaheed MM, Seidahmed MZ, Abomelha AM, Arcala OP (2004). Intravenous immunoglobulin G (IVIG) therapy for significant hyperbilirubinemia in ABO haemolytic disease of the newborn The Journal of Maternal–Fetal and Neonatal Medicine 16:163–166.
  23. Newman TB, Liljestrand P, Escobar GJ (2005). Combining Clinical Risk Factors With Serum Bilirubin Levels to Predict Hyperbilirubinemia in Newborns Arch Pediatr Adolesc Med. 159:113-119.
  24. Newman TB, Liljestrand P, Jeremy RJ, Ferriero DM, Wu YW, Hudes ES, Escobar GJ (2006). Outcomes among Newborns with Total Serum Bilirubin Levels of 25 mg per Deciliter or More. N Engl J Med 354:1889-900.
  25. Samanta S, Tan M, Kissack C, Nayak S, Chittick R, Yoxall CW (2004). The value of Bilicheck as a screening tool for neonatal jaundice in term and near-term babies. Acta Paediatr. 93(11):1486-90.
  26. Sarici SU, Yurdakök M, Serdar MA, Oran O, Erdem G, Tekinalp G, Yigit S (2002). An Early (Sixth-Hour) Serum Bilirubin Measurement Is Useful in Predicting the Development of Significant Hyperbilirubinemia and Severe ABO Hemolytic Disease in a Selective High-Risk Population of Newborns With ABO Incompatibility. Pediatrics. 109(4):e53.
  27. Sarici SU, Serdar MA, Korkmaz A, Erdem G, Oran O, Tekinalp G, Yurdakök M, Yigit S (2004). Incidence, course, and prediction of hyperbilirubinemia in near-term and term newborns. Pediatrics. 113(4):775-80.
  28. Semmekrot BA, de Vries MC, Gerrits GP, van Wieringen PM. Optimal breastfeeding to prevent hyperbilirubinaemia in healthy, term newborns. Ned Tijdschr. Geneesk. 2004 ,148 (41) 2016-19.
  29. Tan KL. Decreased response to phototherapy for neonatal jaundice in breast-fed infants. Arch Pediatr Adolesc Med. 1998 Dec;152(12):1187-90.
  30. Wong CM, van Dijk PJE, Laing IA (2002). A comparison of transcutaneous bilirubinometers: SpectRx BiliCheck versus Minolta AirShields. Arch Dis Child Fetal Neonatal Ed 87:F137–F140.
  31. Wong V, Chen WX, Wong KY (2006). Short- and Long-Term Outcome of Severe Neonatal Nonhemolytic Hyperbilirubinemia. J Cild Neurol 21: 309-315.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2008

Laatst geautoriseerd : 01-01-2008

Uiterlijk in 2012 wordt bepaald of deze richtlijn nog actueel is. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij de initiatiefnemer voor deze richtlijn, namelijk de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde. Uiteraard kunnen de (leden van) wetenschappelijke en beroepsverenigingen die deelnamen aan de ontwikkeling van deze richtlijn en ook andere zorgverleners aan de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde kenbaar maken dat de richtlijn niet (meer) adequaat of actueel is.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun van de ZonMW in het kader van het programma ‘Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO).'

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar bevatten expliciete, zo veel mogelijk op evidence gebaseerde aanbevelingen en inzichten waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief optimale zorg te verlenen. Aangezien deze aanbevelingen hoofdzakelijk gericht zijn op de ‘gemiddelde patiënt’, kunnen zorgverleners op basis van individuele patiëntkenmerken zonodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de individuele patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn kan worden gezien als een papieren weergave van een best practice. Als van de richtlijn wordt afgeweken, is het raadzaam dit gedocumenteerd en beargumenteerd te doen.

De in deze richtlijn opgenomen supplementen hebben een ander karakter dan de aanbevelingen, dat wil zeggen ze zijn adviserend van aard, dit in tegenstelling tot de aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief optimale zorg te verlenen.

 

Kostenimplicaties

Er is geen kosteneffectiviteitanalyse of budgetimpactanalyse uitgevoerd.

Doel en doelgroep

Doelstelling

  • Tijdig herkennen en erkennen van ernstige hyperbilirubinemie.
  • Eerder herkennen en diagnosticeren van kinderen met een obstructieve hepatobiliaire aandoening.
  • Het opstellen van duidelijke interventiegrenzen voor het starten van fototherapie of wisseltransfusie.
  • De richtlijn geeft aanbevelingen voor preventie, diagnose en behandeling van hyperbilirubinemie bij pasgeborenen geboren na een zwangerschapsduur van minimaal 35 weken, met als doel het voorkómen van ernstige hyperbilirubinemie en de gevolgen ervan, zoals kernicterus en bilirubine encefalopathie.
  • Het algemene doel van deze richtlijn is het bevorderen van een aanpak die het optreden van ernstige neonatale hyperbilirubinemie en bilirubine encefalopathie reduceert, en tegelijkertijd het risico op onbedoelde neveneffecten beperkt, zoals angst bij (aanstaande) ouders, geven van minder borstvoeding, of onnodige diagnostiek en behandeling van de algemene zuigelingenpopulatie.

 

Doelgroep

De richtlijn is primair ontwikkeld voor zorgverleners in de eerste en tweede lijn zoals (verloskundig actieve) huisartsen, verloskundigen, kraamverzorgenden, consultatiebureau-artsen, gynaecologen en kinderartsen.

Samenstelling werkgroep

Om de uitgangsvragen te beantwoorden is in juli 2006 een multidisciplinaire werkgroep samengesteld. In deze werkgroep participeerden verloskundigen, een kraamverzorgende, kinderartsen, huisartsen, een consultatiebureauarts, een gynaecoloog en een klinisch chemicus. Er werden contacten gelegd met de vereniging Kind en Ziekenhuis en met onderzoekers gelieerd aan het Nederlands Signaleringscentrum Kindergeneeskunde.

Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en waren gemandateerd door hun vereniging.

 

  • Mw. drs. E.S.A. van den Akker, gynaecoloog, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam
  • Dr.ir. J.J.A. de Beer, voedingsepidemioloog, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Utrecht, secretaris
  • Dr. P.H. Dijk, kinderarts-neonatoloog, UMCG, Groningen, voorzitter
  • Prof.dr. W.P.F. Fetter, neonatoloog, VUMC, Amsterdam
  • Drs. S. Flikweert, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht †
  • Drs. P. Govaert, neonatoloog, Erasmus MC, Rotterdam
  • Dr. A.G. Ketel, kinderarts, Spaarneziekenhuis, Hoofddorp
  • Mw. B.M. Klaphake, verpleegkundige, Kraam & Co., Abcoude
  • Drs. W. Koch, huisarts, Huisartsenpraktijk Heelkom Achterveld
  • Mw. drs. C.H.E.M. Lodewikus, verloskundige, Verloskundigen Maatschap Vita, Breda
  • Mw drs. N.J.J. Postma-Broshuis, consultatiebureauarts
  • Prof.dr. H.J. Verkade, kinderarts-gastroenteroloog, UMCG, Groningen
  • Drs. T.W. de Vries, kinderarts, Medisch Centrum, Leeuwarden
  • Mw. drs. P.M. Offerhaus, hoofd richtlijnontwikkeling, KNOV, Bilthoven
  • Mw. drs. C.J.G.M. Rosenbrand, arts, Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, Utrecht, senior adviseur
  • Prof.dr.ir. H.L. Vader, klinisch-chemicus, Máxima Medisch Centrum, Veldhoven

Belangenverklaringen

Een map met verklaringen van werkgroepleden over mogelijke financiële belangenverstrengeling ligt ter inzage bij het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO te Utrecht. Er zijn geen bijzondere vormen van belangenverstrengeling gemeld.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

De werkgroep rekent het niet tot haar taak exact weer te geven hoe deze richtlijn geïmplementeerd zal moeten worden. Wel wil zij in deze beknopte bijdrage een aantal voorstellen ter bevordering van de implementatie doen.

 

De volgende activiteiten zijn reeds ondernomen of in gang gezet ter bevordering van de implementatie van de richtlijn hyperbilirubinemie:

  • Het gebruik van de richtlijn wordt vergemakkelijkt door stroomdiagrammen voor diagnostiek en behandeling en een samenvatting van de richtlijn op te nemen.
  • De richtlijn zal zo intensief mogelijk worden verspreid onder de leden van de verschillende beroepsverenigingen.
  • Informatie over de richtlijn zal worden verstrekt in publicaties in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en zo mogelijk in andere tijdschriften.
  • De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde zal jaarlijks de inhoud van de richtlijn toetsen en beoordelen of gehele of gedeeltelijke bijstelling noodzakelijk is.
  • De richtlijn komt integraal op het internet op de website van het CBO (www.cbo.nl). Daar waar mogelijk wordt de richtlijn gepubliceerd op de websites van de betrokken Wetenschappelijke Verenigingen.

 

De werkgroep stelt de volgende activiteiten voor ter bevordering van de implementatie van de richtlijn hyperbilirubinemie.

  • Presentatie van de aanbevelingen van de richtlijn op wetenschappelijke bijeenkomsten van betrokken beroepsorganisaties.
  • Op eerstkomende wetenschappelijke jaarvergaderingen van de deelnemende verenigingen de bespreking van de richtlijn agenderen om ‘startproblemen’ met de richtlijn te inventariseren en bijstelling mogelijk te maken.
  • Ontwikkeling en gebruik van hulpmiddelen voor de implementatie van de richtlijn in de dagelijkse praktijk, zoals bijvoorbeeld een PDA-versie van de richtlijn.
  • Ontwikkeling van patiëntenvoorlichtingsmateriaal ter ondersteuning van de richtlijn.
  • De werkgroep adviseert  –waar relevant– delen van de richtlijn om te zetten in protocollen, rekening houdend met locale omstandigheden.
  • De locale implementatie van de richtlijn in de locale protocollen zal tijdens visitaties voor kwaliteit van zorg en opleiding worden geëvalueerd.
  • Regelmatige evaluatie van de voortgang in implementatie en navolging van de richtlijn; dit kan met de door een andere werkgroep geformuleerde indicatoren (zie volgende paragraaf).
  • Formuleren van resterende onderzoeksthema’s en vragen die voor verdere onderbouwing van de richtlijn noodzakelijk zijn en doorspelen daarvan aan de verschillende subsidiegevers en beleidsmakers.
  • Gerichte uitleg van de richtlijn in de media, zodat patiënten via eenvoudige en frequent geraadpleegde bronnen (tijdschriften, kranten) op de hoogte zijn van verandering in beleid.

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende anderhalf jaar aan de totstandkoming van de richtlijn. Er werd in twee subgroepen gewerkt, ruwweg de eerste en tweede lijn vertegenwoordigend.

Op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde zijn als uitgangspunt genomen voor de totstandkoming van de onderhavige richtlijn: de richtlijn ‘Management of Hyperbilirubinemia in the Newborn Infant 35 or More Weeks of Gestation’ van de American Academy of Pediatrics gepubliceerd in PEDIATRICS Vol. 114 No. 1 July 2004, en het hierbij horende Evidence Report/Technology Assessment Number 65 ‘Management of Neonatal Hyperbilirubinemia’ vervaardigd door de Agency for Healthcare Research and Quality.

De uiteindelijke tekst is d.d. 14 november 2007 aangeboden aan de participerende verenigingen ter becommentariëring. Op basis van de commentaren is de definitieve richtlijn opgesteld.

 

Met betrekking tot de adaptatie van de aanbevelingen uit de AAP-richtlijn is de volgende werkwijze gevolgd:

-              Voor een aantal uitgangsvragen (zie hieronder) is een update van de literatuur verricht met het doel wetenschappelijk bewijs te vergaren dat eventueel aanpassing van de aanbeveling nodig zou maken.

-              Vervolgens is van iedere aanbeveling nagegaan of deze in de Nederlandse context van de organisatie van zorg, met inbegrip van juridische en ethische aspecten, in het algemeen en het fenomeen van thuis- en poliklinische bevallingen in het bijzonder, toepasbaar is. In de appendix ‘Beoordeling van oorspronkelijke aanbevelingen’ is per aanbeveling welke overwegingen hebben geleid tot adaptatie van een aanbeveling.

 

De werkgroep heeft voor vijf uitgangsvragen – de enige vragen waarvoor ten behoeve van de AAP-richtlijn een systematisch literatuuronderzoek is verricht – een update van de literatuur uitgevoerd. Deze luiden als volgt:

  1. What is the relationship between peak bilirubin levels and/or duration of hyperbilirubinemia and neurodevelopmental outcome?
  2. What is the evidence for effect modification of the results of question 1 by gestational age, hemolysis, serum albumin and other factors?
  3. What are the quantitative estimates of efficacy of treatment for a) reducing peak bilirubin levels (eg, number needed to treat  [NNT] at 340 μmol/l to keep TSB from rising); b) reducing the duration of hyperbilirubinemia (eg, average number of hours by which time TSB is higher than 340 μmol/l may be shortened by treatment); and c) improving neurodevelopmental outcomes?
  4. What is the efficacy of various strategies for predicting hyperbilirubinemia, including hour-specific bilirubin percentiles?
  5. What is the accuracy of transcutaneous bilirubin (TcB) measurements?

 

In de AAP-richtlijn wordt voor iedere aanbeveling aangegeven op welke niveau van bewijs (uit de literatuur verkregen) deze is gebaseerd. Daartoe is in de AAP-richtlijn de onderstaande indeling gebruikt; deze indeling verschilt op een aantal punten van de door het CBO gehanteerde indeling:

A.       Well-designed, randomized, controlled trials or diagnostic studies on relevant populations

B.       Randomized, controlled trials or diagnostic studies with minor limitations; overwhelming, consistent evidence from observational studies

C.      Observational studies (case-control and cohort design)

D.      Expert opinion, case reports, reasoning from first principles

 

In de onderhavige richtlijn wordt bij iedere aanbeveling het niveau van bewijs aangegeven, zoals in de AAP-richtlijn vermeld, tenzij de met de literatuurupdate verkregen evidentie een ander niveau van bewijs aannemelijk maakte. De in de AAP-richtlijn gebruikte classificatie 

van bewijs is niet geconverteerd naar de door het CBO gebruikte indeling. De reden is dat de bewijskracht van de individuele studies voor de meeste AAP-aanbevelingen niet wordt weergegeven in de AAP-richtlijn, waardoor conversie niet mogelijk is.

De subgroepen zijn voor alle aanbevelingen in de AAP-richtlijn nagegaan of specifieke Nederlandse omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de organisatie van zorg of beschikbare voorzieningen, dan wel nieuwe evidentie uit de literatuur adaptatie van de oorspronkelijke aanbevelingen noodzakelijk maakte. In de appendix wordt hiervan verslag gedaan in de vorm van een tabellarisch overzicht.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.