Waar gaat deze richtlijn over?

De richtlijn heeft betrekking op alle patiënten die in Nederland geopereerd worden. Alleen als spoedeisende hulp zodanig is, dat het volgen van de richtlijn niet verantwoord is, is de richtlijn niet van toepassing. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

    • Wat er in het pre, per- en postoperatieve traject geregeld moet worden en waarom
    • Welke informatie moet pre-, per-, en postoperatief uitgevraagd en/of gedeeld en vastgelegd worden om de veiligheid van de patiënt perioperatief te bewaken/vergroten
    • Wie waarvoor verantwoordelijk is
    • Organisatie van de zorg in de verschillende trajecten
    • Verschillende stappen en controlemomenten in het proces
    • De verantwoordelijkheden van de instelling
    • Medicatie, apparatuur en materialen
    • Infectiepreventie

 

Voor wie is de richtlijn bedoeld?

De richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij een operatie. Binnen het ziekenhuis zijn in ieder geval betrokken:

    • In het preoperatieve traject: de operateur, de anesthesioloog, eventueel geconsulteerde specialisten, verpleegkundigen, en de afdelingen opname en planning
    • Bij het peroperatieve gedeelte: de operateur, de anesthesioloog, anesthesie- en OK-medewerkers, verpleegkundigen en in specifieke gevallen andere zorgverleners
    • Tijdens het postoperatieve proces: de operateur, de anesthesioloog, anesthesie- en OK-medewerkers, het personeel van verkoeverafdelingen, intensive care en verpleegafdelingen en in specifieke gevallen andere zorgverleners 

 

Voor patiënten

Het perioperatieve proces is het geheel aan activiteiten en afspraken die nodig zijn om een operatie uit te kunnen voeren. Dit proces kent de volgende trajecten:

  • Preoperatieve traject: vanaf het spreekuur bij de degene die de operatie zal uitvoeren tot aan de start van de inleiding van de anesthesie op de operatiekamer
  • Peroperatieve traject: start bij binnenkomst op het OK-complex tot aan het verlaten van de operatiekamer
  • Postoperatieve traject: vanaf het verlaten van de operatiekamer tot aan ontslag van de verpleegafdeling

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?
Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH).

 

Bij de module ‘Het preoperatief traject’ zijn daarnaast betrokken: oogartsen, internisten, orthopeden, longartsen, klinisch geriaters, gynaecologen, plastisch chirurgen, radiologen en ziekenhuisapothekers.

 

Bij de module ‘Het peroperatief traject’ zijn daarnaast betrokken: operatieassistenten, orthopeden, anesthesiemedewerkers, anesthesiologen, chirurgen, KNO-artsen, klinisch fysici, medisch microbiologen, gynaecologen, plastisch chirurgen, radiologen, urologen, ziekenhuisapothekers.

 

Bij de module ‘Het postoperatief traject’ zijn daarnaast betrokken: oogartsen, orthopeden, anesthesiologen, cardiologen, chirurgen, KNO-artsen, medisch microbiologen, neurochirurgen, gynaecologen, plastisch chirurgen, radiologen en urologen.

 

De Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie en Stichting Kind en Ziekenhuis participeerden in de totstandkoming van de richtlijn perioperatief proces.

 

 

 

 

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2010

Laatst geautoriseerd : 01-01-2010

De richtlijn Het Preoperatieve Traject beschrijft het eerste deel van het perioperatieve traject dat een patiënt doorloopt wanneer deze geopereerd wordt. De rest van het traject zal in vervolgrichtlijnen beschreven worden.

 

Mede omdat deze richtlijn voor een groot deel gebaseerd is op best practices en expert opinion zal het nodig zijn om de richtlijn te onderhouden op continue basis. Het up-to-date houden van richtlijnen op continue basis duiden we aan met het begrip ‘levende richtlijnen’. Goedbeschouwd is het meer dan dat. Beoogd wordt dat richtlijnen 'leven' bij professionals, dat kennis uit richtlijnen gebruikt wordt door behandelaars, dat er terugkoppeling plaatsvindt over toepasbaarheid in de dagelijkse praktijk en dat de richtlijnen op grond hiervan op continue basis worden herzien, zodat er voor professionals en patiënten een steeds actueel, hanteerbaar en werkzaam beslissings­ondersteunend instrument voorhanden is. De Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde zijn samen verantwoordelijk voor het onderhoud van deze richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Geautoriseerd door:
  • Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun van ZonMw in het kader van het programma 'Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO)'.

Doel en doelgroep

Deze richtlijn heeft betrekking op de informatie-uitwisseling en de samenwerking tussen - en op de verantwoordelijkheden van - de verschillende zorgverleners tijdens het preoperatieve traject. Bij het preoperatieve traject zijn veel partijen betrokken. Centraal staat de patiënt die dit traject doorloopt. Binnen het ziekenhuis zijn in ieder geval betrokken de operateur, de anesthesioloog, eventueel geconsulteerde specialisten, verpleegkundigen, en de afdelingen opname en planning. Dit maakt het des te belangrijker dat er een systeem bestaat waarin informatie eenduidig en betrouwbaar wordt verzameld, geregistreerd en gecommuniceerd.

In de richtlijn wordt beschreven welke informatie minimaal noodzakelijk is om het traject veilig te kunnen doorlopen. Hierbij wordt de informatie alleen op geaggregeerd niveau beschreven, verantwoordelijkheid voor de invulling van de inhoudelijke details ligt op het niveau van de beroepsgroepen zelf. In de regel zal de betreffende informatie ook nu al verzameld worden. De bedoeling van deze richtlijn is niet dat de gegevens in de verschillende fasen steeds opnieuw worden geregistreerd, maar dat de vastgelegde informatie uiteindelijk eenduidig en op één plaats beschikbaar is voor alle betrokken zorgverleners en dat de patiënt adequaat geïnformeerd wordt. Reeds ingevoerde informatie dient steeds aangevuld te worden. Reeds ingevoerde informatie dient wel op juistheid gecontroleerd te worden. De richtlijn beoogt daarmee bij te dragen aan één perioperatief dossier dat door de verschillende zorgverleners wordt opgebouwd, in plaats van afzonderlijke dossiers waarin informatie dubbel of niet eenduidig wordt vastgelegd. Zorginstellingen worden daarom opgeroepen om te faciliteren dat op basis van deze richtlijn één perioperatief, voor iedere betrokkene toegankelijk, dossier per patiënt wordt ingevoerd, al dan niet elektronisch.

Samenstelling werkgroep

Richtlijnwerkgroep

-           Dhr. prof.dr. H.E.M. Kerkkamp, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, technisch voorzitter

-           Dhr. dr. A.P. Wolff, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, inhoudelijk voorzitter

-           Mw. dr. D.Z.B. van Asselt, Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie

-           Mw. M.E.A. van Bergen-Rodts, Stichting Kind en Ziekenhuis

-           Mw. drs. C.A. Boot, Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie

-           Mw. mr. G.J. Boshuizen, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen

-           Mw. B. Delpeut, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland

-           Dhr. dr. P.R.A.M. Depauw, Nederlandse Vereniging van Neurochirurgen

-           Dhr. drs. M. Duyvendak, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

-           Dhr. dr. P.M.N.Y.H. Go, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-           Dhr. prof.dr. D. Poldermans, Nederlandsche Internisten Vereeniging

-           Mw. dr. M.H. Rövekamp, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde

-           Dhr. dr. J.H. Schagen van Leeuwen, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

-           Dhr. M.P.H.J. Schors MANP, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland

-           Mw. drs. A. Schuurhuis, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

-           Dhr. dr. M. Sprenger, Nationaal ICT Instituut in de Zorg

-           Mw. drs. C.M.V. Verhagen, Nederlandse Vereniging voor Dagbehandeling en Kortverblijf

-           Mw. mr. M.M. Versluijs, Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie

-           Dhr. dr. A.M.J.S. Vervest, Nederlandse Orthopedische Vereniging

-           Dhr. dr. J.F.A. van der Werff, Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

 

Kerngroep

-           Dhr. prof.dr. H.E.M. Kerkkamp, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, technisch voorzitter

-           Dhr. dr. A.P. Wolff, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, inhoudelijk voorzitter

-           Mw. mr. G.J. Boshuizen, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen

-           Dhr. dr. P.M.N.Y.H. Go, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-           Dhr. M.P.H.J. Schors, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland

-           Mw. drs. A. Schuurhuis, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

-           Dhr. dr. M. Sprenger, Nationaal ICT Instituut in de Zorg

-           Mw. mr. M.M. Versluijs, Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie

 

Ondersteuning

-           Mw. drs. I.P.H. Janssen, senior adviseur CBO

-           Mw. dr. M.A. Pols, senior adviseur CBO tot 1-9-2008, vanaf 1-9-2008 Orde van Medisch Specialisten

-           Dhr. drs. R.T. van Zelm, senior adviseur CBO tot en met december 2007.

 

Advies

-           Dhr. prof. dr. J. Damen, hoogleraar peri-operatieve veiligheid

-           Mw. dr. M.A. Boermeester, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-           Dhr. dr. A.C. Vahl, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-           Mw. C. Nogarede, hoofd OK UMC St. Radboud Nijmegen

Belangenverklaringen

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is financiering verkregen van ZorgOnderzoek Nederland medische wetenschappen (ZonMW). Aan alle werkgroepleden is gevraagd een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de farmaceutische industrie aangeven. Een overzicht van deze belangenverklaringen ligt ter inzage bij het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO.

Inbreng pati├źntenperspectief

De richtlijn is uiteraard gericht op verbetering van de zorg rondom de patiënt die een operatie moet ondergaan. Bij de ontwikkeling van de richtlijn heeft daarom het patiëntenperspectief een belangrijke rol gespeeld. In de kerngroep is geparticipeerd door de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie, en in de brede werkgroep is daarnaast vertegenwoordigd de Stichting Kind en Ziekenhuis. 

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Bij de richtlijn wordt een conceptset indicatoren opgeleverd, gebaseerd op de belangrijkste aanbevelingen. Vanwege de directe aansluiting bij de vervolgrichtlijnen Peroperatief Traject en Postoperatief Traject zal een complete set structuur- , proces- en uitkomstindicatoren gerelateerd aan het hele perioperatieve traject bij richtlijn 2 (peroperatief traject) en 3 (postoperatief traject) worden aangeleverd.

Werkwijze

 

Ontwikkeltraject

De werkgroep heeft beoogd een korte, handzame richtlijn op te stellen, waarin informatie­overdracht en afstemming van verantwoordelijkheden de belangrijkste elementen zijn. De kwaliteit van zorg en veiligheid van de patiënt staan hierbij centraal.

 

 

 

Een kerngroep, ondersteund door het CBO, is verantwoordelijk voor het zoeken en beoordelen van de literatuur, het opstellen van de tekst, de redactie van de richtlijn en de begeleiding van het ontwikkelproces. De kerngroep legt haar resultaten voor aan een brede werkgroep van vertegenwoordigers uit het werkveld. Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar de organisatorische aspecten van het preoperatieve traject, vormen naast bestaande richtlijnen en adviezen, best practices en ervaringen van experts belangrijke onderbouwende elementen. De datapakketten in de bijlagen van deze richtlijn zijn, wanneer daartoe beschikbaar, samengesteld uit datasets zoals voorgesteld of beschikbaar gemaakt door wetenschappelijke verenigingen. Om deze reden is de conceptrichtlijn dan ook op verschillende momenten door middel van invitational conferences en een praktijktest voorgelegd aan het veld.

 

 

 

Praktijktest

 

Het gebruik van de conceptrichtlijn is in een vijftal ziekenhuizen getest. Aan deze praktijktest namen zowel grote, middelgrote als kleine ziekenhuizen met verschillende ‘zorgketens’ deel, (bijvoorbeeld hernia, KNO, etc.). Voor de praktijktest zijn voornamelijk eenvoudige zorgketens geselecteerd. Dit betekent dat er in de praktijktest geen of nauwelijks ervaring is opgedaan met intensievere trajecten. De praktijktest vond plaats in de periode september / oktober 2008 bij een beperkt aantal patiënten per zorgketen. Een belangrijk aandachtspunt bij de praktijktest was de vormgeving van de stopmomenten. De praktijktest werd ondersteund door een eenvoudige ICT-tool. Deze ICT-tool was door NICTIZ ontworpen en beschikbaar gesteld. 

 

 

 

De praktijktest was bedoeld om antwoord te krijgen op de vragen:

 

-        Bij hoeveel patiënten (totaal en per keten) is de richtlijn succesvol toegepast?

 

-        Bij hoeveel patiënten (totaal en per keten) is het niet goed gelopen en waarom?

 

-        Welke aanpassingen zijn nodig in de organisatie om deze richtlijn uit te voeren?

 

-        Zijn eventuele problemen gerelateerd aan de richtlijn, het proces of het ziekenhuis?

 

-        Welke voordelen/nadelen zijn er opgemerkt?

 

-        Welke aanpassingen in de richtlijn zijn er nodig?

 

 

 

Het aantal patiënten dat het preoperatieve traject volgens de richtlijn doorlopen heeft, varieerde sterk per deelnemend ziekenhuis (1-19). Ziekenhuizen die de praktijktest hadden voorbereid in een multidisciplinair team scoorden hierin beter dan ziekenhuizen waar de voorbereiding minder gezamenlijk werd aangepakt.

 

Betrokkenen gaven aan dat het vanwege de korte tijd niet altijd mogelijk was om voldoende aanpassingen in de organisatie te maken om volgens de richtlijn te werken. Desalniettemin heeft deze beperkte test toch nieuwe inzichten opgeleverd.

 

 

 

De belangrijkste bevinding uit de praktijktest was dat de structuur van de richtlijn goed is. In de meeste ziekenhuizen zullen organisatorische aanpassingen nodig zijn om volgens de richtlijn te werken. De voornaamste zijn het invoeren van de stopmomenten en het beleggen van de verantwoordelijkheden in het preoperatieve traject.

 

Als belangrijk voordeel werd gezien de verbetering van de veiligheid van de patiënt en de duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling. Als grootste nadeel werd gezien de grotere administratieve last. De komst van het EPD wordt als een belangrijk hulpmiddel gezien. Verder bleek dat een aantal zaken in de richtlijn duidelijker moesten worden beschreven.

 

De deelnemers aan de praktijktest gaven aan het wenselijk te vinden dat de richtlijn de eindverantwoordelijkheden in iedere fase van het traject beschrijft, maar dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van specifieke taken veelal lokaal kan worden ingevuld (tenzij er goede redenen zijn om die uitvoering wel dwingend voor te schrijven). 

 

Op basis van deze bevindingen is de conceptrichtlijn waar nodig aangepast. De belangrijkste aanpassingen zijn:

 

  • de richtlijn benoemt wel eindverantwoordelijken, maar geen taakverantwoordelijken: taakverantwoordelijkheid moet lokaal worden ingevuld; 
  • stopmomenten (met uitzondering van de time-out) zijn niet altijd overlegmomenten;
  • overbodige items zijn geschrapt.

 

 

Autorisatie

 

Deze richtlijn is voor commentaar voorgelegd aan alle betrokken verenigingen en organisaties. Het ontvangen commentaar is door de werkgroep gewogen en waar mogelijk verwerkt. Hierna is de aangepaste richtlijn ter autorisatie aangeboden. De volgende verenigingen en organisaties hebben de richtlijn geautoriseerd dan wel hun instemming met de inhoud van de richtlijn uitgesproken:

 

-                Landelijke Vereniging van Operatieassistenten

 

-                Nationaal ICT Instituut in de Zorg

 

-                Nederlands Oogheelkundig Gezelschap*

 

-                Nederlandsche Internisten Vereeniging

 

-                Nederlandse Orthopaedische Vereniging

 

-                Nederlandse Vereniging Leidinggevenden Operatieafdelingen

 

-                Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers

 

-                Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose

 

-                Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

 

-                Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

 

-                Nederlandse Vereniging voor Dagbehandeling en Kortverblijf

 

-                Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

 

-                Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie

 

-                Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

 

-                Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

 

-                Nederlandse Vereniging voor Radiologie

 

-                Stichting Kind en Ziekenhuis

 

 

 

*        Het NOG ziet deze richtlijn niet als evidence based richtlijn, maar als consensus­document en onderschrijft de inhoud.

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.