Huiselijk geweld bij kinderen en volwassenen

Initiatief: NVvP Aantal modules: 31

Criteria bespreekbaar maken FHG plegers

Uitgangsvraag

Welke criteria zijn redenen om familiaal huiselijk geweld bespreekbaar te maken met het slachtoffer en de pleger?

Aanbeveling

De volgende zaken zijn redenen om het plegen van familiaal/partnergeweld bespreekbaar te maken:

  • seksueel misbruik, mishandeling in de jeugd
  • problematisch alcoholgebruik of misbruik van andere middelen
  • persoonlijkheidsstoornissen (met name cluster B)
  • overige psychische stoornissen, zoals PTSS, ADHD, autismespectrumstoornis
  • relatieproblemen.

Maak bij patiënten/cliënten met antisociale persoonlijkheid FHG alleen bespreekbaar als de veiligheid geborgd is.

 

Gebruik in het algemeen geen informatie van het slachtoffer om vragen te stellen aan een partner of familielid die geweld pleegt.

Overwegingen

Het ontbreken van gevalideerde methoden om in de gezondheidszorg geweldplegers te herkennen en dit geweld bespreekbaar te maken, maakt het zoeken naar handvatten voor beroepsbeoefenaars noodzakelijk. Criteria om geweld met een mogelijke pleger te bespreken zijn vooral gebaseerd op opinies van experts.

Het is niet onomstotelijk bewezen dat overmatig alcoholgebruik een sterk verband heeft met het plegen van geweld. Uit observationele studies onder slachtoffers blijkt dat familiaal- en partnergeweld vaak gepaard gaat met alcoholmisbruik. Psychiatrische problematiek wordt ook genoemd in de typologieën van geweldplegers. Denk aan borderlinepersoonlijkheids- stoornis, narcistische persoonlijkheidsstoornis, PTSS, passief-agressief gedrag, antisociale persoonlijkheid. Het herkennen van deze stoornissen kan het criterium zijn om te exploreren of er mogelijk sprake is van geweld. Hebben zij vuurwapens in huis dan is er extra risico voor het plegen van geweld in de relatie.

Indien er sprake is van psychopathie en een ernstig criminele geschiedenis of delinquentie, kan het bespreken onveilig zijn voor beroepsbeoefenaars, in het bijzonder voor niet ervaren beroepsbeoefenaren. Dutton & Golant (2000) hebben deze partnermishandelaars beschreven vanuit (klinische) behandelingspopulaties. Daarbij zijn de volgende typen te onderscheiden: psychopatische, overgeremde (neurotische), en cyclisch/emotioneel labiele (borderline, PTSS). Of hiermee alle typen beschreven zijn, is niet bekend.

In richtlijnen voor huisartsen (VS, Canada, internationaal) wordt het voeren van echtpaargesprekken in situaties waarin partnergeweld aan de orde is, ontraden aan beroepsbeoefenaars die daar niet in gespecialiseerd zijn. Geweldplegers die zelf om hulp vragen bij hun probleem worden bij voorkeur ook gescreend op middelenmisbruik en daarvoor eventueel verwezen (Taft et al., 2006). Geweldplegers zijn vaak opgelucht als zij over hun probleem kunnen praten met een beroepsbeoefenaar. Angst voor het verlies van de relatie of het gezin is vaak reden hulp te zoeken. Een jeugd waarin de pleger getuige was van geweld en/of zelf mishandeld werd, komt veel voor (Spatz-Widom, 2000).

Informatie van de partner, het familielid of het slachtoffer kan nooit gebruikt worden om zonder diens toestemming vragen te stellen aan een vermoedelijke pleger van geweld. Dit wordt zelfs uitdrukkelijk ontraden in buitenlandse richtlijnen omdat de veiligheid van het slachtoffer niet gegarandeerd kan worden.

Richtlijnen voor de eerste lijn adviseren plegers met een antisociale persoonlijkheid en psychopathie niet primair voor cognitieve gedragstherapie te verwijzen. Hierover is een discussie gaande tussen gespecialiseerde behandelaars. Het verwijzen naar gespecialiseerde plegerhulpverlening wordt geadviseerd.

De invloed van cultuur op gewelddadig gedrag is nog in discussie. In Duitsland zijn bij landelijk epidemiologisch onderzoek onder scholieren aanwijzingen gevonden voor een relatie tussen geweld en cultuurgebonden normen voor masculien gedrag (Enzmann e.a., 2003).

Onderbouwing

Bespreekbaar maken van FHG met de pleger is in de praktijk essentieel. In de literatuur is hier weinig aandacht voor.

Niveau 1

Er is een verband aangetoond tussen het plegen van FHG en problematisch alcoholgebruik. De sterkte van dat verband is niet duidelijk.

 

A1 Gil-Gonzalez et al., 2006

 

Niveau 3

Het lijkt waarschijnlijk dat mannelijke plegers van geweld vaker slachtoffer zijn van seksueel geweld in hun jeugd dan niet-plegers.

 

C Glasser et al., 2001

Studies over plegers van FHG gaan vooral over mannelijke plegers. De meeste studies onderzoeken achtergronden van geweldplegers om tot typering van plegers te komen. Onderzoek in de zorg waarin het bespreken van geweld met plegers centraal staat, ontbreekt vrijwel geheel. Uit de search kwamen vooral studies naar voren die psychologische kenmerken (typologie) van plegers van geweld onderzochten in vergelijking met niet-plegers. Het bespreekbaar maken van een vermoeden van FHG met een mogelijke pleger, gebeurt bij voorkeur als er signalen zijn. Het is niet mogelijk om op basis van onderzoek zekerheid te geven welke signalen dit zijn. Over het screenen van alle patiënten/cliënten naar het plegen van FHG zijn geen studies gevonden. Zie Bijlage Q voor een toelichting op de gevonden studies.

MeSH

Vrije tekstwoorden

"Health-Services"/ utilization

"Women's-Health-Services"/ utilization

"Comorbidity"/ all subheadings

"Chronic-Disease"/ all subheadings explode

"Infant-Low-Birth-Weight"/ all

"Health-Status-Indicators" in MIME,MJME,PT

((witness* or exposur*) near5 (abus* or violenc* or maltreat* or neglect*)) in ti,ab

  1. Brown, J.B., Lent, B., & Sas, G. (1993). Identifying and treating wife abuse. The Journal of Family Practice, 36, 185-191.
  2. Brown, J.B., Lent, B., Schmidt, G., et al. (2000). Application of the Woman Abuse Screening Tool (WAST) and WAST-short in the family practice setting. The Journal of Family Practice, 49, 896-903.
  3. Chang, J.C., Decker, M.R., Moracco, K.E., et al. (2005). Asking about intimate partner violence: advice from female survivors to health care providers. Patient Education and Counseling, 59, 141-147.
  4. Cohen, S., de Vos, E., & Newberger E. (1997). Barriers to physician identification and treatment of family violence: lessons from five communities. Academic Medicine, 72(Suppl. 1), S19-25.
  5. Dutton, D., & Golant, S. (2000). De partnermishandelaar. Een psychologisch profiel (1ste druk) (p. 195). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  6. Easteal, P.W., & Easteal, S. (1992). Attitudes and practices of doctors toward spouse assault victims: an Australian study. Violence and Victims, 7, 217-228.
  7. Enzmann, D. & Wetzels, P. (2003). Ethnic differences in juvenile delinquency: The role of violence legitimizing norms of masculinity. In F. Dünkel & K. Drenkhahn (Eds.), Youth violence: Newpatterns and local responses - Experiences in East and West (pp. 316-345). Mönchengladbach: Forum Verlag Godesberg.
  8. Family Violence Prevention Fund, Conrad N. Hilton Foundation & the U.S. Department of Health and Human Services. (1999). San Francisco Preventing domestic violence: clinical guidelines on routine screening; www.fvpf.org en http://www.ama-assn.org/ama/upload/mm/386/guidelines.pdf
  9. Gil-Gonzalez, D., Vives-Cases, C., Alvarez-Dardet, C., et al. (2006). Alcohol and intimate partner violence: do we have enough information to act? European Journal of Public Health, 16, 279-285.
  10. Glasser, M., Kolvin, I., Campbell, D., et al. (2001). Cycle of child sexual abuse: links between being a victim and becoming a perpetrator. The British Journal of Psychiatry, 179, 482-494; discussion 495-497.
  11. Hamberg, K., Johansson, E.E., & Lindgren, G. (1999). 'I was always on guard'--an exploration of woman abuse in a group of women with musculoskeletal pain. Family Practice, 16, 238-244.
  12. Hamberger, L.K., Ambuel, B., Marbella, A., et al. (1998). Physician interaction with battered women: the women's perspective. Archives of Family Medicine, 7, 575-582.
  13. Hegarty, K.L., & Taft, A.J. (2001). Overcoming the barriers to disclosure and inquiry of partner abuse for women attending general practice. Australian and New Zealand Journal of Public Health, 2001, 25(5): 433¬437.
  14. Lo Fo Wong, S.H., De Jonge, A., Wester, F., et al. (2006). Discussing partner abuse: does doctor's gender really matter? Family Practice, 23(5): 578-586.
  15. Lo Fo Wong S, Wester F, Mol S, Römkens R, Hezemans D, Lagro-Janssen T. (2008). Talking matters: abused women's views on disclosure of partner abuse to the family doctor and its role in handling the abuse situation. Patient Education and Counseling 2008:70; 386-394.
  16. Ramsay, J., Richardson, J., Carter, Y.H., et al. (2002). Should health professionals screen women for domestic violence? Systematic review. BMJ, 325, 314.
  17. Richardson, J.Coid, J.Petruckevitch, A.Chung, W. S.Moorey, S.Feder, G. Identifying domestic violence: cross sectional study in primary care. BMJ 2002; 324: 274
  18. RNAO. Registered Nurses' Association of Ontario (2005). Woman abuse: screening, identification and initial response: nursing best practice guidelines program. Zie: www.rnao.org/bestpractices
  19. Rose, K., & Saunders, D. (1986). Nurses' and physicians' attitudes about women abuse: the effects of gender and professional role. Health Care for Women International, 7, 427-438.
  20. Saunders, D., & Kindy, P.J. (1993). Predictors of physicians' responses to woman abuse: the role of gender, background, and brief training. Journal of General Internal Medicine, 8, 606-609.
  21. Sugg, N.K., & Inui, T. (1992). Primary care physicians' response to domestic violence. Opening Pandora's box. JAMA, 267, 3157-3160.
  22. Taft, A., Hegarty, K., & Feder, G. (2006). Guidelines for family practitioner management of the whole family when intimate partner violence is present (submitted) (p. 9). Melbourne: Victorian Community Council on Crime and Violence.
  23. Widom, C.S. (2000). Childhood victimization: early adversity, later psychopathology. National Institute of Justice Journal, januari 2000, 3-9. zie: http://www.ncirs.gov/pdffiles1/ir000242b.pdf
  24. Zink, T. (2000). Should children be in the room when the mother is screened for partner violence? The Journal of Family Practice, 49, 130-136.
  25. Zink, T., Elder, N., Jacobson, J., et al. (2004). Medical management of intimate partner violence considering the stages of change: precontemplation and contemplation. Annals of Family Medicine, 2, 231¬239.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd  : 01-01-2009

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. Uiterlijk in 2013 bepaalt de NVvP of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De andere aan deze richtlijn deelnemende beroepsverenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewaken van de actualiteit van de aanbevelingen in de richtlijn. Hen wordt verzocht relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied kenbaar te maken aan de eerstverantwoordelijke.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Algemene gegevens

De richtlijn is tot stand gekomen met ondersteuning van Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (CBO) en het Trimbos-instituut en met financiële steun van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, ZonMw.

 

In samenwerking met:

  • Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
  • Nederlandse Vereniging Sociaal Psychiatrische Verpleegkunde
  • Verpleegkundigen Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp
  • Artsen Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
  • Beroepsvereniging van Orthopedagogen en Klinisch Pedagogen met een Academische Opleiding
  • Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen
  • Vereniging voor Vertrouwensartsen inzake Kindermishandeling
  • Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie
  • Movisie

Doel en doelgroep

Doelstelling

Een richtlijn bevat aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. In de conclusies wordt aangegeven wat de wetenschappelijke stand van zaken is. De aanbevelingen expliciteren optimaal professioneel handelen in de gezondheidszorg en zijn gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, aansluitende meningsvorming en overige overwegingen. Deze richtlijn is bedoeld voor alle werkers in de somatische en geestelijke gezondheidszorg en geeft een leidraad voor de dagelijkse praktijk van familiaal huiselijk geweld (FHG) bij kinderen en volwassenen. De richtlijn heeft een algemeen karakter, kan gebruikt worden om beroepsspecifieke richtlijnen te formuleren en biedt aanknopingspunten voor bijvoorbeeld lokale (instituuts- of regiogebonden) protocollen en/of transmurale zorgafspraken.

 

Doelgroep

De richtlijn is geschreven voor alle beroepsgroepen in de eerste-, tweede en derdelijnsgezondheidszorg. Immers alle beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg kunnen in aanraking komen met cliënten die te maken hebben met FHG. De werkgroep heeft zich gerealiseerd dat ook beroepsbeoefenaars in aanpalende gebieden van de gezondheidszorg, zoals de welzijnszorg, ook te maken hebben met en soms intensief betrokken zijn bij FHG. De geformuleerde aanbevelingen kunnen ook voor hen bruikbaar zijn. De specifieke setting kan aanpassingen noodzakelijk maken.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2007 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die met FHG te maken hebben. De samenstelling van de werkgroep is getoetst door FHG experts en dit heeft tot uitbreiding van de werkgroep geleid. Daarnaast is een klankbordgroep samengesteld waarin professionals zitting hebben genomen op persoonlijke titel en op basis van hun expertise. Vanwege borging van voortgang en werkbaarheid was het ondoenlijk om alle beroepsorganisaties als lid van de werkgroep te betrekken.

Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met geografische spreiding en evenredige vertegenwoordiging van verschillende verenigingen, ‘scholen’ en academische achtergrond. De werkgroepleden zijn door de wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname en de samenstelling van de werkgroep is goedgekeurd door alle deelnemende wetenschappelijke verenigingen. De werkgroepleden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de tekst.

 

Werkgroep

  • Mw. drs. C.H. Blaauw-Witteveen, vertrouwensarts inzake Kindermishandeling, AMK Zuid-Holland, Gouda. Namens de Vereniging voor Vertrouwensartsen inzake Kindermishandeling.
  • Dhr. prof. dr. F. Boer, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, opleider bij de Bascule, Amsterdam. Namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. J. de Boer, maatschappelijk werker, GGZ, Den Helder. Namens de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. (Tot 1 augustus 2007.)
  • Mw. drs. I.J.M.    Boomsma, psychiater, GGZ in Geest, Amsterdam. Namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (Tot 1 juli 2007.)
  • Dhr. drs. J.M. Broekmeijer, psycholoog, De Waag, Almere. Namens het Nederlands Instituut van Psychologen. (Tot 1 januari 2008.)
  • Mw. dr. R. del Canho, kinderarts, Maasziekenhuis, Locatie Zuider, Rotterdam. Namens de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde.
  • Mw. M.A. Doedens, maatschappelijk werker, Kwadraad, Alphen aan den Rijn. Namens de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. (Vanaf 1 augustus 2007.) Mw. drs. E.R. Fischer, adviseur, Trimbos-instituut, Utrecht.
  • Mw. drs. J.W. Hagemeijer, adviseur werkgroep, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Utrecht. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. N. Heerdink-Obenhuijsen, jeugdarts, wetenschappelijk medewerker TNO KvL Leiden. Namens Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland. (Vanaf april 2008.)
  • Mw. drs. S.P.J. Herreman, psychiater,  GGZ Nijmegen, Nijmegen. Namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (Vanaf 1 september 2007.)
  • Dhr. D.L. Kramer, sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, GGZ Kop van Noord-Holland, Den Helder. Namens de Nederlandse Vereniging van Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundigen. (Tot 1 mei 2008.)
  • Mw. prof. dr. F. Lamers-Winkelman, bijzonder hoogleraar preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling, Vrije Universiteit, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, Amsterdam. Namens de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen. (Vanaf september 2007. Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. M.J. van Lawick, hoofd opleidingen, Lorentzhuis, Haarlem. Namens de Nederlandse Vereniging voor Relatie en Gezinstherapie. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. dr. S.H. Lo Fo Wong, huisarts, UMC St Radboud, Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, Nijmegen. Namens het Nederlands Huisartsen Genootschap. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Dhr. P. Machielse, SEH-verpleegkundige, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam. Namens de Nederlandse Vereniging Spoedeisende Hulp Verpleegkundigen.
  • Dhr. drs. G.J. Prosman, eerstelijnspsycholoog, UMC St. Radboud, Nijmegen. Namens de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen. (Tot mei 2008.)
  • Mw. drs. H. Room, gedragswetenschapper, Ma Zandbergen, Utrecht. Namens de Beroepsvereniging van Orthopedagogen en Klinisch Pedagogen met een Academische Opleiding.
  • Mw. prof. dr. C. de Ruiter, professor forensische psychiatrie, Universiteit Maastricht, Maastricht. Namens het Nederlands Instituut van Psychologen. (Vanaf april 2008.)
  • Mw. dr. H.A. Scholing, klinisch psycholoog, Centrum De Waag, Amsterdam. Namens de Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Dhr. P.F. Steenkist, sociaalpsychiatrische verpleegkundige, GGZ Westelijk Noord- Brabant. Namens de Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland. (Vanaf april 2008.)
  • Dhr. prof. dr. W. van Tilburg, emeritus hoogleraar klinische psychiatrie (voorzitter), Aalsmeer. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. L.M.M. Veraart-Schelfhout, huisarts n.p., Velp. Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, Nijmegen. Namens het Nederlands Huisartsen Genootschap. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. M.M. Visser, klinisch psycholoog, Kinder- en Jeugdtraumacentrum/Jeugdriagg NHZ, Haarlem. Namens de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen. (Vanaf 1 september 2007.)
  • Mw. drs. M.M. Wagenaar-Fischer, wetenschappelijk medewerker en jeugdarts, TNO Kwaliteit van Leven, Leiden. Namens Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland.
  • Mw. dr. M.M. Wegelin, GZ-psycholoog en hoofd behandeling stichting Toevluchtsoord te Groningen (vrouwenopvang en ambulante hulpverlening bij huiselijk geweld).
  • Mw. dr. Y. Winants, arts-beleidsmedewerker, Movisie, Utrecht. Namens Movisie.
  • Mw. drs. M.A. Witten, SEH-arts, Diakonessenhuis te Utrecht. Namens de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen.

Belangenverklaringen

Een map met verklaringen van werkgroepleden over mogelijke financiële belangenverstrengeling ligt ter inzage bij het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en een overzicht is hieronder weergegeven. Er zijn geen bijzondere vormen van belangenverstrengeling gemeld.

 

 

Overzicht belangenverklaringen werkgroepleden

Activiteiten die de leden van de werkgroep Familiaal Huiselijk Geweld in de afgelopen drie
jaar hebben ontplooid op uitnodiging van of met subsidie van de farmaceutische industrie.

 

Werkgroeplid

Firma

Activiteit

Anders

Mw.       drs.        C.H.

Blaauw-Witteveen

 

Geen

 

Prof.dr. F. Boer

 

Geen

 

Mw. J. de Boer

 

Geen

 

Mw.      drs.       I.J.M.

Boomsma

Wyeth        (sponsor

symposium)

Astra Zeneca

Cursus        (2x        wel

vergoeding gekregen)

Workshopleider        in

symposium           voor

huisartsen            Zuid-

Kennemerland Voorzitter symposium t.b.v.          psychiaters

Geestgronden

Drs. J.M. Broekmeijer

 

Geen

 

Mw. dr. R. del Canho

 

Geen

 

Mw. M.A. Doedens

 

Geen

 

Mw.         drs.          N.

Heerdink-

Obenhuijsen

 

Geen

 

Mw. drs. S.P.J. Herreman

 

Geen

 

D.L. Kramer

 

Geen

 

Mw.       prof.dr.       F.

Lamers-Winkelman

 

Geen

 

Mw. drs. M.J. van Lawick

 

Geen

 

Mw. dr. S.H. Lo Fo Wong

 

Geen

 

P. Machielse

NVSHV

 

Ontwikkeling landelijke protocollen SEH

Drs. G.J. Prosman

 

Geen

 

Mw. drs. H. Room

 

Geen

 

Mw. prof.dr. C. de Ruiter

 

Geen

 

Mw. dr. H.A. Scholing

 

Geen

 

P.F. Steenkist

 

Geen

 

Prof.dr.     W.      van Tilburg

Lundbeck, Lily

Cursus (niet in dienst)

 

Mw. drs. L.M.M. Veraart-Schelfhout

 

Geen

 

Mw. drs. M.M. Visser

 

Geen

 

Mw.       drs.       M.M.

Wagenaar-Fischer

 

Geen

 

Mw.        dr.        M.M.

Wegelin

 

Geen

 

Mw. dr. Y. Winants

Movir

Wetenschappelijk onderzoek naar ‘burn- out’ onder huisartsen

 

Mw. drs. M.A. Witten

 

Geen

 

Inbreng patiëntenperspectief

Movisie heeft ervaring met het in kaart brengen van het slachtoffer- en plegersperspectief bij familiaal huiselijk geweld. Daarover heeft Movisie bij de werkgroep documentatiemateriaal aangeleverd (persoonlijke verhalen van slachtoffers; uitgaven van de Vereniging tegen seksuele kindermishandeling; www.movisie.nl). De werkgroep heeft gebruikgemaakt van de inhoud van deze documentatie voor de formulering van overwegingen vanuit patiëntenperspectief.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Tijdens de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn is verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en instellingen. Een samenvatting van de richtlijn is gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van het Trimbos-instituut (www.trimbos.nl of www.ggzrichtlijnen.nl) en het CBO (www.cbo.nl).

Werkwijze

De werkgroep heeft twee jaar (veertien vergaderingen) aan de totstandkoming van de richtlijn gewerkt. De werkgroepleden zochten systematisch naar literatuur en beoordeelden kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreven zij een paragraaf of hoofdstuk waarin de literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De conceptrichtlijn is eind 2008 schriftelijk aan alle betrokken beroepsverenigingen aangeboden. De ontvangen commentaren zijn waar mogelijk verwerkt in de definitieve richtlijn.

 

Uitgangsvragen

De werkgroep is bij het opstellen van de uitgangsvragen uitgegaan van het proces van signaleren, herkennen, bespreken, handelen, melden, diagnostiek en behandeling bij familiaal huiselijk geweld. De richtlijn gaat niet in op specifieke thema’s, zoals mishandeling van en door ouderen, mishandeling van personen in een instelling, eergerelateerd geweld of oudermishandeling (kinderen die hun ouders mishandelen). De omvang van het onderwerp heeft de diepgang soms beperkt.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht in de Cochrane database, Medline, PsycINFO, en bij vragen waar dit relevant is ook in Cinahl, vanaf 1996 tot en met maart 2006. Voor de gehanteerde zoektermen wordt verwezen naar Appendix C. Op verzoek zijn de volledige zoekstrategieën beschikbaar. Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van opgevraagde literatuur en zijn enkele relevante publicaties tot januari 2009 meegenomen. Lopend onderzoek is buiten beschouwing gelaten.

De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de standaardindeling gebruikt: zie tabel 1. Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld.

De beoordeling van de verschillende artikelen is opgenomen in bijlage Q en soms ook onder het kopje ‘samenvatting van de literatuur’. Het wetenschappelijk bewijs is vervolgens kort samengevat in een ‘conclusie’. De belangrijkste literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs (zie tabel 2).

Voor het formuleren van een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs vaak nog andere aspecten van belang, bijvoorbeeld patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘overige overwegingen’. In de overige overwegingen spelen de ervaring en de mening van de werkgroepleden een belangrijke rol. De ‘aanbeveling’ is het resultaat van de combinatie van het beschikbare bewijs en de overige overwegingen. Voor een aantal vragen zijn evidencetabellen gemaakt (zie Appendix O).

 

Tabel 1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 2: Niveau van bewijs van de conclusie

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

Eén onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Eén onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.

 

Kwalitatief onderzoek

Uitgangspunt voor het graderen van het bewijs uit individuele kwalitatieve studies is de ‘score’ van een studie op basis van het literatuurbeoordelingsformulier (zie website CBO). In dit formulier staan zeven items (onderzoeksdoel, onderzoeksmethode, selectie van onderzoekspersonen, technieken voor dataverzameling, theoretisch kader, data-analyse, weergave van conclusies en resultaten) vermeld waarmee de kwaliteit van een studie kan worden geïnventariseerd. Aan de hand van de afzonderlijke oordelen ten aanzien van de zeven items komt de beoordelaar tot een eindoordeel. Dit gebeurt in termen van de mate van geloofwaardigheid van een studie.

Wanneer het een synthese van kwalitatieve studies betreft, is de beoordeling deels identiek aan die van een systematische review van kwantitatieve studies. Hiervoor kunnen de eerste zes items (vraagstelling, zoekactie, selectieprocedure, data-extractie, kwaliteitsbeoordeling, beschrijving van primaire studies) van het beoordelingsformulier van een systematische review van RCT’s worden gebruikt. Een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor een goede synthese is dat de meeste van de zes items voldoende zijn gescoord.

Van een goede metasynthese (niveau ++) is sprake wanneer:

- de thema’s/metaforen en ervaringen van onderzoekspersonen zoals gerapporteerd in de individuele studies, sterk op elkaar lijken (‘consistentie’), en

- de onderzoekspersonen en beschreven interventies steeds de relevante populatie en interventies betreffen (‘directheid’), en

- vrijwel alle individuele studies niveau + hebben.

Wordt aan deze voorwaarden niet helemaal voldaan, dan kan afhankelijk van de mate waarin dat het geval is, het niveau worden verlaagd tot +/- of tot -.

 

Tabel 3: Gradering van kwalitatief onderzoek

Niveau

Studie

++

Geloofwaardige metasynthese  (synoniemen: meta-etnografie, kwalitatieve meta-analyse, metastudie) van kwalitatieve studies.

+

Geloofwaardige studie.

+/-

Studie waarvan de geloofwaardigheid twijfelachtig is.

-

Weinig geloofwaardige studie.

 

Noot

Deze (concept)richtlijn is opgesteld aan de hand van het Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation (AGREE) instrument. Dit instrument is in een Europees verband opgesteld om de procedurele kwaliteit van richtlijnen te kunnen beoordelen. Door de aspecten van AGREE te verwerken in de inleiding van de richtlijn, wordt duidelijk aan welke kwaliteitseisen is voldaan.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Handelen beroepsbeoefenaar FHG volwassenen