Huiselijk geweld bij kinderen en volwassenen

Initiatief: NVvP Aantal modules: 31

Diagnostiek behandelplan plegers volwassenen

Uitgangsvraag

Welke diagnostiek is bij plegers van familiaal huiselijk geweld nodig voor een adequaat behandelingsplan?

Aanbeveling

Bij deze module zijn geen aanbevelingen geformuleerd.

Overwegingen

Variabelen bij de diagnostiek

Over hoe kenmerken van (subtypes van) plegers samenhangen met de keuze van interventies en behandelresultaten is weinig bekend. Onderzoekresultaten bieden onvoldoende houvast en zijn soms strijdig met algemene klinische ervaringen. Zo vond een studie dat afhankelijke plegers het relatief goed deden met een inzichtgevende benadering; uit een andere studie kwamen geen aanwijzingen dat het antisociale type minder van een behandeling zou profiteren dan de beide andere types.

Omdat veel variabelen belangrijk (kunnen) zijn tijdens het diagnostische proces en omdat ze verschillen per pleger/slachtoffer/partnerrelatie moet de diagnostiek in eerste instantie een globale inventarisatie van alle relevante gebieden omvatten. Daarna kan per gebied nadere diagnostiek plaatsvinden, die dan bij voorkeur zo gestructureerd mogelijk plaatsvindt.

Uit onderzoek is gebleken dat sommige partners wederzijds geweld gebruiken. Het is voor de keuze van behandeling belangrijk om bij elk paar standaard te inventariseren welke partner, in welke mate en wanneer fysiek en/of psychisch geweld gebruikt. Relaties waarin sprake is van intiem terrorisme kenmerken zich door een patroon van eenzijdige of wederzijdse controle. Een grote groep is mannen die hun vrouw willen controleren. Cruciaal is controlegedrag dat de vrijheid van de ander aantast. Controlegedrag differentieert eerder tussen verschillende paren dan het fysieke geweld. Relaties met een loverboy vallen bijvoorbeeld onder deze groep: ook daarin staat de controle van het slachtoffer om haar te kunnen gebruiken voor eigen gewin centraal. Geweld is dan een controle-instrument. Bij intiem terrorisme en controlerend gedrag lijken andere therapeutische interventies aangewezen dan bij veel voorkomend geweld zoals escalerende ruzies.

Dat tot nu toe zo weinig zelfbeschrijvingsvragenlijsten zijn ontwikkeld, komt mogelijk deels door de twijfel achtige bruikbaarheid van dit type instrumenten, zeker waar het gaat om informatie over het geweld. Er zijn diverse aanwijzingen dat plegers geneigd zijn het geweld te bagatelliseren. Ook semi-gestructureerde interviews (anders dan de instrumenten voor risicotaxatie) zijn voor zover bekend niet psychometrisch onderzocht.

 

Diagnostiek in de Nederlandse praktijk - Plegers

In Nederland is (nog) geen eenduidig beleid voor diagnostiek bij plegers van FHG. Er zijn wel veel overeenkomsten in werkwijze. In grote lijnen omvat diagnostiek bij plegers die voor een behandeling worden aangemeld, een aantal onderdelen. Gestart wordt met een algemene screening waarin voor deze cliënt relevante thema’s kort worden nagevraagd. Op basis hiervan wordt besloten om bepaalde thema’s verder uit te diepen. In deze algemene screening komen (in elk geval) de volgende onderwerpen aan bod:

  • aard en frequentie van het geweld zoals gerapporteerd door de pleger, in de huidige relatie en in eventuele eerdere relaties; eenzijdig geweld of wederzijds geweld
  • geweld jegens anderen dan de partner: in elk geval eventuele kinderen, mogelijk ook mensen buiten het gezin
  • hoe de pleger tegen het gebruik van het geweld aankijkt (doel van het geweld; rechtvaardiging; spijt?)
  • motivatie van de pleger om het eigen gedrag te veranderen
  • gebruik van alcohol en drugs en de relatie daarvan met het geweld
  • lichamelijke en psychische kenmerken, klachten en problemen van de pleger, waaronder ook persoonlijkheidskenmerken
  • informatie over verschillende leefgebieden: opleiding, werk, sociaal netwerk, vrijetijdsbesteding
  • gezin van herkomst, eventuele mishandeling binnen dat gezin
  • eerste, globale inschatting van het risico op nieuw geweld; bespreking hoe de veiligheid van de gezinsleden kan worden gewaarborgd.

 

Na de algemene screening zijn enkele sessies nodig voor risicotaxatie met een gestructureerd instrument, al dan niet specifiek gericht op partnergeweld. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan verdere motivering van de pleger om aan de behandeling deel te nemen. In deze fase wordt zo snel mogelijk de partner tenminste één keer uitgenodigd, om haar/zijn visie te horen en om afspraken over de time-out te maken.

Onderbouwing

In deze paragraaf wordt eerst relevante literatuur besproken over diagnostiek bij plegers, verdeeld in 1. plegertypologieën, 2. verschillen tussen plegers en mannen die geen FHG plegen en 3. kenmerken van plegers die voorspellend zijn voor behandelresultaat. Gebruikte overzichtspublicaties zijn Hilton & Harris (2005) en de meta-analyse van Hanson et al., (2007) voor risicotaxatie, Dixon & Browne (2003) en Dutton (2006) voor plegertypologieën, en Scott (2004) en Babcock & LaTaillade (2000) voor voorspellers van behandelresultaat.

Niveau 1

Onderzoek naar subtypes leverde tot nu toe vrij consistent drie types geweldplegers op, die zich vooral onderscheiden op persoonlijkheidstrekken of -stoornissen: 1. een algemeen gewelddadig/antisociaal type,  2. een dysfoor/bordeline type en 3. een type dat alleen binnenshuis gewelddadig is en gekenmerkt wordt door afhankelijke, vermijdende en dwangmatige trekken.

 

A1 Dixon & Browne, 2003; Dutton, 2006

 

Niveau 1

Uit onderzoek kwam een relatief stabiele tweedeling in plegers naar voren op basis van de ernst van het gepleegde geweld: ernstig geweld versus licht geweld. Ernstig geweld wordt vooral gepleegd door de types 1 en 2 uit de voorgaande conclusie, lichter geweld vooral door type 3.

 

A1 Dixon & Browne, 2003; Dutton, 2006; Holtzworth-Munroe & Meehan, 2004

 

Niveau 2

Er zijn aanwijzingen dat de types 1 en 2 relatief stabiel zijn, dat wil zeggen langdurig en naar verschillende partners gewelddadig zijn, terwijl type 3 daarin minder voorspelbaar is. Verondersteld wordt dat bij dit laatste type het geweld meer afhankelijk is van relatiefactoren en van kenmerken van de partner.

 

A2 Holtzworth-Munroe & Meehan, 2004

 

Niveau 1

Van enkele variabelen is bekend dat ze enigszins voorspellend zijn voor nieuw geweld. Dit betreft onder meer een relatief jonge leeftijd, een lagere sociaaleconomische klasse, een geschiedenis van relatieconflicten, verbale agressie of psychisch geweld, ernst van eerder geweld en eerdere arrestaties voor partnergeweld. De voorspellende waarde van deze variabelen is echter te laag voor gebruik bij individuele cliënten. Een van de meest consistente voorspellers voor partnergeweld en bruikbaar voor individuele cliënten is alcoholmisbruik.

 

A1 Hilton & Harris, 2005

 

Niveau 3

Hoewel voor diverse variabelen verschillen zijn gevonden tussen plegers van partnergeweld en niet-mishandelende mannen, zijn er tot nu toe geen aanwijzingen dat een behandeling specifiek gericht op deze kenmerken leidt tot betere resultaten in termen van minder recidive.

 

B Scott, 2004

Plegertypologieën

Eind jaren zeventig van de twintigste eeuw ontstond oog voor de grote heterogeniteit binnen de groep plegers van partnermishandeling. In deze periode werden de eerste pogingen ondernomen om subtypes binnen de groep partnermishandelaars te onderscheiden. In de jaren daarna werd dit onderwerp met name door Saunders (1992), Holtzworth-Munroe & Stuart (1994) en Holtzworth-Munroe et al. (o.a. 2000, 2003) verder uitgewerkt. Dixon & Browne (2003) namen de driedeling van Holtzworth-Munroe & Stuart als uitgangspunt en gingen na in hoeverre andere typologieën deze driedeling ondersteunden. Dutton (2006) vergeleek de typologieën die in de jaren daarvoor waren gepubliceerd en concludeerde dat het merendeel op min of meer dezelfde driedeling uitkwam. Alle typeringen in deze tabel zijn gebaseerd op persoonlijkheidstrekken c.q. -stoornissen. Zie voor gedetailleerde informatie Bijlage Q.

 

Vergelijking van plegertypologieën (Duton, 2006)

Hamberger & Hastings

Holtzworth-Munroe & Stuart

Saunders

Tweed & Dutton

Antisociaal/narcistisch

Algemeen

gewelddadig/antisociaal

Algemeen

gewelddadig

Instrumenteel/ondergecontroleerd

Schizoid/borderline

Dysforisch/borderline

Emotioneel

wisselend

Impulsief/ondergecontroleerd

Afhankelijk/dwangmatig

Alleen gezin/Passief- afhankelijk

Emotioneel

ingehouden

Impulsief/overgecontroleerd

 

 

Verschillen tussen mannelijke plegers partnergeweld en niet-gewelddadige mannen

De eerste studies waarin kenmerken van partnermishandelaars werden vergeleken met die van niet-gewelddadige mannen werden eind jaren zeventig van de twintigste eeuw gepubliceerd. Zie onderstaand overzicht voor variabelen die gevonden zijn.

 

Kenmerken waarin plegers verschillen van niet-gewelddadige mannen (Dixon & Browne, 2003)

Geringe assertiviteit                     (Dutton & Strachan, 1987; Goldstein & Rosenbaum, 1985)

Lage zelfwaardering                    (Flemming, 1979; Goldstein & Rosenbaum, 1985; Saunders, 1995)

Gebrekkige sociale                     (Elbow, 1977; Goldstein & Rosenbaum, 1985; Walker, 1979)

vaardigheden

 

 

Alcohol- en drugsmisbruik

(O'Leary, 1993; Tolman & Bennet, 1990)

Slechte impulscontrole

(Bernard & Bernard, 1984; O'Leary, 1993)

Cognitieve verstoringen

(O'Leary, 1993; Saunders, 1995)

Overmatige afhankelijkheid

(Bernard & Bernard, 1984; Elbow, 1977; Purdy & Nickle, 1981; Shupe, Stacy & Hazelwood, 1987)

Gewelddadige achtergrond

(Gayford, 1975; Hotaling & Sugarman, 1986; Straus, Gelles & Steinmetz, 1980)

Voorgeschiedenis van gewelddadig gedrag

(Convit, Jaeger, Lin, Meisner & Volavka, 1988; Walker, 1979)

Antisociale persoonlijkheid

(Flournoy & Wilson, 1991; Gottman et al., 1995)

 

De belangrijkste conclusie uit onderzoeken naar persoonlijkheidskenmerken van plegers is dat de groep bijzonder heterogeen is samengesteld (Scott, 2004). Gemiddeld scoren plegers van partnergeweld hoger op schalen die narcistische, vermijdende, antisociale, woedende en impulsieve persoonlijkheidstrekken meten. Deze factoren worden regelmatig aangetroffen bij plegers van partnermishandeling, maar de voorspellende waarde van de individuele variabelen is gering of geheel afwezig. Zelfs binnen de groep met een antisociale persoonlijkheidsstoornis maakt ‘slechts’ zo’n 25% zich ook schuldig aan partner- mishandeling. De vraag is wat de implicaties van deze bevindingen zijn voor de keuze van interventies. Leidt verbetering van assertiviteit, sociale vaardigheden, impulscontrole of vermindering van cognitieve verstoringen, overmatige afhankelijkheid tot minder geweld?

 

Voorspellers van behandelresultaat

Scott (2004) onderzocht voorspellers van behandelresultaat. Zijn bevindingen: Persoonlijkheidstrekken en -stoornissen: uit onderzoek van Dutton et al. (1997) bleek dat mannen met ‘klinische’ scores op schalen voor borderline, antisociale en vermijdende trekken minder vaak verbeterden tijdens een behandeling dan mannen die gemiddeld scoorden op deze aspecten.

Middelenproblematiek: diverse onderzoeken toonden aan dat: 1. plegers van partnermishandeling vaker een alcoholprobleem hebben dan andere mannen en 2. mannen met een alcoholprobleem hun partner vaker mishandelen dan andere mannen. Vooral het blijven doorgaan met alcoholmisbruik bleek een belangrijke voorspeller van nieuw geweld.

Jeugdtrauma’s: er zijn schattingen dat een derde van de mannen die als kind werden mishandeld zelf later gaan mishandelen. Verder bleek uit diverse onderzoeken dat deze mannen het moeilijkste te behandelen zijn. Ze gaan langer door met geweld, stoppen vaker met behandeling en recidiveren ook vaker na behandeling.

Relatievaardigheden: mannen die een behandeling goed afrondden, bleken niet beter in relatievaardigheden (met name zelfexpressie, het vermogen om met hun partner te onderhandelen en conflict-oplossingsvaardigheden) dan drop-outs. Er is beperkte steun voor de hypothese dat plegers die leren om conflict-de-escalatiestrategieën te gebruiken, na de behandeling minder vaak geweld gebruiken.

Hechting: diverse onderzoeken tonen aan dat plegers van partnergeweld minder vaak een veilige hechtingsstijl tonen dan andere mannen. Er zijn nog geen studies gedaan naar het effect van behandeling op hechtingsstijl. Wel zijn er enkele onderzoeken naar concepten die daaraan nauw verwant zijn. Daaruit bleek geen relatie tussen verandering in deze variabelen en (lagere) recidive.

Motivatie voor behandeling: publicaties over behandelingen van plegers melden vaak hun geringe motivatie voor behandeling. Verondersteld wordt dat dit gebrek aan motivatie een van de oorzaken is van de grote percentages drop-outs en de geringe resultaten van deze behandelingen. Volgens zogenaamde stage of changes-theorieën veranderen mensen hun gedrag in een aantal achteenvolgende stappen. Het model van Prochaska & DiClemente (1982) onderscheidt motivatie voor gedragsverandering in stappen: 1. ontkenning van het probleem, 2. crisis en onderzoeken van mogelijkheden voor verandering, 3. het testen van nieuw gedrag, 4. definitieve gedragsverandering. Enkele studies bieden enige steun aan de theorie dat verandering in fasen plaatsvindt. Er is nog geen steun voor de opvatting dat behandelingsresultaat afhangt van de fase waarin de cliënt zich bevindt.

MeSH

Vrije tekstwoorden

"Comorbidity"/ all subheadings "Psychopathology"/ all subheadings explode "Personality-Disorders"/ all subheadings explode "Mental-Disorders"/ all subheadings

(batterer? or abuser? or perpetrator?) in ti,ab

(typolog* or classificat*) in ti,ab

  1. Aldarondo, E., & Sugarman, D.B. (1996). Risk marker analysis of the cessation and persistence of wife assault. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 64, 1010-1019.
  2. Ambulant Steunpunt huiselijk Geweld Groningen. Jaarverslagen 2006, 2007. Groningen.
  3. American Medical Association. (1992). Diagnostic and Treament Guidelines on Domestic Violence. Chicago: American Medical Association.
  4. American Medical Association Diagnostic and Treatment Guidelines on Domestic Violence. Arch Fam Med 1992; 1(1):39-47.
  5. American Medical Association. (1994). Assessment of the impact of abuse and violence on patients health and wellbeing.
  6. Anderson, S.A. (2001). Clinical evaluation of violence in couples: the role of assessment instruments. Journal of Family Psychotherapy, 12, 1-18.
  7. Astin MC, Ogland-Hand SM, Coleman EM, Foy DS, Journal Of Consulting And Clinical Psychology [J Consult Clin Psychol], ISSN: 0022-006X, 1995 Apr; Vol. 63 (2), pp. 308-12; PMID: 7751492. Posttraumatic stress disorder and childhood abuse in battered women: comparisons with maritally distressed women.Citation Only Available (eng; includes abstract).
  8. Babcock JC, Waltz J, Jacobson NS, Gottman JM. Power and violence: The relation between communication patterns, power discrepancies, and domestic violence. Journal Of Consulting And Clinical Psychology 1993; 61(1):40-50.
  9. Babcock, J.C., & La Taillade, J.J. (2000). Evaluating interventions for men who batter. In J. Vincent & E.
  10. N. Jouriles (Eds.), Domestic violence: Guidelines for research-informed practice (pp. 37-77). London: Jessica Kingsley Publishers
  11. Babcock JC, Green CE, Robie C. Does batterers' treatment work? A meta-analytic review of domestic violence treatment. Clinical Psychology Review 2004; 23(8):1023-1053.
  12. Barnett, Ola W.; Fagan, Ronald W.; Journal of Family Violence, Vol 8(1), Mar, 1993. pp. 1-25. [Journal Article] Alcohol use in male spouse abusers and their female partners.Citation Only Available
  13. Bensley L, Van Eenwyk J, Wynkoop Simmons K. Childhood family violence history and women's risk for intimate partner violence and poor health. American Journal Of Preventive Medicine 2003; 25(1):38-44.
  14. Campbell, J.C. (1995). Prediction of homicide of and by battered women. In J.C. Campbell (Red.), Assessing dangerousness: violence by sexual offenders, batterers and child abusers (pp. 96-113). Thousand Oaks: Sage.
  15. Campbell JC. Nursing assessment for risk of homicide with battered women. ANS Advances In Nursing Science 1986; 8(4):36-51.
  16. Carlson-Catalano, J. (1998). Nursing diagnoses and interventions for post-acute-phase battered women. Nursing Diagnosis, 9, 101-110.
  17. Cattaneo, L.B., & Goodman, L.A. (2005). Risk factors for reabuse in intimate partner violence: A cross- disciplinary critical review. Trauma, Violence and Abuse: A Review Journal, 6, 141-175.
  18. Wits, E.G., Knibbe, R.A., Verveen, J., & Meulders, W. (2003). Richtlijn voor het opstellen van cliëntprofielen in de verslavingszorg. Rotterdam: Instituut Voor Onderzoek naar Leefwijzen en Verslaving (IVO).
  19. Dobash, R.P., Dobash, R.E., Wilson, M., et al. (1992). The myth of sexual symmetry in marital violence. Social Problems, 39, 71-91.
  20. Dutton, D.G., Bodnarchuk, M., Kropp, R., & Hart, S.D. (1997). Wife assault treatment and criminal recidivism: an 11-year follow-up. International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, 41, 9-23.
  21. Dutton, D.G. (2006). Rethinking domestic violence. Vancouver, Canada: University of British Columbia Press
  22. Ehrensaft MK, Moffitt TE, Caspi A. Clinically abusive relationships in an unselected birth cohort: men's and women's participation and developmental antecedents. Journal Of Abnormal Psychology 2004; 113(2):258- 270.
  23. Fals-Stewart W, Kashdan TB, O'Farrell TJ, Birchler GR. Behavioral couples therapy for drug-abusing patients: Effects on partner violence. Journal of Substance Abuse Treatment 2002; 22(2):87-96.
  24. Fals-Stewart W. The occurrence of partner physical aggression on days of alcohol consumption: a longitudinal diary study. Journal Of Consulting And Clinical Psychology 2003;71(1):41-52.
  25. Faramarzi M, Esmailzadeh S, Mosavi S. A comparison of abused and non-abused women's definitions of domestic violence and attitudes to acceptance of male dominance. European Journal Of Obstetrics, Gynecology, And Reproductive Biology 2005; 122(2):225-231.
  26. Goderie, M., & ter Woerd, S. (2007). Instrument voor risicoscreening in de vrouwenopvang. Utrecht: Verwey-Jonkerinstituut.
  27. Gottman JM, Jacobson NS, Rushe RH, Shortt JW. The relationship between heart rate reactivity, emotionally aggressive behavior, and general violence in batterers. Journal of Family Psychology 1995; 9(3):227-248.
  28. Graham-Kevan, N., & Archer, J. (2003a). Patriarchal terrorism and common couple violence: a test of Johnson's predictions in four British samples. Journal of Interpersonal Violence, 18, 1247-1270.
  29. Graham-Kevan, N., & Archer, J. (2003b). Physical aggression and control in heterosexual relationships: the effect of sampling. Violence and Victims, 18, 181-196.
  30. Hanson RK, Cadsky O, Harris A, Lalonde C. Correlates of battering among 997 men: family history, adjustment, and attitudinal differences. Violence And Victims 1997; 12(3):191-208.
  31. Hanson RK, Morton-Bourgon KE. The Characteristics of Persistent Sexual Offenders: A Meta-Analysis of Recidivism Studies. Journal Of Consulting And Clinical Psychology 2005; 73(6):1154-1163.
  32. Hanson RK, Morton-Bourgon KE. The accuracy of recidivism risk assessments for sexual offenders: A meta-analysis of 118 prediction studies. Psychological Assessment 2009; 21(1):1-21.
  33. Herman, J.L. (1993). Trauma en herstel. De gevolgen van geweld - van mishandeling thuis tot politiek geweld. Amsterdam: Uitgeverij Wereldbibliotheek.
  34. Hildebrand M. de Ruiter C. prepared a Dutch translation of the SARA, that will be published in 2009.
  35. Hilton NZ, Harris GT, Rice ME, Lang C, Cormier CA, Lines KJ. A brief actuarial assessment for the prediction of wife assault recidivism: the Ontario domestic assault risk assessment. Psychological Assessment 2004; 16(3):267-275.
  36. Hilton NZ, Harris GT. Predicting wife assault: a critical review and implications for policy and practice. Trauma, Violence & Abuse 2005; 6(1):3-23.
  37. Hilton NZ, Harris GT, Rice ME, Houghton RE, Eke AW. An indepth actuarial assessment for wife assault recidivism: the Domestic Violence Risk Appraisal Guide. Law And Human Behavior 2008; 32(2):150-163.
  38. Hoyle C. Will she be safe? A critical analysis of risk assessment in domestic violence cases. Children and Youth Services Review 2008; 30(3):323-337.
  39. Hurlbert DF, Whittaker KE, Munoz CJ. Etiological characteristics of abusive husbands. Military Medicine 1991; 156(12):670-675.
  40. Huss MT, Langhinrichsen-Rohling J. Identification of the psychopathic batterer: The clinical, legal, and policy implications. Aggression and Violent Behavior 2000; 5(4):403-422.
  41. Jacobson, N. S., Gottman, J. M., Waltz, J., Rushe, R., Babcock, J., & Holtzworth-Munroe, A. (1994). Affect, verbal context, and psychophysiology in the arguments of couples with a violent husband. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 62, 982-988.
  42. Johnson, M.P. (1995). Patriarchal Terrorism and common couple violence: two forms of violence against women. Journal of Marriage and the Family. 57, 283-294.
  43. Johnson, M.P. (1999). Two types of violence against women in the American family: identifying patriarchal terrorism and common couple violence. Paper presented at the annual meetings of the National Council on Family Relations. Irvine, CA. (november 1999).
  44. Johnson, M.P., & Leone, J.M. (2000). The differential effects of patriarchal terrorism and common couple violence:_findings from the National Violence Against Women Survey. Paper presented at the Tenth International Conference on Personal Relationships, Brisbane, Australia.
  45. Grann M, Wedin I. Risk factors for recidivism among spousal assault and spousal homicide offenders. Psychology, Crime & Law 2002; 8(1):5-23.
  46. Institute for Clinical Systems Improvement (ICSI). Domestic violence. Bloomington (MN): Institute for Clinical Systems Improvement (ICSI); 2006 Sep. 46 p.
  47. Kim HK, Capaldi DM. The association of antisocial behavior and depressive symptoms between partners and risk for aggression in romantic relationships. Journal Of Family Psychology: JFP: Journal Of The Division Of Family Psychology Of The American Psychological Association (Division 43) 2004; 18(1): 82¬96.
  48. Kropp, P. R., Hart, S. D., Webster, C. D., & Eaves, D. (1995). Manual for the Spousal Assault Risk Assessment Guide, 2nd ed. Vancouver, British Columbia: British Columbia Institute on Family Violence
  49. Kyriacou DN, Anglin D, Taliaferro E, Stone S, Tubb T, Linden JA et al. Risk factors for injury to women from domestic violence against women. The New England Journal Of Medicine 1999; 341(25):1892-1898
  50. Langhinrichsen-Rohling, J., Smutzler, N., & Vivian, D. (1994). Positivity in marriage: the role of discord and physical aggression against wives. Journal of Marriage and the Family, 56, 69-79.
  51. Lawrence E. Understanding the trajectories of physical aggression in newlywed marriages. US: ProQuest Information & Learning, 2002.
  52. Lloyd, S. (1996). Physical aggression, distress, and everyday marital interaction. In D. Cahn & S. Lloyd (Red.), Family violence from a communication perspective (pp. 177-198). Thousand Oaks: Sage.
  53. McGraw KO, Wong SP. A common language effect size statistic. Psychological Bulletin 1992; 111(2):361- 365
  54. Miller W, Rollnick S. Motiverende gespreksvoering: een methode om mensen voor te bereiden op verandering. Gorinchem: Ekklesia, 2005
  55. Monson CM, Langhinrichsen-Rohling J. Sexual and nonsexual marital aggression: Legal considerations, epidemiology, and an integrated typology of perpetrators. Aggression and Violent Behavior 1998; 3(4):369- 389.
  56. Nelson MC. Reliability, validity, and cross-cultural comparisons for the simplified Attitudes Toward Women Scale. Sex Roles 1988; 18(5):289-296.
  57. New York State Dept of Health. (2002). Guidelines for Integrating Domestic Violence Screening into HIV Counseling, Testing, Referral & Partner Notification. New York: Public Health Forum.
  58. Oenen, F.J. van, & Bernardt, C. (2006). Veranderingsgerichte crisisinterventie: visie, methoden en technieken. In R.A. Achilles, R.J. Beerthuis & W.M. van Ewijk, Handboek Spoedeisende Psychiatrie (p. 79¬127) Amsterdam: Benecke N.I.
  59. O'Leary, K.D., & Vivian, D. (1990). Physical aggression in marriage. In F. Fincham & T. Bradbury (Red.), The psychology of marriage (pp. 323-348). New York: Guilford.
  60. Prochaska, J.O., DiClemente, C.C. (1983), "Transtheoretical therapy: toward a more integrative model of change", Psychotherapy: Theory, Research and Practice, Vol. 20 pp.161-73.
  61. Quinsey VL, Harris GT, Rice ME, Cormier CA. Violent offenders: Appraising and managing risk. Washington, DC US: American Psychological Association, 1998.
  62. Ratner PA. Indicators of exposure to wife abuse. The Canadian Journal Of Nursing Research = Revue Canadienne De Recherche En Sciences Infirmi+^res 1995; 27(1):31-46.
  63. Rice ME, Harris GT. Violent recidivism: assessing predictive validity. Journal Of Consulting And Clinical Psychology 1995; 63(5):737-748
  64. Romans S, Forte T, Cohen MM, Du Mont J, Hyman I. Who is most at risk for intimate partner violence? A Canadian population-based study. Journal Of Interpersonal Violence 2007; 22(12):1495-1514.
  65. Römkens, R. (1989). Geweld tegen vrouwen in heteroseksuele relaties. Amsterdam: SWO.
  66. Römkens, R. (2008). Speech bij ondertekening sponsorcontract leerstoel interpersoonlijk geweld - in het bijzonder geweld in de privésfeer. Tilburg: Intervict (Universiteit van Tilburg) 14-2-2008.
  67. Ruiter, C. de, de Jong, E.M., Reus, M. & Thijssen, J. (2008). Risicotaxatie bij daders van relationeel geweld: de RISc vergeleken met de B-SAFER. Utrecht: Trimbos-instituut p. 72 De Ruiter (Nederlandse vertaling B-SAFER)
  68. Ruiz-Perez I, Plazaola-Castano J, Alvarez-Kindelan M, Palomo-Pinto M, Arnalte-Barrera M, Bonet-Pla A et al. Sociodemographic associations of physical, emotional, and sexual intimate partner violence in Spanish women. Annals Of Epidemiology 2006; 16(5):357-363.
  69. Sagrestano LM, Heavey CL, Christensen A. Perceived power and physical violence in marital conflict. Journal of Social Issues 1999; 55(1):65-79.
  70. Saunders DG, Lynch AB, Grayson M, Linz D. The Inventory of Beliefs about Wife Beating: The construction and initial validation of a measure of beliefs and attitudes. Violence And Victims 1987; 2(1):39- 57.
  71. Saunders DG. A typology of men who batter: Three types derived from cluster analysis. American Journal of Orthopsychiatry 1992; 62(2):264-275.
  72. Scott KL. Stage of change as a predictor of attrition among men in a batterer treatment program. Journal of Family Violence 2004; 19(1):37-47.
  73. Sijbrandij, M., Jonker, I. & Wolf, J. (2008) Cliëntprofielen van vrouwen met geweldservaringen in de vrouwenopvang. Nijmegen: Radboud Universiteit Cluster Biomedische wetenschappen en Extramurale Geneeskunde Sociale Geneeskunde, 2008
  74. Smith MD. Patriarchal ideology and wife beating: a test of a feminist hypothesis. Violence And Victims 1990; 5(4):257-273.
  75. Smith RL. The everyday experience of satisfaction, conflict, anger, and violence for women in love relationships. US: ProQuest Information & Learning, 1990.
  76. Stichting Toevluchtsoord Groningen. Jaarverslagen 2006, 2007. Groningen.
  77. Stith SM, Farley SC. A predictive model of male spousal violence. Journal of Family Violence 1993; 8(2):183-201.
  78. Straus MA. Measuring intrafamily conflict and violence: The Conflict Tactics (CT) Scales. Journal of Marriage & the Family 1979; 41(1):75-88.
  79. Straus, M.A. (1990). The Conflict Tactics Scales and its critics: an evaluation and new data on validity and reliability. In M.A. Straus & R.J. Gelles (Red.), Physical Violence in American Families: risk factors and adaptations to violence in 8,145 families (pp. 49-74). New Brunswick, NJ: Transaction Publications.
  80. Straus, M.A. (1999). The controversy over domestic violence by women: a methodological, theoretical, and sociology of science analysis. In X.B. Arriage & S. Oskamp (Red.), Violence in Intimate Relationships (pp. 17-44). Thousand Oaks, CA: Sage Publications.
  81. Straus, M.A., Hamby, S.L., Boney-McCoy, S., et al. (1996). The revised Conflict Tactics Scale (CTS2): development and preliminary psychometric data. Journal of Family Issues, 17, 283-316.
  82. Tollestrup K, Sklar D, Frost FJ, Olson L, Weybright J, Sandvig J et al. Health indicators and intimate partner violence among women who are members of a managed care organization. Preventive Medicine 1999; 29(5):431-440.
  83. Tolman RM. The development of a measure of psychological maltreatment of women by their male partners. Violence And Victims 1989; 4(3):159-177.
  84. Waldrop AE, Resick PA. Coping among adult female victims of domestic violence. Journal of Family Violence 2004; 19(5):291-302.
  85. Waltz J, Babcock JC, Jacobson NS, Gottman JM. Testing a typology of batterers. Journal Of Consulting And Clinical Psychology 2000; 68(4):658-669.
  86. Warnaar, B., & Wegelin, M. (2005). Behandeling van daders van relationeel geweld. In: C. de Ruiter & M. Hildebrand, Behandelingsstrategieën bij forensisch-psychiatrische patiënten (pp. 50-70). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  87. Wegelin, M.M. (2006). Psychiatrische problematiek bij cliënten van stichting Toevluchtsoord in 2006. Groningen: Stichting Toevluchtsoord.
  88. Wegelin, M.M. (2007). Psychiatrische problematiek bij cliënten van stichting Toevluchtsoord in 2007. Groningen: Stichting Toevluchtsoord.
  89. Wegelin, M.,et al. (2008). Behandeling van slachtoffers van huiselijk geweld die verblijven binnen de vrouwenopvang. Amersfoort: Federatie Opvang (in concept).
  90. Williams KR, Houghton AB. Assessing the Risk of Domestic Violence Reoffending: A Validation Study. Law And Human Behavior 2004; 28(4):437-455.
  91. Wits, E. G., Knibbe, R. A., Verveen, J., & Meulders, W. (2003). Richtlijn voor het opstellen van cliëntprofielen in de verslavingszorg. Rotterdam: Instituut Voor Onderzoek naar Leefwijzen en Verslaving (IVO).
  92. Wolf, J., Jonker, I., Nicholas, S., et al. (2006). Maat en baat van de vrouwenopvang. Onderzoek naar vraag en aanbod. Amsterdam: SWP.
  93. Arendsen-Hein, J.A. (2006). Psychiatrische grondslag bij cliënten van Vrouwenopvang Fryslan. Leeuwarden: GGz Friesland-Noord.
  94. Barenbrug, H.C.A.M., Scholte, E. (2008). Rapportage Psychodiagnostiek Time-out 2007. Amsterdam: Blijfgroep.
  95. Holtzworth-Munroe A. A typology of men who are violent toward their female partners: Making sense of the heterogeneity in husband violence. Current Directions in Psychological Science 2000; 9(4):140-143.
  96. Holtzworth-Munroe A, Meehan JC, Herron K, Rehman U, Stuart GL. Testing the Holtzworth-Munroe and Stuart (1994) batterer typology. Journal Of Consulting And Clinical Psychology 2000; 68(6):1000-1019.
  97. Holtzworth-Munroe A, Meehan JC, Herron K, Rehman U, Stuart GL. Do subtypes of maritally violent men continue to differ over time? Journal Of Consulting And Clinical Psychology 2003;71(4):728-740.
  98. Holtzworth-Munroe A, Meehan JC. Typologies of men who are maritally violent: Scientific and clinical implications. Journal Of Interpersonal Violence 2004; 19(12):1369-1389.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd  : 01-01-2009

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. Uiterlijk in 2013 bepaalt de NVvP of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De andere aan deze richtlijn deelnemende beroepsverenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewaken van de actualiteit van de aanbevelingen in de richtlijn. Hen wordt verzocht relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied kenbaar te maken aan de eerstverantwoordelijke.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Algemene gegevens

De richtlijn is tot stand gekomen met ondersteuning van Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (CBO) en het Trimbos-instituut en met financiële steun van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, ZonMw.

 

In samenwerking met:

  • Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
  • Nederlandse Vereniging Sociaal Psychiatrische Verpleegkunde
  • Verpleegkundigen Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp
  • Artsen Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
  • Beroepsvereniging van Orthopedagogen en Klinisch Pedagogen met een Academische Opleiding
  • Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen
  • Vereniging voor Vertrouwensartsen inzake Kindermishandeling
  • Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie
  • Movisie

Doel en doelgroep

Doelstelling

Een richtlijn bevat aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. In de conclusies wordt aangegeven wat de wetenschappelijke stand van zaken is. De aanbevelingen expliciteren optimaal professioneel handelen in de gezondheidszorg en zijn gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, aansluitende meningsvorming en overige overwegingen. Deze richtlijn is bedoeld voor alle werkers in de somatische en geestelijke gezondheidszorg en geeft een leidraad voor de dagelijkse praktijk van familiaal huiselijk geweld (FHG) bij kinderen en volwassenen. De richtlijn heeft een algemeen karakter, kan gebruikt worden om beroepsspecifieke richtlijnen te formuleren en biedt aanknopingspunten voor bijvoorbeeld lokale (instituuts- of regiogebonden) protocollen en/of transmurale zorgafspraken.

 

Doelgroep

De richtlijn is geschreven voor alle beroepsgroepen in de eerste-, tweede en derdelijnsgezondheidszorg. Immers alle beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg kunnen in aanraking komen met cliënten die te maken hebben met FHG. De werkgroep heeft zich gerealiseerd dat ook beroepsbeoefenaars in aanpalende gebieden van de gezondheidszorg, zoals de welzijnszorg, ook te maken hebben met en soms intensief betrokken zijn bij FHG. De geformuleerde aanbevelingen kunnen ook voor hen bruikbaar zijn. De specifieke setting kan aanpassingen noodzakelijk maken.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2007 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die met FHG te maken hebben. De samenstelling van de werkgroep is getoetst door FHG experts en dit heeft tot uitbreiding van de werkgroep geleid. Daarnaast is een klankbordgroep samengesteld waarin professionals zitting hebben genomen op persoonlijke titel en op basis van hun expertise. Vanwege borging van voortgang en werkbaarheid was het ondoenlijk om alle beroepsorganisaties als lid van de werkgroep te betrekken.

Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met geografische spreiding en evenredige vertegenwoordiging van verschillende verenigingen, ‘scholen’ en academische achtergrond. De werkgroepleden zijn door de wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname en de samenstelling van de werkgroep is goedgekeurd door alle deelnemende wetenschappelijke verenigingen. De werkgroepleden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de tekst.

 

Werkgroep

  • Mw. drs. C.H. Blaauw-Witteveen, vertrouwensarts inzake Kindermishandeling, AMK Zuid-Holland, Gouda. Namens de Vereniging voor Vertrouwensartsen inzake Kindermishandeling.
  • Dhr. prof. dr. F. Boer, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, opleider bij de Bascule, Amsterdam. Namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. J. de Boer, maatschappelijk werker, GGZ, Den Helder. Namens de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. (Tot 1 augustus 2007.)
  • Mw. drs. I.J.M.    Boomsma, psychiater, GGZ in Geest, Amsterdam. Namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (Tot 1 juli 2007.)
  • Dhr. drs. J.M. Broekmeijer, psycholoog, De Waag, Almere. Namens het Nederlands Instituut van Psychologen. (Tot 1 januari 2008.)
  • Mw. dr. R. del Canho, kinderarts, Maasziekenhuis, Locatie Zuider, Rotterdam. Namens de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde.
  • Mw. M.A. Doedens, maatschappelijk werker, Kwadraad, Alphen aan den Rijn. Namens de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. (Vanaf 1 augustus 2007.) Mw. drs. E.R. Fischer, adviseur, Trimbos-instituut, Utrecht.
  • Mw. drs. J.W. Hagemeijer, adviseur werkgroep, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Utrecht. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. N. Heerdink-Obenhuijsen, jeugdarts, wetenschappelijk medewerker TNO KvL Leiden. Namens Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland. (Vanaf april 2008.)
  • Mw. drs. S.P.J. Herreman, psychiater,  GGZ Nijmegen, Nijmegen. Namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (Vanaf 1 september 2007.)
  • Dhr. D.L. Kramer, sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, GGZ Kop van Noord-Holland, Den Helder. Namens de Nederlandse Vereniging van Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundigen. (Tot 1 mei 2008.)
  • Mw. prof. dr. F. Lamers-Winkelman, bijzonder hoogleraar preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling, Vrije Universiteit, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, Amsterdam. Namens de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen. (Vanaf september 2007. Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. M.J. van Lawick, hoofd opleidingen, Lorentzhuis, Haarlem. Namens de Nederlandse Vereniging voor Relatie en Gezinstherapie. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. dr. S.H. Lo Fo Wong, huisarts, UMC St Radboud, Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, Nijmegen. Namens het Nederlands Huisartsen Genootschap. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Dhr. P. Machielse, SEH-verpleegkundige, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam. Namens de Nederlandse Vereniging Spoedeisende Hulp Verpleegkundigen.
  • Dhr. drs. G.J. Prosman, eerstelijnspsycholoog, UMC St. Radboud, Nijmegen. Namens de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen. (Tot mei 2008.)
  • Mw. drs. H. Room, gedragswetenschapper, Ma Zandbergen, Utrecht. Namens de Beroepsvereniging van Orthopedagogen en Klinisch Pedagogen met een Academische Opleiding.
  • Mw. prof. dr. C. de Ruiter, professor forensische psychiatrie, Universiteit Maastricht, Maastricht. Namens het Nederlands Instituut van Psychologen. (Vanaf april 2008.)
  • Mw. dr. H.A. Scholing, klinisch psycholoog, Centrum De Waag, Amsterdam. Namens de Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Dhr. P.F. Steenkist, sociaalpsychiatrische verpleegkundige, GGZ Westelijk Noord- Brabant. Namens de Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland. (Vanaf april 2008.)
  • Dhr. prof. dr. W. van Tilburg, emeritus hoogleraar klinische psychiatrie (voorzitter), Aalsmeer. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. L.M.M. Veraart-Schelfhout, huisarts n.p., Velp. Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, Nijmegen. Namens het Nederlands Huisartsen Genootschap. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. M.M. Visser, klinisch psycholoog, Kinder- en Jeugdtraumacentrum/Jeugdriagg NHZ, Haarlem. Namens de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen. (Vanaf 1 september 2007.)
  • Mw. drs. M.M. Wagenaar-Fischer, wetenschappelijk medewerker en jeugdarts, TNO Kwaliteit van Leven, Leiden. Namens Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland.
  • Mw. dr. M.M. Wegelin, GZ-psycholoog en hoofd behandeling stichting Toevluchtsoord te Groningen (vrouwenopvang en ambulante hulpverlening bij huiselijk geweld).
  • Mw. dr. Y. Winants, arts-beleidsmedewerker, Movisie, Utrecht. Namens Movisie.
  • Mw. drs. M.A. Witten, SEH-arts, Diakonessenhuis te Utrecht. Namens de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen.

Belangenverklaringen

Een map met verklaringen van werkgroepleden over mogelijke financiële belangenverstrengeling ligt ter inzage bij het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en een overzicht is hieronder weergegeven. Er zijn geen bijzondere vormen van belangenverstrengeling gemeld.

 

 

Overzicht belangenverklaringen werkgroepleden

Activiteiten die de leden van de werkgroep Familiaal Huiselijk Geweld in de afgelopen drie
jaar hebben ontplooid op uitnodiging van of met subsidie van de farmaceutische industrie.

 

Werkgroeplid

Firma

Activiteit

Anders

Mw.       drs.        C.H.

Blaauw-Witteveen

 

Geen

 

Prof.dr. F. Boer

 

Geen

 

Mw. J. de Boer

 

Geen

 

Mw.      drs.       I.J.M.

Boomsma

Wyeth        (sponsor

symposium)

Astra Zeneca

Cursus        (2x        wel

vergoeding gekregen)

Workshopleider        in

symposium           voor

huisartsen            Zuid-

Kennemerland Voorzitter symposium t.b.v.          psychiaters

Geestgronden

Drs. J.M. Broekmeijer

 

Geen

 

Mw. dr. R. del Canho

 

Geen

 

Mw. M.A. Doedens

 

Geen

 

Mw.         drs.          N.

Heerdink-

Obenhuijsen

 

Geen

 

Mw. drs. S.P.J. Herreman

 

Geen

 

D.L. Kramer

 

Geen

 

Mw.       prof.dr.       F.

Lamers-Winkelman

 

Geen

 

Mw. drs. M.J. van Lawick

 

Geen

 

Mw. dr. S.H. Lo Fo Wong

 

Geen

 

P. Machielse

NVSHV

 

Ontwikkeling landelijke protocollen SEH

Drs. G.J. Prosman

 

Geen

 

Mw. drs. H. Room

 

Geen

 

Mw. prof.dr. C. de Ruiter

 

Geen

 

Mw. dr. H.A. Scholing

 

Geen

 

P.F. Steenkist

 

Geen

 

Prof.dr.     W.      van Tilburg

Lundbeck, Lily

Cursus (niet in dienst)

 

Mw. drs. L.M.M. Veraart-Schelfhout

 

Geen

 

Mw. drs. M.M. Visser

 

Geen

 

Mw.       drs.       M.M.

Wagenaar-Fischer

 

Geen

 

Mw.        dr.        M.M.

Wegelin

 

Geen

 

Mw. dr. Y. Winants

Movir

Wetenschappelijk onderzoek naar ‘burn- out’ onder huisartsen

 

Mw. drs. M.A. Witten

 

Geen

 

Inbreng patiëntenperspectief

Movisie heeft ervaring met het in kaart brengen van het slachtoffer- en plegersperspectief bij familiaal huiselijk geweld. Daarover heeft Movisie bij de werkgroep documentatiemateriaal aangeleverd (persoonlijke verhalen van slachtoffers; uitgaven van de Vereniging tegen seksuele kindermishandeling; www.movisie.nl). De werkgroep heeft gebruikgemaakt van de inhoud van deze documentatie voor de formulering van overwegingen vanuit patiëntenperspectief.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Tijdens de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn is verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en instellingen. Een samenvatting van de richtlijn is gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van het Trimbos-instituut (www.trimbos.nl of www.ggzrichtlijnen.nl) en het CBO (www.cbo.nl).

Werkwijze

De werkgroep heeft twee jaar (veertien vergaderingen) aan de totstandkoming van de richtlijn gewerkt. De werkgroepleden zochten systematisch naar literatuur en beoordeelden kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreven zij een paragraaf of hoofdstuk waarin de literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De conceptrichtlijn is eind 2008 schriftelijk aan alle betrokken beroepsverenigingen aangeboden. De ontvangen commentaren zijn waar mogelijk verwerkt in de definitieve richtlijn.

 

Uitgangsvragen

De werkgroep is bij het opstellen van de uitgangsvragen uitgegaan van het proces van signaleren, herkennen, bespreken, handelen, melden, diagnostiek en behandeling bij familiaal huiselijk geweld. De richtlijn gaat niet in op specifieke thema’s, zoals mishandeling van en door ouderen, mishandeling van personen in een instelling, eergerelateerd geweld of oudermishandeling (kinderen die hun ouders mishandelen). De omvang van het onderwerp heeft de diepgang soms beperkt.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht in de Cochrane database, Medline, PsycINFO, en bij vragen waar dit relevant is ook in Cinahl, vanaf 1996 tot en met maart 2006. Voor de gehanteerde zoektermen wordt verwezen naar Appendix C. Op verzoek zijn de volledige zoekstrategieën beschikbaar. Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van opgevraagde literatuur en zijn enkele relevante publicaties tot januari 2009 meegenomen. Lopend onderzoek is buiten beschouwing gelaten.

De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de standaardindeling gebruikt: zie tabel 1. Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld.

De beoordeling van de verschillende artikelen is opgenomen in bijlage Q en soms ook onder het kopje ‘samenvatting van de literatuur’. Het wetenschappelijk bewijs is vervolgens kort samengevat in een ‘conclusie’. De belangrijkste literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs (zie tabel 2).

Voor het formuleren van een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs vaak nog andere aspecten van belang, bijvoorbeeld patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘overige overwegingen’. In de overige overwegingen spelen de ervaring en de mening van de werkgroepleden een belangrijke rol. De ‘aanbeveling’ is het resultaat van de combinatie van het beschikbare bewijs en de overige overwegingen. Voor een aantal vragen zijn evidencetabellen gemaakt (zie Appendix O).

 

Tabel 1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 2: Niveau van bewijs van de conclusie

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

Eén onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Eén onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.

 

Kwalitatief onderzoek

Uitgangspunt voor het graderen van het bewijs uit individuele kwalitatieve studies is de ‘score’ van een studie op basis van het literatuurbeoordelingsformulier (zie website CBO). In dit formulier staan zeven items (onderzoeksdoel, onderzoeksmethode, selectie van onderzoekspersonen, technieken voor dataverzameling, theoretisch kader, data-analyse, weergave van conclusies en resultaten) vermeld waarmee de kwaliteit van een studie kan worden geïnventariseerd. Aan de hand van de afzonderlijke oordelen ten aanzien van de zeven items komt de beoordelaar tot een eindoordeel. Dit gebeurt in termen van de mate van geloofwaardigheid van een studie.

Wanneer het een synthese van kwalitatieve studies betreft, is de beoordeling deels identiek aan die van een systematische review van kwantitatieve studies. Hiervoor kunnen de eerste zes items (vraagstelling, zoekactie, selectieprocedure, data-extractie, kwaliteitsbeoordeling, beschrijving van primaire studies) van het beoordelingsformulier van een systematische review van RCT’s worden gebruikt. Een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor een goede synthese is dat de meeste van de zes items voldoende zijn gescoord.

Van een goede metasynthese (niveau ++) is sprake wanneer:

- de thema’s/metaforen en ervaringen van onderzoekspersonen zoals gerapporteerd in de individuele studies, sterk op elkaar lijken (‘consistentie’), en

- de onderzoekspersonen en beschreven interventies steeds de relevante populatie en interventies betreffen (‘directheid’), en

- vrijwel alle individuele studies niveau + hebben.

Wordt aan deze voorwaarden niet helemaal voldaan, dan kan afhankelijk van de mate waarin dat het geval is, het niveau worden verlaagd tot +/- of tot -.

 

Tabel 3: Gradering van kwalitatief onderzoek

Niveau

Studie

++

Geloofwaardige metasynthese  (synoniemen: meta-etnografie, kwalitatieve meta-analyse, metastudie) van kwalitatieve studies.

+

Geloofwaardige studie.

+/-

Studie waarvan de geloofwaardigheid twijfelachtig is.

-

Weinig geloofwaardige studie.

 

Noot

Deze (concept)richtlijn is opgesteld aan de hand van het Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation (AGREE) instrument. Dit instrument is in een Europees verband opgesteld om de procedurele kwaliteit van richtlijnen te kunnen beoordelen. Door de aspecten van AGREE te verwerken in de inleiding van de richtlijn, wordt duidelijk aan welke kwaliteitseisen is voldaan.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Aanbevolen interventies bij FHG volwassenen