Uitgangsvraag

Welke eisen kunnen worden gesteld aan gebruik van apparatuur en materialen?

Aanbeveling

Elk ziekenhuis dient te beschrijven bij wie de verantwoordelijkheid met betrekking tot aanschaf, introductie, onderhoud, beheer en gebruik van apparatuur en eventuele reservecapaciteit bij falen daarvan zijn belegd. Tevens dienen instellingen de verantwoordelijkheid voor het opzetten en in stand houden van een systeem voor kwaliteitsbeheer van medische gassen expliciet te beleggen.

 

Voor alle medische apparatuur is een prospectieve risicoanalyse uitgevoerd, waarin beschreven zijn:

  • procesbeschrijvingen voor aanschaf, introductie, gebruik en beheer;

  • risicovolle momenten;

  • indeling in een risicoklasse;

  • tracering van werkzaamheden aan medische apparatuur voor risicoanalyses;

  • eisen t.a.v. aantoonbare competentie van gebruikers.

 

De medisch specialist moet als gebruiker van medische apparatuur

  • op de hoogte zijn van de kwaliteitscyclus rondom het onderhoud en het beheer van medische apparatuur, en de daarbij horende verantwoordelijkheden;

  • bekend zijn met de noodprocedures;

  • zich periodiek vergewissen van de kwaliteit en de veiligheid van de medische apparatuur;

  • afwijkingen aan medische apparatuur melden aan degene, die verantwoordelijk is voor het onderhoud en het beheer van de apparatuur;

  • bij geconstateerde afwijkingen altijd vervangende apparatuur gebruiken, tenzij, bij een bijzondere omstandigheid, uit een risk-benefit afweging blijkt dat het gebruik van de apparatuur bij de patiënt verantwoord is.

 

De werkgroep is van mening dat ieder ziekenhuis het beleid met betrekking tot traceerbaarheid van implantaten en steriele hulpmiddelen moet hebben vastgelegd en geborgd.

Inleiding

In het rapport Toezicht Operatief Proces (TOP 3) wordt gesteld dat er een ziekenhuisbeleid moet zijn voor het onderhoud van apparatuur, waarbij voor elk medisch hulpmiddel een gewaarborgde staat van onderhoud geldt. Verantwoordelijkheden moeten zijn vastgelegd. De onderhoudsstatus moet voor individuele medische apparatuur door de gebruikers gemakkelijk te verifiëren zijn bijvoorbeeld door het aflezen van een onderhoudssticker die op elk apparaat moet zijn aangebracht. Op deze sticker moet de datum van het eerstvolgende onderhoud vermeld zijn. Bij haar bezoeken heeft IGZ gesignaleerd dat op apparatuur nog steeds vaak een aanduiding ontbreekt van de datum van het eerstvolgende onderhoud.

 

Naar de mening van de werkgroep is onbekendheid met de uiterste gebruiksdatum van apparatuur zelden de oorzaak van problemen. Veel vaker worden problemen veroorzaakt door onoordeelkundig gebruik. Veel van bovenstaande bevindingen hangen daarmee samen.

Implementatie van bestaande richtlijnen en praktijkgidsen is onvoldoende. Dit hangt direct samen met onder andere de “afstand” tussen OK en instrumentele dienst, en de soms bestaande onduidelijkheid over de levenscyclus van de medische apparatuur.

 

De NVKF, de VZI en de WIBAZ (binnenkort verenigd in een koepel voor Medische Technologie) zijn met het Nederlands Instituut voor Accreditatie in de Zorg (NIAZ) overeengekomen dat vanaf medio 2010 in de toetsing van instellingen de medische technologie een nadrukkelijker plaats krijgt. Technisch onderlegde auditoren worden aan elk auditteam toegevoegd om het systeem van de inzet van medische technologie in de instelling door te lichten. Reden voor dit initiatief is het grote belang van de medische technologie voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg.

 

Naar de mening van de werkgroep is de instelling verantwoordelijk voor beheer en onderhoud van apparatuur en voor scholing van de gebruikers. Hiernaast heeft de medisch specialist zelf een verantwoordelijkheid voor het (aantoonbaar) bijhouden van de eigen competenties waar het omgaan met apparatuur betreft. Voor andere OK-medewerkers geldt dat de instelling de verantwoordelijkheid heeft te zorgen voor adequate scholing en voor voldoende capaciteit aan goed opgeleid personeel. Het moet inzichtelijk zijn hoe deze verantwoordelijkheid is belegd. Een persoon die niet geschoold dan wel bekwaam is voor gebruik van bepaalde apparatuur gebruikt deze apparatuur niet of onder begeleiding van een wel geschoold/bekwaam persoon.

Samenvatting literatuur

Voor een deel van deze zaken bestaan al richtlijnen of leidraden. Zo heeft de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) een tweetal praktijkgidsen ontwikkeld: Kwaliteitsborging medische systemen: een praktische gids (2004) en de Praktijkgids risicomanagement en medische technologie (2007). Deze praktijkgidsen geven praktische aanbevelingen hoe in ziekenhuizen de kwaliteitsborging en het risicomanagement geregeld zouden moeten worden en waar de verantwoordelijkheden zouden moeten liggen.

De praktijkgids Kwaliteitsborging Medische Apparatuur gaat vooral in op de verdeling van de verantwoordelijkheden in het ziekenhuis en het punt dat ziekenhuizen beschikken over een operationeel kwaliteitsbeleid met betrekking tot medische apparatuur. Een dergelijk kwaliteitsbeleid dient zich uit te strekken tot alle betrokken diensten en afdelingen (NVZ 2004).

Het management van de ziekenhuizen is verantwoordelijk voor het helder beleggen van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de Instrumentele Dienst en andere afdelingen, in het proces van aanschaf, introductie, onderhoud, beheer en gebruik van medische apparatuur. Hieronder valt ook de introductie van medische apparatuur bij gebruikers in het ziekenhuis (NVZ 2004).

Verantwoordelijkheden voor medische technologie vormen een onderdeel van het veiligheidsmanagementsysteem van het ziekenhuis (NVZ 2007).

 

De Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF) heeft in 2007 een set prestatie-indicatoren voor de kwaliteitsborging van medische systemen ontwikkeld. Deze indicatoren zijn beschreven aan de hand van een integrale procesbenadering voor borging van kwaliteit en veiligheid rond medische technologie met systematische verbinding naar de levenscyclus van medische apparatuur.

De Orde van Medisch Specialisten (OMS) heeft samen met de NVZ, de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) de leidraad Verantwoordelijkheid medisch specialist bij onderhoud en beheer van medische apparatuur opgesteld (2008), waarin de verantwoordelijkheden van de medisch specialist zijn beschreven, met een specifieke paragraaf voor de operatiekamer. Zo wordt hierin gesteld dat voor alle medische apparatuur een prospectieve risicoanalyse moet worden uitgevoerd, waarin beschreven worden: procesbeschrijvingen voor aanschaf, introductie, gebruik en beheer; risicovolle momenten; indeling in een risicoklasse; tracering van werkzaamheden aan medische apparatuur voor risicoanalyses en eisen t.a.v. aantoonbare competentie van gebruikers (NVZ 2008).

De NVKF, het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs (KIVI NIRIA), de Werkgroep Instrumentatie Beheer Academische Ziekenhuizen (WIBAZ), de Vereniging van Ziekenhuis Instrumentatietechnici (VZI), de Stichting Laserveiligheid in de Gezondheidszorg (SLG) en de Nederlandse Vereniging voor Technisch facilitair management in de Gezondheidszorg (NVTG) hebben hierop gereageerd met een document waarin een aantal voorwaarden zijn beschreven om de leidraad te kunnen hanteren.

Op moment van schrijven van de richtlijn Postoperatief Traject wordt er door het nationale normalisatie instituut NEN een Nederlands Technische Afspraak (NTA) Beheer medische apparatuur ontwikkeld. Deze uitbreiding van de reeds bestaande NTA 8009:2011 is vanaf januari 2013 beschikbaar. Hiermee worden de bovengenoemde documenten vanaf die datum toetsbaar.

 

Onder het omgaan met apparatuur wordt ook verstaan het omgaan met medische gassen. Hierover is in 2008 door de Inspectie voor de Gezondheidszorg een circulaire naar alle ziekenhuizen gestuurd.

Referenties

  1. Greenberg, C.C., Regenbogen, S.E., Studdert, D.M., Lipsitz, S.R., Rogers, S.O., Zinner, M.J., Gawande, A.A. (2007). Patterns of communication breakdowns resulting in injury to surgical patients. J Am Coll Surg, 204, 533-540.
  2. Grol, R (2001). Successes and failures in the implementation of evidence-based guidelines for clinical practice. Med Care., 39, II46-54.
  3. Haynes, A.B., Weiser, T.G., Berry, W.R., Lipsitz, S.R., Breizat, A.S., Dellinger, E.P. Safe Surgery Saves Lives Study Group. (2009). A surgical safety checklist to reduce morbidity and mortality in a global population. N Engl J Med, 360, 491-499.
  4. Inspectie voor de Gezondheidszorg (2008). Circulaire. Medische gassen, 4, X-.
  5. Inspectie voor de Gezondheidszorg (2009). Deel 3: Postoperatieve zorg in ziekenhuizen op onderdelen voldoende, maar kent nog teveel risico’s. Toezicht Operatief Proces. , 0, X-.
  6. Joint Commission on Accreditation of Healthcare Organizations (JCAHO) (2010). Universal Protocol for preventing wrong site, wrong procedure, wrong person surgery. X, 0, X-.
  7. Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) (2006). Wegwijzer Richtlijnen steriliseren/steriliteit. 47-Steriliteit:2006nl, 0, X-.
  8. Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) (2009). Chirurgisch afdekmateriaal, operatiejassen en clean air suits, gebruikt als medische hulpmiddelen voor patiënten, klinisch personeel en apparatuur. X, 0, X-.
  9. Nederlandse Hartstichting (2008). Richtlijn Preventie bacteriële endocarditis. X, 0, X-.
  10. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (NVZA) (2004). Ziekenhuisapotheekstandaard (ZAS). X, 0, X-.
  11. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) (2004). Kwaliteitsborging van medische systemen. Praktische gids voor een goede aanpak. X, 0, X-.
  12. Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) (2007). Praktijkgids Risicomanagement en Medische technologie. Praktische gids voor een goede aanpak. X, 0, X-.
  13. Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, & Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) (2010). Richtlijn Het Preoperatieve Traject. X, 0, X-.
  14. Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), & Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) (2011). Richtlijn Het Peroperatieve Traject. X, 0, X-.
  15. Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) (2004). Standpunt Verkoeverperiode en de inrichting en de organisatie van de verkoeverafdeling. X, 0, X-.
  16. Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) (2011). Visiedocument Post Anesthesia Care Unit (PACU). X, 0, X-.
  17. Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) (2012). Normering Chirurgische Behandelingen, versie 3. X, 0, X-.
  18. Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) (2003). Richtlijn Operatieverslag. X, 0, X-.
  19. Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC) (2000). Richtlijn Criteria voor opname en ontslag van Intensive Care afdelingen in Nederland. X, 0, X-.
  20. Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF) (2007). Prestatie-indicatoren Kwaliteitsborging Medische Systemen. X, 0, X-.
  21. Neily, J., Mills, P.D., Young-Xu, Y., Carney, B.T., West, P., Berger, D.H., Bagian, J.P. (2010). Association between implementation of a medical team training program and surgical mortality. JAMA, 304, 1693-1700.
  22. Orde van Medisch Specialisten (2008). Leidraad Verantwoordelijkheid medisch specialist bij onderhoud en beheer van medische apparatuur. X, 0, X-.
  23. RIVM/Centrum Infectieziektenbestrijding (2007). Landelijke richtlijn Preventie iatrogene Hepatitis B. X, 0, X-.
  24. Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (2000). Richtlijn Perioperatieve antibiotische profylaxe. X, 0, X-.
  25. Stuurgroep Overdracht van Medicatiegegeven (2008). Richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten. X, 0, X-.
  26. VMS Veiligheidsprogramma (2009). Praktijkgids ‘Verwisseling van en bij patiënten’. X, 0, X-.
  27. VMS Veiligheidsprogramma (2009). Praktijkgids ‘Voorkomen van wondinfecties na een operatie’. X, 0, X-.
  28. VMS Veiligheidsprogramma (2008). Praktijkgids ‘Medicatieverificatie bij opname en ontslag’. X, 0, X-.
  29. VMS Veiligheidsprogramma (2011). Praktijkgids ‘Veilige zorg voor zieke kinderen’. X, 0, X-.
  30. Vries, E.N. de, Hollmann, M.W., Smorenburg, S.M., Gouma, D.J., Boermeester, M.A. (2009). Development and validation of the SURgical PAtient Safety System (SURPASS) checklist. Qual Saf Health Care., 18, 121-6.
  31. Vries, E.N. de, Prins, H.A., Crolla, R.M., Outer, A.J. den, Andel, G. van, Helden, S.H. van, SURPASS Collaborative Group. (2010). Effect of a comprehensive surgical safety system on patient outcomes. N Engl J Med., 363 (20), 1928-37.
  32. Weiser, T.G., Haynes, A.B., Dziekan, G., Berry, W.R., Lipsitz, S.R., Gawande, A.A. (2010). Effect of a 19-item surgical safety checklist during urgent operations in a global patient population. Safe Surgery Saves Lives Investigators and Study Group. Ann Surg, 251, 976-980.
  33. Weiser, T.G., Regenbogen, S.E., Thompson, K.D., Haynes, A.B., Lipsitz, S.R., Berry, W.R., Gawande, A.A. (2008). An estimation of the global volume of surgery: a modelling strategy based on available data. Lancet, 372, 139-44.
  34. Werkgroep Infectiepreventie (2005). Beheersplan luchtbehandeling voor de operatieafdeling. X, 0, X-.
  35. Werkgroep Infectiepreventie (2010). Richtlijn Veilig werken in de anesthesiologie. X, 0, X-.
  36. Werkgroep Infectiepreventie (2006). Richtlijn Operatie geïsoleerde patiënten. X, 0, X-.
  37. Werkgroep Infectiepreventie (2006). Richtlijn Preventie van postoperatieve wondinfecties. X, 0, X-.
  38. Werkgroep Infectiepreventie (2007). Richtlijn Bewaren en transporteren van gebruikt instrumentarium voor sterilisatie. X, 0, X-.
  39. Werkgroep Infectiepreventie (2012). Richtlijn Microbiologische veiligheid bij onderhoud aan medische en laboratoriumapparatuur. X, 0, X-.
  40. WHO (2008). Safe Surgery Guidelines. X, 0, X-.
  41. Wolff, A, Boermeester, M., Janssen, I., Pols, M., Damen, J (2010). De landelijke CBO-richtlijn ‘Preoperatief traject’. Ned Tijdschr Geneeskd, 154, A2184-.
  42. Wolff, A.P, Damen, J., Boermeester, M., Janssen, I., Pols, M. (2010). Perioperatief proces met tussenstops: Nieuwe richtlijn voor veilig opereren bouwt vier evaluatiemomenten in. Medisch Contact, 65, 812-816.
  43. www.medirisk.nl/ schadepreventie/schadepreventieOK/OK-project. (0000). www.medirisk.nl/ schadepreventie/schadepreventieOK/OK-project.. www.medirisk.nl/ schadepreventie/schadepreventieOK/OK-project., 0, X-.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2013

Laatst geautoriseerd : 01-01-2013

Mede omdat deze richtlijn voor een groot deel gebaseerd is op best practices en expert opinion zal het nodig zijn om de richtlijn te onderhouden op continue basis. Het up-to-date houden van richtlijnen op continue basis duiden we aan met het begrip ‘levende richtlijnen’. Goedbeschouwd is het meer dan dat. Beoogd wordt dat richtlijnen 'leven' bij professionals, dat kennis uit richtlijnen gebruikt wordt door behandelaars, dat er terugkoppeling plaatsvindt over toepasbaarheid in de dagelijkse praktijk en dat de richtlijnen op grond hiervan op continue basis worden herzien, zodat er voor professionals en patiënten een steeds actueel, hanteerbaar en werkzaam beslissingsondersteunend instrument voorhanden is. De Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde zijn samen verantwoordelijk voor het onderhoud van deze richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Geautoriseerd door:
  • Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Medische microbiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Urologie

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiering van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Met ondersteuning van de Orde van Medisch Specialisten.

Samenstelling werkgroep

  • A.P. Wolff, voorzitter (Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie)
  • A. Schuurhuis (Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie)
  • M.C.O. van den Nieuwenhuyzen (Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie)
  • P.A. Nolte (Nederlandse Orthopaedische Vereniging)
  • J. van Bavel (Nederlandse Vereniging voor Obstetrie & Gynaecologie)
  • P.M.N.Y.H. Go (Nederlandse Vereniging voor Heelkunde)
  • M.A. Boermeester (Nederlandse Vereniging voor Heelkunde)
  • R. Tromp (Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen)
  • M.M. Versluijs (Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie)
  • M.J. Schoemaker-Kaper (Beroepsvereniging Recovery Verpleegkundigen)
  • W. de Ruijter (Nederlandse Vereniging voor Intensive Care)
  • F. Simon Thomas (V&VN IC Verpleegkundigen)
  • P.J. Schuil (Nederlandse Verenging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-halsgebied)
  • B.A. Coert (Nederlandse Vereniging van Neurochirurgen)
  • M.N. Copper (Nederlands Oogheelkundig Gezelschap)
  • M.M. P. Schuckman (Nederlandse Verenging voor Plastische Chirurgie)
  • J.G.H. van Roermund (Nederlandse Verenging voor Urologie)
  • W. Stooker (Nederlandse Verenging voor Thoraxchirurgie)
  • E.E.A. Hentzen-Alders (Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde)
  • K.P. van Lienden (Nederlandse Vereniging voor Radiologie)
  • C.P. Timmerman (Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie)
  • B.M. Wijsen (Landelijke Vereniging Kind en Ziekenhuis)
  • C.A. Veldhuis (Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland)
  • M. Duyvendak (Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers)          
  • M. Sprenger (Nationaal ICT Instituut in de Zorg (advies))
  • Chr. van Swol (Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica)         
  • M.J. Hinkema TNO Bouw en Zorg (advies) 
  • G. Lelieveld-Vroom (Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg)

 

Met ondersteuning van:

  • M.A. Pols, senior adviseur afdeling OPK, Orde van Medisch Specialisten
  • M. Ouwens, senior onderzoeker IQ Healthcare, UMC St Radboud
  • J. Stienen, junior onderzoeker IQ Healthcare, UMC St Radboud

Belangenverklaringen

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is financiering verkregen vanuit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten. Aan alle werkgroepleden is gevraagd een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de farmaceutische industrie aangeven. Een overzicht van deze belangenverklaringen ligt ter inzage bij de Orde van Medisch Specialisten.

Inbreng patiëntenperspectief

De richtlijn is uiteraard gericht op verbetering van de veiligheid van zorg rondom de patiënt die een operatie moet ondergaan. Bij de ontwikkeling van de richtlijn heeft daarom het patiëntenperspectief een belangrijke rol gespeeld. In de kerngroep is geparticipeerd door de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie, en in de brede werkgroep is daarnaast vertegenwoordigd de Stichting Kind en Ziekenhuis. Bij het gereed komen van de richtlijn postoperatief traject wordt ook een richtlijn vanuit het patiëntenperspectief uitgebracht.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

De richtlijn is bedoeld voor elke zorgverlener die betrokken is bij een ingreep zoals boven beschreven. De implementatie van de richtlijn is de verantwoordelijkheid van de instellingen en van de zorgverleners. Op basis van de richtlijnen worden indicatoren en een nalevingsplan ontwikkeld die implementatie moeten bevorderen. Het is hierbij essentieel dat de professionals feedback krijgen op hun handelen. Het implementeren van deze richtlijn zal voor veel instellingen betekenen dat de organisatie moet worden aangepast en processen opnieuw moeten worden vormgegeven. Dit kost tijd en professionals zullen hierbij organisatorisch moeten worden ondersteund. De werkgroep ziet hier ook een belangrijke rol voor de raden van bestuur.

 

Implementatie zal ook worden bevorderd doordat naast de Inspectie andere partijen aandacht besteden aan veiligheid op en rond de OK. Binnen het VMS-veiligheidsprogramma heeft een aantal van de thema’s betrekking op het operatieve proces (verwisselingen, postoperatieve wondinfecties), en ook de vangnetten van verzekeraar Medirisk (www.medirisk.nl) in het kader van het project ‘Schadepreventie op de OK’ zijn bedoeld om de veiligheid op de OK te vergroten. Deze richtlijn sluit zoveel mogelijk aan bij de VMS-thema’s, en ook de genoemde vangnetten (achterblijvende materialen, verwisselingsfouten, apparatuur en materialen, medicatiefouten, intubatieschade en positionering) komen grotendeels terug in deze richtlijn.

 

Het doel van deze richtlijn is een bijdrage te leveren aan veilige zorg rondom een operatie. Het is bekend uit de literatuur dat aanbevelingen uit een richtlijn niet vanzelf worden nageleefd in de praktijk. Eveneens is bekend dat voor een goede implementatie de volgende stappen doorlopen dienen te worden (Grol, 2001):

-          vaststellen van de wenselijke zorg of het te bereiken doel;

-          opstellen en meten van indicatoren;

-          bepalen waar de zorg afwijkt van de wenselijke zorg zoals beschreven in de richtlijn;

-          nagaan hoe dit komt (barrière-inventarisatie);

-          ontwikkelen van oplossingen (implementatiestrategie of nalevingsplan).

 

Naast het beschrijven van de wenselijke zorg zijn er ten behoeve van de implementatie van de richtlijn ook indicatoren ontwikkeld, is er een barrière-inventarisatie gedaan en worden er suggesties gedaan voor een implementatiestrategie of nalevingsplan. Dit staat beschreven in hoofdstuk 3.

Werkwijze

Ontwikkeltraject

De werkgroep heeft beoogd een korte, handzame richtlijn op te stellen, waarin informatie-overdracht en afstemming van verantwoordelijkheden de belangrijkste elementen zijn. De veiligheid van de patiënt staat hierbij centraal.

Een kerngroep, ondersteund door adviseurs van de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten, is verantwoordelijk voor het zoeken en beoordelen van de literatuur, het opstellen van de tekst, de redactie van de richtlijn en de begeleiding van het ontwikkelproces. De kerngroep legt haar resultaten voor aan een brede werkgroep van vertegenwoordigers uit het werkveld. Evidence based richtlijnontwikkeling houdt in dat op een systematische manier gezocht wordt in de wetenschappelijke literatuur naar onderbouwing van aanbevelingen, waarbij gezocht wordt naar de hoogste graad van bewijs. Wanneer geen wetenschappelijke onderbouwing voorhanden is, kunnen ervaringen van deskundigen of goede voorbeeldpraktijken gebruikt worden. Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar de organisatorische aspecten van het perioperatieve proces, vormen naast bestaande richtlijnen en adviezen, goede praktijken en ervaringen van experts belangrijke onderbouwende elementen. In dit traject is ervoor gekozen om de consensusvorming in die gevallen zo gestructureerd en transparant mogelijk te laten verlopen (zie paragraaf ‘Synmind’).

De strategie voor het zoeken naar literatuur wordt beschreven in bijlage 6.

 

Synmind

Om het proces van consensusvorming tussen experts transparant en gestructureerd te laten verlopen is gebruik gemaakt van Synmind. Synmind is een webbased methode waarmee werkgroepleden binnen een periode van enkele weken geconsulteerd werden over de voorgestelde aanbevelingen. Hierbij waren commentaren en ideeën direct zichtbaar, waardoor snel helder werd op welke gebieden wel of geen consensus was. Deelnemers konden ook op elkaars commentaar reageren. Deze werkwijze maakt de manier waarop de aanbevelingen tot stand komen meer transparant en gestructureerd: reacties van experts staan op schrift en worden bewaard. Via Synmind was snel zichtbaar op welke vlakken mensen het met elkaar eens waren en in welke mate, en op welke vlakken nog weinig consensus bestond. Dit hielp om een keuze te maken welke conceptaanbevelingen nadere discussie of bijstelling vergden. Doordat deelnemers op een kwantitatieve schaal aangaven in hoeverre zij het eens waren met een aanbeveling, en dit grafisch werd weergegeven (spinnewebgrafieken), was in één oogopslag te zien in welke mate er consensus bestond over een aanbeveling. Op deze manier konden snel die aanbevelingen worden geïdentificeerd waarvoor breed draagvlak bestond, en die welke aanpassing behoefden. Omdat deelnemers hun score motiveerden met argumenten, was ook direct zichtbaar waarom deelnemers het al dan niet eens waren met een aanbeveling. Op basis van de resultaten van deze consultatie werden door de projectgroep de aanbevelingen bijgesteld. De samenvatting van de Synmind-discussie is op te vragen bij de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten.

 

Autorisatie

Deze richtlijn is voor commentaar voorgelegd aan alle betrokken verenigingen en

organisaties. Het ontvangen commentaar is door de werkgroep gewogen en waar mogelijk

verwerkt. Hierna is de aangepaste richtlijn ter autorisatie aangeboden. De volgende

verenigingen en organisaties hebben de richtlijn geautoriseerd dan wel hun instemming met

de inhoud van de richtlijn uitgesproken:

-              Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (m.u.v. stap 10 en 11)

-              Nederlandse Orthopaedische Vereniging

-              Nederlandse Sociëteit voor Extra Corporale Circulatie

-              Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

-              Nederlandse Vereniging voor Cardiologie

-              Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-              Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied

-              Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie

-              Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie

-              Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

-              Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

-              Nederlandse Vereniging voor Radiologie

-              Nederlandse Vereniging voor Urologie

-              Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.