Uitgangsvraag

Welke plaats hebben lasertherapie en huidtherapeutische behandelingen in de behandeling van hidradenitis suppurativa (HS)?

Aanbeveling

Een Neodynium YAG-laserbehandeling zou een standaardonderdeel kunnen worden in het pakket van therapieën bij HS aangezien een behandeling met de Neodynium YAG-laser resulteert in een afname van inflammaties en tot een verbetering van de kwaliteit van leven bij patiënten.

 

Behandeling met de Neodynium YAG-laser verdient nader onderzoek. Het is mogelijk dat hier een preventief of therapeutisch effect van uitgaat.

 

In veel gevallen zal de HS-patiënt gebaat zijn bij verwijzing naar een huidtherapeut. De huidtherapeut adviseert om in het behaarde gebied te behandelen door middel van definitieve laserontharing en huidtherapeutische behandeling. Dit geldt voor de regio axillares, inguinalis en anogenitalis, Hurley-stadia I t/m III. Naast de laserbehandelingen vinden regelmatig huidtherapeutische behandelingen plaats waarbij comedonen worden verwijderd en inflammatoire laesies worden ontlast. Ontlasting kan worden versneld door applicatie van keratolytica.

Inleiding

Aangezien het aanbod van effectieve behandelmethoden bij hidradenitis suppurativa (HS) beperkt is, zijn andere niet-medicamenteuze therapieën, zoals lasertherapie, in opmars. Verschillende lasertherapieën worden heden ten dage bij HS in de praktijk toegepast om de huidconditie te verbeteren en de inflammaties te verminderen. Zo worden de Lightsheer diodelaser (800 nanometer) en de Neodymium-doped Yttrium Aluminium Garnet (YAG)-laser (1064 nanometer) in de huidtherapeutische praktijk toegepast bij HS-patiënten met als doel de beharing in het aangedane gebied permanent te verwijderen. Een belangrijk subdoel hierbij is het uitblijven van de inflammatoire fase, een indirect gevolg van het reduceren van de folliculaire hyperkeratose die zorgt voor de obstructie van de talgklieruitvoergang.

 

In de literatuurdatabases is gezocht naar evidence voor behandelingen bij HS door gebruik te maken van de volgende zoektermen: clinical trial, HS, acne inversa, light, laser, intensed pulsed light, photodynamic therapy. Er is geen beperking in talen of in perioden gedaan.

 

Bij het beantwoorden van de uitgangsvraag is gebruikgemaakt van een gerandomiseerde gecontroleerde trial (RCT) van Tierney et al. die “goed” scoort met het CBO-instrument voor de methodologische beoordeling voor RCT’s. [Tierney 2009] Verder zijn er geen andere artikelen geïncludeerd, omdat er geen artikelen van voldoende methodologische kwaliteit voor handen waren.

Conclusies

Niveau 2

De longpulse 1064 nanometer Neodynium YAG-laser is een effectieve behandelmethode bij HS.

 

A2 Tierney et al. 2009

 

Niveau 2

Neodynium YAG-laserbehandeling zorgt voor permanente haarverwijdering in aangedaan gebied en dit ondersteunt de primaire oorzaak van de folliculaire hyperkeratinisatie.

 

A2 Tierney et al. 2009

 

Niveau 2

Patiënten ervaren minder discomfort tijdens een laserbehandeling ten opzichte van chirurgische ingrepen, minimale down-time en significante verbetering van (recidiverende) inflammatoire laesies.

 

A2 Tierney et al. 2009

 

Niveau 2

Tijdens het behandeltraject had geen enkele patiënt ondersteunde orale antibiotica nodig.

 

A2 Tierney et al. 2009

 

Niveau 2

 

Door fotothermische verhitting van de dermis treedt een snellere folliculaire sluiting op en is een sneller herstel van inflammatoire laesies waarneembaar.

 

A2 Tierney et al. 2009

 

Niveau 2

Follow up van één maand is kort om iets over langetermijnresultaten te zeggen.

 

A2 Tierney et al. 2009

 

Niveau 3

Uit praktijkonderzoek naar de Lightsheer diodelaser (800 nanometer) in combinatie met een huidtherapeutische praktijkbehandeling, komt naar voren dat permanente ontharing van het aangedane gebied een positieve invloed heeft op de inflammatoire laesies en op de kwaliteit van leven van de patiënt met HS.

 

C Rigter et al. 2009

Samenvatting literatuur

Laserontharing met een Neodynium YAG-laser zou mogelijk effectief kunnen zijn. De hypothese hierachter is dat HS uitgaat van het haarfollikelcomplex en dat vernietiging daarvan een preventief of therapeutisch effect zou kunnen hebben. Tierney et al. behandelden 22 patiënten in een links-rechtsvergelijking met een Neodynium YAG-laser. [Tierney 2009] De behandeling vond één keer per maand plaats, gedurende vier maanden. Door middel van een gemodificeerde Sartorius-score werd de ernst gescoord. De met laser behandelde kant scoorde significant beter dan de niet-behandelde kant.

 

In de RCT van Tierney et al. werd gebruikgemaakt van literatuur van 1986 tot en met 2008. [Tierney 2009] Er is onderzocht of de 1064 nanometer Neodymium YAG-laser een effectieve behandelmethode is bij HS. In het onderzoek hebben 22 patiënten met symmetrische HS-laesies Hurley-stadia II en III deelgenomen. Er is sprake van een geblindeerde effectmeting en het onderzoek is split-body uitgevoerd. Eén zijde werd behandeld met clindamycine 1% plus een behandeling met de Neodynium YAG-laser. De andere zijde werd enkel behandeld met clindamycine 1%. Er zijn drie behandelingen eens per maand uitgevoerd. Uitkomst was dat er een significante verbetering was opgetreden aan de laserbehandelde zijde ten opzichte van de zijde die enkel met clindamycine was behandeld. Gemiddeld percentage van verbetering was 65,3% ten opzichte van 7,5% aan de zijde die alleen met clindamycine is behandeld. De longpulse Neodynium YAG-laser is een effectieve behandelmethode bij HS.

 

Uit praktijkonderzoek uitgevoerd door huidtherapeuten Rigter en van de Vlag bij 28 patiënten (25 vrouwelijke en drie mannelijke patiënten) is naar voren gekomen dat laserontharing met de Lightsheer diodelaser (800 nanometer) in combinatie met een huidtherapeutische praktijkbehandeling een effectieve behandeling is voor HS-patiënten. [Rigter 2009] Gemiddeld werden zeven behandelingen uitgevoerd met de Lightsheer diodelaser, waarvan de eerste drie om de vijf weken. De huidtherapeutische behandeling bestond uit huidreiniging, ontlastende puncties en het verwijderen van comedonen, en adviezen over de te gebruiken verbandmiddelen (bij voorkeur siliconen- en foamverbanden). Permanente ontharing van het aangedane gebied geeft een positieve invloed op de inflammatoire laesies. Bij de start van het praktijkonderzoek werd de SKINDEX-29 afgenomen. Gedurende het onderzoek werd dit tweemaal herhaald. Er was een sterke verbetering te zien op de schalen emotie (gemiddelde nam af van 29% naar 8%), symptomen (gemiddelde nam af van 30% naar 10%) en functioneren (gemiddelde nam af van 42% naar 10%). Gestandaardiseerd onderzoek met duidelijke in- en exclusiecriteria is nodig om de gunstige resultaten van de behandeling te bevestigen en de therapie te optimaliseren.

Zoeken en selecteren

Voor alle modules geldt dat de zoekstrategieën zijn uitgevoerd in de EMBASE database, Medline database en de Cochrane library. Enkel de keywords gebruikt in de Medline database zijn weergeven. Experts op het gebied van hidradenitis werden geraadpleegd voor eventuele ontbrekende artikelen en / of casereports. De search is geüpdatet tot 1 september 2016.

 

De zoekactie is met behulp van de PICO-systematiek opgebouwd. De zoekvragen hebben de P als gemeenschappelijke onderdeel. De overige onderdelen van de PICO werden geformuleerd op basis van de uitgangsvraag.

 

De volgende afbakening is gebruikt

Voor de P: patiënten met HS zonder leeftijdsrestricties.

Voor de I: ieder type interventie om HS te behandelen; combinatiebehandelingen met verschillende types therapieën werden niet meegenomen.

Voor de C: versus placebo, werkzame behandeling (active treatment) of geen behandeling.

Voor de O: primaire uitkomstmaten en secundaire uitkomstmaten.

Referenties

  1. Rigter et al. Publication in process.
  2. Tierney E, Mahmoud BH, Hexsel C, Ozog D, Hamzavi I. Randomized control trial for the treatment of hidradenitis suppurativa with a neodymium-doped yttrium aluminium garnet laser. Dermatol Surg 2009;35:1188-1198.

Overwegingen

Uit een expertmeeting van huidtherapeuten is naar voren gekomen dat de huidtherapeut een belangrijke rol heeft in de zelfzorg, begeleiding en het uitvoeren van een dieptereiniging en lasertherapie.

 

Uit een expertmeeting van huidtherapeuten is naar voren gekomen dat de toepassing van lasertherapie wordt afgeraden tijdens de zwangerschap, ondanks het feit dat er geen teratogene bijwerkingen zijn aangetoond. Indien er een artsverklaring aanwezig is, kan men beslissen wel te behandelen.

 

Uit het beperkte aanbod van artikelen met voldoende bewijslast blijkt dat er nog veel onderzoek noodzakelijk is naar de effectiviteit van laser / lichttherapie bij HS. Binnen de beroepsgroep van huidtherapeuten en vanuit de patiëntenvereniging HS is hier vraag naar.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 18-06-2010

Laatst geautoriseerd : 18-06-2010

Een richtlijn heeft alleen zeggingskracht als op continue basis onderhoud plaatsvindt, op grond van systematische monitoring van zowel de medisch wetenschappelijke literatuur als praktijkgegevens en door gebruikers van de richtlijn aangeleverde commentaren. Voor deze richtlijn is afgesproken één keer per jaar de searches te ‘updaten’ om nieuwe ontwikkelingen te volgen. Bij essentiële ontwikkelingen kan besloten worden om de gehele richtlijnwerkgroep bij elkaar te roepen en tussentijds elektronische amendementen te maken en deze onder de verschillende beroepsgroepen te verspreiden.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie
  • Nederlandse Vereniging van Huidtherapeuten

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn en de daarvan afgeleide documenten geven aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met HS en schenken aandacht aan de psychosociale zorg en patiëntenvoorlichting.

 

Doelgroep         

De richtlijn is bestemd voor leden van de medische, paramedische en verpleegkundige beroepsgroep. Voor patiënten is een afgeleide tekst van de richtlijn beschikbaar op de website van de NVDV (www.nvdv.nl).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de eerste richtlijn in 2010 werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordiging van dermatologen, huisartsen, huidtherapeuten, huidverpleegkundigen en patiënten. Voor de herziening in 2017 werd een nieuwe multidisciplinaire werkgroep in het leven geroepen. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel werkgroeplid ontving gunsten met het doel de richtlijn te beïnvloeden.

 

Werkgroepleden - versie 2010

Prof. dr. P.C.M. van de Kerkhof

Dermatoloog, voorzitter werkgroep

Mw. J.A. Boer

Huidtherapeut

Drs. R.J. Borgonjen

Ondersteuner werkgroep

Dr. J.J.E. van Everdingen

Dermatoloog

Mw. M.E.M. Janssen

Huidtherapeut

Drs. M. Kerzman

NHG / huisarts

Dr. J. de Korte

Dermato-psycholoog

Drs. M.F.E. Leenarts

Dermatoloog i.o.

Drs. M.M.D. van der Linden

Dermatoloog

Dr. J.R. Mekkes

Dermatoloog

Drs. J.E. Mooij

Promovendus dermatologie

Drs. L. van ’t Oost

Dermatoloog i.o.

Dr. V. Sigurdsson

Dermatoloog

Mw. C. Swinkels

Hidradenitis Patiënten Vereniging / patiëntvertegenwoordiger

Drs. H.C. de Vijlder

Dermatoloog i.o.

Drs. H. van der Zee

Dermatoloog i.o.

Drs. E.J. van Zuuren

Dermatoloog

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd gestart met een algemene discussie over waaraan een goede richtlijn dient te voldoen en welke functie deze in de dermatologische praktijk moet vervullen. Alle deelnemers onderschrijven het belang van een richtlijn voor de behandeling van acne, rosacea en hidradenitis suppurativa. In de NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap)-standaard wordt voor de behandeling van acne een stappenplan gehanteerd. Dermatologen hebben meer behoefte aan een behandelalgoritme, waarin tot een bepaalde behandeling besloten kan worden afhankelijk van de ernst van de aandoening, in relatie tot leeftijd, geslacht, uitwendige factoren en primaire efflorescenties. Dat leidt tot een veel grotere individualisering. Patiënten ervaren dat behandeling volgens een richtlijn duidt op een consensus tussen verschillende dermatologen. Dit geeft de patiënt meer vertrouwen in het krijgen van een adequate behandeling.

Nadat deze punten waren bediscussieerd, werden verschillende aspecten van bovengenoemde ziektebeelden besproken. De hoofdpunten die naar voren kwamen waren:

De diagnosestelling en behandeling van acne en rosacea wordt veelal in de huisartspraktijk gedaan. Hidradenitis suppurativa wordt moeilijker herkend en er zijn weinig succesvolle therapeutische opties bekend. Het tijdstip van doorverwijzing door de huisarts verschilt onderling.

Adequate behandeling is vooral voor acne en hidradenitis suppurativa belangrijk om blijvende littekenvorming te voorkomen.

Huisartsen zijn terughoudender met voorschrijven van systemische toegediend isotretinoïne. Dit komt vaak vanwege de beperkte ervaring met dit geneesmiddel en de angst voor irreversibele bijwerkingen. Dermatologen neigen naar vroegtijdige behandeling met systemisch toegediend isotretinoïne bij beginnende littekenvorming door acne.

 De behandeling van hidradenitis suppurativa is ook voor dermatologen moeilijk, aangezien het tot weinig bevredigende resultaten leidt. Behandeling met ‘biologics’ is een nieuwere therapeutische optie. Over deze behandeling bestaat echter nog weinig wetenschappelijk bewijs. Ook is onduidelijk wanneer de overstap naar ‘biologics’ gemaakt zou moeten worden.

Huidtherapeuten worden afhankelijk van de bekendheid wel of niet ingezet door huisarts en dermatoloog. Zij zouden een aanvullende rol kunnen spelen in verschillende stadia van de genoemde aandoeningen.

De kwaliteit van leven wordt bij alle acneïforme dermatosen beïnvloed, het meeste bij hidradenitis suppurativa. Men is van mening dat de kwaliteit van leven meer aandacht verdient en expliciet meegenomen zou kunnen worden in de therapeutische beslissing.   

 

De rapportage van de bijeenkomst werd besproken in de eerstvolgende vergadering van de werkgroep acneïforme dermatosen. De hoofdpunten, die uit de focusgroepdiscussie naar voren zijn gekomen hebben bij de werkgroepleden tot weinig nieuwe inzichten geleid, maar hebben wel de reeds bestaande ideeën over de formulering van uitgangsvragen bevestigd.

De heterogeniteit van de groep kan als een factor voor de lage opbrengst van nieuwe inzichten aangewezen worden. In een heterogene groep is er minder ruimte om dieper in te gaan op specialistische (dermatologische) problemen, waar men in de praktijk tegenaan loopt. Aan de andere kant is het voordeel van een heterogene groep dat vanuit elke invalshoek het ziektebeeld belicht wordt. Een goede samenwerking tussen patiënt, huisarts, huidtherapeut en dermatoloog legt de basis voor een optimaal behandelingresultaat en tevredenheid bij alle partijen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Er is tijdens de richtlijnontwikkeling door de werkgroep zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementeerbaarheid van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en in verschillende specifieke vaktijdschriften zal aandacht worden besteed aan de richtlijn. Daarnaast wordt de richtlijn geplaatst op de website www.richtlijnendatabase.nl.

Werkwijze

De eerste versie van de richtlijn stamt uit 2010. Voorafgaand werd middels een enquête onder dermatologen een knelpuntanalyse uitgevoerd. Aan de hand van de knelpuntanalyse werden uitgangsvragen geformuleerd. Er werd een systematische search verricht, waarna werkgroepleden deze uitgangsvragen beoordeelden op inhoud en kwaliteit. Teksten werden geschreven middels de EBRO-methode (tabel 1). In februari 2010 kon de conceptrichtlijn worden aangeboden aan de betrokken wetenschappelijke verenigingen. Commentaren werden vervolgens beoordeeld door de werkgroep en indien juist in de definitieve versie van de richtlijn verwerkt.

 

In 2016 volgde een modulaire herziening. Tijdens de eerste bijeenkomst werden uitkomstvragen tijdens een invitational conference geformuleerd. Hierbij waren vertegenwoordigers van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen aanwezig. De module ’Biologics’ werd herzien volgens de GRADE-methode (tabel 2), wat inhield dat er van tevoren cruciale uitkomstmaten werden vastgesteld waarmee de uitgangsvragen konden worden beantwoord.

 

De modules ‘Huidzorg’ en ‘Pijn en pijnbehandeling’ werden toegevoegd aan de richtlijn en zijn middels de EBRO-methode geschreven. Alle werkgroepleden hebben een schriftelijke bijdrage geleverd aan de richtlijn. De concepttekst werd tijdens een pressure cooker met de gehele werkgroep beoordeeld. Hierna is de concepttekst ter becommentariëring twee maanden op de D-page geplaatst en naar betrokken werkverenigingen gestuurd. Commentaren werden vervolgens beoordeeld door de werkgroep en indien juist in de definitieve versie van de richtlijn verwerkt.

 

Tabel 1. EBRO-systeem

Voor artikelen betreffende interventie (preventie of therapie)

 

  • A1 Systematische reviews die ten minste enkele onderzoeken van A2-niveau betreffen, waarbij de resultaten van afzonderlijke onderzoeken consistent zijn
  • A2 Gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit gerandomiseerde, dubbelblind gecontroleerde trials) van voldoende omvang en consistentie
  • B Gerandomiseerde klinische trials van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerd, vergelijkend cohortonderzoek, patiënt-controle-onderzoek)
  • C Niet-vergelijkend onderzoek
  • D Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden.

Voor artikelen betreffende diagnostiek

 

  • A1 Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.
  • A2 Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een gouden standaard) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en goudenstandaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentie test hebben gehad.
  • B Vergelijking met een referentietest, beschrijving van de onderzochte test en populatie, zonder de kenmerken die verder onder niveau A staan genoemd.
  • C Niet-vergelijkend onderzoek.
  • D Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden.

Voor artikelen betreffende schade / bijwerkingen, etiologie, prognose

  • A1 Systematische reviews van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2 niveau
  • A2 Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten
  • B Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek
  • C Niet-vergelijkend onderzoek
  • D Mening van deskundigen.

Niveau van bewijs van de conclusie

  • Niveau 1: Onderzoek van niveau A1 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar
  •  uitgevoerde onderzoeken van niveau A2
  • Niveau 2: 1 onderzoek van niveau A2 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar
  •  uitgevoerde onderzoeken van niveau B
  • Niveau 3: 1 onderzoek van niveau B of C
  • Niveau 4: Mening van deskundigen, bijvoorbeeld de werkgroepleden.

 

Tabel 2. GRADE-systeem

Type bewijs

Gerandomiseerd onderzoek = hoge kwaliteit van bewijs

Observationele studie = lage kwaliteit van bewijs

Elk ander bewijs = zeer lage kwaliteit van bewijs

Factoren die de kwaliteit van bewijs kunnen verlagen*

  • Ernstige of zeer ernstige beperkingen in de kwaliteit van de studie
  • Indirectheid van het bewijs
  • Belangrijke inconsistentie tussen studies
  • Imprecisie
  • Grote kans op ‘publicatiebias’

Factoren die de kwaliteit van bewijs kunnen verhogen**

  • Sterk bewijs voor een associatie—significant relatief risico van > 2 ( < 0,5) gebaseerd op consistent bewijs uit twee of meer observationele studies, zonder plausibele ‘confounders’ (+1)
  • Zeer sterk bewijs voor een associatie—significant relatief risico van > 5 ( < 0,2) gebaseerd op direct bewijs zonder belangrijke bedreigingen voor de validiteit (+2)
  • Bewijs voor een dosis respons gradiënt (+1)
  • Alle plausibele ‘confounders’ zouden het effect hebben verminderd (+1)

*Elk criterium kan de kwaliteit verminderen met één stap of bij zeer ernstige beperkingen met twee stappen.

** Verhogen kan alleen indien er geen beperkingen zijn t.a.v. de studiekwaliteit, imprecisie, inconsistentie, indirectheid en publicatiebias.

 

Een volledige uitleg over de GRADE-methode valt buiten het bestek van deze richtlijn, zie hiervoor het ‘GRADE handbook’. [Schünemann 2013]

 

Wetenschappelijke bewijsvoering

De aanbevelingen uit deze richtlijn zijn voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Daarbij ligt de nadruk op de behandeling. In de eerste versie van de richtlijn werden zoekacties verricht naar literatuur tot 1 januari 2009. In 2016 werden de zoekacties geüpdatete tot 1 september 2016.

 

Primaire uitkomstmaten

In 2010 werden de volgende primaire uitkomstmaten geformuleerd:

  • Impact op kwaliteit van leven
  • Door patiënt beoordeelde veranderingen van de ernst van HS

Secundaire uitkomst maten waren:

  • Globale beoordeling van de arts
  • Aantal en grootte laesies
  • Tijd nodig tot verbetering van de laesies en
  • Duur van de remissie
  • Drop-out rates
  • Incidentie van bijwerkingen.

 

In 2017 werden de uitgangsvragen van de module ‘Biologics’ middels de GRADE-methode uitgewerkt. Volgens deze methode werden relevante uitkomstmaten bepaald en vervolgens door de werkgroep ingedeeld in cruciale, belangrijke en minder belangrijke uitkomstmaten (tabel 3).

 

Tabel 3. Weging van de uitkomstmaten volgens de GRADE-methode

Uitkomstmaten

Cruciaal / belangrijk / niet belangrijk

Proportie patiënten die een clear/mild/minimale HS-PGA behaalt

Belangrijk

Verschil in gemiddelde Sartorius-score ten opzichte van baseline

Belangrijk

Verschil in gemiddelde DLQI ten opzichte van baseline

Cruciaal

Verschil in de gemiddelde VAS-pijn ten opzichte van baseline

Cruciaal

Proportie patiënten die Hi-SCR behaalt

Belangrijk

Remissie duur

Belangrijk

Proportie patiënten met ten minste één bijwerking

Belangrijk

 

Totstandkoming van de aanbevelingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs vaak andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: patiëntenvoorkeuren, beschikbaarheid van speciale technieken of expertise, organisatorische aspecten, maatschappelijke consequenties, bijwerkingen of kosten. Deze aspecten worden besproken na de conclusie(s) onder ‘overige overwegingen’. Hierin wordt de conclusie op basis van de literatuur geplaatst in de context van de dagelijkse praktijk en vindt een afweging plaats van de voor- en nadelen van de verschillende beleidsopties. De uiteindelijk geformuleerde aanbeveling is het resultaat van het beschikbare bewijs in combinatie met deze overwegingen. Het volgen van deze procedure en het opstellen van de richtlijn in dit ‘format’ heeft als doel de transparantie van de richtlijn te vergroten. Dit biedt ruimte voor een efficiënte discussie tijdens de werkgroepvergaderingen en vergroot bovendien de helderheid voor de gebruiker van de richtlijn.

 

De modules over biologics bevatten zowel instructies voor gebruik als informatie over de effectiviteit en veiligheid. De instructies voor gebruik zijn naar het format van de psoriasisrichtlijn 2016 opgesteld, waarbij gestreefd werd naar zowel uniforme adviezen, als adviezen specifiek geldend bij de behandeling van de hidradenitispatiënt.

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet [Zvw], Wet langdurige zorg [Wlz], Wet maatschappelijke ondersteuning [Wmo], aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is.

 

Referentie

  • Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, Oxman A (editors). GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from www.guidelinedevelopment.org/handbook