Het preoperatieve traject

Laatst beoordeeld: 01-01-2010

Uitgangsvraag

  • Wat dient in het preoperatief traject geregeld te worden en waarom?
  • Welke informatie moet preoperatief uitgevraagd en/of gedeeld en vastgelegd worden om de veiligheid van de patiënt perioperatief te bewaken/vergroten?
  • Wie is waarvoor verantwoordelijk?

Aanbeveling

STOPMOMENT 1 (veiligheid)

Anesthesioloog evalueert:

  • Achten patiënt, operateur en anesthesioloog het perioperatieve risico acceptabel?
  • Zijn de juiste maatregelen getroffen om het perioperatieve risico zoveel mogelijk te beperken?
  • Gaat de patiënt akkoord met de operatie, de anesthesiologische behandeling en de verwachte risico’s?

Als op één van deze drie vragen geen positief antwoord gegeven kan worden, vindt overleg plaats tussen operateur, anesthesioloog en eventuele andere behandelaars. De patiënt wordt geïnformeerd over uitkomst van deze bespreking.

 

STOPMOMENT 2 (planning en organisatie)

De operatiedatum kan pas definitief worden vastgelegd wanneer aan alle randvoorwaarden is voldaan (akkoord operateur, anesthesioloog, verpleegkundige; afspraken met betrekking tot voorbereiding, peroperatieve bijzonderheden en nazorg zijn uitgevoerd). Indien niet aan alle voorwaarden is voldaan wordt overlegd met de medisch inhoudelijk verantwoordelijke en wordt actie ondernomen. Dit wordt in het dossier vastgelegd door de planning.

 

STOPMOMENT 3 (organisatie en patiëntveiligheid)

Na opname van de patiënt en vóór stopmoment 4(a) wordt gecontroleerd of alle preoperatieve afspraken zijn uitgevoerd en er geen veranderingen zijn opgetreden in de conditie van de patiënt. Controle hiervan gebeurt onder eindverantwoordelijkheid van de operateur.

 

STOPMOMENT 4a (veiligheid)

Wanneer buiten de operatiekamer invasieve voorbereidende handelingen moeten plaatsvinden, wordt een zogenaamde pre-time-out uitgevoerd. Hierbij worden in aanwezigheid van de anesthesioloog en een assisterende, samen met de patiënt, tenminste de identiteit van de patiënt, de plaats/zijde van operatie, de soort operatie, de stollingsstatus en eventuele allergieën gecontroleerd. Deze pre-time-out komt niet in plaats van de time-out maar is een extra veiligheidsmoment. De anesthesioloog is ervoor verantwoordelijk dat het stopmoment wordt uitgevoerd en wordt vastgelegd.

 

STOPMOMENT 4 (patiëntveiligheid)

Voordat de patiënt daadwerkelijk geopereerd wordt, vindt een structureel overleg plaats tussen operateur, anesthesioloog (c.q. AIOS) en OK-personeel. Besproken wordt tenminste: juiste patiënt, juiste operatie, zijde/locatie, stollingsstatus, antibioticabeleid, allergieën, comorbiditeit, positionering van de patiënt, aanwezigheid personeel en materialen en bijzonderheden. Dit overleg dient op de operatiekamer, vóór de start van de anesthesie, plaats te vinden in aanwezigheid van de patiënt. De operateur is ervoor verantwoordelijk dat het stopmoment wordt uitgevoerd en wordt vastgelegd. Bepaalde technische aspecten van de operatie kunnen ook na de inleiding van de anesthesie besproken worden door het operatieteam.

Overwegingen

In deze module is op geaggregeerd niveau opgenomen welke informatie onder wiens verantwoordelijkheid in welke fase moet worden vastgelegd. De invulling van de informatie valt onder verantwoordelijkheid van de betreffende beroepsgroepen. Aan de rechterkant onder 'voorbeeld informatiepakketten' is een voorbeeld opgenomen van gangbare informatiepakketten.

 

  1. Spreekuur operateur

a.    Operateur neemt kennis van informatie van verwijzer (operateur verantwoordelijk voor invoer in dossier)

Bij voorkeur wordt de richtlijn Informatie-uitwisseling huisarts-specialist (HASP) gevolgd, maar minimaal de volgende informatie wordt vastgelegd:

  • Reden verwijzing
  • Relevante voorgeschiedenis
  • Medicatie
  • Bijzonderheden

 

b.    Informatie vast te leggen door operateur in dossier
  • Naam behandelaar
  • Klinische gegevens
  • Informatie met betrekking tot operatie en opname
  • Specifieke maatregelen
  • Consulten: aangevraagd, reden, welk specialisme

 

c.    Informatie van operateur naar patiënt

Operateur licht patiënt in over de voorgenomen operatie en mogelijke chirurgische complicaties en legt dit vast in het medisch dossier.

 

d.    Informatie van geconsulteerd specialist aan operateur

Conclusie/advies/bijzonderheden

 

e.    Informed consent chirurgische behandeling

Vastleggen akkoord patiënt en operateur

 

f.     Informatie van operateur naar verwijzer

Operateur licht verwijzer in over voornemen te opereren en legt dit vast in het medisch dossier.

 

Conclusie operateur: geeft fiat voor de operatie

 

 

2.  Preoperatief anesthesiologisch onderzoek en verpleegkundige intake

 

2.1     Preoperatief anesthesiologisch onderzoek

 

a.    Anesthesioloog neemt kennis van het dossier
b.    Informatie vast te leggen door anesthesioloog in het dossier
  • Naam anesthesioloog preoperatief onderzoek
  • Klinische gegevens
  • Medicatie
  • Informatie over de anesthesie, de operatie en de opname
  • Specifieke maatregelen
  • Consulten: aangevraagd, reden, welk specialisme, resultaten
  • Samenvatting en conclusie preoperatief traject

 

c.    Informatie van anesthesioloog naar patiënt

Anesthesioloog licht patiënt in over de anesthesie en mogelijke anesthesiegerelateerde complicaties en legt dit vast in medisch dossier

 

d.    Informatie van geconsulteerd specialist aan anesthesioloog

Conclusie/advies/bijzonderheden

 

e.    Informed consent voor anesthesiologische behandeling

Vastleggen akkoord patiënt en anesthesioloog

 

f.     Informatie van anesthesioloog naar operateur

Anesthesioloog licht operateur in en legt dit vast in medisch dossier

 

Conclusie anesthesioloog: geeft fiat voor de operatie ja/nee

 

 

2.2     Verpleegkundige intake

a.    Verpleegkundige neemt kennis van het dossier

 

b.      Informatie vast te leggen door verpleegkundige in dossier

Verpleegkundige afspraken met betrekking tot voorbereiding, peroperatieve bijzonderheden en nazorg.

 

Conclusie: akkoord verpleegkundige intake ja/nee

 

STOPMOMENT 1 (veiligheid)

Anesthesioloog evalueert:

-    Achten patiënt, operateur en anesthesioloog het perioperatieve risico acceptabel?

-    Zijn de juiste maatregelen getroffen om het perioperatieve risico zoveel mogelijk te beperken?

-    Gaat de patiënt akkoord met de operatie, de anesthesiologische behandeling en de verwachte risico’s?

Als op één van deze drie vragen geen positief antwoord gegeven kan worden, vindt overleg plaats tussen operateur, anesthesioloog en eventuele andere behandelaars. De patiënt wordt geïnformeerd over uitkomst van deze bespreking.

 

 

3        Planning

 

a.     De planningsmedewerker neemt kennis van het dossier

 

b.    Informatie vast te leggen door planningsmedewerker in het medisch dossier

Opnameafdeling controleert of de volgende zaken zijn vastgelegd of uitgevoerd en legt dit vast.

Dossier:

  • Akkoord operateur
  • Akkoord anesthesioloog
  • Akkoord verpleegkundige intake
  • Type opname bekend en geregeld (dagbehandeling / short stay / klinisch)
  • Afspraken vastgelegd en indien nodig uitgevoerd (voorbereiding, peroperatieve bijzonderheden, nazorg)
  • Specifieke wensen patiënt vastgelegd en/of uitgevoerd

Bij OK-afdeling wordt gecontroleerd:

  • OK-ruimte en personeel beschikbaar
  • Benodigde materialen beschikbaar
  • Aanvullend personeel (bijv röntgen) beschikbaar
  • Bed op juiste afdeling beschikbaar

 

c.        Informatie van planning naar patiënt, huisarts, operateur, anesthesioloog, OK en afdeling

Planningsmedewerker licht partijen in en legt definitieve opname-/operatiedatum vast in het medisch dossier

 

 

STOPMOMENT 2 (planning en organisatie)

De operatiedatum kan pas definitief worden vastgelegd wanneer aan alle randvoorwaarden is voldaan (akkoord operateur, anesthesioloog, verpleegkundige; afspraken met betrekking tot voorbereiding, peroperatieve bijzonderheden en nazorg zijn uitgevoerd). Indien niet aan alle voorwaarden is voldaan wordt overlegd met de medisch inhoudelijk verantwoordelijke en wordt actie ondernomen. Dit wordt in het dossier vastgelegd door de planning.

 

Conclusie: definitieve opname- / operatiedatum

 

4        Opname

 

4.1     Voor de operatie:

Deze stap dient tijdig voor de operatie uitgevoerd te worden. Met tijdig wordt bedoeld dat bij fouten correctie nog plaats kan vinden vóór de start van de operatie zonder dat hierdoor vertraging in het rooster ontstaat. Het juiste moment kan daarom per operatie verschillen.

 

Voorbereiding voor de operatie:

a.        Operatieassistent en anesthesiemedewerker nemen kennis van het dossier
b.    Informatie vast te leggen door operatieassistent in het dossier
  • Gegevens operatieprogramma correct
  • Implantaat/prothese aanwezig
  • Ingreep klaargezet volgens protocol
  • Apparatuur aanwezig en gecontroleerd
  • Instrumentarium/materiaal in huis

 

4.2    Na opname (bij voorkeur op afdeling maar in ieder geval vóór stopmoment 4(a))
a.        Operateur (of gedelegeerde) en verpleegkundige nemen kennis van het dossier
b.    Medische informatie vast te leggen in dossier

(deze informatie valt onder verantwoordelijkheid van de operateur)

Markeren operatieplaats volgens richtlijn NVvH

Controleren:

  • Identiteit patiënt
  • Operatie
  • Conditie patiënt
  • Medicatie

Afspraken met betrekking tot voorbereiding, peroperatieve bijzonderheden en nazorg uitgevoerd

 

c.        Verpleegkundige informatie vast te leggen in dossier
  • Naambandjes en barcode aanbrengen
  • Gebitsprothese, piercings etc. verwijderen
  • Premedicatie (ge)geven volgens afspraak
  • Controleren afspraken met betrekking tot voorbereiding, peroperatieve bijzonderheden en nazorg.

Complete perioperatieve status aanwezig

 

 

STOPMOMENT 3 (organisatie en patiëntveiligheid):

Na opname van de patiënt en vóór stopmoment 4(a) wordt gecontroleerd of alle preoperatieve afspraken zijn uitgevoerd en er geen veranderingen zijn opgetreden in de conditie van de patiënt. Controle hiervan gebeurt onder eindverantwoordelijkheid van de operateur.

 

Conclusie: patiënt kan op programma blijven

 

5        Voorbereiding operatie

5.1     De patiënt wordt besteld

De verpleegafdeling waar de patiënt verblijft wordt geïnformeerd dat de patiënt naar de operatieafdeling gebracht kan worden. Hierbij wordt vermeld:

  • Naam
  • Geboortedatum
  • Soort operatie
  • Welke operatiekamer en -complex

Het bestellen van de patiënt valt onder verantwoordelijkheid van de operateur.

 

5.2     Pre-time-out.

Deze vindt plaats wanneer er buiten de operatiekamer al invasieve handelingen moeten plaatsvinden (bijvoorbeeld locoregionale anesthesie)

Anesthesioloog controleert: dossier compleet en beschikbaar?

Pre-time-out bespreking tussen anesthesioloog, assisterende en patiënt

 

Tenminste wordt besproken:

  • identiteit van de patiënt,
  • plaats/zijde van operatie,
  • soort operatie
  • allergieën                
  • stollingsstatus

 

STOPMOMENT 4a (veiligheid):

Wanneer buiten de operatiekamer invasieve voorbereidende handelingen moeten plaatsvinden, wordt een zogenaamde pre-time-out uitgevoerd. Hierbij worden in aanwezigheid van de anesthesioloog en een assisterende, samen met de patiënt, tenminste de identiteit van de patiënt, de plaats/zijde van operatie, de soort operatie, de stollingsstatus en eventuele allergieën gecontroleerd. Deze pre-time-out komt niet in plaats van de time-out maar is een extra veiligheidsmoment. De anesthesioloog is ervoor verantwoordelijk dat het stopmoment wordt uitgevoerd en wordt vastgelegd.

 

 

6        Operatie

 6.1     Op operatiekamer voor de start van de anesthesie (of indien 5.2 van toepassing: voor de incisie):

Operateur controleert: dossier compleet en beschikbaar?

Indien van toepassing: operateur controleert of pre-time-out bespreking op correcte wijze heeft plaatsgevonden en is vastgelegd

 

Time-out bespreking tussen operateur, anesthesioloog, anesthesiemedewerker, operatie­assistent (in de aanwezigheid van de patiënt)

Tenminste wordt besproken:

  • Identiteit van de patiënt,
  • soort operatie,
  • plaats/zijde van operatie,
  • stollingsstatus,
  • antibioticabeleid,
  • allergieën,
  • comorbiditeit,
  • positionering van de patiënt,
  • aanwezigheid personeel en materialen
  • bijzonderheden

 

STOPMOMENT 4 (patiëntveiligheid):

Voordat de patiënt daadwerkelijk geopereerd wordt, vindt een structureel overleg plaats tussen operateur, anesthesioloog (c.q. AIOS) en OK-personeel. Besproken wordt tenminste: juiste patiënt, juiste operatie, zijde/locatie, stollingsstatus, antibioticabeleid, allergieën, comorbiditeit, positionering van de patiënt, aanwezigheid personeel en materialen en bijzonderheden. Dit overleg dient op de operatiekamer, vóór de start van de anesthesie, plaats te vinden in aanwezigheid van de patiënt. De operateur is ervoor verantwoordelijk dat het stopmoment wordt uitgevoerd en wordt vastgelegd. Bepaalde technische aspecten van de operatie kunnen ook na de inleiding van de anesthesie besproken worden door het operatieteam.

 

Conclusie: OK start ja/nee

Inleiding

Structuur van de richtlijn

 

Voor de richtlijn is het preoperatieve traject verdeeld in vier onderdelen, waarbij per onderdeel wordt aangegeven welke informatie relevant is, wie de informatie aanlevert, wie de informatie moet ontvangen en waar de verantwoordelijkheden voor het aanleveren en verwerken/toepassen van de informatie en voor het uitvoeren van bepaalde taken liggen.

Deze vier onderdelen betreffen de (in de regel) achtereenvolgende delen van het preoperatieve traject (figuur 1):

  1. Spreekuur operateur.
  2. Preoperatieve screening en verpleegkundige intake.
  3. Planning.
  4. Opname en voorbereiding operatie.

Ook besteedt de richtlijn aandacht aan de (ziekenhuis)-organisatie, die verantwoordelijk is voor de randvoorwaarden van de overige delen van het zorgproces.

 

Stopmomenten

Op een viertal cruciale momenten (figuur 2) zijn stopmomenten ingevoerd: dit zijn momenten waarop gecontroleerd wordt of het voorafgaande proces volgens afspraak is verlopen, of alle partijen hun taken hebben uitgevoerd, of de benodigde zaken zijn gedocumenteerd en of de patiënt het beschreven traject verder kan vervolgen (er is groen licht om door te gaan). Deze controlemomenten worden expliciet vastgelegd door de verantwoordelijken voor deze taak. Indien er geen groen licht gegeven kan worden dient overleg plaats te vinden tussen de betrokken functionarissen.

De stopmomenten kunnen alleen hun rol vervullen als ieder die hierbij betrokken is een ander kan aanspreken op zaken die niet volgens afspraak verlopen of informatie die ontbreekt. Hiërarchische verschillen mogen daarin geen belemmering zijn. Alle medewerkers moeten hierin hun verantwoordelijkheid nemen. Alleen op die manier dragen de stopmomenten bij aan de veiligheid van de patiënt en aan de organisatie van het proces.

 

Stopmoment 1: Preoperatief risicomanagement

De vragen die de anesthesioloog na afloop van de preoperatieve screening moet kunnen beantwoorden zijn de volgende:

a)         Wat is de operatie-indicatie en wat is het perioperatieve risico?

b)         Achten patiënt, operateur en anesthesioloog het perioperatieve risico acceptabel?

c)         Zijn de juiste maatregelen getroffen om het perioperatieve risico zoveel mogelijk te beperken?

d)         Gaat de patiënt akkoord met de operatie, de anesthesiologische behandeling en de verwachte risico’s?

Bij het eerste stopmoment wordt door de anesthesioloog gecontroleerd of zowel de operateur als de anesthesioloog akkoord hebben gegeven voor de operatie. In de organisatie wordt geborgd dat een bespreking plaatsvindt van de patiënten bij wie de anesthesioloog na de preoperatieve screening (en eventueel nader onderzoek) geen groen licht kan geven voor de voorgestelde operatie. Er vindt dan overleg plaats tussen de anesthesioloog en de operateur (en eventuele andere betrokken behandelaars).

 

Stopmoment 2: Planning – kan de patiënt ingepland worden voor de operatie?

Voordat een definitieve operatiedatum wordt gepland wordt gecontroleerd of aan alle voorwaarden is voldaan: zijn alle gegevens bekend, zijn benodigde materialen aanwezig of besteld, is voldoende personeel beschikbaar enz., kortom kan de operatie doorgang vinden?

Indien er gegevens of materialen ontbreken of er andere redenen zijn dat de patiënt niet ingepland kan worden, wordt nog geen operatiedatum vastgelegd. De planningsafdeling stelt degene die verantwoordelijk is voor het aanleveren van de ontbrekende gegevens of materialen op de hoogte dat de patiënt nog niet ingepland kan worden en wat de reden is, en legt dit vast in het dossier. Wanneer wel alle gegevens compleet zijn en materialen beschikbaar, wordt de operatiedatum vastgesteld en in het dossier vastgelegd.

In sommige gevallen (bijvoorbeeld bij wachtlijstbemiddeling) wordt er al een operatiedatum met de patiënt afgesproken voordat de anesthesioloog groen licht geeft, dus ook voordat stopmoment 2 kan plaatsvinden. Degene die de datum met de patiënt afspreekt, moet dan aangeven dat het om een voorlopige datum gaat en dat deze pas na stopmoment 2 bevestigd kan worden.

 

Stopmoment 3: Controle actuele situatie

Nadat de patiënt is opgenomen (bij voorkeur op de afdeling maar in ieder geval vóór stopmoment 4(a)) wordt nogmaals gecontroleerd of er aan alle voorwaarden voor een veilige operatie is voldaan. Zo wordt gecontroleerd of alle afspraken op het gebied van voorbereiding, peroperatieve zorg en nazorg zijn uitgevoerd. Met name betreft dit medicatieveiligheid, bloedproducten, de actuele conditie van de patiënt, nuchterheid en eventuele bijzonderheden. Op lokaal niveau wordt vastgelegd wie deze controle uitvoert onder de eindverantwoordelijkheid van de in bijlage 2 genoemde professionals. De uitkomst wordt vastgelegd in het dossier. De uitvoering van dit controlemoment kan in de praktijk gerealiseerd worden door gebruik van het een veiligheids- en informatieoverdrachtsysteem zoals bijvoorbeeld het SURPASS-systeem waarin de basiselementen van de WHO-controlelijst (www.who.int/patientsafety/safesurgery) zijn verwerkt. Items uit de SURPASS-lijst zijn in deze richtlijn opgenomen. Als gegevens ontbreken, afspraken niet zijn uitgevoerd, de conditie van de patiënt belangrijk gewijzigd is of er andere redenen zijn waardoor de patiënt niet veilig geopereerd kan worden, worden acties ondernomen om de belemmeringen op te heffen. De operateur, de anesthesioloog, de verpleegafdeling, de OK-afdeling en eventuele andere betrokkenen worden hiervan op de hoogte gesteld. Indien aan alle voorwaarden is voldaan kan het finale akkoord gegeven worden en kan de patiënt naar de operatiekamer gebracht worden. De uitkomst van het stopmoment en eventuele maatregelen worden in het dossier vastgelegd door de operateur (of gedelegeerde). De operateur is eindverantwoordelijk voor het finale akkoord bij dit stopmoment. Dit is een procedurele verantwoordelijkheid.

 

Stopmoment 4: Vlak voor start van de operatie: klaar voor de start?

Voordat de patiënt daadwerkelijk geopereerd wordt, vindt een structureel overleg plaats (ook wel time-out/briefing genoemd) tussen operateur, anesthesioloog en OK-personeel. Besproken wordt: juiste patiënt, juiste operatie, juiste zijde/locatie, type anesthesie, aanwezigheid personeel en materialen en bijzonderheden. Dit overleg dient op de operatie­kamer plaats te vinden in aanwezigheid van de patiënt en vóór de inleiding van de anesthesie, terwijl het bij de operatie betrokken team aanwezig is.

De operateur is ervoor verantwoordelijk dat het stopmoment wordt uitgevoerd en dat dit wordt vastgelegd in het medisch dossier. Bepaalde technische aspecten van de operatie kunnen ook na de inleiding van de anesthesie besproken worden door het operatieteam.

Wanneer er buiten de operatiekamer al invasieve handelingen moeten plaatsvinden (bijvoorbeeld locoregionale anesthesie), kan een zogenaamde pre-time-out worden ingevoegd, waarbij in aanwezigheid van de anesthesioloog en een assisterende samen met de  patiënt in ieder geval de identiteit van de patiënt, de plaats van operatie, de soort operatie, de stollingsstatus en eventuele allergieën worden gecontroleerd. Deze pre-time-out komt niet in plaats van de time-out maar is een extra veiligheidsmoment in die gevallen waarin de time-out niet vóór de inleiding van de anesthesie kan plaatsvinden.

 

Perioperatief dossier

Om het preoperatieve traject veilig te kunnen laten verlopen is het noodzakelijk dat er maar één multidisciplinair perioperatief patiëntendossier wordt gebruikt. Dit dossier bevat alle relevante, juiste en laatste informatie en is bij voorkeur digitaal. Alle partijen moeten op ieder moment over dezelfde actuele informatie kunnen beschikken. Dit voorkomt ook dat dezelfde gegevens op meerdere plaatsen worden verzameld en geregistreerd (met een grotere kans op fouten).

 

Overdracht

De overdracht van de patiënt tussen verschillende zorgverleners (bijvoorbeeld van de verpleegafdeling naar de holding en van de holding naar de operatiekamer) moet op een gestructureerde manier verlopen. Ziekenhuizen moeten ervoor zorg dragen dat deze overdrachtsmomenten geprotocolleerd zijn en als zodanig worden toegepast.

 

Procesbewaking

Binnen het ziekenhuis moet een sluitend systeem aanwezig zijn dat te allen tijde inzichtelijk maakt waar de patiënt zich bevindt in het perioperatieve zorgtraject tenminste ten aanzien van de in de richtlijn gedefinieerde stopmomenten (track & trace). Dit systeem is in eerste instantie bedoeld voor de communicatie tussen behandelaars/organisatie maar het zou ook gebruikt kunnen worden door patiënten. Het moet inzicht geven of het traject verloopt zoals gepland. Het moet bovendien helder zijn wie ervoor verantwoordelijk is de voortgang van het proces te bewaken en actie te ondernemen als het proces stagneert. Deze verantwoordelijkheid kan bij ongecompliceerde trajecten bij de afdeling planning of opname worden neergelegd, bij de meer complexe processen is dit bij voorkeur een gespecialiseerde medewerker (gespecialiseerd verpleegkundige, nurse practitioner, physician assistant). De procesbewaking kan ook in handen zijn van de operateur of anesthesioloog.

 

Om de procesbewaking goed vorm te geven doen ziekenhuizen er goed aan om hun patiëntpopulaties en de bijbehorende (perio­peratieve) processen in kaart te brengen. Gebruik van ICT-voorzieningen kan deze procesbewaking ondersteunen.

 

Informatie aan de patiënt

Het moet voor de patiënt gedurende het hele perioperatieve traject duidelijk zijn bij welk aanspreekpunt hij/zij terecht kan met vragen. De manier waarop dit aanspreekpunt vormgegeven wordt kan voor verschillende trajecten anders geregeld zijn.

Bij de meer complexe trajecten verdient het de voorkeur dat aanspreekpunt en procesbewaking gecombineerd zijn in één functie en ingevuld worden door personen met een zorginhoudelijke achtergrond.

 

Inherent aan het werken volgens de richtlijn is dat op verschillende momenten in het traject de voorgaande stappen gecontroleerd worden. De patiënt zal dat merken, deze zal bijvoorbeeld herhaald gevraagd worden naar zijn/haar identiteit en de aard en lokalisatie van de operatie. Het is belangrijk om de patiënt duidelijk te maken dat dit de veiligheid moet verhogen en niet een teken is van gebrekkige communicatie tussen zorgverleners. Uit een observatie onderzoek van 427 meldingen van bijna, geheel, of gedeeltelijk uitgevoerde foutieve operaties (verkeerde patiënt, verkeerde operatie, verkeerde plaats) blijkt als belangrijkste conclusie dat markeren van de operatieplaats en het volgen van een time-out procedure niet voldoende is, maar dat daarnaast herhaalde verificatie de beste manier is om deze fouten te voorkomen (Clarke 2007).

 

Coördinatie medicatie

Om de patiënt optimaal voor te bereiden op de operatie kan het zijn dat medicatie gestart, aangepast of gestopt moet worden vóór de operatie. Het is tevens van groot belang dat er goede afspraken gemaakt worden wie verantwoordelijk is voor het zo nodig afbouwen, herstarten of weer aanpassen van de gewijzigde medicatie ná de operatie.

 

Op lokaal niveau dient afgesproken en schriftelijk vastgelegd te worden wie (operateur of anesthesioloog) in welke fase van het perioperatieve traject verantwoordelijk is voor het vastleggen en voorschrijven van medicatie.

Dit betreft het vastleggen van de thuismedicatie, het aangeven van veranderingen in de medicatie nodig voor de ingreep en het voorschrijven van medicatie.

Op enkele plaatsen in ons land wordt op de preoperatieve polikliniek met succes samengewerkt met een ziekenhuisapotheker als extra veiligheidscontrole (Duyvendak et al 2007).

Het postoperatieve medicatiebeleid valt buiten het bestek van deze richtlijn.

 

Het is tevens de verantwoordelijkheid van de operateur en de anesthesioloog om, in een lokaal protocol dat opgesteld is volgens de geldende richtlijnen, aan te geven bij welke ingrepen anticoagulantia en antibiotica gewenst zijn. Ook dienen schriftelijke afspraken gemaakt te worden wie verantwoordelijk is voor het reserveren/bestellen van de benodigde bloedproducten (volgens protocol en bij uitzonderingen op het protocol).

 

In iedere fase van het traject wordt de medicatie op eenduidige en transparante wijze in het geïntegreerde dossier vastgelegd.

 

Consulten

Soms is het nodig dat de operateur of de anesthesioloog een consult bij een andere specialist aanvraagt alvorens goedkeuring gegeven kan worden voor een operatie. De aanvrager van de consulten is verantwoordelijk voor het verwerken van de (medicatie-) adviezen.

 

Specifieke omstandigheden

Het kan voorkomen dat het traject niet volgens de standaardprocedure verloopt, zoals wanneer een ingreep niet door een chirurg maar door bijvoorbeeld een interventieradioloog of internist gedaan wordt, of wanneer er geen anesthesioloog bij betrokken is. Deze uitzonderingen worden niet apart beschreven in de richtlijn. Als een radioloog een ingreep doet, is deze radioloog in de terminologie van de richtlijn de operateur. In die gevallen waarin geen anesthesioloog bij de ingreep betrokken is, komen de verantwoordelijkheden die volgens de richtlijn aan de anesthesioloog zijn toebedeeld automatisch de operateur toe. 

 

In het geval van multidisciplinaire operaties is er niet één operateur maar zijn er meerdere. Iedere operateur is verantwoordelijk voor het vastleggen van de informatie die voor zijn/haar specifieke onderdeel van belang is. Eén operateur moet de coördinatie van het chirurgische deel van de ingreep op zich nemen. Deze is ervoor verantwoordelijk dat het chirurgische deel van het proces volgens de richtlijn verloopt en dat het finale (proces)akkoord bij stopmoment 3 gegeven wordt. Alle operateurs moeten zelf hun inhoudelijke akkoord geven. De operateur die de operatie start is aanwezig bij de time-out. De overige operateurs moeten (telefonisch) bereikbaar zijn vanaf de time-out.

 

Bij (herhalings)operaties bij reeds opgenomen patiënten geldt de richtlijn ook. De verantwoordelijkheden zijn dan ook zoals in de richtlijn is aangegeven. Vanaf het besluit te (her-)opereren moet de richtlijn gevolgd worden en dus de benodigde informatie gegenereerd en de voorgeschreven stopmomenten aangehouden worden. Bij herhalings­operaties maakt het proces als het ware een lus. Gegevens die reeds beschikbaar zijn dienen gecontroleerd te worden op hun geldigheid.

 

Taakverschuiving

Het komt steeds meer voor dat verpleegkundigen en paramedici (nurse practitioners, physician assistants) onder verantwoordelijkheid van een medisch specialist taken van deze specialist overnemen. Hoe hiermee wordt omgegaan verschilt in verschillende ziekenhuizen.

Het delegeren van taken aan hiervoor opgeleide zorgverleners laat de eindverant­woordelijkheid van de medisch specialist onverlet. De operateur en anesthesioloog blijven bij de in de richtlijn gedefinieerde stopmomenten en bedeling van verantwoordelijkheden hoe dan ook eindverantwoordelijk. In deze richtlijn wordt daarom gesproken van de operateur en de anesthesioloog, ook als bepaalde taken door anderen worden uitgevoerd.

Samenvatting literatuur

De meeste literatuur die gevonden werd had betrekking op de inhoud van de preoperatieve screening (bij welke patiëntengroepen dient wat te gebeuren) en niet op de procesmatige aspecten zoals verantwoordelijkheden, samenwerking en communicatie (Mambourg 2004, NICE 2003). De vraag wat de inhoud moet zijn van het preoperatieve onderzoek valt buiten het bestek van deze richtlijn. De beschikbare literatuur bestond voornamelijk uit richtlijnen en adviezen. De zoekstrategie is vermeld in een bijlage.

 

Advies Preoperatief onderzoek (Gezondheidsraad, 1997)

In 1997 heeft de Gezondheidsraad een advies gepubliceerd (Preoperatief onderzoek; een herijking van uitgangspunten), waarin aandacht wordt besteed aan het doel, de inhoud en de opzet van preoperatief onderzoek, maar ook aan de verantwoordelijkheid ervoor en de organisatie ervan. Volgens het advies is het doel van het preoperatief onderzoek uitsluitend het schatten en beperken van het gezondheidsrisico van de ingreep en de daarbij toegepaste anesthesie. Bovendien geeft het de gelegenheid de patiënt voor te lichten over de ingreep en diens toestemming te vragen. Anamnese en lichamelijk onderzoek zijn de kern van het preoperatieve onderzoek. In het advies wordt de verantwoordelijkheid voor het preoperatief onderzoek, de risicoschatting en de daarop gebaseerde besluitvorming neergelegd bij de operateur en anesthesioloog samen. De anesthesioloog moet de patiënt onderzoeken, het operatierisico inschatten en zo nodig aanvullend onderzoek of een specialistisch consult aanvragen. Het perioperatief beleid dient dan in overleg met de operateur bepaald te worden. De Gezondheidsraad pleitte in 1997 voor het instellen van een poliklinische preoperatieve screening door de anesthesioloog, 1-2 weken voor de geplande operatie. Inmiddels is deze poliklinische screening in het grootste deel van de ziekenhuizen ingevoerd.

 

NEN (Nederlands Normalisatie-instituut, 2006)

Het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN: Nederlandse Norm) heeft normen opgesteld voor het zorgproces dagbehandeling bij chirurgische ingrepen (NEN 7500, 2006). Hierin wordt ook ingegaan op het preoperatieve zorgproces: er wordt over het preoperatieve onderzoek bijvoorbeeld gesteld dat het minimaal een medische en verpleegkundige anamnese en een lichamelijk onderzoek betreft, en dat het maximaal 6 maanden geldig is. Ook wordt beschreven welke informatie door de operateur, en welke door de anesthesioloog aan de patiënt wordt gegeven. De operateur informeert de patiënt over het doel, de verwachte resultaten en de risico’s van de ingreep, de gang van zaken, alternatieven en de  maatregelen die thuis moeten worden getroffen. De anesthesioloog informeert de patiënt over de anesthesietechnieken, het nuchter zijn en het al dan niet doorgebruiken van medicatie. De verpleegkundige geeft informatie over de voorbereiding, het verblijf, en de benodigde zorg thuis. Ook geeft de verpleegkundige instructie hoe te handelen bij veranderingen in de gezondheidstoestand. De NEN-norm stelt dat de verpleegkundige de gezondheidstoestand van de patiënt bij opname checkt (maar dat het ook de anesthesioloog kan zijn). In de NEN-norm is patiëntgerichtheid een belangrijk aspect (richt zich vooral op informatie aan de patiënt, begeleiding van de patiënt en wachttijden).

 

NIAZ (Nederlands Instituut voor Accreditatie van Ziekenhuizen, 2004)

Een toenemend aantal ziekenhuizen heeft een NIAZ-accreditatie. Op dit moment hanteert het NIAZ een instellingsbrede NIAZ Kwaliteitsnorm Zorginstelling en aparte afdelings­normen, waaronder normen voor het bureau opname, de dagbehandeling, de klinische verpleegafdeling en de operatiekamer. In de vernieuwde Kwaliteitsnorm Zorginstelling 2.0 (2009) worden de afdelingsnormen geïntegreerd, waardoor de aparte afdelingsnormen komen te vervallen. De NIAZ-normen hebben vooral betrekking op het aanwezig zijn van afspraken met betrekking tot werkwijze, verantwoordelijkheden en bevoegdheden.

 

WHO safe surgery (WHO, 2008)

In 2008 zijn door de WHO de ‘Safe Surgery Guidelines’ gepubliceerd. De kern van deze richtlijnen vormen tien doelstellingen:

  1. Het team opereert de juiste patiënt op de juiste plaats/zijde.
  2. Het team maakt gebruik van methoden die schade door toediening van anesthetica voorkomen en beschermt de patiënt tegen pijn.
  3. Het team herkent levensbedreigende problemen van luchtweg of ademhaling en is hierop voorbereid.
  4. Het team herkent het risico op ernstig bloedverlies en is hierop voorbereid.
  5. Het team vermijdt het veroorzaken van een allergische reactie op een geneesmiddel of een bijwerking van een geneesmiddel als bekend is dat het risico hierop bij de patiënt aanzienlijk is.
  6. Het team maakt gebruik van de bekende methoden om het risico op lokale infectie te minimaliseren.
  7. Het team voorkomt het achterblijven van instrumenten of gazen in operatiewonden.
  8. Het team zorgt voor het veiligstellen en de correcte identificatie van chirurgische preparaten (voor bijvoorbeeld PA-onderzoek).
  9. Het team zorgt voor effectieve communicatie en overdracht van belangrijke informatie om de operatie veilig te laten verlopen.
  10. Ziekenhuizen en gezondheidszorgsystemen dragen zorg voor regelmatige bewaking van chirurgische capaciteit, volume en resultaten.

 

Bij de richtlijn is een Surgical Safety Checklist gevoegd, waarop op drie momenten een aantal items moet worden besproken en afgevinkt: voor de inleiding van de anesthesie (sign in), voor de incisie (time-out) en voordat de patiënt de operatiekamer verlaat (sign out). De checklist is getest in acht ziekenhuizen in verschillende werelddelen. Mortaliteit en complicaties tijdens de opname (binnen 30 dagen) werden geregistreerd voor en na invoering van de checklist. De auteurs rapporteren een afname van de mortaliteit van 1,5% naar 0,8% en van complicaties van 11% naar 7%. Het verschil in aantal complicaties wordt voor een deel verklaard door een afname in aantal wondinfecties in één ziekenhuis. Ook het design van de studie kan een rol gespeeld hebben bij het verkrijgen van de gunstige resultaten.

 

Handreiking medische verantwoordelijkheden met betrekking tot de klinisch opgenomen patiënt in een UMC (NFU, 2008)

De Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) heeft in 2008 de  Handreiking inzake (hoofd)behandelaar-, medebehandelaar-, consulent- en waarnemer­schap voor medisch specialisten, artsen en andere zelfstandige zorgverleners met betrekking tot de klinisch opgenomen patiënt in een UMC opgesteld. In deze handreiking wordt de hoofdbehandelaar verantwoordelijk gesteld voor de medische behandeling van een individuele patiënt als geheel. Deze zorgt ervoor dat de behandeling gecoördineerd is, is verantwoordelijk voor de besluitvorming en is aanspreekbaar voor de patiënt, diens vertegenwoordigers en andere bij de behandeling betrokken zorgverleners. Wat het perioperatieve traject betreft stelt de handreiking dat de operateur als hoofdbehandelaar verantwoordelijk is voor de indicatiestelling, de informatievoorziening aan de patiënt, de uitvoering van de ingreep en de postoperatieve zorg. De anesthesioloog is als hoofdbehandelaar verantwoordelijk voor de preoperatieve voorbereiding, de preoperatieve zorg en de postoperatieve bewaking op de verkoeverkamer, indien dit valt onder de deskundigheid van de anesthesioloog.

 

SURPASS (De Vries, 2007, 2009)

In het AMC is een multidisciplinaire checklist ontwikkeld voor het chirurgische proces, van opname tot ontslag (SURgical PAtient Safety System: SURPASS). Deze lijst, die vooral gericht is op de overdrachtsmomenten, is multidisciplinair. Op de opnamedag vullen zaal­arts, operateur en anesthesioloog ieder een deel in. Voor vertrek naar de holding wordt het verpleegkundige deel ingevuld. In de SURPASS-procedure is ook een time-out opgenomen voor de start van de operatie, waarbij operateur, anesthesioloog en operatieassistent aan de hand van de checklist de operatie voorbespreken. De checklist bevat ook een postoperatief gedeelte. De ervaringen van SURPASS zijn gebruikt bij het opstellen van deze richtlijn.

 

Richtlijn HASP (NHG, 2008)

De communicatie tussen huisarts en specialist wordt beschreven in de NHG-richtlijn ‘Informatie-uitwisseling tussen Huisarts en Specialist bij verwijzingen’ (HASP). Deze richtlijn biedt huisarts en specialist een basis voor de overdracht van informatie rond het verwijzen van patiënten. De richtlijn geeft een format voor de verwijsbrief, een format voor de retourbrief van de specialist, de geëigende momenten om elkaar te informeren, en beschrijft de relatie met HIS respectievelijk ZIS of EMD voor maximale geautomatiseerde ondersteuning.

 

Medirisk (www.medirisk.nl, 2008)

Verzekeraar Medirisk (www.medirisk.nl / schadepreventie / schadepreventieOK / OK-project) heeft een project ‘Schadepreventie op de OK’. Als top-10 van de risico’s op de OK vermeldt de website: onbedoeld aansnijden/aanprikken, achterblijvende materialen, verwisselings­fouten, onzorgvuldige fractuurbehandeling, anesthesiegerelateerde schade, materiaal- en apparatuurdefecten, mislukte sterilisatie, medicatiefouten, intubatieschade, en ligging-/positioneringsfouten. Medirisk heeft 10 vangnetten ingevoerd, die door de ziekenhuizen moeten worden ingevoerd.

 

Richtlijnen voor het vermijden van de verkeerde operatie, een operatie aan de verkeerde kant of bij de verkeerde patiënt (JCAHO, 2003)

De Joint Commission on Accreditation of Healthcare Organizations (JCAHO) heeft in 2003 het Universal Protocol for preventing wrong site, wrong procedure, wrong person surgery geïntroduceerd. Per 1 januari 2009 wordt dit protocol geactualiseerd (pre-publication version op www.jointcommission.org, 2008)

Het protocol bestaat uit drie stappen:

1. Preoperatieve verificatie van

  • de juiste persoon, juiste plaats en juiste procedure op verschillende momenten
  • de aanwezigheid van alle informatie (status, informed consent, uitslagen) en materialen (zoals bloedproducten, implantaten)

2. Markeren van de plaats van operatie, bij een wakkere patiënt en voordat de patiënt naar de operatiekamer gaat

3. Time-out direct voor de start van de ingreep

  • Identificatie patiënt
  • Controle markering juiste plaats
  • Controle informed consent
  • Te verrichten ingreep
  • Positie patiënt
  • Relevante beeldvorming en uitslagen beschikbaar
  • Noodzaak antibiotica of irrigatie
  • Specifieke veiligheidsmaatregelen (bijvoorbeeld in verband met voorgeschiedenis of geneesmiddelgebruik)

Ook de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) heeft in 2003 de richtlijn ‘Vermijden verkeerde kant operatie’ opgesteld (NVvH 2003). Dit betreft een beknopte handleiding voor het bespreken en markeren van de te opereren zijde. Tevens geeft deze richtlijn aan hoe te handelen mocht toch aan de verkeerde kant geopereerd worden.

 

Richtlijn overdracht van medicatiegegevens (NVZA, 2008)

In 2008 verscheen een beknopte richtlijn ‘Overdracht van medicatiegegevens’, op initiatief van IGZ en VWS. Hieraan werd meegewerkt door een groot aantal (koepel-)organisaties.

De richtlijn beschrijft de verschillende verantwoordelijkheden (patiënt, voorschrijver, apotheker, zorgaanbieder) en geeft handreikingen voor verschillende overdrachtsituaties (thuissituatie, eerste lijn, opname, interne overdracht, ontslag, ambulante behandeling).

-           Bij opname moet de voorschrijver van de ziekenhuisapotheker een actueel medicatieoverzicht krijgen. De voorschrijver moet dat met de patiënt doornemen en is verantwoordelijk voor het registreren van wijzigingen.

-           Bij interne overdracht is de ziekenhuisapotheker ervoor verantwoordelijk dat er een actueel overzicht beschikbaar is. De verwijzer moet zorgen dat het overzicht is bijgewerkt en de ontvanger moet de actualiteit controleren.

-           Bij ontslag moet de voorschrijver de patiënt informeren over wijzigingen in de medicatie. De patiënt moet het bespreken met de volgende voorschrijver. De voorschrijver in de instelling die de patiënt ontslaat moet afspraken maken wie verantwoordelijk is voor continuering. De ziekenhuisapotheker zorgt voor overdracht van het medicatieoverzicht naar volgende apotheker of huisarts.

 

Time-out

Verschillende bronnen beschrijven de eisen die aan een time-outprocedure op de OK gesteld zouden moeten worden (WHO 2008, De Vries 2007, JCAHO 2003/2008, Backster 2007). De WHO beschrijft twee momenten: voor de inductie van de anesthesie (sign in) en voor de incisie (time-out).

In alle gevallen worden gecontroleerd: identiteit patiënt, ingreep, locatie van de ingreep en al dan niet toedienen van (profylactische) antibiotica. Ook wordt aandacht besteed aan specifieke patiëntgebonden risico’s (comorbiditeit / geneesmiddelen). De meeste bronnen noemen ook de positionering van de patiënt en de beschikbaarheid van relevante uitslagen en beeldvorming. Backster (2007) pleit voor uitbreiding van de time-out met een ‘preparatory pause’ ter voorkoming van complicaties. In deze pauze moeten aan bod komen: al of geen profylactische β-adrenerge blokkade, tromboseprofylaxe, antibiotica, normothermie en peroperatieve normoglycaemie. In het Oogziekenhuis is na de invoering van de time-out het aantal links-rechts verwisselingen gereduceerd van 3-8 tot 0-1 per jaar (ongeveer 11.000 oogoperaties). Het aantal bijna-verwisselingen steeg met een vergelijkbaar aantal, met andere woorden: de dreigende verwisselingen werden met de time-out tijdig ontdekt (De Korne 2009).

Referenties

  1. Backster A, Teo A, Swift M, Plk H, Harken A. (2007). Transforming the surgical “time out“ into a comprehensive “preparatory pause”. J Card Surg, 22, 4110-4116.
  2. Clarke JR, Johnston J, Finley ED. (2007). Getting surgery right. Ann Surg, 246, 395-405.
  3. De Korne D, Hiddema F, Bleeker F, Klazinga N. (2009). Operatie in beeld. Medisch Contact, 64 (2), 72-77.
  4. De Vries EN, Hollmann MW, Smorenburg SM, Gouma DJ, Boermeester MA. (2009). Development and validation of the SURgical PAtient Safety System (SURPASS) checklist. Qual Saf Health Care., 18, 121-126.
  5. De Vries EN, Smorenburg SM, Gouma DJ, Boermeester MA. (2007). Alles onder controle. Eén checklist voor het hele chirurgische traject.. Medisch Contact, 36, 1463-1466.
  6. Duyvendak M, Bosman J, Klopotowska J, Kuiper-Herder AJ, van Roon EN, Brouwers JRBJ. (2007). Perioperatief geneesmiddelmanagement. PW Wetenschappelijk platform, 1, 105-109.
  7. Gezondheidsraad: Commissie Preoperatief onderzoek (1997). Preoperatief onderzoek. Rijswijk: Gezondheidsraad, 2, X-.
  8. Haynes AB, Weiser TG, Berry WR, Lipsitz SR, Breizat AS, Dellinger EP, et al. (2009). A surgical safety checklist to reduce morbidity and mortality in a global population. N Engl J Med, 360, 491-499.
  9. Inspectie voor de Gezondheidszorg (2007). Toezicht Operatief Proces. Onderzoek naar het preoperatieve traject van het operatief proces in algemene en academische ziekenhuizen. Den Haag, 0, X-.
  10. Joint Commission on Accreditation of Healthcare Organizations (JCAHO) (2003). Universal Protocol for preventing wrong site, wrong procedure, wrong person surgery. X, 0, X-.
  11. Joint Commission on Accreditation of Healthcare Organizations (JCAHO) (2008). Universal Protocol for preventing wrong site, wrong procedure, wrong person surgery, pre-publication version. www.jointcommission.org, 0, X-.
  12. Mambourg F, Dargent G, Van den Bruel A, Ramaekers D. (2004). Het preoperatief onderzoek. Brussel: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). Ref. D/2004/10.273/9., 5A, X-.
  13. Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) (2008). Handreiking inzake (hoofd)behandelaar-, medebehandelaar-, consulent- en waarnemerschap voor medisch specialisten, artsen en andere zelfstandige zorgverleners met betrekking tot de klinisch opgenomen patiënt in een UMC. X, 0, X-.
  14. Nederlands Instituut voor Accreditatie van Ziekenhuizen (2004). NIAZ Kwaliteitsborgingsnorm Operatiekamer, NIAZ Kwaliteitsborgingsnorm Klinische behandel- en verpleegafdeling. X, 0, X-.
  15. Nederlands Normalisatie-instituut (NEN 7500) (2006). Het zorgproces dagbehandeling bij chirurgische ingrepen. X, 0, X-.
  16. Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) (2003). Richtlijn ‘Vermijden verkeerde kant operatie’, 2003. X, 0, X-.
  17. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (2008). Conceptrichtlijn ‘Overdracht van medicatiegegevens. X, 0, X-.
  18. NICE (2003). Guideline Preoperative Tests. NICE guideline Preoperative Tests, 0, X-.
  19. NHG (0000). Richtlijn Informatie-uitwisseling huisarts-specialist. NHG richtlijn Informatie-uitwisseling huisarts-specialist, 0, X-.
  20. Weiser TG, Regenbogen SE, Thompson KD, Haynes AB, Lipsitz SR, Berry WR et al. (2008). An estimation of the global volume of surgery: a modelling strategy based on available data. Lancet, 372, 139-44.
  21. WHO (2008). Safe Surgery Guidelines. WHO Safe Surgery Guidelines, 0, X-.
  22. www.medirisk.nl/ schadepreventie/schadepreventieOK/OK-project. (0000). www.medirisk.nl/ schadepreventie/schadepreventieOK/OK-project.. www.medirisk.nl/ schadepreventie/schadepreventieOK/OK-project., 0, X-.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2010

Laatst geautoriseerd : 01-01-2010

De richtlijn Het Preoperatieve Traject beschrijft het eerste deel van het perioperatieve traject dat een patiënt doorloopt wanneer deze geopereerd wordt. De rest van het traject zal in vervolgrichtlijnen beschreven worden.

 

Mede omdat deze richtlijn voor een groot deel gebaseerd is op best practices en expert opinion zal het nodig zijn om de richtlijn te onderhouden op continue basis. Het up-to-date houden van richtlijnen op continue basis duiden we aan met het begrip ‘levende richtlijnen’. Goedbeschouwd is het meer dan dat. Beoogd wordt dat richtlijnen 'leven' bij professionals, dat kennis uit richtlijnen gebruikt wordt door behandelaars, dat er terugkoppeling plaatsvindt over toepasbaarheid in de dagelijkse praktijk en dat de richtlijnen op grond hiervan op continue basis worden herzien, zodat er voor professionals en patiënten een steeds actueel, hanteerbaar en werkzaam beslissings­ondersteunend instrument voorhanden is. De Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde zijn samen verantwoordelijk voor het onderhoud van deze richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Geautoriseerd door:
  • Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun van ZonMw in het kader van het programma 'Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO)'.

Doel en doelgroep

Deze richtlijn heeft betrekking op de informatie-uitwisseling en de samenwerking tussen - en op de verantwoordelijkheden van - de verschillende zorgverleners tijdens het preoperatieve traject. Bij het preoperatieve traject zijn veel partijen betrokken. Centraal staat de patiënt die dit traject doorloopt. Binnen het ziekenhuis zijn in ieder geval betrokken de operateur, de anesthesioloog, eventueel geconsulteerde specialisten, verpleegkundigen, en de afdelingen opname en planning. Dit maakt het des te belangrijker dat er een systeem bestaat waarin informatie eenduidig en betrouwbaar wordt verzameld, geregistreerd en gecommuniceerd.

In de richtlijn wordt beschreven welke informatie minimaal noodzakelijk is om het traject veilig te kunnen doorlopen. Hierbij wordt de informatie alleen op geaggregeerd niveau beschreven, verantwoordelijkheid voor de invulling van de inhoudelijke details ligt op het niveau van de beroepsgroepen zelf. In de regel zal de betreffende informatie ook nu al verzameld worden. De bedoeling van deze richtlijn is niet dat de gegevens in de verschillende fasen steeds opnieuw worden geregistreerd, maar dat de vastgelegde informatie uiteindelijk eenduidig en op één plaats beschikbaar is voor alle betrokken zorgverleners en dat de patiënt adequaat geïnformeerd wordt. Reeds ingevoerde informatie dient steeds aangevuld te worden. Reeds ingevoerde informatie dient wel op juistheid gecontroleerd te worden. De richtlijn beoogt daarmee bij te dragen aan één perioperatief dossier dat door de verschillende zorgverleners wordt opgebouwd, in plaats van afzonderlijke dossiers waarin informatie dubbel of niet eenduidig wordt vastgelegd. Zorginstellingen worden daarom opgeroepen om te faciliteren dat op basis van deze richtlijn één perioperatief, voor iedere betrokkene toegankelijk, dossier per patiënt wordt ingevoerd, al dan niet elektronisch.

Samenstelling werkgroep

Richtlijnwerkgroep

-           Dhr. prof.dr. H.E.M. Kerkkamp, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, technisch voorzitter

-           Dhr. dr. A.P. Wolff, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, inhoudelijk voorzitter

-           Mw. dr. D.Z.B. van Asselt, Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie

-           Mw. M.E.A. van Bergen-Rodts, Stichting Kind en Ziekenhuis

-           Mw. drs. C.A. Boot, Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie

-           Mw. mr. G.J. Boshuizen, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen

-           Mw. B. Delpeut, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland

-           Dhr. dr. P.R.A.M. Depauw, Nederlandse Vereniging van Neurochirurgen

-           Dhr. drs. M. Duyvendak, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

-           Dhr. dr. P.M.N.Y.H. Go, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-           Dhr. prof.dr. D. Poldermans, Nederlandsche Internisten Vereeniging

-           Mw. dr. M.H. Rövekamp, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde

-           Dhr. dr. J.H. Schagen van Leeuwen, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

-           Dhr. M.P.H.J. Schors MANP, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland

-           Mw. drs. A. Schuurhuis, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

-           Dhr. dr. M. Sprenger, Nationaal ICT Instituut in de Zorg

-           Mw. drs. C.M.V. Verhagen, Nederlandse Vereniging voor Dagbehandeling en Kortverblijf

-           Mw. mr. M.M. Versluijs, Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie

-           Dhr. dr. A.M.J.S. Vervest, Nederlandse Orthopedische Vereniging

-           Dhr. dr. J.F.A. van der Werff, Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

 

Kerngroep

-           Dhr. prof.dr. H.E.M. Kerkkamp, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, technisch voorzitter

-           Dhr. dr. A.P. Wolff, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, inhoudelijk voorzitter

-           Mw. mr. G.J. Boshuizen, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen

-           Dhr. dr. P.M.N.Y.H. Go, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-           Dhr. M.P.H.J. Schors, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland

-           Mw. drs. A. Schuurhuis, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

-           Dhr. dr. M. Sprenger, Nationaal ICT Instituut in de Zorg

-           Mw. mr. M.M. Versluijs, Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie

 

Ondersteuning

-           Mw. drs. I.P.H. Janssen, senior adviseur CBO

-           Mw. dr. M.A. Pols, senior adviseur CBO tot 1-9-2008, vanaf 1-9-2008 Orde van Medisch Specialisten

-           Dhr. drs. R.T. van Zelm, senior adviseur CBO tot en met december 2007.

 

Advies

-           Dhr. prof. dr. J. Damen, hoogleraar peri-operatieve veiligheid

-           Mw. dr. M.A. Boermeester, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-           Dhr. dr. A.C. Vahl, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-           Mw. C. Nogarede, hoofd OK UMC St. Radboud Nijmegen

Belangenverklaringen

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is financiering verkregen van ZorgOnderzoek Nederland medische wetenschappen (ZonMW). Aan alle werkgroepleden is gevraagd een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de farmaceutische industrie aangeven. Een overzicht van deze belangenverklaringen ligt ter inzage bij het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO.

Inbreng patiëntenperspectief

De richtlijn is uiteraard gericht op verbetering van de zorg rondom de patiënt die een operatie moet ondergaan. Bij de ontwikkeling van de richtlijn heeft daarom het patiëntenperspectief een belangrijke rol gespeeld. In de kerngroep is geparticipeerd door de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie, en in de brede werkgroep is daarnaast vertegenwoordigd de Stichting Kind en Ziekenhuis. 

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Bij de richtlijn wordt een conceptset indicatoren opgeleverd, gebaseerd op de belangrijkste aanbevelingen. Vanwege de directe aansluiting bij de vervolgrichtlijnen Peroperatief Traject en Postoperatief Traject zal een complete set structuur- , proces- en uitkomstindicatoren gerelateerd aan het hele perioperatieve traject bij richtlijn 2 (peroperatief traject) en 3 (postoperatief traject) worden aangeleverd.

Werkwijze

 

Ontwikkeltraject

De werkgroep heeft beoogd een korte, handzame richtlijn op te stellen, waarin informatie­overdracht en afstemming van verantwoordelijkheden de belangrijkste elementen zijn. De kwaliteit van zorg en veiligheid van de patiënt staan hierbij centraal.

 

 

 

Een kerngroep, ondersteund door het CBO, is verantwoordelijk voor het zoeken en beoordelen van de literatuur, het opstellen van de tekst, de redactie van de richtlijn en de begeleiding van het ontwikkelproces. De kerngroep legt haar resultaten voor aan een brede werkgroep van vertegenwoordigers uit het werkveld. Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar de organisatorische aspecten van het preoperatieve traject, vormen naast bestaande richtlijnen en adviezen, best practices en ervaringen van experts belangrijke onderbouwende elementen. De datapakketten in de bijlagen van deze richtlijn zijn, wanneer daartoe beschikbaar, samengesteld uit datasets zoals voorgesteld of beschikbaar gemaakt door wetenschappelijke verenigingen. Om deze reden is de conceptrichtlijn dan ook op verschillende momenten door middel van invitational conferences en een praktijktest voorgelegd aan het veld.

 

 

 

Praktijktest

 

Het gebruik van de conceptrichtlijn is in een vijftal ziekenhuizen getest. Aan deze praktijktest namen zowel grote, middelgrote als kleine ziekenhuizen met verschillende ‘zorgketens’ deel, (bijvoorbeeld hernia, KNO, etc.). Voor de praktijktest zijn voornamelijk eenvoudige zorgketens geselecteerd. Dit betekent dat er in de praktijktest geen of nauwelijks ervaring is opgedaan met intensievere trajecten. De praktijktest vond plaats in de periode september / oktober 2008 bij een beperkt aantal patiënten per zorgketen. Een belangrijk aandachtspunt bij de praktijktest was de vormgeving van de stopmomenten. De praktijktest werd ondersteund door een eenvoudige ICT-tool. Deze ICT-tool was door NICTIZ ontworpen en beschikbaar gesteld. 

 

 

 

De praktijktest was bedoeld om antwoord te krijgen op de vragen:

 

-        Bij hoeveel patiënten (totaal en per keten) is de richtlijn succesvol toegepast?

 

-        Bij hoeveel patiënten (totaal en per keten) is het niet goed gelopen en waarom?

 

-        Welke aanpassingen zijn nodig in de organisatie om deze richtlijn uit te voeren?

 

-        Zijn eventuele problemen gerelateerd aan de richtlijn, het proces of het ziekenhuis?

 

-        Welke voordelen/nadelen zijn er opgemerkt?

 

-        Welke aanpassingen in de richtlijn zijn er nodig?

 

 

 

Het aantal patiënten dat het preoperatieve traject volgens de richtlijn doorlopen heeft, varieerde sterk per deelnemend ziekenhuis (1-19). Ziekenhuizen die de praktijktest hadden voorbereid in een multidisciplinair team scoorden hierin beter dan ziekenhuizen waar de voorbereiding minder gezamenlijk werd aangepakt.

 

Betrokkenen gaven aan dat het vanwege de korte tijd niet altijd mogelijk was om voldoende aanpassingen in de organisatie te maken om volgens de richtlijn te werken. Desalniettemin heeft deze beperkte test toch nieuwe inzichten opgeleverd.

 

 

 

De belangrijkste bevinding uit de praktijktest was dat de structuur van de richtlijn goed is. In de meeste ziekenhuizen zullen organisatorische aanpassingen nodig zijn om volgens de richtlijn te werken. De voornaamste zijn het invoeren van de stopmomenten en het beleggen van de verantwoordelijkheden in het preoperatieve traject.

 

Als belangrijk voordeel werd gezien de verbetering van de veiligheid van de patiënt en de duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling. Als grootste nadeel werd gezien de grotere administratieve last. De komst van het EPD wordt als een belangrijk hulpmiddel gezien. Verder bleek dat een aantal zaken in de richtlijn duidelijker moesten worden beschreven.

 

De deelnemers aan de praktijktest gaven aan het wenselijk te vinden dat de richtlijn de eindverantwoordelijkheden in iedere fase van het traject beschrijft, maar dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van specifieke taken veelal lokaal kan worden ingevuld (tenzij er goede redenen zijn om die uitvoering wel dwingend voor te schrijven). 

 

Op basis van deze bevindingen is de conceptrichtlijn waar nodig aangepast. De belangrijkste aanpassingen zijn:

 

  • de richtlijn benoemt wel eindverantwoordelijken, maar geen taakverantwoordelijken: taakverantwoordelijkheid moet lokaal worden ingevuld; 
  • stopmomenten (met uitzondering van de time-out) zijn niet altijd overlegmomenten;
  • overbodige items zijn geschrapt.

 

 

Autorisatie

 

Deze richtlijn is voor commentaar voorgelegd aan alle betrokken verenigingen en organisaties. Het ontvangen commentaar is door de werkgroep gewogen en waar mogelijk verwerkt. Hierna is de aangepaste richtlijn ter autorisatie aangeboden. De volgende verenigingen en organisaties hebben de richtlijn geautoriseerd dan wel hun instemming met de inhoud van de richtlijn uitgesproken:

 

-                Landelijke Vereniging van Operatieassistenten

 

-                Nationaal ICT Instituut in de Zorg

 

-                Nederlands Oogheelkundig Gezelschap*

 

-                Nederlandsche Internisten Vereeniging

 

-                Nederlandse Orthopaedische Vereniging

 

-                Nederlandse Vereniging Leidinggevenden Operatieafdelingen

 

-                Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers

 

-                Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose

 

-                Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

 

-                Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

 

-                Nederlandse Vereniging voor Dagbehandeling en Kortverblijf

 

-                Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

 

-                Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie

 

-                Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

 

-                Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

 

-                Nederlandse Vereniging voor Radiologie

 

-                Stichting Kind en Ziekenhuis

 

 

 

*        Het NOG ziet deze richtlijn niet als evidence based richtlijn, maar als consensus­document en onderschrijft de inhoud.

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.