Uitgangsvraag

Organisatie van zorg in het postoperatieve traject.

Aanbeveling

Identificatie patiënt

Identificatie van de patiënt bij overdracht naar een andere afdeling dient plaats te vinden aan de hand van minimaal twee, en bij voorkeur drie, onafhankelijke bronnen.

 

Overdracht van informatie

Bij de overdrachtsmomenten dient de uitwisseling van klinische gegevens van de patiënt overgedragen te worden tussen daartoe bekwame professionals.

 

Gebruik van checklists

Het wordt sterk aanbevolen bij controle- en overdrachtsmomenten gebruik te maken van gestructureerde checklists.

 

Perioperatief dossier

Om het perioperatieve proces veilig te kunnen laten verlopen is het noodzakelijk dat er een geïntegreerd multidisciplinair perioperatief patiëntendossier (bij voorkeur digitaal) wordt gebruikt.

 

Procesbewaking

Binnen het ziekenhuis moet een sluitend systeem aanwezig zijn dat te allen tijde inzichtelijk maakt waar de patiënt zich bevindt in het perioperatieve zorgproces tenminste ten aanzien van de in de richtlijn gedefinieerde stopmomenten (track & trace).

 

Informatie aan de patiënt

Het moet voor de patiënt gedurende het hele perioperatieve traject duidelijk zijn bij welk aanspreekpunt hij/zij terecht kan met vragen.

 

Specifieke omstandigheden

In die gevallen waarin geen anesthesioloog bij de ingreep betrokken is, komen de verantwoordelijkheden die volgens de richtlijn aan de anesthesioloog zijn toebedeeld automatisch de operateur toe.

 

Indien patiënten worden verpleegd op afdelingen die daar niet primair voor zijn ingericht (verkoeveren op andere afdeling dan recovery, verpleging op niet-chirurgische verpleegafdeling) is de anesthesioloog (verkoeveren) dan wel de operateur (verpleging) ervoor eindverantwoordelijk dat op deze afdelingen de juiste zorg geboden kan worden.

 

Taakverschuiving

Het delegeren van taken aan hiervoor bekwame zorgverleners laat de eindverantwoordelijkheid van de medisch specialist met betrekking tot de in de richtlijn gedefinieerde stopmomenten onverlet.

Samenvatting literatuur

Voor de ontwikkeling van de SURPASS-checklist heeft De Vries et al. (2009) bij 171 operaties geobserveerd hoe vaak afgeweken werd van de optimale werkwijze in het pre-, per- en postoperatieve deel van het traject. Van alle afwijkingen betrof 20% het postoperatieve deel van het traject. Gedacht moet worden aan ontbreken van informatie, onvoldoende (vastleggen van) postoperatieve instructies, ontbreken van ontslagbrief of controleafspraak en onvolkomenheden rondom de ontslagmedicatie.

 

Identificatie patiënt

Hoewel de meeste aandacht uitgaat naar identificatie van de patiënt ter voorkoming van verwisselingen in de preoperatieve fase, is het ook in de postoperatieve fase van belang om alert te blijven en op een aantal momenten in het proces de identiteit van de patiënt te controleren. In de VMS-praktijkgids ‘Verwisseling van en bij patiënten’ (VMS Veiligheids­programma 2009) wordt beschreven dat aan het eind van de OK de operateur samen met de operatieassistent de identificatie en markering van het patiëntmateriaal moet checken. Dit is vermeld in de richtlijn Peroperatief traject.

In de postoperatieve fase is het belangrijk dat bij de overdracht van de patiënt naar een andere afdeling een identificatie plaatsvindt. Deze identificatie wordt bij een wakkere en aanspreekbare patiënt gedaan aan de hand van drie onafhankelijke bronnen (bijvoorbeeld de patiënt of wettelijk vertegenwoordiger, een begeleidende persoon en/of het identiteitsbandje). Bij een niet-wakkere patiënt is dat niet altijd mogelijk en kan eventueel worden volstaan met twee bronnen. Ook dient het juiste dossier te worden overgedragen.

Daarnaast is het ook bij het doen van interventies en het toedienen van medicatie belangrijk om de identiteit van de patiënt te contoleren. Dit gebeurt aan de hand van minimaal twee van de volgende kenmerken: geboortenaam, geboortedatum, patiëntnummer en identiteitsbandje.

  

Overdracht van informatie

In een review van chirurgische schadeclaims bleken 60 van de 444 claims gerelateerd aan communicatie. Het bleek in de meeste gevallen (92%) te gaan om één op één communicatie. Factoren die bijdroegen aan de oorzaak waren statusverschil (74%) en onduidelijkheid over verantwoordelijkheden (73%). In 43% van de gevallen ging het om overdrachten en in 39% om overplaatsing van de patiënt. De volgende interventies worden geadviseerd: afspraken over het aanspreken van de operateur door andere zorgverleners, gestructureerde overdrachten en overplaatsingsprotocollen en het terugkoppelen van overgedragen informatie door de ontvanger (Greenberg et al., 2007).

De overdracht van de patiënt tussen verschillende zorgverleners (bijvoorbeeld van de operatiekamer naar de verkoeverafdeling en van de verkoever naar de verpleegafdeling) moet op een gestructureerde manier verlopen. Ziekenhuizen moeten ervoor zorg dragen dat deze overdrachtsmomenten geprotocolleerd zijn.

  

Gebruik van checklists

Het gebruik van checklists in het perioperatieve proces is al niet meer weg te denken. Belangrijke initiatieven zijn de Safe Surgery Guidelines van de WHO, waarbij een Surgical Safety Checklist is ontwikkeld (WHO 2008), en het Universal Protocol for preventing wrong site, wrong procedure, wrong person surgery van de Joint Commission on Accreditation of Healthcare Organizations (JCAHO 2010).

 

De laatste jaren zijn er een aantal studies verschenen die aantonen dat het gebruik van checklists in het perioperatieve traject een gunstig effect heeft op de veiligheid. Haynes et al. (2009) beschrijft de invloed van de invoering van de Safe Surgery Checklist in acht ziekenhuizen in verschillende landen (hoog en laag inkomen) op het aantal complicaties tijdens opname (inclusief overlijden) binnen 30 dagen. Voor invoering van de checklist was het aantal sterfgevallen 1,5% en het aantal complicaties 11,0%. Na invoering daalden deze getallen tot

0,8% (p=0,003) respectievelijk 7,0% (p<0.001). Ook wanneer binnen dezelfde studie alleen naar spoedingrepen gekeken werd (Weiser et al., 2010) waren de resultaten vergelijkbaar: het aantal complicaties daalde van 18,4% naar 11,7% (p=0,0001), en sterfte van 3,7% naar 1,4% (p= 0,0067).

 

De Vries et al. (2010) onderzochten het effect van invoering van de SURPASS-checklist (waarin ook het postoperatieve traject is opgenomen) op het aantal complicaties en sterfte in Nederlandse ziekenhuizen. In zes ziekenhuizen werden voor (3.760 patiënten) en na invoering (3.820 patiënten) van de checklist gedurende drie maanden complicaties en sterfte geregistreerd. Hetzelfde werd gedaan in vijf controleziekenhuizen zonder invoering van de checklist, waarbij gecontroleerd werd voor confounders. Het aantal complicaties daalde van 27,3 per 100 patiënten (95% betrouwbaarheidsinterval [BI] 25,9-28,7) naar 16,7 per 100 (95% BI 15,6-17,9), wat overeenkomt met een absolute risicoreductie van 10,6% (95% BI 8,7-12,4).

Het aantal patiënten met één of meer complicaties nam af van 15,4% naar 10,6% (p<0,001). Sterfte tijdens opname nam af van 1,5% (95% BI 1,2-2,0) naar 0,8% (95% BI 0,6-1,1). In de controleziekenhuizen werden geen verschillen gevonden.

Neily et al. (2010) beschrijft dat het invoeren van een trainingsprogramma voor OK-teams (waarin opgenomen het werken met stopmomenten aan de hand van checklists, maar ook communicatietraining) leidt tot een afname in operatiegerelateerde mortaliteit.

  

Perioperatief dossier

Om het perioperatieve proces veilig te kunnen laten verlopen is het noodzakelijk dat er een multidisciplinair perioperatief patiëntendossier wordt gebruikt. Dit dossier bevat alle relevante, correcte en meest recente informatie en is bij voorkeur digitaal. Alle partijen moeten op ieder moment over dezelfde actuele informatie kunnen beschikken. Dit voorkomt ook dat dezelfde gegevens op meerdere plaatsen worden verzameld en geregistreerd (met een grotere kans op fouten).

 

Procesbewaking

Binnen het ziekenhuis moet een sluitend systeem aanwezig zijn dat te allen tijde inzichtelijk maakt waar de patiënt zich bevindt in het perioperatieve zorgproces ten minste ten aanzien van de in de richtlijn gedefinieerde stopmomenten (track & trace). Dit systeem is in eerste instantie bedoeld voor de communicatie tussen behandelaars/organisatie maar het zou ook gebruikt kunnen worden door patiënten. Het moet inzicht geven of het traject verloopt zoals gepland. Het moet bovendien helder zijn wie ervoor verantwoordelijk is de voortgang van het proces te bewaken en actie te ondernemen als het proces stagneert. Deze verantwoordelijkheid kan bij ongecompliceerde trajecten bij de afdeling planning of opname worden neergelegd, bij de meer complexe processen is dit bij voorkeur een gespecialiseerde medewerker (gespecialiseerd verpleegkundige, nurse practitioner, physician assistant). De procesbewaking kan ook in handen zijn van de operateur of anesthesioloog.

 

Om de procesbewaking goed vorm te geven doen ziekenhuizen er goed aan om hun patiëntpopulaties en de bijbehorende (perio­peratieve) processen in kaart te brengen. Gebruik van ICT-voorzieningen kan deze procesbewaking ondersteunen.

  

Informatie aan de patiënt

Het moet voor de patiënt en zijn/haar familie gedurende het hele perioperatieve traject duidelijk zijn bij welk aanspreekpunt hij/zij terecht kan met vragen. De manier waarop dit aanspreekpunt vormgegeven wordt kan voor verschillende trajecten anders geregeld zijn.

Bij de meer complexe trajecten verdient het de voorkeur dat aanspreekpunt en procesbewaking gecombineerd zijn in één functie en ingevuld worden door personen met een zorginhoudelijke achtergrond.

 

Inherent aan het werken volgens de richtlijn is dat op verschillende momenten in het proces de voorgaande stappen gecontroleerd worden. De patiënt zal dat merken, deze zal bijvoorbeeld herhaald gevraagd worden naar zijn/haar identiteit en de aard en lokalisatie van de operatie. Het is belangrijk om de patiënt duidelijk te maken dat dit de veiligheid moet verhogen en niet een teken is van gebrekkige communicatie tussen zorgverleners.

  

Specifieke omstandigheden

In ziekenhuizen waar specialisten worden opgeleid, worden onder verantwoordelijkheid van de specialist werkzaamheden uitgevoerd door artsen al dan niet in opleiding tot specialist (A(N)IOS). Waar in deze richtlijn operateur, anesthesioloog, of een andere medisch specialist wordt genoemd, kan ook gelezen worden A(N)IOS onder verantwoordelijkheid van deze specialist.

 

In het geval van multidisciplinaire operaties is er niet één operateur maar zijn er meerdere. Iedere operateur is verantwoordelijk voor het vastleggen van de informatie die voor zijn/haar specifieke onderdeel van belang is. Eén operateur moet de coördinatie van het chirurgische deel van de ingreep op zich nemen. Deze is ervoor verantwoordelijk dat het chirurgische deel van het proces volgens de richtlijn verloopt.

 

Bij herhalingsoperaties bij (reeds opgenomen) patiënten geldt de richtlijn ook. De verant­woordelijkheden zijn dan ook zoals in de richtlijn is aangegeven. Vanaf het besluit te (her-) opereren moet de richtlijn gevolgd worden en dus de benodigde informatie gegenereerd en de voorgeschreven stopmomenten aangehouden worden. Bij herhalings­operaties maakt het proces als het ware een lus. Gegevens die reeds beschikbaar zijn dienen gecontroleerd te worden op hun geldigheid.

 

Bij sommige (poli)klinische ingrepen wordt de patiënt meteen naar huis ontslagen zonder dat een verkoever- of verpleegafdeling is betrokken (bijvoorbeeld na een cataractoperatie). In deze gevallen zijn de paragrafen 10 en 11 in de regel niet van toepassing maar dient wel voldaan te worden aan wat beschreven is in paragraaf 12 (ontslag uit het ziekenhuis).

 

Het kan voorkomen dat patiënten worden verpleegd op afdelingen die daar niet primair voor zijn ingericht (verkoeveren op andere afdeling dan recovery, verpleging op niet-chirurgische verpleegafdeling). In die gevallen is de anesthesioloog (verkoeveren) dan wel de operateur (verpleging) ervoor eindverantwoordelijk dat op deze afdelingen de juiste zorg geboden kan worden. Een oplossing kan zijn om bepaalde afdelingen aan te wijzen als ‘overflow-afdelingen’, en het betreffende personeel op te leiden in de postoperatieve zorg.

 

Het delegeren van taken aan hiervoor opgeleide zorgverleners laat de eind­verantwoordelijkheid van de medisch specialist onverlet. De operateur en anesthesioloog blijven bij de in de richtlijn gedefinieerde stopmomenten en bedeling van verantwoordelijkheden hoe dan ook eindverantwoordelijk.

Referenties

  1. Greenberg, C.C., Regenbogen, S.E., Studdert, D.M., Lipsitz, S.R., Rogers, S.O., Zinner, M.J., Gawande, A.A. (2007). Patterns of communication breakdowns resulting in injury to surgical patients. J Am Coll Surg, 204, 533-540.
  2. Grol, R (2001). Successes and failures in the implementation of evidence-based guidelines for clinical practice. Med Care., 39, II46-54.
  3. Haynes, A.B., Weiser, T.G., Berry, W.R., Lipsitz, S.R., Breizat, A.S., Dellinger, E.P. Safe Surgery Saves Lives Study Group. (2009). A surgical safety checklist to reduce morbidity and mortality in a global population. N Engl J Med, 360, 491-499.
  4. Inspectie voor de Gezondheidszorg (2008). Circulaire. Medische gassen, 4, X-.
  5. Inspectie voor de Gezondheidszorg (2009). Deel 3: Postoperatieve zorg in ziekenhuizen op onderdelen voldoende, maar kent nog teveel risico’s. Toezicht Operatief Proces. , 0, X-.
  6. Joint Commission on Accreditation of Healthcare Organizations (JCAHO) (2010). Universal Protocol for preventing wrong site, wrong procedure, wrong person surgery. X, 0, X-.
  7. Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) (2006). Wegwijzer Richtlijnen steriliseren/steriliteit. 47-Steriliteit:2006nl, 0, X-.
  8. Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) (2009). Chirurgisch afdekmateriaal, operatiejassen en clean air suits, gebruikt als medische hulpmiddelen voor patiënten, klinisch personeel en apparatuur. X, 0, X-.
  9. Nederlandse Hartstichting (2008). Richtlijn Preventie bacteriële endocarditis. X, 0, X-.
  10. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (NVZA) (2004). Ziekenhuisapotheekstandaard (ZAS). X, 0, X-.
  11. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) (2004). Kwaliteitsborging van medische systemen. Praktische gids voor een goede aanpak. X, 0, X-.
  12. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) (2007). Praktijkgids Risicomanagement en Medische technologie. Praktische gids voor een goede aanpak. X, 0, X-.
  13. Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, & Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) (2010). Richtlijn Het Preoperatieve Traject. X, 0, X-.
  14. Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), & Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) (2011). Richtlijn Het Peroperatieve Traject. X, 0, X-.
  15. Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) (2004). Standpunt Verkoeverperiode en de inrichting en de organisatie van de verkoeverafdeling. X, 0, X-.
  16. Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) (2011). Visiedocument Post Anesthesia Care Unit (PACU). X, 0, X-.
  17. Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) (2012). Normering Chirurgische Behandelingen, versie 3. X, 0, X-.
  18. Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) (2003). Richtlijn Operatieverslag. X, 0, X-.
  19. Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC) (2000). Richtlijn Criteria voor opname en ontslag van Intensive Care afdelingen in Nederland. X, 0, X-.
  20. Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF) (2007). Prestatie-indicatoren Kwaliteitsborging Medische Systemen. X, 0, X-.
  21. Neily, J., Mills, P.D., Young-Xu, Y., Carney, B.T., West, P., Berger, D.H., Bagian, J.P. (2010). Association between implementation of a medical team training program and surgical mortality. JAMA, 304, 1693-1700.
  22. Orde van Medisch Specialisten (2008). Leidraad Verantwoordelijkheid medisch specialist bij onderhoud en beheer van medische apparatuur. X, 0, X-.
  23. RIVM/Centrum Infectieziektenbestrijding (2007). Landelijke richtlijn Preventie iatrogene Hepatitis B. X, 0, X-.
  24. Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (2000). Richtlijn Perioperatieve antibiotische profylaxe. X, 0, X-.
  25. Stuurgroep Overdracht van Medicatiegegeven (2008). Richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten. X, 0, X-.
  26. VMS Veiligheidsprogramma (2009). Praktijkgids ‘Verwisseling van en bij patiënten’. X, 0, X-.
  27. VMS Veiligheidsprogramma (2009). Praktijkgids ‘Voorkomen van wondinfecties na een operatie’. X, 0, X-.
  28. VMS Veiligheidsprogramma (2008). Praktijkgids ‘Medicatieverificatie bij opname en ontslag’. X, 0, X-.
  29. VMS Veiligheidsprogramma (2011). Praktijkgids ‘Veilige zorg voor zieke kinderen’. X, 0, X-.
  30. Vries, E.N. de, Hollmann, M.W., Smorenburg, S.M., Gouma, D.J., Boermeester, M.A. (2009). Development and validation of the SURgical PAtient Safety System (SURPASS) checklist. Qual Saf Health Care., 18, 121-6.
  31. Vries, E.N. de, Prins, H.A., Crolla, R.M., Outer, A.J. den, Andel, G. van, Helden, S.H. van, SURPASS Collaborative Group. (2010). Effect of a comprehensive surgical safety system on patient outcomes. N Engl J Med., 363 (20), 1928-37.
  32. Weiser, T.G., Haynes, A.B., Dziekan, G., Berry, W.R., Lipsitz, S.R., Gawande, A.A. (2010). Effect of a 19-item surgical safety checklist during urgent operations in a global patient population. Safe Surgery Saves Lives Investigators and Study Group. Ann Surg, 251, 976-980.
  33. Weiser, T.G., Regenbogen, S.E., Thompson, K.D., Haynes, A.B., Lipsitz, S.R., Berry, W.R., Gawande, A.A. (2008). An estimation of the global volume of surgery: a modelling strategy based on available data. Lancet, 372, 139-44.
  34. Werkgroep Infectiepreventie (2005). Beheersplan luchtbehandeling voor de operatieafdeling. X, 0, X-.
  35. Werkgroep Infectiepreventie (2010). Richtlijn Veilig werken in de anesthesiologie. X, 0, X-.
  36. Werkgroep Infectiepreventie (2006). Richtlijn Operatie geïsoleerde patiënten. X, 0, X-.
  37. Werkgroep Infectiepreventie (2006). Richtlijn Preventie van postoperatieve wondinfecties. X, 0, X-.
  38. Werkgroep Infectiepreventie (2007). Richtlijn Bewaren en transporteren van gebruikt instrumentarium voor sterilisatie. X, 0, X-.
  39. Werkgroep Infectiepreventie (2012). Richtlijn Microbiologische veiligheid bij onderhoud aan medische en laboratoriumapparatuur. X, 0, X-.
  40. WHO (2008). Safe Surgery Guidelines. X, 0, X-.
  41. Wolff, A, Boermeester, M., Janssen, I., Pols, M., Damen, J (2010). De landelijke CBO-richtlijn ‘Preoperatief traject’. Ned Tijdschr Geneeskd, 154, A2184-.
  42. Wolff, A.P, Damen, J., Boermeester, M., Janssen, I., Pols, M. (2010). Perioperatief proces met tussenstops: Nieuwe richtlijn voor veilig opereren bouwt vier evaluatiemomenten in. Medisch Contact, 65, 812-816.
  43. www.medirisk.nl/ schadepreventie/schadepreventieOK/OK-project. (0000). www.medirisk.nl/ schadepreventie/schadepreventieOK/OK-project.. www.medirisk.nl/ schadepreventie/schadepreventieOK/OK-project., 0, X-.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2013

Laatst geautoriseerd : 01-01-2013

Mede omdat deze richtlijn voor een groot deel gebaseerd is op best practices en expert opinion zal het nodig zijn om de richtlijn te onderhouden op continue basis. Het up-to-date houden van richtlijnen op continue basis duiden we aan met het begrip ‘levende richtlijnen’. Goedbeschouwd is het meer dan dat. Beoogd wordt dat richtlijnen 'leven' bij professionals, dat kennis uit richtlijnen gebruikt wordt door behandelaars, dat er terugkoppeling plaatsvindt over toepasbaarheid in de dagelijkse praktijk en dat de richtlijnen op grond hiervan op continue basis worden herzien, zodat er voor professionals en patiënten een steeds actueel, hanteerbaar en werkzaam beslissingsondersteunend instrument voorhanden is. De Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde zijn samen verantwoordelijk voor het onderhoud van deze richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Geautoriseerd door:
  • Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Medische microbiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Urologie

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiering van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Met ondersteuning van de Orde van Medisch Specialisten.

Samenstelling werkgroep

  • A.P. Wolff, voorzitter (Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie)
  • A. Schuurhuis (Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie)
  • M.C.O. van den Nieuwenhuyzen (Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie)
  • P.A. Nolte (Nederlandse Orthopaedische Vereniging)
  • J. van Bavel (Nederlandse Vereniging voor Obstetrie & Gynaecologie)
  • P.M.N.Y.H. Go (Nederlandse Vereniging voor Heelkunde)
  • M.A. Boermeester (Nederlandse Vereniging voor Heelkunde)
  • R. Tromp (Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen)
  • M.M. Versluijs (Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie)
  • M.J. Schoemaker-Kaper (Beroepsvereniging Recovery Verpleegkundigen)
  • W. de Ruijter (Nederlandse Vereniging voor Intensive Care)
  • F. Simon Thomas (V&VN IC Verpleegkundigen)
  • P.J. Schuil (Nederlandse Verenging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-halsgebied)
  • B.A. Coert (Nederlandse Vereniging van Neurochirurgen)
  • M.N. Copper (Nederlands Oogheelkundig Gezelschap)
  • M.M. P. Schuckman (Nederlandse Verenging voor Plastische Chirurgie)
  • J.G.H. van Roermund (Nederlandse Verenging voor Urologie)
  • W. Stooker (Nederlandse Verenging voor Thoraxchirurgie)
  • E.E.A. Hentzen-Alders (Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde)
  • K.P. van Lienden (Nederlandse Vereniging voor Radiologie)
  • C.P. Timmerman (Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie)
  • B.M. Wijsen (Landelijke Vereniging Kind en Ziekenhuis)
  • C.A. Veldhuis (Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland)
  • M. Duyvendak (Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers)          
  • M. Sprenger (Nationaal ICT Instituut in de Zorg (advies))
  • Chr. van Swol (Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica)         
  • M.J. Hinkema TNO Bouw en Zorg (advies) 
  • G. Lelieveld-Vroom (Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg)

 

Met ondersteuning van:

  • M.A. Pols, senior adviseur afdeling OPK, Orde van Medisch Specialisten
  • M. Ouwens, senior onderzoeker IQ Healthcare, UMC St Radboud
  • J. Stienen, junior onderzoeker IQ Healthcare, UMC St Radboud

Belangenverklaringen

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is financiering verkregen vanuit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten. Aan alle werkgroepleden is gevraagd een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de farmaceutische industrie aangeven. Een overzicht van deze belangenverklaringen ligt ter inzage bij de Orde van Medisch Specialisten.

Inbreng patiëntenperspectief

De richtlijn is uiteraard gericht op verbetering van de veiligheid van zorg rondom de patiënt die een operatie moet ondergaan. Bij de ontwikkeling van de richtlijn heeft daarom het patiëntenperspectief een belangrijke rol gespeeld. In de kerngroep is geparticipeerd door de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie, en in de brede werkgroep is daarnaast vertegenwoordigd de Stichting Kind en Ziekenhuis. Bij het gereed komen van de richtlijn postoperatief traject wordt ook een richtlijn vanuit het patiëntenperspectief uitgebracht.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

De richtlijn is bedoeld voor elke zorgverlener die betrokken is bij een ingreep zoals boven beschreven. De implementatie van de richtlijn is de verantwoordelijkheid van de instellingen en van de zorgverleners. Op basis van de richtlijnen worden indicatoren en een nalevingsplan ontwikkeld die implementatie moeten bevorderen. Het is hierbij essentieel dat de professionals feedback krijgen op hun handelen. Het implementeren van deze richtlijn zal voor veel instellingen betekenen dat de organisatie moet worden aangepast en processen opnieuw moeten worden vormgegeven. Dit kost tijd en professionals zullen hierbij organisatorisch moeten worden ondersteund. De werkgroep ziet hier ook een belangrijke rol voor de raden van bestuur.

 

Implementatie zal ook worden bevorderd doordat naast de Inspectie andere partijen aandacht besteden aan veiligheid op en rond de OK. Binnen het VMS-veiligheidsprogramma heeft een aantal van de thema’s betrekking op het operatieve proces (verwisselingen, postoperatieve wondinfecties), en ook de vangnetten van verzekeraar Medirisk (www.medirisk.nl) in het kader van het project ‘Schadepreventie op de OK’ zijn bedoeld om de veiligheid op de OK te vergroten. Deze richtlijn sluit zoveel mogelijk aan bij de VMS-thema’s, en ook de genoemde vangnetten (achterblijvende materialen, verwisselingsfouten, apparatuur en materialen, medicatiefouten, intubatieschade en positionering) komen grotendeels terug in deze richtlijn.

 

Het doel van deze richtlijn is een bijdrage te leveren aan veilige zorg rondom een operatie. Het is bekend uit de literatuur dat aanbevelingen uit een richtlijn niet vanzelf worden nageleefd in de praktijk. Eveneens is bekend dat voor een goede implementatie de volgende stappen doorlopen dienen te worden (Grol, 2001):

-          vaststellen van de wenselijke zorg of het te bereiken doel;

-          opstellen en meten van indicatoren;

-          bepalen waar de zorg afwijkt van de wenselijke zorg zoals beschreven in de richtlijn;

-          nagaan hoe dit komt (barrière-inventarisatie);

-          ontwikkelen van oplossingen (implementatiestrategie of nalevingsplan).

 

Naast het beschrijven van de wenselijke zorg zijn er ten behoeve van de implementatie van de richtlijn ook indicatoren ontwikkeld, is er een barrière-inventarisatie gedaan en worden er suggesties gedaan voor een implementatiestrategie of nalevingsplan. Dit staat beschreven in hoofdstuk 3.

Werkwijze

Ontwikkeltraject

De werkgroep heeft beoogd een korte, handzame richtlijn op te stellen, waarin informatie-overdracht en afstemming van verantwoordelijkheden de belangrijkste elementen zijn. De veiligheid van de patiënt staat hierbij centraal.

Een kerngroep, ondersteund door adviseurs van de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten, is verantwoordelijk voor het zoeken en beoordelen van de literatuur, het opstellen van de tekst, de redactie van de richtlijn en de begeleiding van het ontwikkelproces. De kerngroep legt haar resultaten voor aan een brede werkgroep van vertegenwoordigers uit het werkveld. Evidence based richtlijnontwikkeling houdt in dat op een systematische manier gezocht wordt in de wetenschappelijke literatuur naar onderbouwing van aanbevelingen, waarbij gezocht wordt naar de hoogste graad van bewijs. Wanneer geen wetenschappelijke onderbouwing voorhanden is, kunnen ervaringen van deskundigen of goede voorbeeldpraktijken gebruikt worden. Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar de organisatorische aspecten van het perioperatieve proces, vormen naast bestaande richtlijnen en adviezen, goede praktijken en ervaringen van experts belangrijke onderbouwende elementen. In dit traject is ervoor gekozen om de consensusvorming in die gevallen zo gestructureerd en transparant mogelijk te laten verlopen (zie paragraaf ‘Synmind’).

De strategie voor het zoeken naar literatuur wordt beschreven in bijlage 6.

 

Synmind

Om het proces van consensusvorming tussen experts transparant en gestructureerd te laten verlopen is gebruik gemaakt van Synmind. Synmind is een webbased methode waarmee werkgroepleden binnen een periode van enkele weken geconsulteerd werden over de voorgestelde aanbevelingen. Hierbij waren commentaren en ideeën direct zichtbaar, waardoor snel helder werd op welke gebieden wel of geen consensus was. Deelnemers konden ook op elkaars commentaar reageren. Deze werkwijze maakt de manier waarop de aanbevelingen tot stand komen meer transparant en gestructureerd: reacties van experts staan op schrift en worden bewaard. Via Synmind was snel zichtbaar op welke vlakken mensen het met elkaar eens waren en in welke mate, en op welke vlakken nog weinig consensus bestond. Dit hielp om een keuze te maken welke conceptaanbevelingen nadere discussie of bijstelling vergden. Doordat deelnemers op een kwantitatieve schaal aangaven in hoeverre zij het eens waren met een aanbeveling, en dit grafisch werd weergegeven (spinnewebgrafieken), was in één oogopslag te zien in welke mate er consensus bestond over een aanbeveling. Op deze manier konden snel die aanbevelingen worden geïdentificeerd waarvoor breed draagvlak bestond, en die welke aanpassing behoefden. Omdat deelnemers hun score motiveerden met argumenten, was ook direct zichtbaar waarom deelnemers het al dan niet eens waren met een aanbeveling. Op basis van de resultaten van deze consultatie werden door de projectgroep de aanbevelingen bijgesteld. De samenvatting van de Synmind-discussie is op te vragen bij de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten.

 

Autorisatie

Deze richtlijn is voor commentaar voorgelegd aan alle betrokken verenigingen en

organisaties. Het ontvangen commentaar is door de werkgroep gewogen en waar mogelijk

verwerkt. Hierna is de aangepaste richtlijn ter autorisatie aangeboden. De volgende

verenigingen en organisaties hebben de richtlijn geautoriseerd dan wel hun instemming met

de inhoud van de richtlijn uitgesproken:

-              Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (m.u.v. stap 10 en 11)

-              Nederlandse Orthopaedische Vereniging

-              Nederlandse Sociëteit voor Extra Corporale Circulatie

-              Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

-              Nederlandse Vereniging voor Cardiologie

-              Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-              Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied

-              Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie

-              Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie

-              Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

-              Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

-              Nederlandse Vereniging voor Radiologie

-              Nederlandse Vereniging voor Urologie

-              Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.