Let op! Deze module bevindt zich momenteel in 'Commentaar fase'

Uitgangsvraag

  • Wat is de kwaliteit van leven bij HS patiënten?
  • Welke aspecten van de kwaliteit van leven zijn het meest aangedaan bij HS patiënten?

Aanbeveling

Het wordt aanbevolen om expliciet aandacht te hebben voor de verschillende domeinen binnen de kwaliteit van leven bij HS om patiënten optimale begeleiding aan te kunnen bieden.

 

De werkgroep is van mening dat vragenlijsten zoals de DLQI, VAS/NRS, HADS en ASEX waardevolle aanvullingen zijn ter bepaling van respectievelijk de kwaliteit van leven, mate van pijn/jeuk, depressie en impact op seksualiteit.

 

De werkgroep acht het van belang om patiënten adequate (medisch) psychologische en/of seksuologische hulp aan te bieden.

Inleiding

Hidradenitis suppurativa (HS) gaat vaak gepaard met een negatieve impact op de kwaliteit van leven (KvL). [Shah 2005, Wolkenstein 2007, Benjamins 2009] Het betreft factoren als: pijn, jeuk, riekende afscheiding en littekenvorming. [Riis 2016] De KvL bij patiënten met HS is lager dan van patiënten met andere huidziekten, zoals psoriasis, urticaria of eczeem. [Matusiak (a) 2018, Onderdijk 2013, Wolkenstein 2007] De invloed van HS op de KvL is zelfs vergelijkbaar met die van cardiovasculaire aandoeningen, COPD of diabetes mellitus. [Matusiak (a) 2018]

Kwaliteit van leven kan men meten met diverse gestandaardiseerde vragenlijsten, specifiek voor dermatologie. Gevalideerde HS specifieke vragenlijsten ontbreken. Voorbeelden van vragenlijsten voor de dermatologie zijn: de Dermatology Quality of Life Index (DLQI), de Skindex-29 en de Short Form 36 Version 2 (SF-36v2) health survey. Hogere scores op deze vragenlijsten duiden op een lagere KvL. [Both 2007, Finlay 1994, Ware 1995] De verschillende vragenlijsten bestaan uit meerdere domeinen van kwaliteit van leven, zoals algehele gezondheid, symptomen, functioneren, seksualiteit en emoties. Deze worden in de samenvatting van de literatuur elk afzonderlijk besproken.

Conclusies

 

Niveau 3

 

HS heeft een grote impact op alle domeinen van kwaliteit van leven, waarbij pijn, jeuk en onaangename geur de grootste invloed hebben.

 

C Alavi 2018a, von der Werth 2001, Riis 2016

 

 

Niveau 3

 

De mate van kwaliteit van leven is gecorreleerd aan de ernst van HS.

 

C Alavi 2015, Onderdijk 2013

 

 

Niveau 3

 

De kwaliteit van leven is lager bij patiënten met HS, dan bij patiënten met andere huidziekten (zoals onder andere acne, eczeem, psoriasis, huidtumoren en urticaria).

 

B Onderdijk 2013

C Wolkenstein 2007

 

 

Niveau 3

 

Patiënten met HS ervaren beperkingen met betrekking tot seksualiteit.

 

B Kurek 2012

C Alavi 2018b, Janse 2017

Samenvatting literatuur

Diverse studies naar de KvL bij HS patiënten rapporteren DLQI waardes boven de 10, wat correspondeert met een significante reductie in KvL in vergelijking met gezonde controlegroepen. [Alavi 2018a, Alavi 2018b, Janse 2017, Kirby 2017, Kurek 2012] Onderdijk et al. tonen aan dat de gemiddelde DLQI score significant hoger was voor HS patiënten dan voor patiënten met andere huidziekten (zoals onder andere acne, eczeem, psoriasis en huidtumoren) (8.4 ± 7.5 vs. 4.3 ± 5.6). [Onderdijk 2013] De vragen van de Skindex-29 zijn verdeeld over 3 domeinen: symptomen, emoties en functioneren. De SF-36v2 toetst het algehele mentale en lichamelijke functioneren ter bepaling van de relatieve ziektelast. Ook studies die de SF-36v2 score of de Skindex-29 score hanteren, tonen dat HS een negatieve impact heeft op de KvL. [Alavi 2015, Alavi 2018a] De gemiddelde Skindex-29 score van HS patiënten was in de crossectionele studie van Alavi et al. 65.33 ± 17.80. [Alavi 2018a]

De Euro Quality of Life Health Outcome Measure (EQ-5D-5L en EQ-5D-3L) is een vragenlijst, gebruikt om de invloed van de ziekte op het algemeen functioneren te meten. [Delany 2018, Riis 2016] De EQ-5D is niet-specifiek voor dermatologische aandoeningen. De eerste sectie van de EQ-5D-3L bestaat uit 5 vragen naar mobiliteit, zelfredzaamheid, dagelijkse activiteiten, pijn en angst/depressie. [Riis 2016] Het tweede deel is een VAS-score (Visual Analogue Scale) waarbij de patiënt aangeeft hoe hij zijn gezondheidstoestand ervaart op een schaal van 0 tot 100.

De Major Depression Inventory (MDI) wordt gebruikt om depressie te identificeren. [Onderdijk 2013] Andere methodes om angst en depressieve symptomen te evalueren, zijn de Beck Depression Inventory (BDI-21), de Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS) waarbij hogere scores corresponderen met meer angst of toegenomen depressieve klachten. [Kirby 2017, Kluger 2017, Schneider-Burrus 2018]

 

Voor pijnklachten hanteert men vaak numerieke scores, zoals de NRS waarbij een score van 10 of 100 correspondeert met de ergst denkbare pijn en de score 0 met geen pijn. Een ander hulpmiddel is de Visual Analogue Scale (VAS). Numerieke scores en VAS zijn ook geschikt voor het in beeld brengen van jeukklachten.

Ter evaluatie van het lichaamsbeeld is de Frankfurt Body Concept Scale (FKKS) bruikbaar. [Schneider-Burrus 2018] Deze bestaat uit 64 items waarbij hogere scores staan voor een positiever lichaamsbeeld.

Daarnaast bestaan er verschillende vragenlijsten naar de beleving van het seksueel functioneren, zoals Sexual Quality of Life Questionaire for Use in Men (SQoL), International Index of Erectile Dysfunction (IIEF), Arizona Sexual Experience Scale (ASEX), Female Seksual Function Index (FSFI), de Frankfurt Self-Concept Scale for Sexuality (FKKS SSEX) en de Female Sexual Distress Scale-Revised (FSDS-R). [Alavi 2018b, Kurek 2012]

 

Domeinen van kwaliteit van leven

Relatie tussen ziekte-ernst en kwaliteit van leven

Pijn, jeuk en onaangename geur hebben de hoogste impact op de KvL bij HS patiënten. [Riis 2016, von der Werth 2001] In verschillende studies is een associatie gevonden tussen de ernst van de ziekte en de KvL bij HS patiënten. [Janse 2017, Kurek 2012, Onderdijk 2013]

Resultaten uit diverse onderzoeken wijzen op een associatie tussen het Hurley stadium en de KvL. [Alavi 2015, Janse 2017, Kluger 2017] Janse et al. rapporteren tevens een positieve correlatie tussen de DLQI en respectievelijk de VAS pijnscore en de PGA score. [Janse 2017]

Alavi et al. zagen bij Hurley 3 patiënten een significante reductie op alle domeinen van de SF-36v2 en een significant hogere score op de DLQI in vergelijking met Hurley 1 en 2. [Alavi 2015] In een andere studie rapporteren Alavi et al. een significante correlatie tussen de mate van riekende pusuitvloed en KvL. [Alavi 2018a] Er bestaat tevens een positieve correlatie tussen ernst van de aandoening en de mate van depressie. [Onderdijk 2013] Deze ernst is niet van invloed op het eigen lichaamsbeeld. [Schneider-Burrus 2018]

 

Domein algehele gezondheid

In een prospectieve studie van Alavi et al. komt naar voren dat patiënten met HS vermoeidheid en een laag energieniveau ervaren en dat deze symptomen kunnen wijzen op de fysieke tekenen van depressie. [Alavi 2015]

 

Domein symptomen

HS geeft pijn- en jeukklachten. [Alavi 2015] Patiënten scoren in vragenlijsten gemiddeld dan ook het hoogst op het domein symptomen. [Alavi 2018a] Gemiddelde jeukscores op de VAS variëren van 3.72 ± 3.17 [Riis 2016], 3.3 ± 3.1 [Onderdijk 2013] en 3.9 ± 2.2 [Matusiak (b) 2018]. Vossen et al. rapporteren dat 57.3% van de patiënten jeukklachten heeft (NRS-jeuk score ≥ 3), met een gemiddelde NRS-jeuk score van 6.1±2.0. [Vossen 2017] Matusiak et al. beschrijven dat 62.1% van de HS patiënten last heeft van jeuk; 97.1% ervaart pijnklachten. [Matusiak (b) 2018]

De resultaten in de studie van Riis et al. presenteren een gemiddelde pijn score op de VAS van 3.91 ± 3.18. [Riis 2016] Matusiak et al. rapporteren een waarde van 4.6±2.5. [Matusiak (b) 2018] HS patiënten hebben significant meer pijnklachten dan patiënten met andere huidziekten (3.6 vs. 1.9 out of 10). [Onderdijk 2013] Jeuk heeft een sterke invloed op slaap en algemene dagelijkse activiteiten. [Vossen 2017] Eenzelfde sterke invloed heeft pijn op de KvL. [Janse 2017, Matusiak (b) 2018] Bij 32% van de patiënten zijn er problemen met betrekking tot mobiliteit. [Riis 2016]

 

Domein functioneren
HS leidt bij 45% van de patiënten tot problemen in het dagelijks functioneren. [Riis 2016] Er bestaat een significante correlatie tussen de mate van riekende pusuitvloed en sociaal functioneren. [Alavi 2018a] Patiënten met HS in Ierland zijn vaker werkloos (21%) dan mensen uit de algemene Ierse populatie (7.3%). [Delany 2018] Onderdijk et al. rapporteren dat patiënten in Denemarken en Nederland gemiddeld 3 verzuimdagen hadden in de laatste 3 maanden, waarbij zij voor patiënten met een hogere DLQI significant meer verzuimdagen noteerden. [Onderdijk 2013]

Tevens heeft HS invloed op andere aspecten van het functioneren: 94% laat zijn kledingkeuze beïnvloeden door de ziekte, 77% voelt zich belemmerd in sportieve activiteiten en 83% merkt een negatieve invloed op sociale activiteiten of op activiteiten in en rondom het huis. [Delany 2018]

 

Domein seksualiteit

HS komt regelmatig voor op intieme locaties van het lichaam, wat een verklaring biedt voor de grote impact op het seksueel functioneren. [Alavi 2018 (b), Janse 2017, Kurek 2012] Aan de hand van de FSFI score werd in meerdere studies seksueel disfunctioneren bij vrouwen gevonden (FSFI ≤ 26.55). Kurek et al. tonen in een kleinschalige prospectieve studie een significant slechtere FSFI bij vrouwelijke HS patiënten ten opzichte van vrouwelijke controlegroepen (22.1 ± 10.2 versus 29.0 ± 8.2). [Kurek 2012] Janse et al. melden een gemiddelde FSFI score van 21.6 ± 9.6; er was sprake van seksuele dysfunctie bij 62% van de vrouwelijke patiënten. [Janse 2017] Seksuele gezondheid was zowel bij vrouwen als mannen aangedaan, waarbij vrouwen significant slechter scoorden. [Kurek 2012]

Bij vrouwen is er een correlatie tussen het seksueel functioneren en de KvL; dit is bij mannen niet het geval. [Janse 2017, Kurek 2012]

Alavi et al. vonden een significant verschil in de SQoL en de International Index of Erectile Dysfunction (IIEF) tussen mannen met HS in vergelijking met een gezonde controlegroep. Vrouwelijke HS patiënten hadden tevens meer problemen gerelateerd aan seksueel functioneren dan gezonde vrouwen. [Alavi 2018b] Er bestaat een correlatie tussen de mate van riekende pusuitvloed en seksueel functioneren. [Alavi 2018a] In een retrospectieve cohortstudie naar seksuele dysfunctie beschrijven de auteurs een incidentie van 1.7% bij HS patiënten in vergelijking met 1.5 % van controles, met een vier keer hogere incidentie bij mannen dan bij vrouwen, in tegenstelling tot de eerder genoemde studies. [Slyper 2018]

 

Domein emoties

Angst, depressie en schaamte zijn de meest voorkomende klachten met betrekking tot emotioneel functioneren bij HS patiënten.

Resultaten uit de studie van Delany et al. geven aan de hand van de DLQI aan dat bijna 92% van de patiënten met HS zich schaamt en/of erg bewust is van zijn of haar ziekte. In deze studie rapporteerde de meerderheid van patiënten angst en depressie via de EQ-5D-5L. [Delany 2018] In de studie van Onderdijk et al. was de gemiddelde score op de MDI bij HS patiënten hoger dan bij patiënten met andere huidziekten: 21% versus 11% had mogelijk symptomen van depressie (significant verschil), 9% versus 6% leed aan depressie (niet significant). [Onderdijk 2013] De EQ-5D toont dat 40% enige tot extreme problemen heeft op het gebied van angst en depressie. [Riis 2016] Een vergelijkbare prevalentie wordt beschreven in de studie van Kirby et al., met depressie bij 35.7% van de gevallen. Deze studie toont tevens een negatieve correlatie aan tussen het weerbaarheidsvermogen van de patiënt en de DLQI. Derhalve suggereren de auteurs dat weerbaarheidstraining onderdeel kunnen uitmaken van de psychosociale ondersteunende behandeling bij HS. [Kirby 2017]

In een Finse studie (N= 26) kon men in de gehele populatie geen depressie aantonen met een gemiddelde BDI-21 score van 10.69 ± 10.13 (normaal 0-12, milde depressie 13-18). Vrouwen hadden hogere scores dan mannen (gemiddeld 15.00 ± 10.32 versus 3.80 ± 4.66). [Kluger 2017]

In een retrospectieve studie (N= 283) werd bij inclusie bij 24.4% de diagnose depressie gesteld en werd een associatie tussen het aantal betrokken gebieden en de kans op depressie gevonden. [Vangipuram 2016]

In een prospectieve studie naar lichaamsbeeld werd gerapporteerd dat patiënten met HS een significant lager lichaamsbeeld hebben dan de controlegroep, en dat een negatief lichaamsbeeld geassocieerd is met een hogere mate van angst en depressie. [Schneider-Burrus 2018]

Zoeken en selecteren

Voor de uitgangsvragen in deze module is op 19 maart 2018 in de databases Medline (via OVID), Embase (via Embase.com) en de Cochrane Library (via Wiley) een systematische search verricht met relevante zoektermen. De zoekverantwoording is weergegeven in de zoekverantwoording. De literatuurzoekactie leverde 255 studies op (na ontdubbelen). Het aantal studies werd teruggebracht tot 40 studies op basis van beoordeling op titel en abstract op N≥10, publicatiedatum <20 jaar. Tevens werden alleen Engelstalige studies meegenomen. Na raadpleging van de volledige tekst, werden er 17 studies definitief geselecteerd voor de literatuuranalyse.

 

De 17 geselecteerde onderzoeken zijn opgenomen in de literatuuranalyse. De belangrijkste studiekarakteristieken en resultaten zijn opgenomen in de evidencetabellen.

De methodologische kwaliteit van de individuele studies is volgens de EBRO-methode uitgewerkt (zie verantwoording).

Referenties

  1. Alavi, a., anooshirvani, n., kim, w. B., coutts, p. & sibbald, r. G. 2015. Quality-of-life impairment in patients with hidradenitis suppurativa: a canadian study. Am j clin dermatol, 16, 61-5.
  2. Alavi (a), a., farzanfar, d., lee, r. K. & almutairi, d. 2018a. The contribution of malodour in quality of life of patients with hidradenitis suppurativa. J cutan med surg, 22, 166-174.
  3. Alavi (b), a., farzanfar, d., rogalska, t., lowes, m. A. & chavoshi, s. 2018b. Quality of life and sexual health in patients with hidradenitis suppurativa. Int j womens dermatol, 4, 74-79.
  4. Benjamins M, van der Wal VB, de Korte J, van der Veen JPW. Kwaliteit van leven bij Nederlandse patiënten met hidradenitis suppurativa (acne inversa). Ned Tijdschr Dermatol Venereol 2009;19:446-50.
  5. Both, h., essink-bot, m. L., busschbach, j. & nijsten, t. 2007. Critical review of generic and dermatology-specific health-related quality of life instruments. J invest dermatol, 127, 2726-39.
  6. Delany, e., gormley, g., hughes, r., mccarthy, s., kirthi, s., markham, t., tobin, a. M., murphy, m. & kirby, b. 2018. A cross-sectional epidemiological study of hidradenitis suppurativa in an irish population (ship). J eur acad dermatol venereol, 32, 467-473.
  7. Finlay, a. Y. & khan, g. K. 1994. Dermatology life quality index (dlqi)-a simple practical measure for routine clinical use. Clin exp dermatol, 19, 210-6.
  8. Janse, i. C., deckers, i. E., van der maten, a. D., evers, a. W. M., boer, j., van der zee, h. H., prens, e. P. & horvath, b. 2017. Sexual health and quality of life are impaired in hidradenitis suppurativa: a multicentre cross-sectional study. Br j dermatol, 176, 1042-1047.
  9. Kirby, j. S., butt, m., esmann, s. & jemec, g. B. E. 2017. Association of resilience with depression and health-related quality of life for patients with hidradenitis suppurativa. Jama dermatol, 153, 1263-1269.
  10. Kluger, n., ranta, m. & serlachius, m. 2017. The burden of hidradenitis suppurativa in a cohort of patients in southern finland: a pilot study. Skin appendage disord, 3, 20-27.
  11. Kurek, a., peters, e. M., chanwangpong, a., sabat, r., sterry, w. & schneider-burrus, s. 2012. Profound disturbances of sexual health in patients with acne inversa. J am acad dermatol, 67, 422-8, 428 e1.
  12. Matusiak (a), I. Profound consequences of hidradenitis suppurativa: a review. Br J Dermatol. 2018 May 9. doi: 10.1111/bjd.16603. [Epub ahead of print]
  13. Matusiak (b), l., szczech, j., kaaz, k., lelonek, e. & szepietowski, j. C. 2018. Clinical characteristics of pruritus and pain in patients with hidradenitis suppurativa. Acta derm venereol, 98, 191-194.
  14. Onderdijk, a. J., van der zee, h. H., esmann, s., lophaven, s., dufour, d. N., jemec, g. B. & boer, j. 2013. Depression in patients with hidradenitis suppurativa. J eur acad dermatol venereol, 27, 473-8.
  15. Riis, p. T., vinding, g. R., ring, h. C. & jemec, g. B. 2016. Disutility in patients with hidradenitis suppurativa: a cross-sectional study using euroqol-5d. Acta derm venereol, 96, 222-6.
  16. Schneider-burrus, s., jost, a., peters, e. M. J., witte-haendel, e., sterry, w. & sabat, r. 2018. Association of hidradenitis suppurativa with body image. Jama dermatol, 154, 447-451.
  17. Shah N. Hidradenitis suppurativa: a treatment challenge. American Family Physician 2005;72:1547-52.
  18. Slyper, m., strunk, a. & garg, a. 2018. Incidence of sexual dysfunction among patients with hidradenitis suppurativa: a population-based retrospective analysis. Br j dermatol, 179, 502-503.
  19. Vangipuram, r., vaidya, t., jandarov, r. & alikhan, a. 2016. Factors contributing to depression and chronic pain in patients with hidradenitis suppurativa: results from a single-center retrospective review. Dermatology, 232, 692-695.
  20. Von der werth, j. M. & jemec, g. B. 2001. Morbidity in patients with hidradenitis suppurativa. Br j dermatol, 144, 809-13.
  21. Vossen, a., schoenmakers, a., van straalen, k. R., prens, e. P. & van der zee, h. H. 2017. Assessing pruritus in hidradenitis suppurativa: a cross-sectional study. Am j clin dermatol, 18, 687-695.
  22. Ware, j. E., jr., kosinski, m., bayliss, m. S., mchorney, c. A., rogers, w. H. & raczek, a. 1995. Comparison of methods for the scoring and statistical analysis of sf-36 health profile and summary measures: summary of results from the medical outcomes study. Med care, 33, as264-79.
  23. Wolkenstein, p., loundou, a., barrau, k., auquier, p., revuz, j. & quality of life group of the french society of, d. 2007. Quality of life impairment in hidradenitis suppurativa: a study of 61 cases. J am acad dermatol, 56, 621-3.

Evidence tabellen

Author

(year of publication)

Level of evide-nce

Study design

Patients (N)

Inclusion criteria

Follow-up

Outcome measures

Results

Lost to follow-up

Comments

Alavi 2015

C

prospective case series

55 patients

(38 females and 17 males)

patients

diagnosed with HS, and at least 18 years of age; the patients were identified retrospectively using patients’

charts from Ontario community dermatology clinics.

unknown

Dermatology Life Quality Index (DLQI), Short Form 36 Version 2 (SF-36v2) health survey, and a questionnaire

designed by the investigators to assess disease factors (age,

time until diagnosis, duration of first symptom, number of lesions, number of episodes, patient-reported QoL [rated as a mild, moderate, or severe effect on the patient’s life], and

disease severity based on Hurley stage)

The average DLQI score was 10 ± 8.8 for all patients, demonstrating that HS has a

‘moderate effect on patient’s life’. Hurley stage, the number of lesions, and patient-reported QoL assessed in the questionnaire were significantly correlated with the DLQI score (b = 0.549, 0.285, 0.390, respectively; p = 0.000, 0.045, 0.004, respectively; a = 0.05). On the other hand, sex, age, duration of first symptom, number of episodes, time until diagnosis, and location of the lesions were not statistically significantly correlated with the DLQI score. The effect on QoL

was further reflected by the SF-36v2 scores, with lower scores than normal standards for every component in Hurley Stage 3 patients.

unknown

 

Alavi 2018a

C

cross-sectional study

51 patients

the ability to give

informed consent, being over 18 years of age, and having a

confirmed diagnosis of HS by a dermatologist

unknown

Disease severity was assessed using the Hurly staging, the Sartorius system and Physician Global Assessment (PGA). Odour severity and frequency were collected using a self-reported measure using Likert scales ranging from 0 to 10 and 0 to 4, respectively. The odour

severity variable was dichotomized using the median to classify

high- and low-severity groups.

 

Quality of life was assessed using both the Dermatology Life Quality Index (DLQI) and the Skindex-29

instruments.

Forty-five of 51 patients (88%) experienced malodourous discharge. The severity of odour significantly predicts the total Skindex score after controlling for disease severity as measured by the Hurley stage and Sartorius score (R2 = 0.39, F = 8.11, P < 0001).

Odour severity was not a predictor of DLQI (R2 = 0.17, F = 2.63, P = .064) in a regression model.

Patients with lesions in the areas of groin, upper thighs, and buttocks are also more likely to be in the high-odour category (Pearson χ2 = 5.66, df = 1, P = .017). Not for patients with lesions in the axilla or breast areas.

Correlations between odour severity and a number of questionnaire items in Skindex-29 (items 5 and 29) and DLQI (items 8 and 9) that pertain to social and sexual functioning, in addition to an item on the experience of social isolation.

unknown

A linear regression analysis was performed to assess whether odour frequency predicts quality of life as measured by Skindex-29 and DLQI separately,

while controlling for Hurley stage and Sartorius score.

Alavi 2018b

B

observational cross-sectional study

50 patients with HS and 50 controls (healthy volunteers)

For the HS group included the ability to give informed consent, >18 years of age, and a diagnosis

of HS confirmed by a dermatologist.

 

The control group was composed of healthy individuals or individuals

who ccompanied the patient and who were matched for age and sex on the basis of self-reports. Who did not have HS, or any known medical conditions, including HS comorbidities.

unknown

The primary outcomes of interest were overall QoL and sexual functioning.

 

Four validated sexual health questionnaires were used to qualitatively assess the physical and psychological aspects of

sexual functioning: the Dermatology Life Quality Index (DLQI), Sexual Quality of Life Questionnaire for Use in

Men (SQoLM), International Index of Erectile Dysfunction (IIEF),

Female Sexual Function Index (FSFI), and Female Sexual Distress Scale – Revised (FSDS-R).

Patients with HS had a significantly lower QoL as measured with the DLQI compared with the control group (p < .0001). The DLQI scores of male and female patients with HS did not differ, but they were significantly different when compared with those of the same sex control group.

When compared with the male control group, male patients with HS had on average a lower sexual SQoLM (p < .0001) and IIEF scores (p = .019).

Item 9, which asks patients about the extent of sexual difficulties caused by the skin, was strongly and significantly correlated with FSDS-R (r = .614; p < .001) and SQoLM (r = –0.64; p = .001). There was no correlation between Item 9 and IIEF (r = –0.25; p =.25) and FSFI (r = –0.19; p = .21)

Female patients had significantly higher distress related to sexual function as measured with the FSDS-R compared with healthy female

volunteers (p = .002).

unknown

Unequal distribution of male (n=17) and female (n=33) patients with HS. Versus more equal distribution in control group (28 female vs 22 male)

Delany 2018

C

epidemiologic, non-interventional, cross-sectional

(single-visit), multicenter study

A total of 15547 patients attended dermatology clinics, of which 221 had a diagnosis of HS and formed the primary population. Of the primary

population, 150 eligible patients gave their consent to participate

in the study and comprised the full analysis set.

Eligible patients were ≥18 years of age, diagnosed with HS by a

consultant dermatologist in a hospital setting and attending a

single routine dermatology clinic over a 6-month period. All

patients who met the eligibility criteria were offered the opportunity

to participate in the study. Any eligible patients attending

the clinic who did not wish to participate in the study were

recorded using the non-participating patient log, and the total

number of patients who attended each clinic was tracked using

the log from each site.

unknown

The primary objective of the study was

to determine the number of patients with HS attending dermatology

clinics in a hospital setting in Ireland within a 6-month time period. Secondary objectives included the assessment of current disease status, disease characteristics, referral and treatment patterns, patient disease burden, work productivity and total activity impairment (i.e. the impact on daily activities outside of work), evidence for all of which has been lacking to date.

 

The WPAI questionnaire was completed by 143 patients, almost half of whom were employed at the time of the study visit (49.7%). A substantial proportion of the full analysis set were unemployed (21.3%), while others were out of work due to temporary or permanent illness disability (9.4%). Patient-reported outcomes concerning quality of life (reported by the DLQI) revealed that 91.7% of 145 responders were

embarrassed/self-conscious about their skin, with 33.8% being very embarrassed/self-conscious and 93.8% reporting that the condition of their skin influenced the clothes that they wear. The majority of responders indicated that their skin had an impact on social leisure activities (n = 120; 82.8%); made it difficult to

participate in sports (n = 110; 76.4%); interfered with activities at home, in the garden, or while shopping (n = 102; 70.3%); or that the treatment of their condition had been a problem (n = 78; 55.3%). The responses to the EQ-5D-5L indicated that

most patients had also felt anxious or depressed to some extent, which was consistent with responses from the PHQ-2.

unknown

This is an epidemiological study. QoL is a secondary outcome measure.

Janse 2017

C

multicentre cross-sectional survey.

Of the 916 invited patients, 7 patients refused participation, three patients were unable to participate because of

Comorbidity and 573 patients did not respond to the invitation. A total of 333

patients filled out the questionnaire, which corresponds to a response rate of 36%. In additional to those 333 patients, 22

patients were included through application via the Dutch

hidradenitis patients’ association website.

 

 

Patients diagnosed with HS between 2007 and September 2014

 

A PGA score of 0 was found in 24

patients; these patients were included only in the analyses

regarding disease activity. The final sample for analysis consisted

of 300 patients.

 

The questionnaires

of 31 patients were returned incompletely filled in and were therefore excluded.

unknown

 Three self-administered questionnaires were used for the assessment of sexual health: the Female Sexual Function Index

(FSFI), International Index of Erectile Function (IIEF)

and Arizona Sexual Experience Scale (ASEX).

The Dermatology Life Quality Index (DLQI) is a commonly used questionnaire for the assessment of QoL in skin diseases, and a high score indicates greater impairment of QoL.

This study showed a diminished QoL and sexual health in patients with HS (Female Sexual Function Index: 21.6 ± 9.6, Sexual dysfunction (FSFI ≤ 26.55) was found in 62% of the female patients.

International Index of Erectile Function: 49.7 ± 20.7, and the IIEF erectile function domain score was 20.6 ± 9.7. The proportion of male patients who had erectile dysfunction determined by an IIEF erectile function domain score of ≤ 25 was 52%.

Arizona Sexual Experience Scale: 16.7 ± 5.3, The criteria of sexual dysfunction were met by 42% of the patients. The ASEX score was significantly higher in women than in men (17.4 ± 5.2 vs. 14.0 ± 4.7, P < 0.001), indicating that women had worse sexual health.

Dermatology Life Quality Index: 12.5 ± 7.5). There was no significant difference in DLQI score between women and men (12.8 ± 7.5 vs. 11.7 ± 7.4, P = 0.33). Sexual health was associated with QoL in women but not in men. Female sex and late onset of HS were associated with poor sexual function. Impairment of QoL was associated with anogenital involvement, early onset of HS, disease severity and disease activity.

 unknown

 

Kirby 2017

C

Multi-center cross-sectional survey

The final sample for the study,

including patients from the US and Denmark sites, was 154

participants who submitted complete data.

 

In the US,

96 patients from the referral centers were invited to participate, 69 (71.8%) of whom responded and 58 (60.4%) of whom submitted complete data.

 

In Denmark, 126 patients participated, and 96 (76.1%)

provided complete data.

Patients were eligible for inclusion if they were 18 years or

older and had a visit for HS at 1 of the referral centers in the past 2 years (from January 1, 2014, through December 31, 2016).

Patients were excluded if they declined to participate, could

not read or write in English or Danish, or had a cognitive disability that would preclude their understanding of the survey

questions.

Only patients who submitted a complete survey

were included (n = 154); thus, methods for handling missing

data were not required.

unknown

The HRQOL of the participants was the outcome of interest or

dependent variable in this study. It was assessed using the DLQI, (score range: 0-30, with lower scores typically indicating lower HRQOL) a widely used, validated, skin-specific HRQOL

questionnaire comprising 10 items related to symptoms, embarrassment,

shopping and home care, clothing, social and leisure

activities, work or study, close relationships, sex, and treatment.

Depressive symptoms of the participants were assessed using the HADS (score range: 0-21, with a sub score of 11 or greater indicating depression).

The Brief Resilient Coping Scale (BRCS) (score range:4-20, with the highest score indicating high resilience).

Patients were asked to provide sociodemographic data—age, sex, race/ ethnicity, study site, and educational attainment.

The independent variables with the highest semipartial

correlations were HS severity and depression score, with HS

activity independently estimating 27% and depressive

symptoms estimating 10% of variation in HRQOL.

For the mediation analysis, resilience score was significantly associated

with depressive symptoms score (regression coefficient

a = −0.21; P < .001), and depressive symptoms score

(c = 0.637; P < .001) was significantly associated with lower HRQOL (c′ = 0.644; P < .001). However, both the direct association (b = 0.033; P = .86) and the indirect association

(a × b = 0.007; P = .87) of resilience on HRQOL were not significant. These findings indicate that resilience did not mediate the association between depressive symptoms and HRQOL (figure 1).

HS severity and depression

were included in the model along with the interaction term between depression score and resilience score on the basis of the a priori hypothesis of this study. This model estimated a 58% variation in HRQOL and had the lowest Akaike information criterion

of the 3 models. The interaction term for resilience and

depression was significant and supports the moderation of depression by resilience.

unknown

The response rate cannot be calculated,

however, because the number of people who viewed and

decided not to participate in the survey is unknown.

Kluger 2017

C

single-center cross-sectional study

Of 69 identified patients, 18 did not meet the eligibility criteria. Of those patients, 11 could not be contacted

and 1 died. Of the remaining 39 patients, 4

declined to participate and 6 did not participate for the different

reasons.

Of the 29 patients who provided consent to participate

in the study, 1 died before the study visit, 1

was not able to answer the questionnaires

herself, and 1 did not show up for the study visit. In total, 26 patients were included in the study (fig. 1).

inclusion into the study: patients ≥ 18 years of age with

HS diagnosed ≥ 6 months before study initiation with the ability to

provide informed consent. All three diagnostic criteria for HS had to be met: presence of typical lesions, location of lesions in typical areas, and an evolving disease course with relapses and chronicity.

unknown

During visits patients were asked to rank 10 HS-related symptoms according to the impact on their everyday life. Patients were asked to complete a set of questionnaires (Work Productivity and Activity Impairment-Specific Health Problem [WPAI-SHP], Dermatology Life Quality Index [DLQI], Beck Depression Inventory [BDI-21], 15D Instrument [15D], HS Symptom Assessment [HSSA], and HS Impact Assessment [HSIA]) at home before the study visit.

Pain was ranked as the most

bothersome HS-related symptom (mean score, 3.27).

Mean DLQI score was 8.31 ± 7.39 (3.00 ± 3.77 for men

and 11.63 ± 7.22 for women). The difference was statistically

significant between men and women, (Mann-Whitney U test, p = 0.002). Nine patients (34.6%), all women, reported a very large to extremely large effect on their daily life (DLQI >10). The items most affected were skin symptoms and embarrassment (38.5%), problems with clothing (36.0%), and impaired sexuality (26.6%; Fig. 3 a).

Higher Hurley stage at visit (p=

0.001), female gender (p= 0.018), and higher BDI-21 total

score (p 0.022) were variables that significantly affected the total DLQI score in stepwise regression analysis.

Mean total BDI-21 score was 10.69 ± 10.13. Women had

higher scores than men (mean, 15.00 ± 10.32 vs. 3.80 ± 4.66; Mann-Whitney U test, p = 0.002).

Results from the WPAI-SHP questionnaire showed that, of those employed ( n = 16; 1.5%), 2 (12.5%) missed a mean of 28.75 h from work during the past 7 days because of problems associated with HS. The rest of the employed

patients ( n = 14) reported no absence from work during the past 7 days.

unknown

It was a descriptive

study without any control group. In addition, we cannot

rule out the fact that the sample size (n= 26) may have affected our results.

Kurek 2012

B

A prospective

observational cross-sectional case-control study

44 patients (24 women, 20 men) given a

diagnosis of acne inversa(AI) were included.

 

The patients were compared with control subjects (41 subjects, (21 women, 20 men)

without AI matched for age, sex, and body mass

index (BMI) (matched pairs), who were selected

randomly as healthy volunteers

from the population.

Control subjects aged 18

years or older were eligible

for inclusion.

 

inclusion criteria: age of at least 18 years, a diagnosis of AI, and absence

of any malignant, psychiatric, and/or hormonal

disorders.

unknown

The Female Sexual Function Index (FSFI) contains 19 questions

that describe the female sexual function in 6 domains.

The International Index of Erectile Function (IIEF) contains 15 questions that were assigned in 5 domains of male sexuality: erectile function, orgasmic

function, sexual desire, intercourse satisfaction,

and overall satisfaction.

Frankfurt Self-Concept Scale for Sexuality (FKKS

SSEX)26 measures to what extend the individual has

difficulties with their sexuality, how much the individual is concerned about their sexuality, if one feels attractive, and how one is able to show affection.

The Dermatology Life Quality Index (DLQI)27 was developed to assess the quality of life in skin diseases.

 

The mean ± SD FSFI score for female sexual functioning was significantly lower in female patients with AI than in

female control subjects without AI (22.1 ± 10.2 vs 29.0 ± 8.2, P = .01), demonstrating significant sexual dysfunction in female patients with AI (Fig 1, A, and

Table I).

The mean ± SD IIEF score for male sexual functioning was significantly lower compared with the male control subjects (42.6 ± 27.1 vs 62.6 ± 10.8, P = .01), demonstrating a higher sexual dysfunction in male patients compared with control subjects (Fig 1, B, and Table II).

The FKKS SSEX score, showed significantly lower values for patients with AI compared with

control subjects without AI (mean ± SD 21.4 ± 5.7 vs 27.7 ± 4.6, P < .01), suggesting higher sexual distress within the patient group compared with

healthy control subjects (Fig 1, C).

The mean ± SD DLQI score for female patients with AI was significantly higher than for male patients with AI (14.4 ± 6.6 vs 9.6 ± 6.9, P = .03),

indicating a significantly lower QoL in female compared with male patients with AI (Fig 1,

D, and Table III).

unknown

Small sample size is the main limitation of this study.

Matusaik 2018

C

Cross sectional survey (?)

 

103 consecutive patients

 

unknown

 

All patients with any pruritic/painful skin condition of

any type or those receiving any anti-pruritics or pain-killers (e.g.

antihistamines, immunomodulators/immunosuppressants, etc. (> 5 half-lives washout period)) were excluded.

unknown

Pruritus and pain intensity were evaluated using a visual analogue scale (VAS) and numerical rating scale (NRS) The scores for

both above-mentioned tools ranged from 0 (no pruritus/pain), to 10 points (worst imaginable pruritus/pain).

 

Pruritus was additionally assessed with a 4-item Itch Questionnaire.

Dermatology Life

Quality Index (DLQI) was also implemented to assess QoL issues.

Lesion-linked pruritus and pain were reported by the majority

of patients during the course of the disease: 62.1% (64/103) and 97.1% (100/103), respectively.

Multivariate analysis of variance revealed that the presence of pruritus did not have an impact on QoL assessed with DLQI (p = 0.79), nor did it show interaction with the pain in this regard (p =0.18). The presence of pain was a crucial contributor (p = 0.002),

even more relevant than disease severity (p = 0.04). Nonetheless, the pruritus intensity correlated significantly

with DLQI (r = 0.45, p = 0.004; r = 0.48, p = 0.002 for VAS and NRS, respectively).

The pain intensity correlated negatively with QoL, assessed with DLQI, and additionally with

disease severity, evaluated with HSS and HSSI (r = 0.48,

p < 0.0001; r = 0.3, p = 0.01; r = 0.57, p < 0.0001, respectively

(the same values for VAS and NRS)).

unknown

Unknown inclusion-criteria.

Onderdijk 2013

B

Observational case-control study.

 

 

A total of 539 patients were contacted and 444 patients (82%) accepted participation by responding the questionnaires.

In total 211 HS patients were included in the study and 233 were dermatological control patients.

unknown

unknown

QoL and depression scores were assessed using the Dermatology Life Quality Index (DLQI) and the Major Depression Inventory (MDI) questionnaires.

The DLQI was significantly higher for HS patients than for the control patients, 8.4 ± 7.5 vs. 4.3 ± 5.6 (P < 0.0001) and correlated with Hurley stage severity scores. Mean MDI scores were significantly higher for HS patients, 11.0 vs. 7.2 (P < 0.0001), with 44 HS patients (21%) having scores indicating possible depression (≥20), compared with 26 controls (11%) (P = 0.006). However, clinically defined depression rates according to the International Classification of Diseases, 10th edition (ICD-10) criteria were not significantly higher in HS patients compared to controls (9% vs. 6%).

unknown

Selection bias in being a hospital based sample, which

restricts the generalisability of the data

Riis 2016

C

Crosssectional study

Participating patients (n = 294.

 

A total of 299 (71% response) replies were received.

Three replies were missing more than one variable of the EQ-5D-3L questions and were excluded for the purposes of this study.

 

All patients with HS (n = 421) registered at the Department of Dermatology, University Hospital of Roskilde, regardless of

severity and comorbidities were contacted by post and invited to

answer a questionnaire, which included the EQ5D-3L questions.

unknown

Questions regarding pain, malodour and pruritus were included to determine quantitatively

whether these factors are associated with low EQ-5D index and visual analogue scale (VAS) scores.

 

The population norms for the Danish population, provided by EuroQol, were used as reference values

A significantly decreased utility in patients with hidradenitis

suppurativa was found for all age group levels, except for 65–74-year-olds. The total index score in the cohort was 0.705 (population mean 0.887) and the VAS was 62.25 (population mean 82.6). Multivariate analysis found significant associations between loss of utility and pain, malodour and pruritus (p < 0.0001). Patients with hidradenitis suppurativa had a significantly decreased

EQ-5D compared with the background population. Malodour and pruritus were found to be associated with

low index values, and pain and malodour with low VAS.

Patient-reported pain and discomfort had the most negative overall effect on mean index scores.

unknown

 

Schneider-Burrus 2018

B

A prospective, observational, cross-sectional case- control study

46 patients and 41 controls were included.

47 patients with HS and 45 controls were recruited. One patient and 4 controls failed to complete the questionnaire and were excluded from the evaluation.

Patients With HS were compared with healthy controls matched for age, sex, and body mass index (BMI, calculated as weight in kg’s

divided by height in meters squared) who were selected

from the population.

unknown

unknown

Disease severity was

assessed by the Sartorius score.

After clinical evaluation, patients and controls were asked to fill out the Frankfurt Body Concept Scale (FKKS) and Hospital Anxiety and Depression

Scale (HADS).

HS significantly reduced body image (mean FKKS score, 234.2 [5.4] in patients and 276.9 [5.7] in controls; P<.001), even when controlled for BMI. A correlation was found for the extent of body image disruption and BMI (r=-0.589; P<.001), HADS-depression score (r=-0.619; P<.001), and HADS-anxiety score (r=-0.340; P=.03). No association was found for the body image score and the severity of HS, age at onset of disease, and duration of disease. The body contact subscale score was the only subscale score that was not different between patients with HS and controls.

unknown

 

Slyper 2018

B

Retrospective cohort analysis using the

Explorys database

In the Explorys database they identified 40 585 patients with HS

 

The non-HS (control) group included 24 066 860 participants

 

Eligible patients had available information

on age and sex and either: (i) a diagnosis of HS between

September 2012 and September 2017; or (ii) clinical findings

in the same period and no diagnosis of HS.

Patients with a diagnosed SD prior to the

index date were excluded.

unknown

To compare the incidence of SD among patients with and without HS.

The incidence of SD among the HS group was 1.7% (705/40 585), compared with 1.5% (371 560/24 066 860, P = 0.002) in

those without HS. In multivariable analyses, the HS group had an approximately 40% increase in the odds of incident SD [OR 1.38, 95% confidence interval (CI) 1.28–1.48, P < 0.001].

HS was significantly associated

with SD among both men (OR 131, 95% CI 1.18–1.46) and

women (OR 1.45, 95% CI 1.30–1.62). However, this association

did not differ significantly by sex. The association between HS and SD differed by age group (P < 0.001). Depressive disorder was a statistically significant effect modifier (P = 0.03), although the difference in group-specific ORs was relatively small. Anxiety disorder was a statistically significant effect modifier (P < 0.001), although the difference in group-specific ORs was relatively small. (Table 1).

unknown

 

Vangipuram 2017

C

Single-Center Retrospective chart Review

283 adult patients

unknown

unknown

Hurley stage in depression

and non-depression groups Hurley stage in chronic pain and nonchronic pain groups

Number of areas involved in depression and

non-depression groups

Number of areas involved in chronic pain and nonchronic pain groups.

Sixty-nine patients (24.4%) with HS also had a concurrent diagnosis of depression; 113 HS patients (39.9%) had a concurrent diagnosis of chronic pain. Of the HS patients with depression, 59.2% also had a coexisting diagnosis of chronic pain. The difference between Hurley scores in the depression and nondepression groups was not statistically significant

( p = 0.805)

The difference between Hurley

scores in the chronic pain and nonchronic pain groups was marginally statistically significant ( p = 0.045). The

difference between the number of areas of involvement in the depression and non-depression groups was statistically

significant ( p = 0.013).

In addition, the difference

between the number of areas of involvement in the chronic pain and nonchronic pain groups was statistically

significant ( p = 0.001)

unknown

Methods are not fully clear in this study.

Von der Werth 2001

C

Cross-sectional survay study (?)

160 patients were contacted, of whom 114 (71%) participated

Patients with an established diagnosis of HS were identified from databases of hospitals in Nottingham

and Mansfield in the U.K. and Copenhagen and

Roskilde in Denmark. Cases were traced back to 1993

in Nottingham, to 1995 in Mansfield and to 1997 in

Roskilde. To be included as a case the diagnosis of HS had to be made by a fully trained dermatologist or had to be supported by histological evidence.

unknown

The main outcome measure was the mean DLQI score. In addition to presenting descriptive statistics on this cohort of patients, correlations between the descriptive variables and the DLQI scores were analysed.

Patients had a mean ± SD DLQI score of 8´9 ± 8´3 points. The highest mean score out of the 10 DLQI questions was recorded for question

1, which measures the level of pain, soreness, stinging or itching (mean 1´55 points, median 2 points). Patients experienced a mean of 5´1 lesions per month.

Patients who scored zero (n= 21) differed from those scoring 10 points or more (n= 43) in their mean age (46 vs. 39 years), age at disease onset (26´5 vs. 19´7 years) and mean number of lesions per month

(1´3 vs. 6´7 lesions), but not in the mean duration of disease activity (18´2 vs. 19´4 years).

The DLQI score was independent of age or disease

duration (Table 2). It did correlate strongly with the number of lesions suffered per month (r2= 0´384). There was a negative correlation between the age at disease onset and DLQI (r2 = -0´227).

unknown

The authors are aware that the study population

is by definition the more severely affected group of HS sufferers and may therefore not be representative

of all patients with this disease. Other weaknesses

such as the recall element and the reliance on selfreported

lesions also have to be acknowledged.

Vossen 2017

C

academic hospital-based Cross-Sectional Study

In total 211 patients where included in the study.

 

A total of 231 HS patients were screened, of whom 20 were

excluded (13 had a concomitant dermatological comorbidity

causing itch, 5 had a limited understanding of the Dutch language, and 2 patients declined to take part in the

study).

Consecutive male

and female patients with a physician-verified diagnosis of

HS who visited the Department of Dermatology, Erasmus

University Medical Center, Rotterdam, The Netherlands

 

Patients with a limited understanding of the Dutch language, as well as patients with a concomitant skin disease that might cause pruritus (e.g. psoriasis, atopic dermatitis,

chronic urticaria) were excluded.

unknown

The aim of this study was to determine the prevalence, and explore the characteristics, of pruritus in a cohort of HS patients.

 

The prevalence rate of pruritus in 211 HS patients was 57.3%, with a mean NRS score of 6.1 ± 2.0. Patients with a pruritus NRS score ≥3 reported a higher level of pain (p<0.001), had more affected body areas (p<0.001), and had more severe

disease according to the Hurley classification (p<0.001)

compared with patients reporting a pruritus NRS score <3. Candidate predictors for patients reporting a pruritus NRS score ≥3 were Hurley stage III (OR 7.73; p = 0.003) and pain, with an OR of 1.34 for each additional point on the NRS (p<0.001).

Pruritus affected sleep and activities of daily living (ADL) in the majority of cases, with an associated modified 5-D itch score of 13.7 ± 3.6 (on a scale from 5 to 25) in 52 HS patients.

Serum pruritus markers were evaluated in 24 patients in the

pruritus NRS score ≥3 group (n = 121).

unknown

In addition, serological and histological

markers of pruritus were evaluated in a

subpopulation, but not a outcome measure of interest so not mentioned in the results of this table.

Wolkenstein 2007

C

Prospective evaluation

N=61 HS patients.

 

Results of VQ-Dermato and Skindex France where compared with results from patients with NF1 (N=128) and with other chronic diseases (N= 1161) (chronic urticaria, psoriasis, atopic dermatitis).

patients were included referred to our

specialized HS consultation service.

 

6 months

The aim of our study was to determine factors

modulating QoL impact in HS.

 

Pain at the moment of the consultation was

measured using a visual analog scale.

Skin disease-specific QoL was measured using

two questionnaires, VQ-Dermato and Skindex-

France.

VQ-Dermato is a French QoL questionnaire.

General health QoL was measured using the

French version of Short Form 36 (SF-36).

The measure of QoL with VQ-Dermato, Skindex-France, and SF-36 in our patients was strongly correlated (P < .05, Pearson’s correlation coefficient > 0.65). Skindex-France measures emotion, symptoms, and function, which were used to describe QoL. The severity of HS was correlated positively with symptoms (P<.01, Pearson’s correlation

coefficient = 0.44), the duration of HS with emotion

(ANOVA, P = .05), and symptoms (ANOVA, P = .006). Pain correlated with emotions (P<.05, Pearson’s correlation coefficient >0.3), symptoms

(P = .001, Pearson’s correlation coefficient = 0.47), and function (P = .001, Pearson’s correlation coefficient = 0.44). Patients with a continuous evolution of

their disease were significantly more affected functionally

than patients with an intermittent evolution (ANOVA, P<.05). Patients with associated pelvic and axillary and/or submammary lesions had a significantly higher impact on symptoms than others (57. 6 6 20.4 vs 40.9 6 22.4, P<.05).

unknown

 

Overwegingen

Wat ontbreekt, zijn specifieke studies naar het effect van psychologische ondersteuning bij patiënten met HS. HS heeft impact op verschillende domeinen van kwaliteit van leven. Symptomen van angst of depressie komen relatief vaak voor bij patiënten met HS. De werkgroep is dan ook van mening dat het aanbieden van adequate (medisch) psychologische hulp onderdeel zou moeten zijn van het behandeltraject.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 25-11-2019

Laatst geautoriseerd : 25-11-2019

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep in stand gehouden. Op modulair niveau is een onderhoudsplan beschreven. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update).

De Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) is regiehouder van deze richtlijn(modules) en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn(modules). De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland

Algemene gegevens

Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) heeft een verklaring van geen bewaar afgegeven voor de herziene delen in 2019.

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door arts-onderzoekers van de NVDV en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn over hidradenitis suppurativa (HS) is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn geeft aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met hidradenitis suppurativa.

 

Doelgroep

De richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met hidradenitis suppurativa, zoals dermatologen, (plastisch) chirurgen, SEH-artsen, gynaecologen, urologen, huidtherapeuten, huisartsen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, anesthesiologen en patiënten. Voor patiënten is ook een afgeleide tekst van de richtlijn beschikbaar op de website van de NVDV (www.nvdv.nl) en www.thuisarts.nl.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2010 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met hidradenitis suppurativa en patiëntvertegenwoordiger(s) (zie hiervoor het overzicht van de werkgroepleden de tabel hieronder). Wetenschappelijke verenigingen zoals Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH), Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC), Nederlandse Huisartsengenootschap (NHG), Verzorgenden & Verpleegkundigen Nederland (V&VN), en organisaties zoals Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG), en Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) werden voor de knelpunten analyse en commentaarronde uitgenodigd.

 

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname.

De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

Werkgroepleden – (modulaire) herziening 2019

Werkgroeplid

Affiliatie en vereniging

Dr. B. Horváth, dermatoloog (voorzitter, tot september 2018)

UMC Groningen, NVDV

Dr. H.H. van der Zee, dermatoloog (voorzitter, vanaf september 2018)

Erasmus MC, NVDV

Mw. B.E. den Boogert, wondconsulent

Reinier de Graaf Gasthuis, V&VN

Dhr. M.G. Buimer, chirurg

Amphia ziekenhuis, NVvH

Dr. J.L. Dickinson-Blok, dermatoloog

Nij smellinghe ziekenhuis Drachten, NVDV

Dr. R.J.B. Driessen, dermatoloog

Radboud UMC, NVDV

Dr. J.J.E. van Everdingen, dermatoloog n.p.

Directeur NVDV

Drs. M.F. Hofhuis, arts-onderzoeker (secretaris)

Bureau NVDV

Drs. J. Huizinga, verpleegkundig specialist

UMC Groningen, V&VN

Dr. I.C. Janse, dermatoloog

Meander Medisch Centrum, NVDV

Prof. Dr. J.H.G. Klinkenbijl, chirurg

Gelre ziekenhuizen, NVvH

Dhr. H. ter Linden, plastisch chirurg

Flevoziekenhuis, NVPC

Dr. J.R. Mekkes, dermatoloog

Amsterdam UMC, NVDV

Prof. Dr. E.P. Prens, dermatoloog

Erasmus MC, NVDV

Drs. L.M. Prens, PhD-kandidaat

UMC Groningen

Drs. K. van Straalen, PhD-kandidaat

Erasmus MC

Drs. L. Teligui, arts-onderzoeker (secretaris)

Bureau NVDV

Dr. A.R.J.V. Vossen, dermatoloog i.o.

Erasmus MC, NVDV

Mr. E.D. van Zadel

Vertegenwoordiger namens Hidradenitis Patiënten Vereniging (HPV)

 

Werkgroepleden – versie 2017 (herziening)

Werkgroeplid

Functie en vereniging

Dr. B. Horváth

Dermatoloog, voorzitter werkgroep, NVDV

Mw. B.E. den Boogert

Wondconsulent, V&VN wondexpertise

Dr. D.G. van den Broecke

Plastisch chirurg, NVPC

Dr. J.L. Dickinson-Blok

Dermatoloog i.o., NVDV

Dr. R.J.B. Driessen

Dermatoloog, NVDV

Dr. J.J.E. van Everdingen

Dermatoloog n.p. directeur NVDV

Drs. J. Huizinga

Verpleegkundig specialist, V&VN dermatologie

Dr. I.C. Janse

Dermatoloog i.o., NVDV

Prof. dr. J.H.G Klinkenbijl

Chirurg, NVvH

Drs. A. Lamberts

Richtlijnmedewerker NVDV

Dr. J.R. Mekkes

Dermatoloog, NVDV

Prof. dr. E.P. Prens

Dermatoloog, NVDV

Drs. A.R.J.V Vossen

Arts-onderzoeker, NVDV

Mr. E.D. van Zadel

Voorzitter Hidradenitis Patiënten Vereniging (HPV)

Dr. H.H. van der Zee

Dermatoloog, NVDV

 

Werkgroepleden - versie 2010

Werkgroeplid

Functie

Prof. dr. P.C.M. van de Kerkhof

Dermatoloog, voorzitter werkgroep

Mw. J.A. Boer

Huidtherapeut

Drs. R.J. Borgonjen

Ondersteuner werkgroep

Dr. J.J.E. van Everdingen

Dermatoloog

Mw. M.E.M. Janssen

Huidtherapeut

Drs. M. Kerzman

NHG / huisarts

Dr. J. de Korte

Dermato-psycholoog

Drs. M.F.E. Leenarts

Dermatoloog i.o.

Drs. M.M.D. van der Linden

Dermatoloog

Dr. J.R. Mekkes

Dermatoloog

Drs. J.E. Mooij

Promovendus dermatologie

Drs. L. van ’t Oost

Dermatoloog i.o.

Dr. V. Sigurdsson

Dermatoloog

Mw. C. Swinkels

Hidradenitis Patiënten Vereniging, patiëntvertegenwoordiger

Drs. H.C. de Vijlder

Dermatoloog i.o.

Drs. H. van der Zee

Dermatoloog i.o.

Drs. E.J. van Zuuren

Dermatoloog

Belangenverklaringen

Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.

 

Werkgroeplid (2017-2019)

Firma

Activiteit

Actie ondernomen

Dr. B. Horváth, dermatoloog (voorzitter, tot september 2018)

Abbvie

Consultatie/advisering, wetenschappelijk onderzoek, cursus, congres

Geen

Novartis

Consultatie/advisering, wetenschappelijk onderzoek

Geen

Solenne BV

Wetenschappelijk onderzoek

Geen

UCB

Consultatie/advisering

Geen

Janssen

Consultatie/advisering

Geen

Dr. H.H. van der Zee, dermatoloog (voorzitter, vanaf september 2018)

Abbvie

Consultatie/advisering, congres

Geen

InflaRX

Consultatie/advisering

Geen

Mw. B.E. den Boogert, wondconsulent

Geen

Geen

Geen

Dhr. M.G. Buimer, Chirurg

Geen

Geen

Geen

Dr. J.L. Dickinson-Blok, dermatoloog

Geen

Geen

Geen

Dr. R.J.B. Driessen, dermatoloog

 

Abbvie

Consultatie/advisering, wetenschappelijk onderzoek, cursus, congres

Geen

Galderma

Consultatie/advisering, wetenschappelijk onderzoek, congres

Geen

Cutanea life sciences

Wetenschappelijk onderzoek

Geen

Dr. J.J.E. van Everdingen, dermatoloog n.p.

Geen

Geen

Geen

Drs. M.F. Hofhuis, arts-onderzoeker (secretaris)

Geen

Geen

Geen

Drs. J. Huizinga, verpleegkundig specialist

Abbvie

Consultatie/advisering, wetenschappelijk onderzoek

Geen

Lilly

Consultatie/advisering, congres

Geen

Novartis

Consultatie/advisering

Geen

Dr. I.C. Janse, dermatoloog

Abbvie

Wetenschappelijk onderzoek

Geen

Novartis

Wetenschappelijk onderzoek

Geen

Prof. Dr. J.H.G. Klinkenbijl, chirurg

Geen

Geen

Geen

Dhr. H. ter Linden, plastisch chirurg

Geen

Geen

Geen

Dr. J.R. Mekkes, dermatoloog

Geen

Geen

Geen

Prof. Dr. E.P. Prens, dermatoloog

Abbvie

Consultatie/advisering

Geen

Novartis

Consultatie/advisering

Geen

UCB

Consultatie/advisering

Geen

Janssen-Cilag

Consultatie/advisering

Geen

Drs. L.M. Prens, PhD-kandidaat

Galderma

Presentatie

Geen

Drs. K. van Straalen, PhD-kandidaat

Abbvie

Congres

Geen

Drs. L. Teligui, arts-onderzoeker (secretaris)

Geen

Geen

Geen

Dr. A.R.J.V. Vossen, dermatoloog i.o.

Geen

Geen

Geen

Mr. E.D. van Zadel, vertegenwoordiger namens Hidradenitis Patiënten Vereniging (HPV)

Abbvie

Activiteiten voor patiënten

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door afgevaardigden vanuit de patiëntenvereniging HPV in de werkgroep (zie ook samenstelling van de werkgroep) te betrekken. De conceptrichtlijn is ook voor commentaar voorgelegd aan de patiëntenvereniging.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Er is tijdens de richtlijnontwikkeling door de werkgroep zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementeerbaarheid van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en in verschillende specifieke vaktijdschriften zal aandacht worden besteed aan de richtlijn.

Werkwijze

De werkgroep hidradenitis suppurativa heeft de vraag- en doelstellingen van deze richtlijn met elkaar afgestemd en uitgewerkt. De eerste versie van de richtlijn stamt uit 2010.

Hieronder worden de werkwijze van de richtlijn 2010 en de werkwijze van de geüpdatete modules in 2017 en 2019 apart van elkaar toegelicht.

 

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. [Medisch Specialistische Richtlijnen] Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II-instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. [Brouwers 2010] Voor een stap-voor-stapbeschrijving hoe een evidence-based richtlijn tot stand komt, wordt verwezen naar het stappenplan Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

 

Knelpuntenanalyse

In de eerste vergadering zijn knelpunten en wensen ten aanzien van de richtlijn geïnventariseerd door de werkgroepleden. Voor de start werd een knelpuntenanalyse uitgevoerd door middel van een enquête om uitgangsvragen te formuleren. De werkgroep heeft voor de herzieningen van 2017 en 2019 de aanbevelingen beoordeeld uit de eerdere richtlijn uit 2010 op noodzaak tot revisie.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep uitgangsvragen opgesteld (zie pagina 14 voor een overzicht van de uitgangsvragen). Per uitgangsvraag zijn klinisch relevante uitkomstmaten opgesteld, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten is gekeken. De werkgroep heeft de uitkomstmaten gewaardeerd volgens hun relatieve klinisch belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Voor de afzonderlijke uitgangsvragen is aan de hand van specifieke zoektermen een systematische zoekstrategie uitgevoerd in (verschillende) elektronische databases Embase, MEDLINE en Cochrane. In eerste instantie is gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De aldus gevonden studies zijn door twee arts-onderzoeker(s) van de NVDV onafhankelijk van elkaar geselecteerd op basis van titel en abstract en vooraf opgestelde selectiecriteria. Bij discrepantie is een derde persoon gevraagd. De beoordeling en uiteindelijke selectie op basis van volledige tekst is gedaan door arts-onderzoeker(s) van de NVDV of werkgroepleden. De geselecteerde studies zijn gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de zoekverantwoording.

 

Kwaliteitsbeoordeling wetenschappelijk bewijs

De beoordeling van de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs/onderzoeksgegevens is in de modulaire herzieningen van de richtlijn tot stand gekomen met de EBRO- en GRADE-methode.

 

Kwaliteitsbeoordeling wetenschappelijk bewijs middels GRADE

Bij de GRADE-methode (Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation) worden individuele studies systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. [Schünemann 2013]

Tabel 1 geeft een kort overzicht van de indeling van methodologische kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs volgens GRADE. De beoordelingen van de methodologische kwaliteit kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB)-tabellen, deze zijn op te vragen via de NVDV. Hiervoor is gebruikgemaakt van de Cochrane risk of bias tool. [Higgins 2011]

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag (zie tabel 1). Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie. [Schünemann, 2013] De kwaliteit van het bewijs per interventie per uitkomstmaat is te vinden in de evidence tabellen met de Summary of Findings.

 

Een volledige uitleg over de GRADE-methode valt buiten het bestek van deze richtlijn, zie hiervoor het ‘GRADE handbook’. [Schünemann 2013, https://www.gradeworkinggroup.org/]

 

Tabel 1. Indeling van kwaliteit van wetenschappelijk bewijs volgens GRADE

GRADE-systeem

Kwaliteitsindeling bewijs

Hoog

  • Er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • Het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • Er is matige zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • Het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • Er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • Er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • Er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • De literatuurconclusie is zeer onzeker.

Startkwalificatie

  • Gerandomiseerd onderzoek = hoog
  • Observationele studie = laag

Factoren die de kwaliteit van bewijs kunnen verlagen*

  • Ernstige of zeer ernstige beperkingen in de kwaliteit van de studie
  • Indirectheid van het bewijs
  • Belangrijke inconsistentie tussen studies
  • Imprecisie
  • Grote kans op ‘publicatiebias’

Factoren die de kwaliteit van bewijs kunnen verhogen**

  • Sterk bewijs voor een associatie – significant relatief risico van > 2 (< 0,5) gebaseerd op consistent bewijs uit twee of meer observationele studies, zonder plausibele ‘confounders’ (+1)
  • Zeer sterk bewijs voor een associatie – significant relatief risico van > 5 (< 0,2) gebaseerd op direct bewijs zonder belangrijke bedreigingen voor de validiteit (+2)
  • Bewijs voor een dosis respons gradiënt (+1)
  • Alle plausibele ‘confounders’ zonder het effect te hebben verminderd (+1)

* Elk criterium kan de kwaliteit verminderen met 1 stap of bij zeer ernstige beperkingen met 2 stappen.

** Verhogen kan alleen indien er geen beperkingen zijn t.a.v. de studiekwaliteit, imprecisie, inconsistentie, indirectheid en publicatiebias

 

Beoordelen van het niveau van het wetenschappelijke bewijs middels EBRO

Bij de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling) wordt een andere classificatie voor de beoordeling van de kwaliteit van studies aangehouden (zie tabel 2). [van Everdingen 2004] Hierbij ligt de belangrijkheid van de uitkomstmaten niet van tevoren vast en is er geen vastgelegde procedure voor upgraden en downgraden van bewijs, zoals die bij GRADE geldt.

 

Tabel 2. Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies volgens EBRO

Kwaliteit

Interventie

Diagnostisch accuratesse-onderzoek

Schade/bijwerkingen*, etiologie, prognose

A1

Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek)

 

 

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Bij het werken volgens de EBRO-methode zijn op basis van de beschikbare literatuur een of meerdere conclusies geformuleerd. Afhankelijk van het aantal onderzoeken en de mate van bewijs is een niveau van bewijskracht toegekend aan de conclusie (zie tabel 3). [van Everdingen 2004]

 

Tabel 3. Niveau van conclusies volgens EBRO

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde studies zijn overzichtelijk weergegeven als ‘karakteristieken en resultaten van geïncludeerde studies’ (zie de evidence tabellen). De belangrijkste bevindingen uit de literatuur met betrekking op de vooraf opgestelde uitkomstmaten zijn beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies zijn de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Formuleren van conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de EBRO of GRADE-methode. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overall bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de kritieke uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overall conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en meegewogen, zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten werden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overige overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn voor zowel de GRADE- en EBRO-methodiek gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs, de belangrijkste overige overwegingen en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht of het niveau van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling.

Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is toegevoegd als aanverwant product.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren zijn verzameld in een commentaarformulier/tabel en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt)organisaties voorgelegd ter autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd. Zie daarvoor de paragraaf ‘Autorisatie’.

 

Literatuur

  • Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348.
  • Higgins JPT, Green S (editors). Cochrane Handbook for Systematic Reviews of Interventions Version 5.1.0 [updated March 2011]. The Cochrane Collaboration, 2011. Available from https://training.cochrane.org/handbook.
  • Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit. Online beschikbaar op http://richtlijnendatabase.nl/ Laatst geraadpleegd op [DATUM geraadpleegd voor concepttekst]
  • Van Everdingen JJE, Burgers JS, Assendelft WJJ, et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum 2004.
  • Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from https://gdt.gradepro.org/app/handbook/handbook.html.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.