Huiselijk geweld bij kinderen en volwassenen

Initiatief: NVvP Aantal modules: 31

Aanbevolen interventies bij FHG bij kinderen

Uitgangsvraag

Welke interventies kunnen worden aanbevolen bij familiaal huiselijk geweld jegens kinderen?

Aanbeveling

Bied aan gezinnen waarin kinderen worden verwaarloosd naast elkaar aan:

  • hulp aan de ouders voor de eigen (psychiatrische) problemen.
  • hulp bij het verhogen van de pedagogische vaardigheden.
  • hulp bij het vervullen van de ‘basic needs’.

 

Bij kinderen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik kan de Nederlandse versie van Trauma-Focused Cognitive Behavioral Therapy (TF-CBT: Horizon-methodiek) als interventie worden toegepast.

 

Er kan geen specifieke interventie aangeraden worden voor kinderen die slachtoffer zijn van emotionele verwaarlozing en emotionele mishandeling. Minimaal kan een therapievorm worden aangeboden die zich richt op de behandeling van hechtingsproblemen.

 

Bied aan gezinnen, waarin fysieke mishandeling van kinderen plaatsvindt, de Nederlandse versie van de Parent-Child Interaction Therapy (PCIT) of Abuse-Focused Cognitive Behavioral Therapy (AF-CBT) aan. Dit kan ook opgelegd worden binnen een strafrechtelijk kader.

 

Voor kinderen van twee tot vijf jaar die getuige zijn van FHG en voor hun mishandelde ouders wordt Child-Parent Psychotherapy (CPP) aangeraden.

 

Voor kinderen van vier tot en met zeventien jaar die getuige zijn geweest van geweld tussen hun ouders/opvoeders en die symptomen van PTSS vertonen wordt de Horizon-methodiek aangeraden.

 

Bied aan alle kinderen die getuige zijn geweest van geweld tussen hun ouders/opvoeders een preventief psycho-educatief programma aan.

 

Bevorder onderzoek naar het effect van hulp aan huis versus hulp in een instelling bij ouders met een hoog risico op kindermishandeling.

 

Bevorder dat de Nederlandse versies (Horizon-methode) van Trauma-Focused Cognitive Behavioral Therapy, Abuse-Focused Cognitive Behavioral Therapy en Parent-Child Interaction Therapy in Nederland aan (RCT-)onderzoek onderworpen worden.

 

Draag zorg voor scholing van Nederlandse beroepsbeoefenaars in de Nederlandse versies van Trauma-Focused Cognitive Behavioral Therapy, Abuse-Focused Cognitive Behavioral Therapy en Parent-Child Interaction Therapy.

Overwegingen

Doelgroep van de programma’s

Met betrekking tot de (behandel)programma’s voor FHG bij kinderen valt op dat vooral programma’s te vinden zijn die gericht zijn op de ouders, bedoeld om te voorkomen dat de ouders in de toekomst verwaarlozen, fysiek mishandelen of andere negatieve interacties hebben met hun kinderen. Programma’s gericht op de verwerking van de gevolgen van de kindermishandeling door de kinderen (c.q. kind-gerichte interventies) zijn vooral ontwikkeld voor seksueel misbruik en, in mindere mate, voor kinderen die geweld tussen hun ouders hebben meegemaakt. Dit is opvallend, omdat bekend is dat emotionele verwaarlozing ernstige gevolgen heeft in de adolescentie en de volwassenheid. Deze zijn vaak ernstiger dan de gevolgen van bijvoorbeeld seksueel misbruik. Belangrijk is ook dat bekend is dat er vrijwel nooit sprake is van een enkelvoudige vorm van kindermishandeling, maar van combinaties ervan (Finkelhor et al., 2004). Therapieprogramma’s moeten dan ook, hoewel ‘abuse-focused’, aandacht besteden aan meerdere aspecten.

 

Seksueel misbruik

Voor de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik kan gesteld worden:

dat uit verschillende RCT’s is gebleken dat Trauma-Focused Cognitive Behavioral Therapy (TF-CBT) significant beter ‘werkt’ dan andere vormen van behandeling bij kinderen die te maken hebben gehad met seksueel misbruik;

dat TF-CBT een relatief korte, en dus goedkope behandeling is;

dat TF-CBT per definitie ook de niet-misbruikende ouder(s) in de behandeling betrekt;

dat TF-CBT een stevig, (relatief) kort en duidelijk opleidingstraject heeft;

dat uit de klinische praktijk duidelijk is geworden dat de methode door kinderen, ouders en therapeuten als prettig ervaren wordt.

 

TF-CBT moet in Nederland aangeboden worden aan slachtoffers van (langdurig) seksueel misbruik. Hoewel nog in onderzoek is het aanbieden van TF-CBT in een groep een mogelijkheid. Het Nederlandse groepstherapieprogramma ‘Horizon’ voor kinderen die seksueel misbruik hebben meegemaakt is deels effectief beoordeeld door het NJI (Huiskes & Plugge, 2004). Ook EMDR lijkt een effectieve behandelmethode, maar de effecten daarvan op de gevolgen van langdurig seksueel misbruik zijn nog niet aangetoond. Voor adolescenten die een aanranding of verkrachting hebben meegemaakt kan EMDR overwogen worden of het STEPS-programma dat ontwikkeld is door het Psychotraumacentrum in Utrecht (Bicanic & Kremers, 2007a, b en c).

 

Emotionele en/of fysieke verwaarlozing

Voor kinderen die slachtoffer zijn geweest van emotionele en/of fysieke verwaarlozing zijn er geen effectieve behandelprogramma’s gericht op de verwerking van de verwaarlozing door

de kinderen. Het valt te overwegen om na te gaan of therapieprogramma’s die zijn ontwikkeld voor kinderen met hechtingsproblemen inzetbaar zijn voor emotioneel en/of fysiek verwaarloosde kinderen (James, 1994). Voor de ouders moet hulp voor de eigen (psychiatrische) problemen, verhoging van hun pedagogische vaardigheden en hulp bij het krijgen van ‘basic needs’ tegelijkertijd plaatsvinden om een einde te kunnen maken aan een situatie van verwaarlozing van de kinderen. Of de (vele verschillende) Nederlandse versies van Family Preservation Programs, waaronder bijvoorbeeld het Safe Care-programma (Project 12-Ways) werken, is nog onvoldoende onderzocht.

Het is belangrijk te realiseren dat de meeste programma’s in de VS voor verwaarlozende ouders zijn ontwikkeld voor jonge, zwarte, alleenstaande moeders, en mogelijk niet zonder meer inzetbaar zijn in de Nederlandse situatie.

 

Fysieke kindermishandeling

Ook ten aanzien van fysieke kindermishandeling geldt dat de besproken vormen van behandeling zich vooral richten op het doen stoppen en het voorkomen van recidive van de fysieke mishandeling; de behandeling is vooral gericht op de ouders. Voor de kinderen zijn geen behandelmogelijkheden beschreven om de gevolgen van de fysieke kindermishandeling te verwerken. Momenteel (2008) ontwikkelen het Kinder- en Jeugdtraumacentrum Haarlem en De Waag (Centrum voor ambulante forensische psychiatrie) een programma voor gezinnen waarin fysieke mishandeling voorkomt of is voorgekomen, met parallel therapieprogramma’s voor de mishandelende ouder, de niet- mishandelende ouder en het mishandelde kind (Visser et al., in voorbereiding; Veilig-Sterk- Verder). Het VSV-programma is gebaseerd op de uitgangspunten van de AF-CBT.

 

Kinderen die getuige zijn van geweld tussen ouders

Voor kinderen die getuige zijn (geweest) van geweld tussen hun ouders worden in de internationale literatuur verschillende, vooral psycho-educatieve programma’s, beschreven. Geen van die programma’s is door middel van een RCT getoetst op effectiviteit, maar de resultaten van verschillende studies zijn veelbelovend. De Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek onderzoekt.het psycho-educatieve programma ‘En nu Ik’ met een RCT. Psycho-educatieve programma’s zijn over het algemeen niet toereikend voor kinderen die in ernstige mate zijn geschaad door het geweld tussen hun ouders. Het Horizon-programma voor deze groep kinderen lijkt veelbelovend, maar is nog niet met een RCT onderzocht. Voor hele jonge kinderen (2-5 jaar) lijkt het programma van Lieberman et al. (2005, 2006) effectief te zijn. Op enkele plaatsen in Nederland (De Jutters, Den Haag; Riagg Zwolle; Riagg Amersfoort) wordt een vergelijkbaar maar korter programma aangeboden. De Universiteit van Utrecht heeft de effecten van deze kortere programma’s onderzocht. (M. Wildeman, 2009, onder verantwoordelijkheid van dr. W.M. van Londen- Barentsen, Universiteit Utrecht, Faculteit Sociale Wetenschappen, Instituut voor Pedagogiek en Onderwijskunde I).

Onderbouwing

Elke hulpverlening aan kinderen die FHG ondergaan start met het treffen van maatregelen om de veiligheid van het kind en de verzorgende ouder te waarborgen en om te voorkomen dat het FHG zich herhaalt. Daarmee kan meestal niet worden volstaan. FHG veroorzaakt lichamelijk en psychisch letsel dat lang niet altijd vanzelf geneest nadat het FHG is gestopt. Daarom moet in de fase volgend op het in veiligheid brengen van kinderen en het stabiliseren van hun leefomgeving worden nagegaan in hoeverre sprake is van problemen of stoornissen waarvoor behandeling nodig is. Die behandeling is gericht op het kind en heeft tot doel de opgelopen schade te boven komen.

Bij de behandeling van een kind worden in de jeugd geestelijke gezondheidszorg ook de ouders/verzorgers betrokken. Dat is ook zo bij meegemaakt FHG, maar daarbij kan sprake zijn van een bijzondere situatie. Soms is de ouder zelf pleger geweest van het FHG. Dan kan de behandeling zich niet beperken tot de problemen of stoornissen van het kind, maar moet ook de ouder worden geholpen met het stoppen van de uitoefening van geweld. Vandaar dat sommige behandelingen van FHG ook een preventieve doelstelling hebben.

Dit hoofdstuk is beperkt tot de behandeling van psychische problemen en stoornissen als gevolg van FHG bij kinderen. Voor de behandeling van lichamelijk letsel en ziekte wordt verwezen naar de medische literatuur daarover (zie bijvoorbeeld Royal College of Paediatrics and Child Health, 2008). Overeenkomstig de beschikbare literatuur bespreken wij de behandeling gegroepeerd naar het type meegemaakt FHG. De behandeling van ouders komt alleen aan de orde in het kader van de behandeling van de problematiek van het kind. De ontwikkeling van een gedifferentieerde visie op diagnostiek en behandeling van de mishandelende ouders vergt meer tijd en ruimte dan thans beschikbaar is.

Niveau 2

In verschillende RCT’s is aangetoond dat Trauma-Focused Cognitive Behavioral Therapy (TF-CBT) voor kinderen die slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik, significante verbeteringen op verschillende probleemgebieden oplevert. Een recente Cochrane review noemt CBT potentieel veelbelovend, maar stelt vast dat nog onvoldoende kwalitatief goed onderzoek is verricht.

 

A2 Cohen et al., 2004, 2005; Macdonald et al., 2006

 

Niveau 4

Voor kinderen die slachtoffer zijn geweest van emotionele en/of fysieke verwaarlozing zijn geen effectieve behandelprogramma’s die gericht zijn op de verwerking van de verwaarlozing.

 

Het programma voor verwaarlozende ouders, het Safe Care-programma (Project 12-Ways), lijkt veelbelovend.

 

D Lutzker, 1984; Lutzker & Bigolow, 2002

 

Niveau 1

Het is aangetoond dat voor ouders die hun kind(eren) fysiek mishandelen Parent-Child Interaction Therapy (PCIT) een effectieve behandelmethode is om de mishandeling te doen stoppen en de ouder-kindrelatie te verbeteren.

 

Het is niet onderzocht of PCIT de problemen (c.q. eventuele PTSS-symptomen) van het mishandelde kind doet verminderen.

 

A2 Chaffin et al., 2004; Eyberg et al, 1995; Nixon et al., 2003; Schuhmann et al., 1998

 

Niveau 3

Het lijkt waarschijnlijk dat voor ouders die hun kind(eren) fysiek mishandelen Abuse-Focused Cognitive Behavioral Therapy (AF-CBT) op onderdelen effectief is.

Het is niet onderzocht of AF-CBT de problemen (c.q. eventuele PTSS- symptomen) van het mishandelde kind doet verminderen.

 

B Kolko, 1996a en b

 

Niveau 4

Er zijn voor kinderen die slachtoffer zijn geweest van fysieke mishandeling geen effectieve behandelmethoden beschikbaar die gericht zijn op de verwerking van de gevolgen van de mishandeling door de kinderen.

 

D Mening van de werkgroep

 

Niveau 4

Er zijn voor kinderen ouder dan vijf jaar die getuige zijn geweest van geweld tussen hun ouders/opvoeders geen effectieve behandelmethoden beschikbaar die gericht zijn op de verwerking van de gevolgen.

 

D Mening van de werkgroep

 

Niveau 3

Het lijkt waarschijnlijk dat voor kinderen van twee tot vijf jaar die getuige zijn van FHG, en voor hun mishandelde moeders, Child-Parent Psychotherapy (CPP) effectief is ten aanzien van de afname van gedragsproblemen van het kind. De moeders lieten significant minder traumagerelateerd vermijdend gedrag zien.

 

B Lieberman et al., 2005, 2006

 

Niveau 3

Voor kinderen met seksuele gedragsproblemen, al dan niet gelieerd aan seksueel misbruik, lijkt het CBT-(groeps)behandelprogramma van Bonner et al. effectief te zijn ten aanzien van afname van de seksuele gedragsproblemen en het plegen van ‘sex offences’ tien jaar na afsluiting van de behandeling.

 

B Bonner et al., 1999

 

Niveau 4

Er zijn aanwijzingen dat voor ouders met een hoog risico op kindermishandeling hulp in een centrum beter werkt dan hulp thuis.

 

D Chaffin et al., 2001

Voor het beantwoorden van de uitgangsvraag is literatuuronderzoek verricht, waarbij werd gezocht in de databases van PsycINFO, Medline, Cochrane en van de databank effectieve interventies van het NJI. Daarnaast is handmatig gezocht. Dit leverde enkele systematische reviews en meta-analyses op.

Verder werden enkele specialistische websites geraadpleegd: National Guideline Clearinghouse (http://www.guideline.gov/), World Health Organization (Guidelines for medico-legal care for victims of sexual violence, 2003; Prevention of child maltreatment, 2008), YWCA Calgary (Exploring best practices for children who witness: 2-year program evaluation report, 2005), American Professional Society on the Abuse of Children (APSAC; Practice Guidelines on Child Neglect; Psychosocial evaluation of suspected sexual abuse in children; Investigative interviewing in cases of alleged child abuse).

Daarnaast werd via zoekmachines op het internet gezocht naar bestaande richtlijnen voor behandeling van kinderen, met behulp van de trefwoorden: domestic violence/partner violence/interpersonal violence/interparental violence/spouse abuse, guidelines, treatment, counseling, child sexual abuse, physical abuse, emotional neglect/abuse, interventions, psycho-education, child(ren as) witness(es), psychotherapy.

 

In de afgelopen vijf jaar is veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van behandelmethoden voor mishandelde kinderen en hun gezinnen, en er verschenen verschillende publicaties. In 2004 werd The Kauffman best practices project final report gepubliceerd, dat als ondertitel had: Closing the quality chasm in child abuse treatment: identifying and dissiminating best practices (Chadwick Center on Children and Families, 2004). Eveneens in 2004 verscheen Child physical and sexual abuse: guidelines for treatment (Saunders et al., 2004). In 2006 werd de review Cognitive-behavioural interventions for children who have been sexually abused (review) gepubliceeerd (Macdonald et al., 2006).

In de eerste twee rapporten werden alleen psychotherapeutische (geen farmacologische of psycho-educatieve) interventies beoordeeld. Voor de beoordeling van de effectiviteit van de methode werden zes criteria gehanteerd (o.a. theoretische basis, minimaal één gerandomiseerde studie beschikbaar, algemeen geaccepteerde methode). Daarnaast moesten de methoden voldoen aan criteria met betrekking tot de overdraagbaarheid naar de reguliere klinische settings (o.a. een manual is beschikbaar, behandeling is toepasbaar voor een doorsnee beroepsbeoefenaar).

Er werden 24 behandelprotocollen voor mishandelde kinderen en/of hun gezinnen beoordeeld door een comité van deskundigen. Deze werden ingedeeld in zes categorieën. Na een proces van steeds scherper wordende beoordelingen, bleken de volgende drie methoden gewaardeerd te kunnen worden als ‘best practices’:

  • Trauma-Focused Cognitive Behavioral Therapy (TF-CBT)
  • Abuse-Focused Cognitive Behavioral Therapy (AF-CBT)
  • Parent-Child Interaction Therapy (PCIT).

 

Trauma-Focused Cognitive Behavioral Therapy (TF-CBT) is een individuele, kortdurende interventie met zowel individuele sessies met het kind als gezamenlijke sessies met ouders en kind. Het is bestemd voor kinderen met gedrags- en emotionele problemen gerelateerd aan traumatische ervaringen, waarbij de problemen soms wel en soms niet voldoen aan de criteria voor een volledige posttraumatische stressstoornis. Het is een psychotherapeutisch model dat traumagerichte interventies combineert met cognitieve gedragstherapie.

TF-CBT is vooral onderzocht met betrekking tot kinderen die seksueel misbruik hebben meegemaakt. Er zijn verschillende RCT’s uitgevoerd met TF-CBT voor seksueel misbruikte kinderen, zowel bij preschoolers als bij basisschoolleerlingen, en bij ‘multiply traumatized children with sexual abuse-related PTSD’ (Cohen et al., 2004). De resultaten van de verschillende studies tonen dat TF-CBT effectiever is dan non-directieve speltherapie of een steunende behandeling. RCT’s waarin groeps-TF-CBT wordt toegepast worden momenteel (2008) in de VS uitgevoerd.

De Nederlandse Horizon-methode, een geprotocolleerde methode voor groepstherapie aan seksueel misbruikte kinderen met een parallel (groeps)programma voor hun niet- misbruikende ouders, is gebaseerd op de principes van de TF-CBT. Het programma werd door het NJI als deels effectief beoordeeld (zie Huiskes & Plugge, 2004; Lamers-Winkelman, 2000a en b; Lamers-Winkelman & Bicanic, 2000a en b).

Abuse-Focused Cognitive Behavioral Therapy (AF-CBT; Kolko, 1996a en b) is een behandeling op basis van de leer- en systeemtheorie, en ontwikkelingspsychopathologie. Het bestaat uit technieken voor mishandelde kinderen, voor de mishandelende ouders en het grotere familiesysteem eromheen. Doel is dat ouders leren op adequate wijze gedrag van de kinderen te stimuleren of te straffen, en het agressieve, gewelddadige gedrag van ouders te stoppen. De behandeling duurt gemiddeld 12 tot 16 weken. Parallel vinden individuele en gezinssessies plaats en er is de mogelijkheid voor groepsbehandeling. Het is gericht op gezinnen met kinderen in de leeftijd van 6 tot 15 jaar. De methode wordt momenteel (2008) in een RCT onderzocht.

 

Parent-Child Interaction Therapy (PCIT) is een behandelmodel waarin stap voor stap in sessies wordt gewerkt met de ouder/verzorger en het kind. De ouder leert goed in te gaan op het gedrag en de signalen van het kind door middel van een one-way-screen en support van de behandelaar via een ‘oortje’. PCIT is oorspronkelijk ontwikkeld voor jonge kinderen (<7jaar) met ernstige gedragsproblemen (Oppositional Defiant Disorder (ODD) en associated behavior disorders), en is in RCT’s effectief bevonden (Hood & Eyberg, 2003). PCIT bleek eveneens geschikt voor gezinnen waarin fysieke mishandeling voorkwam. Chaffin et al. (2004) toonden in een RCT aan dat PCIT (relatief) superieur is ten opzichte van andere programma’s. De recidive van fysieke kindermishandeling in de met PCIT behandelde gezinnen was lager dan die in een controlegroep, en er werd een grotere reductie in negatieve ouder-kindinteracties gemeten dan bij de controlegroep.

Doelen van de behandeling zijn: 1. verbetering van de kwaliteit van de ouder-kindrelatie; 2. afname van de gedragsproblemen van het kind; 3. toename van sociaal gedrag; 4. verbetering van de vaardigheden van de ouder, inclusief positieve discipline; en 5. afname van de stress van het ouderschap. Het model is ook toepasbaar als het kind niet meer bij de ouders woont; dan kan een groepsleider/pedagogisch medewerk(st)er, een pleegouder enz. ingezet worden. Tussen de sessies door hebben de ouders huiswerk om te oefenen met de vaardigheden. Het programma is bedoeld voor ouders met kinderen in de leeftijd van 2 tot 12 jaar en de behandelduur is 12 tot 20 weken. Na behandeling bleek bij ouders die het PCIT-programma hadden gevolgd, de recidive ten aanzien van de fysieke mishandeling significant minder te zijn dan bij de ouders die andere programma’s volgden. In de PCIT- groep was tevens een afname te zien van negatieve ouder-kindinteracties en een significante afname in frequentie en intensiteit van gedragsproblemen van het kind zoals gescoord door de ouders. Na de behandeling vielen de scores in het normale gebied, terwijl die daarvoor in het klinische gebied lagen. De positieve effecten werkten ook door op de siblings van de behandelde kinderen.

 

Het eerste behandelprogramma voor jonge kinderen met seksuele gedragsproblemen werd geschreven door Berliner & Rawlings (1991). Het acht jaar later door Bonner et al. (1999) beschreven CBT-programma is een uitbreiding en verfijning van het oorspronkelijke. Onderzoek naar de effecten van de programma’s is nog schaars. Pithers et al. (1998) vergeleken een ‘relapse prevention’-programma met een ‘expressive therapy’-programma en vonden dat in beide groepen kinderen verbetering in het adaptieve functioneren te constateren was. Bonner et al. (1999) en Carpentier et al. (2006) vergeleken groeps-CBT met een groepsspeltherapie en vonden dat de kinderen uit de CBT-groep (135, 5-12 jaar bij begin behandeling) 10 jaar na beëindiging van de therapie minder seksuele gedragsproblemen vertoonden c.q. veel minder ‘sex offences’ pleegden dan de kinderen uit de groepsspeltherapie. Er is geen duidelijk beeld omtrent de ontwikkeling van jonge kinderen (12 jaar en jonger) met seksuele gedragsproblemen naar eventueel plegerschap in de adolescentie en de volwassenheid.

 

Er zijn slechts enkele RCT’s gevonden naar interventies bij kinderen die getuige en/of slachtoffer zijn geweest van geweld tussen hun ouders/opvoeders. Twee RCT’s hebben betrekking op individuele therapie (Lieberman et al., 2005, 2006). De Child-Parent Psychotherapy (wekelijkse sessies, moeder en kind gezamenlijk, soms apart, met een moeder- en een kindcomponent, gedurende ongeveer een jaar) van Lieberman richt zich op preschoolers (2-5 jaar) en heeft als belangrijkste doel de kind-moederrelatie te versterken om zo het trauma te verwerken. Er werd bij 6 maanden follow-up een sterkere afname van de CBCL-totaalscore gevonden bij de groep die CPP heeft gevolgd in vergelijking met een groep die ‘case management met individuele psychotherapie’ heeft gekregen.

 

In Bijlage Q is uitgebreide informatie opgenomen over de afzonderlijke vormen van kindermishandeling en de daarvoor aangewezen behandelmethoden (Emotionele verwaarlozing en mishandeling, fysieke verwaarlozing, fysieke mishandeling, seksueel misbruik, geweld tussen partners, kinderen met seksuele gedragsproblemen, verwaarlozende en mishandelende ouders).

MeSH

Vrije tekstwoorden

"Cognitive-Therapy"/ all subheadings explode "Desensitization-Psychologic"/ all subheadings

"Family-Therapy"/ all subheadings explode "Treatment-Outcome"/ all subheadings "Psychotherapy"/ all subheadings "Behavior-Therapy"/ all subheadings explode "Psychoanalytic-Therapy"/ all explode "Psychotherapeutic-Processes"/ all "Psychotherapy-Brief"/ all subheadings "Psychotherapy-Multiple"/ all subheadings explode "Socioenvironmental-Therapy"/ all explode "Parents"/ all subheadings explode "Family-Relations"/ all subheadings

eye movement desensitization and reprocessing) or (psychotherapy training program) or (Psychotherapy- Training) or (parent near child near interaction?)

((parent near child near interaction?) in ti,ab) or (pcit in ti) or (pcit near thera*)

 

(vanaf 2000 ook gezocht in PsycINFO)

MeSH

Vrije tekstwoorden

"Treatment-" in MJ,MN

explode "Cognitive-Techniques"

"Interdisciplinary-Treatment-Approach" in MJ,MN

"Online-Therapy" in MJ,MN

explode "Outpatient-Treatment"

"Personal-Therapy" in MJ,MN

explode "Psychotherapeutic-Techniques"

explode "Psychotherapy"

"Sociotherapy-" in MJ,MN

"Computer-Assisted-Therapy" in MJ,MN

"Group-and-Family-Therapy" in cc

"Parent-Training" in MJ,MN

"Family-Life-Education" in MJ,MN

explode "Parental-Attitudes"

explode "Parent-Child-Relations"

explode "Parental-Characteristics"

"Childrearing-Attitudes" in MJ,MN

"Childrearing-Practices" in MJ,MN

(parent? near5 training) in ti,ab

  1. Berliner, L., & Rawlings, L. (1991). A treatment manual: children with sexual behavior problems. Seattle: Harborview Sexual Assault Center.
  2. Bicanic, I.A.E., & Kremers, A.H.A. (Red.). (2007a). Cognitieve gedragstherapie bij PTSS na eenmalig seksueel geweld. STEPS handleiding. Amsterdam: Boom Cure & Care Publishers.
  3. Bicanic, I.A.E., & Kremers, A.H.A. (Red.). (2007b). Cognitieve gedragstherapie bij PTSS na eenmalig seksueel geweld. STEPS werkboek ouder(s). Amsterdam: Boom Cure & Care Publishers.
  4. Bicanic, I.A.E., & Kremers, A.H.A. (Red.). (2007c). Cognitieve gedragstherapie bij PTSS na eenmalig seksueel geweld. STEPS werkboek meisje. Amsterdam: Boom Cure & Care Publishers.
  5. Bonner, B.L., & Walker, C.E. (2000). Characteristics and treatment outcome of school-age children with sexual behavior problems. Paper presented at the San Diego Conference on responding to child maltreatment, January 2000.
  6. Bonner, B.L., Walker, C.E., & Berliner, L. (1999). Treatment manual for cognitive-behavioral treatment for parents/caregivers of children with sexual behavior problems. Washington: National Clearinghouse on Child Abuse and Neglect Information.
  7. Carpentier, M.Y., Silovsky, J.F., &Chaffin, M. (2006). Randomized trial of treatment for children with sexual behavior problems: ten-year follow-up. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 74, 482-488. Chadwick Center on Children and Families (2004). Closing the quality chasm in child abuse treatment: identifying and disseminating best practices: the findings of the Kauffman best practices project to help children heal from child abuse. San Diego, The Chadwick Center. Zie: http://www.chadwickcenter.org/Documents/Kaufman%20Report/ChildHosp-NCTAbrochure.pdf
  8. Chaffin, M., Bonner, B.L., & Hill, R.F. (2001). Family preservation and family support programs: child maltreatment outcomes across client risk levels and program types. Child Abuse & Neglect, 25, 1269¬1289.
  9. Chaffin, M., Silovsky, J.F., Funderburk, B., et al. (2004). Parent-child interaction therapy with physically abusive parents: efficacy for reducing future abuse reports. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 72, 500-510.
  10. Cohen, J.A., Deblinger, E., Mannarino, A.P., et al. (2004). A multisite randomized controlled trial for multiply traumatized children with sexual abuse-related PTSD. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 43, 393-402.
  11. Cohen J.A, Mannarino A.P, Knudsen K. (2005). Treating sexually abused children: One year follow-up of a randomized controlled trial. Child Abuse & Neglect.29, 135-145
  12. Culp, R.E., Little, V., Letts, D., et al. (1991). Maltreated children's self-concept: effects of a comprehensive treatment program. The American Journal of Orthopsychiatry, 61, 114-121.
  13. Dickmann, D. (2008), Verbreding van de horizon: effectonderzoek naar de begeleiding voor ouders van kinderen die geweld in het gezin hebben meegemaakt. Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek.
  14. Eyberg, S.M., Boggs, S., & Algina, J. (1995). Parent-child interaction therapy: a psychosocial model for the treatment of young children with conduct problem behavior and their families. Psychopharmacology Bulletin, 31, 83-92.
  15. Fantuzzo, J., Sutton-Smith, B., Atkins, M., et al. (1996). Community-based resilient peer treatment of withdrawn maltreated preschool children. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 63, 1377-1386. Finkelhor, D., Ormond, R., & Turner, H. (2004). Poly-victimization: a neglected component in child victimization trauma. Paper gepresenteerd tijdens The International Research Conference: victimization of children and youth'. Portsmouth (NH), 11-14 juli 2004.
  16. Gershater-Molko, R.M., Lutzker, J.R., & Wesch, D. (2002). Using recidivism data to evaluate project safecare: teaching bonding, safety, and health care skills to parents. Child Maltreatment, 7, 277-285. Graham-Bermann, S.A., & Hughes, H.M. (2003). Intervention for children exposed to interparental violence (IPV): assessment of needs and research priorities. Clinical Child and Family Psychology Review, 6, 189¬204.
  17. Hood K.K, Eyberg S.M. Outcomes of parent-child interaction therapy: mothers' reports of maintenance three to six years after treatment. Journal Of Clinical Child And Adolescent Psychology: The Official Journal For The Society Of Clinical Child And Adolescent Psychology, American Psychological Association, Division 53 2003; 32(3):419-429.
  18. Huiskes, S., & Plugge, K. (2004). Het effect van de Horizonmethode, een therapie voor kinderen die seksueel misbruik hebben meegemaakt. Amsterdam: Vrije Universiteit, Faculteit der Bewegingswetenschappen.
  19. James, B. (1994). Handbook for treatment of attachment-trauma problems in children. New York: Lexington Books.
  20. Jouriles, E.N., McDonald, R., Spiller, L., et al. (2001). Reducing conduct problems among children of battered women. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 69, 774-785.
  21. Kolko, D.J. (1996a). Clinical monitoring of treatment course in child physical abuse: psychometric characteristics and treatment comparisons. Child Abuse & Neglect, 20, 23-43.
  22. Kolko, D.J. (1996b). Individual cognitive-behavioral treatment and family therapy for physically abused children and their offending parents: a comparison of clinical outcomes. Child Maltreatment, 1, 322-342.
  23. Lamers-Winkelman, F. (2003). Een Huilend Huis. Over de effecten van geweld in het gezin op kinderen en de mogelijkheden om hen te helpen de ervaringen te verwerken. Rapport in opdracht van de Provincie Zeeland/Scoop. Amsterdam: Vrije Universiteit, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, afdeling Orthopedagogiek.
  24. Lamers-Winkelman, F. (2004). Als alle kleine beetjes helpen... Effecten van het programma Let op de Kleintjes in de provincie Overijssel. Rapport in opdracht van de Vrouwenopvang Overijssel. Amsterdam: Vrije Universiteit, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, afdeling Orthopedagogiek.
  25. Lamers-Winkelman, F., & Bicanic, I. (2000a). Een werkboek voor kinderen die seksueel misbruik hebben meegemaakt. Amsterdam: SWP.
  26. Lamers-Winkelman, F., & Bicanic, I. (2000b). Therapeutenhandleiding bij een werkboek voor kinderen die seksueel misbruik hebben meegemaakt. Amsterdam: SWP.
  27. Leeuwenburgh, I., Visser, M.M., & Lamers-Winkelman, F. (2007a). Een werkboek voor kinderen over ruzie en geweld in het gezin. Amsterdam: SWP.
  28. Leeuwenburgh, I., Visser, M.M., & Lamers-Winkelman, F. (2007b). Therapeutenhandleiding bij een werkboek voor kinderen die ruzie en geweld in het gezin hebben meegemaakt. Amsterdam: SWP.
  29. Lieberman, A.F., Compton, N., Van Horn, P., et al. (2003). Losing a parent to death in the early years: guidelines for the treatment of traumatic bereavement in infancy and early childhood. Washington, DC: Zero to Three Presses.
  30. Lieberman, A.F., Ghosh Ippen, C., & Van Horn, P. (2006). Child-parent psychotherapy: 6-month follow-up of a randomized controlled trial. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 45, 913-918.
  31. Lieberman, A.F., Van Horn, P., & Ippen, C.G. (2005). Toward evidence-based treatment: child-parent psychotherapy with preschoolers exposed to marital violence. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 44, 1241-1248.
  32. Lutzker, J.R. (1984). Project 12-ways: treating child abuse and neglect from an ecobehavioral perspective. In R.F. Dangel & R.A. Polster (Red.), Parent training: foundations of research and practice (pp. 260-297). New York: Guilford.
  33. Lutzker, J.R., & Bigolow, K.M. (2002). Reducing child maltreatment: a guidebook for parent services. New York: Guilford.
  34. Lutzker, J.R., & Rice, J.M. (1984). Project 12-ways: measuring outcome of a large in-home service for treatment and prevention of child abuse and neglect. Child Abuse & Neglect, 8, 519-524.
  35. Lutzker, J.R., & Rice, J.M. (1987). Using recidivisme data to evaluate Project 12-ways: an ecobehavioral approach to the treatment and prevention of child abuse and neglect. Journal of Family Violence, 2, 283¬290.
  36. Lutzker, J.R., Tymchuk, A.J., & Bigolow, K.M. (2001). Applied research in child maltreatment: practices and pitfalls. Children’s Services: Social Policy, Research, and Practice, 4, 141-156.
  37. McDonald Renee; Jouriles Ernest N; Skopp Nancy (2006). A Reducing conduct problems among children brought to women's shelters: intervention effects 24 months following termination of services. Journal of family psychology : JFP : Journal of the Division of Family Psychology of the American Psychological Association (Division 43) 2006;20(1):127-36.
  38. Macdonald, G.M., Higgins, J.P., & Ramchandani, P. (2006). Cognitive-behavioural interventions for children who have been sexually abused. Cochrane Database of Systematic Reviews 2006, 4, art.no. CD001930. DOI: 10.1002/14651858. CD001930.pub. 2.
  39. Nixon, R.D., Sweeney, L., Erickson, D.B., et al. (2003). Parent-child interaction therapy: a comparison of standard and abbreviated treatments for oppositional defiant preschoolers. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 71, 251-260.
  40. Olds, D.L., Kitzman, H., Hanks, C., et al. (2007) Effects of nurse home visiting on maternal and child functioning: age-9 follow-up of a randomized trial. Pediatrics, 120, 832-845.
  41. Pithers, W.D., Gray, A., Busconi, A, & Houchens, P. (1998) Children with sexual behaviour problems: Identification of five distinct child types and related treatment considerations. Child Maltreatment, 3(4), pp.384-406
  42. Reams, R., & Friedrich, W. (1994). The efficacy of time-limited play therapy with maltreated preschoolers. Journal of Clinical Psychology, 50, 889-899.
  43. Royal College of Paediatrics and Child Health. (2008). The physical signs of child sexual abuse. An evidence-based review and guidance for best practice. London: Royal College of Paediatrics and Child Health.
  44. Saunders, B.E., Berliner, L., & Hanson, R.F. (Red.). (2004). Child physical and sexual abuse: guidelines for treatment (revised report, 26 april 2004). Charleston, SC: National Crime Victims Research and Treatment Center.
  45. Schuhmann, E., Foote, R., Eyberg, S.M., et al. (1998). Parent-child interaction therapy: interim report of a randomized trial with short-term maintenance. Journal of Clinical Child Psychology, 27, 34-45.
  46. Silovsky, J.F., Niece, L., & Hecht, D. (2000). Clinical presentation and treatment outcome of preschool children with sexual behaviorproblems. Paper presented at the San Diego Conference on responding to child maltreatment, January 2000.
  47. Silovsky, J.F., & Bonner, B.L. (2003). Children with sexual behavior problems. In T.H. Ollendick, & C.S. Schroeder (Eds.), Encyclopedia of Clinical Child and Pediatric Psychology (pp.589-591). New York: Kluwer Press.
  48. Silovsky, J., & Bonner, B.L. (2003). Children with Sexual Behavior Problems: Common Misconceptions vs. Current Findings. Oklahoma: National Center on Sexual Behavior of Youth (NCSBY). http://www.ncirs.gov/App/Publications/abstract.aspx?ID=234678
  49. Sullivan, C.M., Bybee, D.I., & Allen, N.E. (2002). Findings from a community-based program for battered women and their children. Journal of Interpersonal Violence, 17, 915-936.
  50. Sullivan, M., Egan, M., & Gooch, M. (2004). Conjoint interventions for adult victims and children of domestic violence: a program evaluation. Research on Social Work Practice, 14, 163-170.
  51. Udwin, O. (1983). Imaginative play training as an intervention method with institutionalized preschool children. The British Journal of Educational Psychology, 53, 32-39.
  52. Visser, M.M., Leeuwenburgh, I., van Arum, S., et al. (in voorbereiding). Veilig-Sterk-Verder: een behandelprogramma voor gezinnen waarin fysieke kindermishandeling voor komt.
  53. Visser, M.M., Leeuwenburgh, I., & Lamers-Winkelman, F. (2007a). Een werkboek voor ouders van kinderen die ruzie en geweld in het gezin hebben meegemaakt. Amsterdam: SWP.
  54. Visser, M.M., Leeuwenburgh, I., & Lamers-Winkelman, F. (2007b). Therapeutenhandleiding bij een werkboek voor ouders van kinderen die ruzie en geweld in het gezin hebben meegemaakt. Amsterdam: SWP.
  55. Wesch, D., & Lutzker, J.R. (1991). A comprehensive 5-year evaluation of Project 12-Ways: an ecobahavioral program for treating and preventing child abuse and neglect. Journal of Family Violence, 6, 17-35.

Therapie/behandeling bij kinderen

  • Seksueel misbruik, huiselijk geweld getuige en traumatische rouw
  • Seksueel misbruik
  • Getuige huiselijk geweld, ouder-kindpsychotherapie
  • Kindermishandeling, Gezinsbehandeling/ondersteuning
  • Fysieke mishandeling, emotionele mishandeling en fysieke verwaarlozing
  • Emotionele en fysieke kindermishandeling
  • Complex trauma t.g.v. misbruik/mishandeling en ouderschap

 

Seksueel misbruik, huiselijk geweld getuige en traumatische rouw

Bibliografische referentie (1)

Cohen, J., Mannarino, A., & Deblinger, E. (2007). Trauma-Focused Cognitive Behavioral Therapy (TF-CBT). The National Child Traumatic Stress Network: www.NCTSN.org.

California Clearinghouse

Mate van bewijs (2)

A1

California Clearinghouse 1

Studietype (3)

Meta-analyse

5 RCT’s door de ontwerpers van de methodiek zelf:

-  Cohen & Mannarino, 1996

-  Cohen & Mannarino, 1998

-  Cohen et al., 2004

-  Deblinger et al.,1996

-  Deblinger et al., 2001 (zie volledige lijst hieronder).

- 1 RCT door King et al., 2000

Aantal patiënten (4)

Van de 5 onderzoeken N=551, completers 453 King: N=36

Inclusiecriteria (5)

Traumatype: seksueel misbruik, traumatische rouw, huiselijk geweld e.a. Patiëntenkenmerken:

Aantal: 489

Leeftijd: 3-18 jaar

Sekse: 360 meisjes, 129 jongens

Diverse culturele achtergronden: American, Caucasian, Latino en African American

Interventie (incl. duur, dosering) (7)

TF-CBT is een individuele, kortdurende interventie met zowel individuele sessies met het kind als gezamenlijke sessies met ouders en kind. Het is voor kinderen met gedrags- en emotionele problemen gerelateerd aan traumatische ervaringen, waarbij de problemen soms wel en soms niet voldoen aan de volledige posttraumatische stressstoornis.

Het is een psychotherapeutisch model dat traumagerichte interventies combineert met cognitieve gedragstherapie

Gemiddeld 12 tot 16 sessies, wekelijks, van 60 tot 90 minuten

Controle/vergelijking (incl. duur, dosering) (8)

TF-CBT werd onderzocht in vergelijking met een controlegroep die non-directieve speltherapie of steunende behandeling kreeg. Het gaat om het specifieke model omschreven door bovenstaande auteurs.

Random assignment: ja

Vergelijking effecten m.b.t. problemen als:

-        ptss

-        gedragsproblemen

-        angst

-        depressie

-        geseksualiseerd gedrag

-        schaamte

-        wantrouwen

Lengte follow-up (9)

6 maanden

Resultaten (10)

-  TF-CBT is effectiever op verbetering van de genoemde problemen dan de non-directieve speltherapie of de steunende behandeling

-  De behandelcomponenten gericht op de ouders dragen bij aan de effectiviteit van de TF-CBT voor de kinderen

Overige opmerkingen (13)

De TF-CBT is het meest onderzocht na seksueel misbruik en amper bij kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld of slachtoffer van fysieke kindermishandeling.

Componenten van TF-CBT zijn terug te vinden in AF-CBT, hieronder beschreven.

 

Literatuur

  • Cohen, J.A., Deblinger, E., Mannarino, A.P., et al. (2004). A multisite randomized controlled trial for multiply traumatized children with sexual abuse- related PTSD. Journal of the AmericanAcademy of Child and Adolescent Psychiatry, 43, 393-402.
  • Cohen, J.A., & Mannarino, A.P. (1996). A treatment outcome study for sexually abused preschool children: initial findings. Journal of the AmericanAcademy of Child and Adolescent Psychiatry, 35, 42-50.
  • Cohen, J.A., & Mannarino, A.P. (1997). A treatment study of sexually abused preschool children: outcome during one year follow-up. Journal of the AmericanAcademy of Child and Adolescent Psychiatry, 36, 1228-1235.
  • Cohen, J.A., & Mannarino, A.P. (1998). Interventions for sexually abused children: initial treatment findings. Child Maltreatment, 3, 17-26.
  • Cohen, J.A., Mannarino, A.P., & Knudsen, K. (2005). Treating sexually abused children: one year follow-up of a randomized controlled trial. Child Abuse & Neglect, 29, 135-145.
  • Deblinger, E., & Heflin, A.H. (1996). Treating sexually abused children and their non-offending parents: a cognitive behavioral approach. Thousand Oaks, CA: Sage.
  • Deblinger, E., Lippmann, J., & Steer, R. (1996). Sexually abused children suffering posttraumatic stress symptoms: initial treatment outcome findings. Child Maltreatment, 1, 310-321.
  • Deblinger, E., McLeer, S.V., & Henry, D.E. (1990). Cognitive behavioral treatment for sexually abused children suffering post-traumatic stress: preliminary findings. Journal of the AmericanAcademy of Child and Adolescent Psychiatry, 29, 747-752.
  • Deblinger, E., Stauffer, L.B., & Steer, R.A. (2001). Comparative efficacies of supportive and cognitive behavioral group therapies for young children who have been sexually abused and their non-offending mothers. Child Maltreatment, 6, 332-343.
  • Deblinger, E., Steer, R., & Lippman, J. (1999). Two year follow-up study of cognitive behavioral therapy for sexually abused children suffering posttraumatic stress symptoms. Child Abuse & Neglect, 23, 1371-1378.
  • King, N.J., Tonge, B.J., Mullen, P., et al. (2000). Treating sexually abused children with posttraumatic stress symptoms: a randomized clinical trial. Journal of the AmericanAcademy of Child and Adolescent Psychiatry, 39, 1347-1355.
  • Stauffer, L.B., & Deblinger, E. (1999). Let’s talk about taking care of you: an educational book about body safety. Hatfield, PA: Hope for Families. (Available from: http://www.hope4families.com)

 

Seksueel misbruik

Bibliografische referentie (1)

Hetzel-Riggin, M.D., Brausch, A.M., & Montgomery, B.S. (2007). A meta-analytic investigation of therapy modality outcomes for sexually abused children and adolescents: an exploratory study. Child Abuse & Neglect, 31, 125-141.

Mate van bewijs (2)

A1

Studietype (3)

Meta-analyse

Soorten therapie onderzocht:

-  Individueel (17)

-  Groep (15)

-  Cognitive-behavioral (15)

-  Abuse-specific (15)

-  Supportive (11)

-  Family (9)

-  Geen behandeling (9)

-  Speltherapie (4)

-  Anders (bijv. EMDR) (1)

Combinaties konden voorkomen, bijv. cognitive-behavioral, abuse-specific

Aantal patiënten (4)

28 onderzoeken, 1817 kinderen/adolescenten 12 studies met N < 40 16 studies met N > 40

Inclusiecriteria (5)

Onderzoeken werden geïncludeerd als ze:

- ontworpen waren om de effecten van behandeling voor seksueel misbruikte kinderen of adolescenten te meten

- een pre-post test design hadden gebruikt

- een onderzoeksgroep van ten minste 10 patiënten hadden

- voldoende statistische informatie bevatten om effect sizes te berekenen (gem., sd’s, t-tests, F-tests, enz.)

- gepubliceerd waren in een peer-reviewed tijdschrift.

Patiëntenkenmerken:

Aantal: 1817, van 7-294 per onderzoek Leeftijd: 2-18 jaar

Sekse: 14 gemixt, 11 meisjes, 1 jongens, 2 niet gerapporteerd

Interventie (incl. duur, dosering) (7)

Geen interventie in de meta-analyse, interventies waren onderwerp van de analyse.

Controle/vergelijking (incl. duur, dosering) (8)

Onderzoeken werden met elkaar vergeleken, waarvan:

- 11 met een niet-behandelde controlegroep

- 17 zonder controlegroep

Random assignment:

- 12 ja

- 16 nee

Vergelijking effecten m.b.t. ‘secundaire’ problemen zoals:

- het sociale functioneren

- gedragsproblemen

- psychologische distress

- zelf-concept

- anders 

Lengte follow-up (9)

t.a.v. de meta-analyse: n.v.t.

t.a.v. de onderzochte therapieën: geen follow-up, metingen direct voor en direct na de therapie

Resultaten (10)

- Overall mean weighted effect-sizes for the M.A.: d = 0,72 (S.E.=0,02)

- Effect size voor behandelde groepen significant groter dan voor niet- behandelde groepen

- Behandeling is effectiever dan geen behandeling

- Speltherapie is het meest effectief m.b.t. het sociale functioneren

- Cognitive-behavioral, supportive therapie en abuse-specific, zowel individueel als in een groep, zijn het meest effectief voor gedragsproblemen

- Cognitive-behavioral, family en individuele therapie zijn het meest effectief voor psychologische distress

- Abuse-specific, cognitive-behavioral en groepstherapie zijn het meest effectief voor laag zelf-concept

- Sommige niet-behandelde kinderen gingen ook vooruit.

Moderator analyses:

- Hoger % niet-blanke patiënten verhoogt significant mean-weighted effect-size

- Hoger % misbruik binnen gezin verlaagt significant mean-weighted effect-size

- Groter aantal therapiesessies verhoogt significant mean-weighted effect-size

- Groter aantal maanden in therapie verhoogt significant mean-weighted effect-size (maar kan ook effect tijd zijn).

Overige opmerkingen (13)

Moeilijk te bepalen welke behandeling het meest effectief is, ondanks aanduiding voor soort therapie zijn er soms meerdere modaliteiten tezamen gebruikt.

 

Getuige huiselijk geweld, ouder-kindpsychotherapie

Bibliografische referentie (1)

Child-Parent Psychotherapy (CPP) National Child Traumatic Stress Network www.NCTSN.org

California Clearinghouse

Mate van bewijs (2)

A2/B

California Clearinghouse 3; komt overeen met B

Studietype (3)

Meta-analyse 3 RCT’s naar CPP:

  1. door Lieberman et al. (2005, 2006) bij kinderen die getuige zijn geweest van huiselijk geweld
  2. door Toth et al. (2002) bij mishandelde kinderen, met de vraag of representatie van hun moeders en van henzelf verbeterde door CPP
  3. door Cicchetti et al. (2006) bij mishandelde kinderen, met de vraag of hun gehechtheidsclassificatie veranderde door CPP in vergelijking met een standaard behandeling

Aantal patiënten (4)

  1. N=75, waarvan 48% jongens en 52% meisjes, multicultureel, in de leeftijd van 3-5 jaar
  2. N=112, jongens en meisjes, na fysieke kindermishandeling, seksueel misbruik, emotionele mishandeling en verwaarlozing en 60% van de kinderen meer dan één vorm
  3. N=137, kinderen van 12 maanden en hun moeders

Inclusiecriteria (5)

-  Patiëntenkenmerken: kinderen onder de 7 jaar en hun moeder (verzorger)

-  Trauma type: primair getuige van huiselijk geweld, secundair kindermishandeling

Interventie (incl. duur, dosering) (7)

CPP is een psychotherapiemodel dat psychodynamische, hechtings-, traumagerichte, cognitief gedragsmatige en sociale leertheorieën integreert in een behandeling voor ouder en kind (onder de 7). Doel is het verbeteren van de ouder-kindrelatie, de geestelijke gezondheid van het kind en het weer op gang brengen van de ontwikkeling van het kind, nadat deze beschadigd zijn door de ervaringen met huiselijk geweld.

Wekelijkse sessies van een uur gedurende 12 maanden.

Controle/vergelijking (incl. duur, dosering) (8)

1. casemanagement met individuele psychotherapie

  1. psycho-educatie aan huis, een niet-mishandelde groep en een groep kinderen die een standaard behandeling kreeg

3. een standaard behandeling

Lengte follow-up (9)

1. 6 maanden

2. voor- en nameting, geen follow-up

3. ???

Resultaten (10)

1. Resultaten na behandeling leiden tot significante afname van de totale gedragsproblemen en van de traumagerelateerde problemen bij de kinderen. De moeders lieten significant minder traumagerelateerd vermijdend gedrag zien. Na 6 maanden lijkt het erop dat de gedragsproblemen nog meer zijn afgenomen, in vergelijking met een behandeling bestaande uit casemanagement met individuele psychotherapie.

2. CPP-kinderen hadden minder negatieve representaties van zichzelf dan de andere drie groepen. Ze hadden significant betere representaties van de moeder-kindrelatie in vergelijking met de groep die de psycho-educatie aan huis kreeg en met de niet-mishandelde groep.

3. Resultaten na behandeling leiden tot significant grotere veranderingen in de gehechtheidsclassificatie dan de standaard behandeling. 

Overige Opmerkingen (13)

Literatuur

De methodiek wordt omschreven in:

  • Lieberman, A.F., & Van Horn, P. (2005). ‘Don’t hit my mommy!’ A manual for child-parent psychotherapy with young witnesses of family violence. Washington, DC: Zero to Three Press.

Voor traumatische rouw wordt de methodiek omschreven in:

  • Lieberman, A.F., Compton, N., Van Horn, P., et al. (2003). Losing a parent to death in the early years: guidelines for the treatment of traumatic bereavement in infancy and early childhood. Washington, DC: Zero to Three Press.

Onderzoeksartikelen:

  • Cicchetti, D., Rogosch, F.A., & Toth, S.L. (2006). Fostering secure attachment in infants in maltreating families through preventive interventions. Development and Psychopathology, 18, 623-649.
  • Lieberman, A.F., Ghosh Ippen, C., & Van Horn, P.(2006). Child-parent psychotherapy: 6-month follow-up of a randomized controlled trial. Journal of the AmericanAcademy of Child and Adolescent Psychiatry, 45, 913-918.
  • Lieberman, A.F., Van Horn, P., & Ippen, G.C. (2005). Toward evidence- based treatment: child-parent psychotherapy with preschoolers exposed to marital violence. Journal of the AmericanAcademy of Child and Adolescent Psychiatry, 44, 1241-1248.
  • Toth S.L., Maughan A., Manly J.T., et al. (2002). The relative efficacy of two interventions in altering maltreated preschool children's representational models: implications for attachment theory. Development and Psychopathology, 14, 877-908.

 

Kindermishandeling, Gezinsbehandeling/ondersteuning

Bibliografische referentie (1)

Chaffin, M., Bonner, B.L., & Hill, R.F. (2001). Family preservation and family support programs: child maltreatment outcomes across client risk levels and program types. Child Abuse & Neglect, 25, 1269-1289.

Mate van bewijs (2)

B

Studietype (3)

Prospectief, cohortonderzoek

Vergelijkend, Family Preservation Program of Family Support Program:

-        programma-afmakers t.o.v. -uitvallers

-        langere full service programma’s met eenmalige interventie

Aantal patiënten (4)

28 instellingen ‘state-wide’, 74 hulpprogramma’s tussen 1996-1999, totaal aantal cliënten 1996, deelname aan onderzoek N=1601

Inclusiecriteria (5)

Inclusie: volgden een FPP- of FSP-programma tussen 1996 en 1999 Exclusie: tijdens onderzoek geen betrokkenheid van CPS

Patiëntenkenmerken:

-    (voornamelijk) lagere SES: 47% minder dan High School, helft onder landelijk gemiddelde inkomen, 16% werkeloos, 69% ontving een vorm van staatssteun

-  86% vrouwelijk, gem. leeftijd 27, 18% zwanger bij begin programma

-  18% onder de 18 bij aanvang programma, daarvan 41% zwanger

-  41% was gehuwd tijdens onderzoek, 28% was nooit getrouwd

-  Mediaan N gezinsleden = 4, kk mediaan 2, vrnl. preschoolers

-  39% blank, 32% native Americans, 12,5% African American, 14% Hispanic

-  matig tot hoog risico (op KM)

-  43% rookte (is 2 keer zoveel als gem. VS), 33% keek meer dan 4 uur tv per dag, 75% woonde in een kleine stad of landelijke omgeving, verhuisde weinig

-  17% was door CPS naar programma verwezen, rest door familie/kennissen enz.

-  van 13% was ooit een kind uit huis geplaatst, bij 8% was dat tijdens het onderzoek het geval.

Interventie (incl. duur, dosering) (7)

Programmaduur: wisselend van 212 dagen tot 1 sessie (gem. 151)

-    pretest bij begin FPP of FSP

-    posttest aan eind

-    rapporten van CPS, tijdens programma en bij follow-up Instrumenten: een zelf ontwikkelde lijst demografische kenmerken + de Child Abuse Potential Inventory (CAP)

Controle/vergelijking (incl. duur, dosering) (8)

Deelnemers met ‘failure event’ t.o.v. die zonder f.e.

F.E.: 1) vond plaats na de pretest, 2) betrof verwaarlozing, fysieke mishandeling, seksueel misbruik, 3) na onderzoek bleek het gebeuren plaats te hebben gehad, 4) de deelneem(st)er was de verantwoordelijke

‘Dosering’:

1)     waar: in een centrum of thuis

2)     duur en intensiteit:

3)     model: ouderklas, Healthy Families, Parents-As-Teachers enz.*

Lengte follow-up (9)

1,6 jaar na beëindiging FPP of FSP

Resultaten (10)

-  Geen veranderingen in de demografische variabelen tussen pre- en posttest

-  CAP-scores daalden licht tussen pre- en posttest, en significant: maar voor 40% was de CAP-score ongeldig vanwege onderraportage (‘fake-good index’)

-   12,2% (van alle 1601) had op zijn minst één f.e. bij follow-up, 61% verwaarlozing en 21% verw. + fysieke mish., 10% fysieke mish. alleen, 8% seksueel misbruik

-    Geen significante verschillen m.b.t. f.e.’s tussen afvallers en afmakers (power voor vinden van matige effect size (.25) was .91)

-  Eenmalige deelnemers hadden significant minder f.e.’s (gecontroleerd voor risico bij aanvang) dan langduriger programmadeelnemers

-   In geval van een f.e. vergelijking tussen eenmalige en langdurige t.a.v. uithuisplaatsing: geen significante verschillen.

Vergelijking langdurige programma’s m.b.t. f.e.’s (soort, duur, intensiteit):

-  Geen significante verschillen tussen soort programma’s m.b.t. f.e.’s

-  Geen significante verschillen gem. aantal contacten met cliënt per maand m.b.t. f.e.’s

-    Als alleen gekeken is naar gezinnen met een f.e.: geen significante verschillen tussen programma’s

-  Programma’s in een centrum werkten beter dan programma’s thuis

-   Programma’s waarin (alleen) in de basale noden werd voorzien werkten beter dan alle andere programma’s.

Samenvattend:

-     Lagerisicogroepen (demografische risicofactoren, CAP-score) niet in programma’s doen

-     Voor hogerisicogezinnen (demografische factoren, hoge CAP-score) werkten de basic needs-approach en mentoring services het beste

-    Voor hogerisicogroepen werkten de gestandaardiseerde programma;’s niet/nauwelijks: in de follow-uptijd (anderhalf jaar) 25% gerapporteerd voor verwaarlozing/kindermishandeling

-  Home-visiting zijn minder goed dan behandeling in een centrum.

Waarom werkt het niet?

-   Veel van de programma’s zijn parent-education gericht, dus kennis en geen skills

-    Geen van de programma’s houdt (genoeg) rekening met de bekende risicofactoren van de ouders voor maltreatment: alcohol/drugsafhankelijkheid, huiselijk geweld, armoede en depressie.

Overige Opmerkingen (13)

* Programma’s: Healthy Families America, Parents-As-Teachers, Nurturing programs, Mentoring programs, Agency collaborative, Basic Needs, Parent Education center, Episodic (1x), Family preservation

 

Geen RCT, geen rigoreuze controle voor de programma’s (integriteit, opl. professionals enz. )

 

Fysieke mishandeling, emotionele mishandeling en fysieke verwaarlozing

Bibliografische referentie (1)

Parent-Child Interaction Therapy (PCIT) National Child Traumatic Stress Network www.NCTSN.org

California Clearinghouse

Mate van bewijs (2)

A1

California Clearinghouse 1

Studietype (3)

  1. RCT met mishandelende ouders en hun kinderen (1)
  2. RCT met ouders en kinderen met gedragsstoornissen (2)
  3. RCT’s met ouders en kinderen met gedragsstoornissen (3; 4)

Aantal patiënten (4)

  1. N=110
  2. N=50
  3. N=??

Inclusiecriteria (5)

  1. Fysieke kindermishandeling
  2.  Kinderen die voldoen aan de classificatie van een gedragsstoornis
  3.  Kinderen die voldoen aan de classificatie van een gedragsstoornis

Interventie (incl. duur, dosering) (7)

PCIT is een behandelmodel waarin stap voor stap in de sessies wordt gewerkt met de ouder/verzorger en het kind. De ouder leert goed in te gaan op het gedrag en de signalen van het kind door middel van een one-way-screen en support van de behandelaar via een ‘oortje’.

Doelen zijn:

-  een verbetering van de kwaliteit van de ouder-kindrelatie

-  een afname van de gedragsproblemen van het kind en een toename van sociaal gedrag

-  een verbetering van de vaardigheden van de ouder, inclusief positieve discipline

-  een afname van de stress van het ouderschap.

-  Voor ouder kan dus ook een groepsleider, pleegouder enz. staan.

-  Tussen de sessies door hebben de ouders huiswerk om te oefenen met de vaardigheden.

-  Leeftijd van de kinderen: 2 tot 12 jaar.

-  Gemiddelde behandelduur is 12 tot 20 weken.

Controle/vergelijking (incl. duur, dosering) (8)

  1. Fysiek mishandelende ouders werden random toegewezen aan een van de drie interventie groepen: I) PCIT, II) PCIT en individueel steunende diensten en III) een standaard oudergroep
  2. Wachtlijstgroep
  3. Wachtijstgroep

Lengte follow-up (9)

  1. Follow-up na gemiddeld 850 dagen
  2. Follow-up na 6 of 4 maanden

Resultaten (10)

  1. 19% van de PCIT-ouders meldde een terugval van fysieke mishandeling in vergelijking met 49% uit de standaard oudergroep. De extra individuele steun maakte de PCIT niet effectiever. In de PCIT-groep was een afname te zien van negatieve ouder-kindinteracties.
  2. De PCIT-ouders lieten een significante afname zien in frequentie en intensiteit van de gedragsproblemen gescoord door de ouders, de scores vielen na behandeling in het normale gebied en de positieve effecten werkten ook door op de siblings van de behandelde kinderen.
  3. Gedragsproblemen bij de kinderen daalden van het klinische gebied naar het normale gebied in beide onderzoeken en geen van de kinderen voldeed na behandeling met PCIT aan de criteria voor een oppositionele gedragsstoornis. De wachtlijstgroepen hielden dezelfde scores op de gedragsproblemen en bleven voldoen aan de criteria voor een oppositionele gedragsstoornis. 

Overige Opmerkingen (13)

Literatuur

  • Chaffin, M., Silovsky, J.F., Funderburk, B., et al. (2004). Parent-child interaction therapy with physically abusive parents: efficacy for reducing future abuse reports. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 72, 500­510.
  • Eyberg, S.M., Boggs, S., & Algina, J. (1995). Parent-child interaction therapy: a psychosocial model for the treatment of young children with conduct problem behavior and their families. Psychopharmacology Bulletin, 31, 83-92.
  • Nixon, R.D.V., Sweeny, L., Erickson, D.B., et al. (2003). Parent-child interaction therapy: a comparison of standard and abbreviated treatments for oppositional defiant preschoolers. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 71, 251-260.
  • Schuhmann, E., Foote, R., Eyberg, S.M., et al. (1998). Parent-child interaction therapy: interim report of a randomized trial with short-term maintenance. Journal of Clinical Child Psychology, 27, 34-45.

 

Emotionele en fysieke kindermishandeling

Bibliografische referentie (1)

Abuse-Focused Cognitive Behavioral Therapy (AF-CBT) National Child Traumatic Stress Network www.NCTSN.org

California Clearinghouse

Mate van bewijs (2)

B

California Clearinghouse 3

Studietype (3)

Geen RCT’s van de gehele methodiek RCT naar componenten van de methodiek

Aantal patiënten (4)

N=38

Inclusiecriteria (5)

 

Interventie (incl. duur, dosering) (7)

AF-CBT is een behandeling op basis van de leertheorie, systeemtheorie en ontwikkelingspsychopathologie. Het bestaat uit specifieke technieken voor mishandelde kinderen, technieken voor de mishandelende ouders en het grotere familiesysteem eromheen. Doel is dat ouders leren op een adequate wijze gedrag van de kinderen te stimuleren of straffen, en het agressieve, gewelddadige gedrag van ouders te stoppen. Het moet veilig zijn in het gezin.

De behandeling duurt gemiddeld 12 tot 16 weken. Parallel vinden individuele en gezinssessies plaats en er is de mogelijkheid voor groepsbehandeling. Het is gericht op gezinnen met kinderen in de leeftijd van 6 tot 15 jaar.

Controle/vergelijking (incl. duur, dosering) (8)

The individual child/parent CBT and family therapy components now integrated in AF-CBT were evaluated separately and compared to a third condition consisting of routine community services (RCS) in a randomized clinical trial (N=38) that evaluated key outcomes.

Lengte follow-up (9)

1 jaar

Resultaten (10)

  1. Weekly child and parent ratings of parents' use of physical discipline/force and anger problems during treatment decreased for both treatment groups, but the decline was significantly faster for the individual CBT condition. Measures included the Conflict Tactics Scale, the cohesion subscale of the Family Environment Scale, the general functioning scale of the Family Assessment Device, the Child Abuse Potential Inventory, the Parenting Scale, and the Beck Depression Inventory.
  2. In terms of the overall outcomes through follow-up among all three conditions, both the individual CBT and family therapy conditions reported greater improvements than routine community services (RCS) on certain child (i.e., less child-to-parent aggression, child externalizing behavior), parent (i.e., child abuse potential, individual treatment targets reflecting abusive behavior, psychological distress, drug use), and family outcomes (i.e., less conflict, more cohesion). Official records for the entire study period revealed lower, albeit non-significant, rates of recidivism among the adults who participated in the individual CBT (5%) and family therapy (6%) conditions, compared to those in the routine services condition (30%). Parallel rates of recidivism were found for the identified abused children in this study in the three conditions: CBT (10%), family therapy (12%), and routine services (30%). There were few differences between individual CBT and family therapy. Further, the outcomes were not influenced by child age, gender, ethnicity, parent education, one-parent vs. two-parent household, socio-economic status (SES), or the levels of child behavior problems, parental distress, and family violence. Both CBT and family therapy were conducted with high fidelity, had high rates of session attendance, and had high consumer satisfaction ratings.

Overige Opmerkingen (13)

-  Aangezien verschillende componenten goed lijken te werken verdient deze methodiek verder onderzoek.

-  Momenteel wordt de methodiek verder ontwikkeld door het KJTC Haarlem en De Waag. De basis van het AF-CBT-model wordt gebruikt met daarin de Horizon-methodiek ontwikkeld door het KJTC.

-  Een aanvraag voor effectonderzoek via ZonMW is in ontwikkeling.

 

Literatuur

Kolko, D.J. (1996a). Clinical monitoring of treatment course in child physical abuse: psychometric characteristics and treatment comparisons. Child Abuse & Neglect, 20, 23-43.

Kolko, D.J. (1996b). Individual cognitive-behavioral treatment and family therapy for physically abused children and their offending parents: a comparison of clinical outcomes. Child Maltreatment, 1, 322-342.

 

Complex trauma t.g.v. misbruik/mishandeling en ouderschap

Bibliografische referentie (1)

Banyard, V.L., Willimans, L.M., & Siegel, J.A. (2003). The impact of complex trauma and depression on parenting: an exploration of mediating risk and protective factors. Child Maltreatment, 8, 334-349.

Mate van bewijs (2)

B

Studietype (3)

Exploratief, patiëntcontroleonderzoek

Aantal patiënten (4)

N=174 volwassen vrouwen met minimaal één kind, en die in hun jeugd gezien waren in één ziekenhuis in een arme wijk

-  87 daarvan waren in hun jeugd mishandeld/misbruikt, en dat was officieel gedocumenteerd

-  87 vormden een matched controlegroep zonder officieel gedocumenteerde mishandeling/misbruik (maar zie verder)

Inclusiecriteria (5)

-  Alle vrouwen waren in hun jeugd patiënt geweest in een buurtkliniek in een laag-inkomenwijk in een grote stad in het noord-oosten van de VS

-   Alle vrouwen maakten vanaf hun jeugd deel uit van een longitudinale studie naar de consequenties van kindermishandeling

Patiëntenkenmerken:

-        Gem. leeftijd: 31,64 (SD = 3,31)

-        Gem. aantal kinderen: 2,69 (SD = 1,62), range 1-10

-        Huwelijkse staat: 56% nooit

-        Culturele achtergrond: 93% niet blank

-        Opleiding: 60% high school-diploma of GED (??)

-        Werk: 44% had werk

-        Gem. inkomen per maand: $ 1.149,69 (SD = 717,77)

Interventie (incl. duur, dosering) (7)

Geen

Controle/vergelijking (incl. duur, dosering) (8)

-  Helft slachtoffer van bewezen seksueel misbruik in de jeugd, andere helft gematchte controlegroep.

-  Van de 87 vrouwen uit de controlegroep rapporteerden er 41 retrospectief ook nog seksueel misbruik. Dit was echter niet gedocumenteerd. Statistische analyses toonden geen verschil tussen de officieel gedocumenteerde vrouwen en de niet-gedocumenteerde vrouwen.

-  Van de 174 vrouwen hadden er 152 een kind gebaard. Deze groep werd in de studie gebruikt.

Lengte follow-up (9)

De vrouwen waren oorspronkelijk gezien in het ziekenhuis rond 1970, toen waren ze tussen de 10 maanden en 12.

Resultaten (10)

Hogere scores op de trauma exposure index gerelateerd aan:

-        verminderde parental satisfaction

-        CPS-meldingen over kindermishandeling

-        gebruik van fysieke disciplineringsmethoden

-        een geschiedenis van CPS-rapportages

Deze relaties werden deels gemedieerd door de relatie tussen trauma exposure en depressie.

-        Zowel traumatische ervaringen in de jeugd als in de volwassenheid waren gerelateerd aan parenting problemen

-         Traumatische ervaringen in de volwassenheid hadden meer (negatieve) invloed op parenting dan die in de jeugd (maar zie overwegingen)

-         Zowel seksueel misbruik als fysieke mishandeling waren gerelateerd met meer negatieve parenting outcomes inzake zelf-gerapporteerd ouderlijk gedrag en de perceptie van zichzelf als ouder

-         In de groep met zowel traumatische ervaringen in de jeugd als de volwassenheid waren het hebben van sociale support en goed voor zichzelf zorgen protectieve factoren

-         Culturele achtergrond en huwelijkse staat waren niet gerelateerd aan de parenting outcome variabelen

-        Hogere opleiding, het hebben van werk en een hoger inkomen waren gerelateerd aan minder meldingen bij CPS, maar niet met de andere drie parenting outcome variabelen

-         Oudere leeftijd bij geboorte eerste kind was gerelateerd aan forse fysieke disciplineringsmethoden, verwaarlozing, en lagere parenting satisfactie

-        Het hebben van meer kinderen was gerelateerd aan verwaarlozing, gerapporteerde mishandeling of betrokkenheid van social services en lagere parenting satisfactie.

Seksueel misbruik op zich heeft geen invloed op parenting, althans in deze groep waar veel van het misbruik was gepleegd door iemand van buiten het gezin.

Uitkomsten moeders

-   71,7% (109) seksueel misbruik in de jeugd, geen verschillen tussen de onderzoeks- en de controlegroep (Gemodificeerde Russell scale)

-   30,9% (47) fysieke mishandeling, geen verschillen tussen de onderzoeks- en de controlegroep (CTS)

-    40,1% (61) huiselijk geweld in de jeugd, geen verschillen tussen de onderzoeks- en de controlegroep

-  70,4% (107) huiselijk geweld in de volwassenheid, geen verschillen tussen de onderzoeks- en de controlegroep

-    42,1% (64) seksueel misbruik in de volwassenheid, geen verschillen tussen de onderzoeks- en de controlegroep

-  Cumulative trauma: index of trauma exposure: 5 traumagebieden opgeteld. Gemiddelde hele groep 2,55 (SD = 1,43), significante verschillen tussen de controlegroep (M = 2,18; SD = 1,51) en de CSA-slachtoffergroep (M = 2,95; SD = 1,23).

-   14% scores in de klinische range op de depressieschaal van de Trauma Symptom Inventory, geen verschillen tussen onderzoeks- en controlegroep.

Uitkomsten parenting

-  Fysieke disciplinering c.q. fysieke mishandeling (CFT): 15,8% (24)

-   Parenting satisfaction, totaal te behalen punten 16, gem. score: 13,14 (SD = 2,38), range 6-16

-  Verwaarlozing kinderen: 36,8% (56) (CTS)

-  Gerapporteerd bij CPS: 39,5% (60)

Overige opmerkingen (13)

- Het is belangrijk om met betrekking tot parenting zowel de jeugd- als de volwassen traumatische ervaringen in ogenschouw te nemen.

-        De grotere impact van traumatische ervaringen in de volwassenheid op parenting kan te maken hebben met het feit dat mensen die in hun jeugd traumatische ervaringen hebben ondergaan, kwetsbaarder zijn voor traumatische ervaringen in de volwassenheid en dan ook vaker trauma’s in de volwassenheid oplopen: volwassen trauma’s zijn proximale stressors, maltreatment in de jeugd is een distale stressor

-        Trauma is een van de vele factoren die van invloed kunnen zijn op parenting en depressie.

 

Dit onderzoek werd uitgevoerd met een overwegend Afrikaans-Amerikaanse groep, en is dus moeilijk te generaliseren naar een overwegend blanke bevolkingsgroep.

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd  : 01-01-2009

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. Uiterlijk in 2013 bepaalt de NVvP of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De andere aan deze richtlijn deelnemende beroepsverenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewaken van de actualiteit van de aanbevelingen in de richtlijn. Hen wordt verzocht relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied kenbaar te maken aan de eerstverantwoordelijke.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde

Algemene gegevens

De richtlijn is tot stand gekomen met ondersteuning van Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (CBO) en het Trimbos-instituut en met financiële steun van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, ZonMw.

 

In samenwerking met:

  • Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
  • Nederlandse Vereniging Sociaal Psychiatrische Verpleegkunde
  • Verpleegkundigen Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp
  • Artsen Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
  • Beroepsvereniging van Orthopedagogen en Klinisch Pedagogen met een Academische Opleiding
  • Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen
  • Vereniging voor Vertrouwensartsen inzake Kindermishandeling
  • Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie
  • Movisie

Doel en doelgroep

Doelstelling

Een richtlijn bevat aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. In de conclusies wordt aangegeven wat de wetenschappelijke stand van zaken is. De aanbevelingen expliciteren optimaal professioneel handelen in de gezondheidszorg en zijn gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, aansluitende meningsvorming en overige overwegingen. Deze richtlijn is bedoeld voor alle werkers in de somatische en geestelijke gezondheidszorg en geeft een leidraad voor de dagelijkse praktijk van familiaal huiselijk geweld (FHG) bij kinderen en volwassenen. De richtlijn heeft een algemeen karakter, kan gebruikt worden om beroepsspecifieke richtlijnen te formuleren en biedt aanknopingspunten voor bijvoorbeeld lokale (instituuts- of regiogebonden) protocollen en/of transmurale zorgafspraken.

 

Doelgroep

De richtlijn is geschreven voor alle beroepsgroepen in de eerste-, tweede en derdelijnsgezondheidszorg. Immers alle beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg kunnen in aanraking komen met cliënten die te maken hebben met FHG. De werkgroep heeft zich gerealiseerd dat ook beroepsbeoefenaars in aanpalende gebieden van de gezondheidszorg, zoals de welzijnszorg, ook te maken hebben met en soms intensief betrokken zijn bij FHG. De geformuleerde aanbevelingen kunnen ook voor hen bruikbaar zijn. De specifieke setting kan aanpassingen noodzakelijk maken.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2007 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die met FHG te maken hebben. De samenstelling van de werkgroep is getoetst door FHG experts en dit heeft tot uitbreiding van de werkgroep geleid. Daarnaast is een klankbordgroep samengesteld waarin professionals zitting hebben genomen op persoonlijke titel en op basis van hun expertise. Vanwege borging van voortgang en werkbaarheid was het ondoenlijk om alle beroepsorganisaties als lid van de werkgroep te betrekken.

Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met geografische spreiding en evenredige vertegenwoordiging van verschillende verenigingen, ‘scholen’ en academische achtergrond. De werkgroepleden zijn door de wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname en de samenstelling van de werkgroep is goedgekeurd door alle deelnemende wetenschappelijke verenigingen. De werkgroepleden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de tekst.

 

Werkgroep

  • Mw. drs. C.H. Blaauw-Witteveen, vertrouwensarts inzake Kindermishandeling, AMK Zuid-Holland, Gouda. Namens de Vereniging voor Vertrouwensartsen inzake Kindermishandeling.
  • Dhr. prof. dr. F. Boer, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, opleider bij de Bascule, Amsterdam. Namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. J. de Boer, maatschappelijk werker, GGZ, Den Helder. Namens de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. (Tot 1 augustus 2007.)
  • Mw. drs. I.J.M.    Boomsma, psychiater, GGZ in Geest, Amsterdam. Namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (Tot 1 juli 2007.)
  • Dhr. drs. J.M. Broekmeijer, psycholoog, De Waag, Almere. Namens het Nederlands Instituut van Psychologen. (Tot 1 januari 2008.)
  • Mw. dr. R. del Canho, kinderarts, Maasziekenhuis, Locatie Zuider, Rotterdam. Namens de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde.
  • Mw. M.A. Doedens, maatschappelijk werker, Kwadraad, Alphen aan den Rijn. Namens de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. (Vanaf 1 augustus 2007.) Mw. drs. E.R. Fischer, adviseur, Trimbos-instituut, Utrecht.
  • Mw. drs. J.W. Hagemeijer, adviseur werkgroep, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Utrecht. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. N. Heerdink-Obenhuijsen, jeugdarts, wetenschappelijk medewerker TNO KvL Leiden. Namens Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland. (Vanaf april 2008.)
  • Mw. drs. S.P.J. Herreman, psychiater,  GGZ Nijmegen, Nijmegen. Namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (Vanaf 1 september 2007.)
  • Dhr. D.L. Kramer, sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, GGZ Kop van Noord-Holland, Den Helder. Namens de Nederlandse Vereniging van Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundigen. (Tot 1 mei 2008.)
  • Mw. prof. dr. F. Lamers-Winkelman, bijzonder hoogleraar preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling, Vrije Universiteit, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, Amsterdam. Namens de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen. (Vanaf september 2007. Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. M.J. van Lawick, hoofd opleidingen, Lorentzhuis, Haarlem. Namens de Nederlandse Vereniging voor Relatie en Gezinstherapie. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. dr. S.H. Lo Fo Wong, huisarts, UMC St Radboud, Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, Nijmegen. Namens het Nederlands Huisartsen Genootschap. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Dhr. P. Machielse, SEH-verpleegkundige, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam. Namens de Nederlandse Vereniging Spoedeisende Hulp Verpleegkundigen.
  • Dhr. drs. G.J. Prosman, eerstelijnspsycholoog, UMC St. Radboud, Nijmegen. Namens de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen. (Tot mei 2008.)
  • Mw. drs. H. Room, gedragswetenschapper, Ma Zandbergen, Utrecht. Namens de Beroepsvereniging van Orthopedagogen en Klinisch Pedagogen met een Academische Opleiding.
  • Mw. prof. dr. C. de Ruiter, professor forensische psychiatrie, Universiteit Maastricht, Maastricht. Namens het Nederlands Instituut van Psychologen. (Vanaf april 2008.)
  • Mw. dr. H.A. Scholing, klinisch psycholoog, Centrum De Waag, Amsterdam. Namens de Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Dhr. P.F. Steenkist, sociaalpsychiatrische verpleegkundige, GGZ Westelijk Noord- Brabant. Namens de Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland. (Vanaf april 2008.)
  • Dhr. prof. dr. W. van Tilburg, emeritus hoogleraar klinische psychiatrie (voorzitter), Aalsmeer. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. L.M.M. Veraart-Schelfhout, huisarts n.p., Velp. Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, Nijmegen. Namens het Nederlands Huisartsen Genootschap. (Mede lid van de redactiecommissie.)
  • Mw. drs. M.M. Visser, klinisch psycholoog, Kinder- en Jeugdtraumacentrum/Jeugdriagg NHZ, Haarlem. Namens de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen. (Vanaf 1 september 2007.)
  • Mw. drs. M.M. Wagenaar-Fischer, wetenschappelijk medewerker en jeugdarts, TNO Kwaliteit van Leven, Leiden. Namens Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland.
  • Mw. dr. M.M. Wegelin, GZ-psycholoog en hoofd behandeling stichting Toevluchtsoord te Groningen (vrouwenopvang en ambulante hulpverlening bij huiselijk geweld).
  • Mw. dr. Y. Winants, arts-beleidsmedewerker, Movisie, Utrecht. Namens Movisie.
  • Mw. drs. M.A. Witten, SEH-arts, Diakonessenhuis te Utrecht. Namens de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen.

Belangenverklaringen

Een map met verklaringen van werkgroepleden over mogelijke financiële belangenverstrengeling ligt ter inzage bij het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en een overzicht is hieronder weergegeven. Er zijn geen bijzondere vormen van belangenverstrengeling gemeld.

 

 

Overzicht belangenverklaringen werkgroepleden

Activiteiten die de leden van de werkgroep Familiaal Huiselijk Geweld in de afgelopen drie
jaar hebben ontplooid op uitnodiging van of met subsidie van de farmaceutische industrie.

 

Werkgroeplid

Firma

Activiteit

Anders

Mw.       drs.        C.H.

Blaauw-Witteveen

 

Geen

 

Prof.dr. F. Boer

 

Geen

 

Mw. J. de Boer

 

Geen

 

Mw.      drs.       I.J.M.

Boomsma

Wyeth        (sponsor

symposium)

Astra Zeneca

Cursus        (2x        wel

vergoeding gekregen)

Workshopleider        in

symposium           voor

huisartsen            Zuid-

Kennemerland Voorzitter symposium t.b.v.          psychiaters

Geestgronden

Drs. J.M. Broekmeijer

 

Geen

 

Mw. dr. R. del Canho

 

Geen

 

Mw. M.A. Doedens

 

Geen

 

Mw.         drs.          N.

Heerdink-

Obenhuijsen

 

Geen

 

Mw. drs. S.P.J. Herreman

 

Geen

 

D.L. Kramer

 

Geen

 

Mw.       prof.dr.       F.

Lamers-Winkelman

 

Geen

 

Mw. drs. M.J. van Lawick

 

Geen

 

Mw. dr. S.H. Lo Fo Wong

 

Geen

 

P. Machielse

NVSHV

 

Ontwikkeling landelijke protocollen SEH

Drs. G.J. Prosman

 

Geen

 

Mw. drs. H. Room

 

Geen

 

Mw. prof.dr. C. de Ruiter

 

Geen

 

Mw. dr. H.A. Scholing

 

Geen

 

P.F. Steenkist

 

Geen

 

Prof.dr.     W.      van Tilburg

Lundbeck, Lily

Cursus (niet in dienst)

 

Mw. drs. L.M.M. Veraart-Schelfhout

 

Geen

 

Mw. drs. M.M. Visser

 

Geen

 

Mw.       drs.       M.M.

Wagenaar-Fischer

 

Geen

 

Mw.        dr.        M.M.

Wegelin

 

Geen

 

Mw. dr. Y. Winants

Movir

Wetenschappelijk onderzoek naar ‘burn- out’ onder huisartsen

 

Mw. drs. M.A. Witten

 

Geen

 

Inbreng patiëntenperspectief

Movisie heeft ervaring met het in kaart brengen van het slachtoffer- en plegersperspectief bij familiaal huiselijk geweld. Daarover heeft Movisie bij de werkgroep documentatiemateriaal aangeleverd (persoonlijke verhalen van slachtoffers; uitgaven van de Vereniging tegen seksuele kindermishandeling; www.movisie.nl). De werkgroep heeft gebruikgemaakt van de inhoud van deze documentatie voor de formulering van overwegingen vanuit patiëntenperspectief.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Tijdens de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn is verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en instellingen. Een samenvatting van de richtlijn is gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van het Trimbos-instituut (www.trimbos.nl of www.ggzrichtlijnen.nl) en het CBO (www.cbo.nl).

Werkwijze

De werkgroep heeft twee jaar (veertien vergaderingen) aan de totstandkoming van de richtlijn gewerkt. De werkgroepleden zochten systematisch naar literatuur en beoordeelden kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreven zij een paragraaf of hoofdstuk waarin de literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De conceptrichtlijn is eind 2008 schriftelijk aan alle betrokken beroepsverenigingen aangeboden. De ontvangen commentaren zijn waar mogelijk verwerkt in de definitieve richtlijn.

 

Uitgangsvragen

De werkgroep is bij het opstellen van de uitgangsvragen uitgegaan van het proces van signaleren, herkennen, bespreken, handelen, melden, diagnostiek en behandeling bij familiaal huiselijk geweld. De richtlijn gaat niet in op specifieke thema’s, zoals mishandeling van en door ouderen, mishandeling van personen in een instelling, eergerelateerd geweld of oudermishandeling (kinderen die hun ouders mishandelen). De omvang van het onderwerp heeft de diepgang soms beperkt.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht in de Cochrane database, Medline, PsycINFO, en bij vragen waar dit relevant is ook in Cinahl, vanaf 1996 tot en met maart 2006. Voor de gehanteerde zoektermen wordt verwezen naar Appendix C. Op verzoek zijn de volledige zoekstrategieën beschikbaar. Daarnaast werden artikelen geëxtraheerd uit referentielijsten van opgevraagde literatuur en zijn enkele relevante publicaties tot januari 2009 meegenomen. Lopend onderzoek is buiten beschouwing gelaten.

De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de standaardindeling gebruikt: zie tabel 1. Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld.

De beoordeling van de verschillende artikelen is opgenomen in bijlage Q en soms ook onder het kopje ‘samenvatting van de literatuur’. Het wetenschappelijk bewijs is vervolgens kort samengevat in een ‘conclusie’. De belangrijkste literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs (zie tabel 2).

Voor het formuleren van een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs vaak nog andere aspecten van belang, bijvoorbeeld patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘overige overwegingen’. In de overige overwegingen spelen de ervaring en de mening van de werkgroepleden een belangrijke rol. De ‘aanbeveling’ is het resultaat van de combinatie van het beschikbare bewijs en de overige overwegingen. Voor een aantal vragen zijn evidencetabellen gemaakt (zie Appendix O).

 

Tabel 1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 2: Niveau van bewijs van de conclusie

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

Eén onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Eén onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.

 

Kwalitatief onderzoek

Uitgangspunt voor het graderen van het bewijs uit individuele kwalitatieve studies is de ‘score’ van een studie op basis van het literatuurbeoordelingsformulier (zie website CBO). In dit formulier staan zeven items (onderzoeksdoel, onderzoeksmethode, selectie van onderzoekspersonen, technieken voor dataverzameling, theoretisch kader, data-analyse, weergave van conclusies en resultaten) vermeld waarmee de kwaliteit van een studie kan worden geïnventariseerd. Aan de hand van de afzonderlijke oordelen ten aanzien van de zeven items komt de beoordelaar tot een eindoordeel. Dit gebeurt in termen van de mate van geloofwaardigheid van een studie.

Wanneer het een synthese van kwalitatieve studies betreft, is de beoordeling deels identiek aan die van een systematische review van kwantitatieve studies. Hiervoor kunnen de eerste zes items (vraagstelling, zoekactie, selectieprocedure, data-extractie, kwaliteitsbeoordeling, beschrijving van primaire studies) van het beoordelingsformulier van een systematische review van RCT’s worden gebruikt. Een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor een goede synthese is dat de meeste van de zes items voldoende zijn gescoord.

Van een goede metasynthese (niveau ++) is sprake wanneer:

- de thema’s/metaforen en ervaringen van onderzoekspersonen zoals gerapporteerd in de individuele studies, sterk op elkaar lijken (‘consistentie’), en

- de onderzoekspersonen en beschreven interventies steeds de relevante populatie en interventies betreffen (‘directheid’), en

- vrijwel alle individuele studies niveau + hebben.

Wordt aan deze voorwaarden niet helemaal voldaan, dan kan afhankelijk van de mate waarin dat het geval is, het niveau worden verlaagd tot +/- of tot -.

 

Tabel 3: Gradering van kwalitatief onderzoek

Niveau

Studie

++

Geloofwaardige metasynthese  (synoniemen: meta-etnografie, kwalitatieve meta-analyse, metastudie) van kwalitatieve studies.

+

Geloofwaardige studie.

+/-

Studie waarvan de geloofwaardigheid twijfelachtig is.

-

Weinig geloofwaardige studie.

 

Noot

Deze (concept)richtlijn is opgesteld aan de hand van het Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation (AGREE) instrument. Dit instrument is in een Europees verband opgesteld om de procedurele kwaliteit van richtlijnen te kunnen beoordelen. Door de aspecten van AGREE te verwerken in de inleiding van de richtlijn, wordt duidelijk aan welke kwaliteitseisen is voldaan.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Signalen voor herkennen FHG bij volwassenen