Uitgangsvraag

Apparatuur en materialen in het peroperatieve traject.

Aanbeveling

Elk ziekenhuis dient te beschrijven bij wie de verantwoordelijkheid met betrekking tot aanschaf, introductie,  onderhoud, beheer en gebruik van apparatuur en eventuele reservecapaciteit bij falen daarvan zijn belegd.

 

Voor alle medische apparatuur is een prospectieve risicoanalyse uitgevoerd, waarin beschreven zijn (NVZ 2007):

  • Procesbeschrijvingen voor aanschaf, introductie, gebruik en beheer;
  • Risicovolle momenten;
  • Indeling in een risicoklasse;
  • Tracering van werkzaamheden aan medische apparatuur voor risicoanalyses;
  • Eisen t.a.v. aantoonbare competentie van gebruikers.

 

De medisch specialist moet als gebruiker van medische apparatuur (Orde, 2008)

  • Op de hoogte zijn van de kwaliteitscyclus rondom het onderhoud en het beheer van medische apparatuur, en de daarbij horende verantwoordelijkheden;
  • Bekend zijn met de noodprocedures;
  • Zich periodiek vergewissen van de kwaliteit en de veiligheid van de medische apparatuur;
  • Afwijkingen aan medische apparatuur melden aan degene, die verantwoordelijk is voor het onderhoud en het beheer van de apparatuur;
  • Bij geconstateerde afwijkingen altijd vervangende apparatuur gebruiken, tenzij, bij een bijzondere omstandigheid, uit een risk-benefit afweging blijkt dat het gebruik van de apparatuur bij de patiënt verantwoord is.

 

De werkgroep is van mening dat ieder ziekenhuis het beleid met betrekking tot traceerbaarheid van implantaten moet hebben vastgelegd en geborgd.

 

De werkgroep is van mening dat ieder ziekenhuis het beleid met betrekking tot traceerbaarheid van steriele hulpmiddelen moet hebben vastgelegd en geborgd.

Inleiding

In het rapport Toezicht Operatief Proces (TOP 2) signaleert de Inspectie op het gebied van omgang met apparatuur en materialen het volgende:

-          De opslag van materialen is over het algemeen in orde;

-          In een enkel geval is de uiterste gebruiksdatum van een geneesmiddel of hulpmiddel verlopen;

-          De uiterste gebruiksdatum van apparatuur is vaak onbekend;

-          Procedures rond gebruik van hulpmiddelen en apparatuur zijn vaak onvoldoende bekend;

-          Diversiteit van apparatuur en materialen waar mogelijk verminderen;

-          Implantaten zouden altijd traceerbaar moeten zijn tot de patiënt;

-          Voor onderhoud en functionele controle moeten duidelijke procedures zijn;

-          Afstand tussen instrumentele dienst en operatieafdeling is vaak groot (heeft niet zozeer betrekking op de fysieke afstand maar op communicatie en bekendheid met elkaars procedures);

-          Onvoldoende controle van gebruikte materialen (instrumenten, disposables, naalden).

Naar de mening van de werkgroep is onbekendheid met de uiterste gebruiksdatum van apparatuur zelden de oorzaak van problemen. Veel vaker worden problemen veroorzaakt door onoordeelkundig gebruik. Veel van bovenstaande bevindingen hangen daarmee samen.

Implementatie van bestaande richtlijnen en praktijkgidsen is onvoldoende. Dit hangt direct samen met o.a. de “afstand” tussen OK en instrumentele dienst en de soms bestaande onduidelijkheid over de levenscyclus van de medische apparatuur.

 

De Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF), de Vereniging voor Ziekenhuis Instrumentatietechnici (VZI) en de Werkgroep Instrumentatie Beheer Academische Ziekenhuizen (WIBAZ), verenigd in de Koepel Medische Technologie, zijn met het Nederlands Instituut voor Accreditatie in de Zorg (NIAZ) overeengekomen dat vanaf medio 2010 in de toetsing van instellingen de medische technologie een nadrukkelijker plaats krijgt. Technisch onderlegde auditoren worden aan elk auditteam toegevoegd om het systeem van de inzet van medische technologie in de instelling door te lichten. Reden voor dit initiatief is het grote belang van de medische technologie voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg.

 

Naar de mening van de werkgroep is de instelling verantwoordelijk voor beheer en onderhoud van apparatuur en voor scholing van de gebruikers. Hiernaast heeft de medisch specialist zelf een verantwoordelijkheid voor het (aantoonbaar) bijhouden van de eigen competenties waar het omgaan met apparatuur betreft. Voor andere OK-medewerkers geldt dat de instelling de verantwoordelijkheid heeft te zorgen voor adequate scholing en voor voldoende capaciteit aan goed opgeleid personeel. Het moet inzichtelijk zijn hoe deze verantwoordelijkheid is belegd.

Een persoon die niet geschoold dan wel bekwaam is voor gebruik van bepaalde apparatuur gebruikt deze apparatuur slechts onder begeleiding van een wel geschoold/bekwaam persoon.

Samenvatting literatuur

Voor een deel van deze zaken bestaan al richtlijnen of leidraden. Zo heeft de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) een tweetal praktijkgidsen ontwikkeld: Kwaliteitsborging medische systemen: een praktische gids (2004) en de Praktijkgids risicomanagement en medische technologie (2007). Deze praktijkgidsen geven praktische aanbevelingen hoe in ziekenhuizen de kwaliteitsborging en het risicomanagement geregeld zouden moeten worden en waar de verantwoordelijkheden zouden moeten liggen.

De praktijkgids Kwaliteitsborging Medische Apparatuur gaat vooral in op de verdeling van de verantwoordelijkheden in het ziekenhuis en het punt dat ziekenhuizen beschikken over een operationeel kwaliteitsbeleid met betrekking tot medische apparatuur. Een dergelijk kwaliteitsbeleid dient zich uit te strekken tot alle betrokken diensten en afdelingen (NVZ 2004).

Het management van de ziekenhuizen is verantwoordelijk voor het  helder beleggen van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de Instrumentele Dienst en andere afdelingen, in het proces van aanschaf, introductie, onderhoud, beheer en gebruik van medische apparatuur. Hieronder valt ook de introductie van medische apparatuur bij gebruikers in het ziekenhuis (NVZ 2004).

Verantwoordelijkheden voor medische technologie vormen een onderdeel van het veiligheidsmanagementsysteem van het ziekenhuis (NVZ 2007).

 

De Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF) heeft in 2007 een set prestatie-indicatoren voor de kwaliteitsborging van medische systemen ontwikkeld.

De Orde heeft samen met de NVZ, de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) de leidraad Verantwoordelijkheid medisch specialist bij onderhoud en beheer van medische apparatuur opgesteld (2008), waarin de verantwoordelijkheden van de medisch specialist zijn beschreven met een specifieke paragraaf voor de operatiekamer.  Zo wordt hierin gesteld dat voor alle medische apparatuur een prospectieve risicoanalyse moet worden uitgevoerd, waarin beschreven worden:

-          Procesbeschrijvingen voor aanschaf;

-          Introductie;

-          Gebruik en beheer;

-          Risicovolle momenten;

-          Indeling in een risicoklasse;

-          Tracering van werkzaamheden aan medische apparatuur voor risicoanalyses en eisen t.a.v. aantoonbare competentie van gebruikers (NVZ 2008).

De NVKF, het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs (KIVI NIRIA), de Werkgroep Instrumentatie Beheer Academische Ziekenhuizen (WIBAZ), de Vereniging van Ziekenhuis Instrumentatietechnici (VZI), de Stichting Laserveiligheid in de Gezondheidszorg (SLG) en de Nederlandse Vereniging voor Technisch facilitair management in de Gezondheidszorg (NVTG) hebben hierop gereageerd met een document waarin een aantal voorwaarden zijn beschreven om de leidraad te kunnen hanteren.

Op dit moment wordt er door het nationale normalisatie instituut NEN een Nederlands Technische Afspraak (NTA) Beheer medische apparatuur ontwikkeld. Deze uitbreiding van de  NTA gaat naar verwachting de bovengenoemde documenten vanaf medio 2011 toetsbaar maken. De richtlijn Peroperatief Traject verwijst daarom vooralsnog naar de bestaande documenten totdat de nieuwe NTA van kracht is.

 

Onder het omgaan met apparatuur wordt ook verstaan het omgaan met medische gassen. Hierover is in 2008 door de Inspectie voor de Gezondheidszorg een circulaire naar alle ziekenhuizen gestuurd.

 

Controle en tracering gebruikte materialen en hulpmiddelen

Ziekenhuizen dienen een protocol te hebben waarin de procedure voor controle van gebruikt operatiemateriaal is beschreven. In 2009 is de richtlijn Onbedoeld achterblijven operatiemateriaal gepubliceerd, ontwikkeld door de Landelijke Vereniging van Operatieassistenten (LVO). De richtlijn ter voorkoming van het achterblijven van gazen, naalden, instrumenten en disposables is naar alle ziekenhuizen gestuurd. Door de IGZ en verzekeringsmaatschappijen als Medirisk zal deze gebruikt worden bij de controle op naleving van de aanbevelingen hierin gesteld.

Voor implantaten en (alle) steriele hulpmiddelen is traceerbaarheid een belangrijk aspect van veiligheid. Indien nodig moet het mogelijk zijn om patiënten op te roepen die een bepaald implantaat hebben gekregen of bij wie een bepaald hulpmiddel is gebruikt. Ziekenhuizen moeten hun beleid met betrekking tot traceerbaarheid van implantaten en steriele hulpmiddelen hebben vastgelegd en geborgd. Hierbij kan wel onderscheid gemaakt worden tussen verschillende categorieën materialen (implantaten, instrumenten die gesteriliseerd en hergebruikt worden , verbruiksgoederen). De Vereniging van Deskundigen Steriele Medische Hulpmiddelen (VDSMH) heeft hiervoor in 2006 een veldnorm opgesteld. Wetgeving met betrekking tot het op de markt brengen en controleren van medische hulpmiddelen en actieve implantaten is vastgelegd in het Besluit Medische Hulpmiddelen en het Besluit Actieve Implantaten.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-11-2011

Laatst geautoriseerd : 01-11-2011

Mede omdat deze richtlijn voor een groot deel gebaseerd is op best practices en expert opinion zal het nodig zijn om de richtlijn te onderhouden op continue basis. Het up-to-date houden van richtlijnen op continue basis duiden we aan met het begrip ‘levende richtlijnen’. Goedbeschouwd is het meer dan dat. Beoogd wordt dat richtlijnen 'leven' bij professionals, dat kennis uit richtlijnen gebruikt wordt door behandelaars, dat er terugkoppeling plaatsvindt over toepasbaarheid in de dagelijkse praktijk en dat de richtlijnen op grond hiervan op continue basis worden herzien, zodat er voor professionals en patiënten een steeds actueel, hanteerbaar en werkzaam beslissingsondersteunend instrument voorhanden is. De Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde zijn samen verantwoordelijk voor het onderhoud van deze richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie en Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Geautoriseerd door:
  • Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Medische microbiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Urologie
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

Algemene gegevens

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is financiering verkregen van ZorgOnderzoek Nederland - medische wetenschappen (ZonMw).

Samenstelling werkgroep

Richtlijnwerkgroep

-     Dhr. Dr. A.P. Wolff, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), voorzitter

-     Dhr. Dr. R. Bekkers, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG)

-     Mw. Dr. M.A. Boermeester, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH)

-     Dhr. Drs. J.G. Bollemeijer, Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG)

-     Dhr. Dr. M. Duyvendak, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (NVZA)

-     Dhr. M. van Essen, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ)

-     Dhr. Dr. W.R. van Furth, Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie (NVVN)

-     Dhr. J. Hoekman, Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers (NVAM)

-     Mw Y. Maatjens, Landelijke Vereniging van Operatie-assistenten (LVO)

-     Mw. Dr. D. Lichtendahl, Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC)

-     Dhr. Drs. K.P. van Lienden, Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR)

-     Dhr. Dr. H.H.E. van Melick, Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU)

-     Mw. Dr. M.C.O. van den Nieuwenhuyzen, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA)

-     Mw. K. Nolte, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG)

-     Dhr. Dr. P.J. Schuil, Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied (NVKNO)

-     Mw. A. Schuurhuis, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA)

-     Dhr. Dr. W. Stooker, Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie (NVT)

-     Dhr. Dr. Ir. C.F.P. van Swol, Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF)

-     Dhr. Dr. C.P. Timmerman, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM)

-     Mw. Mr. Drs. M.M. Versluijs, Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF)

-     Mw. B. Wijsen, Stichting Kind en Ziekenhuis

 

Kerngroep

-     Dhr. Dr. A.P. Wolff, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), voorzitter

-     Dhr. Dr. R. Bekkers, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG)

-     Mw. Dr. M.A. Boermeester, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH)

-     Dhr. M. van Essen, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ)

-     Dhr. J. Hoekman, Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers (NVAM)

-     Mw Y. Maatjens, Landelijke Vereniging van Operatie-assistenten (LVO)

-     Mw. M.C.O. van den Nieuwenhuyzen, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA)

-     Mw. A. Schuurhuis, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA)

-     Dhr. M. Sprenger, Nationaal ICT Instituut in de Zorg (NICTIZ, advies)

-     Mw. Mr. Drs. M.M. Versluijs, Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF)

 

Advies

-     Dhr. Prof. Dr. J. Damen, hoogleraar Anesthesiologie en perioperatieve patientveiligheid, UMC St Radboud

-     Dhr. M. Verweij, Dhr. M.J. Hinkema, TNO (advies)

-     Dhr. P. Wortel, Nederlandse Sociëteit voor Extra Corporale Circulatie (NESECC, advies)

-     Dhr. M. Sprenger, Nationaal ICT Instituut in de Zorg (NICTIZ, advies)

 

Ondersteuning

-     Mw. Dr. M.A. Pols, senior adviseur afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit, Orde van Medisch Specialisten

-     Mw. Dr. M.M.T.J. Ouwens, senior onderzoeker, IQ healthcare, UMC St Radboud, Nijmegen

-     Mw. J.J.C. Stienen MSc, onderzoeker, IQ healthcare, UMC St Radboud, Nijmegen

Belangenverklaringen

Aan alle werkgroepleden is gevraagd een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de farmaceutische industrie aangeven. Een overzicht van deze belangenverklaringen ligt ter inzage bij de Orde van Medisch Specialisten.

Inbreng patiƫntenperspectief

De richtlijn is uiteraard gericht op verbetering van de veiligheid van zorg rondom de patiënt die een operatie moet ondergaan. Bij de ontwikkeling van de richtlijn heeft daarom het patiëntenperspectief een belangrijke rol gespeeld. In de kerngroep is geparticipeerd door de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie, en in de brede werkgroep is daarnaast vertegenwoordigd de Stichting Kind en Ziekenhuis. Een patiëntenversie van de richtlijn, geschreven vanuit het perspectief van en belang voor de patiënt, zal voor het gehele perioperatieve traject met de richtlijn Postoperatief Traject meegeleverd worden.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

De richtlijn is bedoeld voor elke zorgverlener die betrokken is bij een ingreep zoals boven beschreven.  De implementatie van de richtlijn is de verantwoordelijkheid van de instellingen en de zorgverleners. Op basis van deze richtlijn en de richtlijn Preoperatief Traject worden indicatoren en een nalevingsplan ontwikkeld die implementatie moeten bevorderen. Het is hierbij essentieel dat de professionals feedback krijgen op hun handelen. Het implementeren van deze richtlijn zal voor veel instellingen betekenen dat de organisatie moet worden aangepast en processen opnieuw moeten worden vormgegeven. Dit kost tijd en professionals zullen hierbij organisatorisch ondersteund moeten worden.  De werkgroep ziet hier ook een belangrijke rol voor de Raden van Bestuur.

 

Implementatie zal ook bevorderd worden doordat naast de Inspectie andere partijen aandacht besteden aan veiligheid op en rond de OK. Binnen het VMS-veiligheidsprogramma heeft een aantal van de thema’s betrekking op het operatieve proces (verwisselingen, postoperatieve wondinfecties), en ook de vangnetten van verzekeraar Medirisk (www.medirisk.nl) in het kader van het project ‘Schadepreventie op de OK’ zijn  bedoeld om de veiligheid op de OK te vergroten.  Deze richtlijn sluit zoveel mogelijk aan bij de VMS-thema’s, en ook de genoemde vangnetten (achterblijvende materialen, verwisselingsfouten, apparatuur en materialen, medicatiefouten, intubatieschade en positionering) komen grotendeels terug in deze richtlijn.

 

Het doel van deze richtlijn is een bijdrage te leveren aan veilige zorg rondom een operatie.  Het is bekend uit de literatuur dat aanbevelingen uit een richtlijn niet vanzelf worden nageleefd in de praktijk. Wel is bekend dat voor een goede implementatie de volgende stappen doorlopen dienen te worden (Grol, 2001):

-         Vaststellen van de wenselijke zorg of het te bereiken doel;

-         Opstellen en meten van indicatoren;

-         Bepalen waar de zorg afwijkt van de wenselijke zorg zoals beschreven in de richtlijn;

-         Nagaan hoe dit komt (barrière-inventarisatie);

-         Ontwikkelen van oplossingen (implementatiestrategie of nalevingsplan).

Naast het beschrijven van de wenselijke zorg zijn er ten behoeve van de implementatie van de richtlijn ook  indicatoren ontwikkeld, is er een barrière-inventarisatie gedaan en worden er suggesties gedaan voor een implementatiestrategie of nalevingsplan. Dit is beschreven in Hoofdstuk 3.

Werkwijze

Ontwikkeltraject

De werkgroep heeft beoogd een korte, handzame richtlijn op te stellen, waarin informatieoverdracht en afstemming van verantwoordelijkheden de belangrijkste elementen zijn. De veiligheid van de patiënt staat hierbij centraal.

Een kerngroep, ondersteund door adviseurs van de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten en van IQ healthcare, is verantwoordelijk voor het zoeken en beoordelen van de literatuur, het opstellen van de tekst, de redactie van de richtlijn en de begeleiding van het ontwikkelproces. De kerngroep legt haar resultaten voor aan een brede werkgroep van vertegenwoordigers uit het werkveld. Evidence based richtlijnontwikkeling houdt in dat op een systematische manier gezocht wordt in de wetenschappelijke literatuur naar onderbouwing van aanbevelingen, waarbij gezocht wordt naar de hoogste graad van bewijs. Wanneer geen wetenschappelijke onderbouwing voorhanden is, kunnen ervaringen van deskundigen of goede voorbeeldpraktijken gebruikt worden. Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar de organisatorische aspecten van het perioperatieve proces, vormen naast bestaande richtlijnen en adviezen, goede praktijken en ervaringen van experts belangrijke onderbouwende elementen. In dit traject is ervoor gekozen om de consensusvorming in die gevallen zo gestructureerd en transparant mogelijk te laten verlopen (zie paragraaf ‘Synmind’).

De strategie voor het zoeken naar literatuur wordt beschreven in bijlage 6.

 

Synmind

Om het proces van consensusvorming tussen experts transparant en gestructureerd te laten verlopen is gebruik gemaakt van Synmind. Synmind is een webbased methode waarmee werkgroepleden binnen een periode van enkele weken geconsulteerd werden over de voorgestelde aanbevelingen. Hierbij waren commentaren en ideeën direct zichtbaar, waardoor snel helder werd op welke gebieden wel of geen consensus was. Deelnemers konden ook op elkaars commentaar reageren. Deze werkwijze maakt de manier waarop de aanbevelingen tot stand komen meer transparant en gestructureerd: reacties van experts staan op schrift en worden bewaard. Via Synmind was snel zichtbaar op welke vlakken mensen het met elkaar eens waren en in welke mate, en op welke vlakken nog weinig consensus bestond. Dit hielp om een keuze te maken welke conceptaanbevelingen nadere discussie of bijstelling vergden. Doordat deelnemers op een kwantitatieve schaal aangaven in hoeverre zij het eens waren met een aanbeveling en dit grafisch werd weergegeven (spinnewebgrafieken), was in één oogopslag te zien in welke mate er consensus bestond over een aanbeveling. Op deze manier konden snel die aanbevelingen worden geïdentificeerd waarvoor breed draagvlak bestond en die welke aanpassing behoefden. Omdat deelnemers hun score motiveerden met argumenten, was ook direct zichtbaar waarom deelnemers het al dan niet eens waren met een aanbeveling. Op basis van de resultaten van deze consultatie werden door de projectgroep de aanbevelingen bijgesteld. De samenvatting van de Synmind-discussie is op te vragen bij de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten.

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op ‘evidence’ gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien deze aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt’, kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie zo nodig afwijken van de richtlijn (incidenteel of structureel). Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden, bij incidentele afwijkingen in het dossier van de patiënt, bij structurele afwijkingen in een lokaal protocol. De veiligheid van de patiënt dient gewaarborgd te zijn.

In deze fase van het ontwikkeltraject is nog niet gekeken naar de juridische aspecten van een perioperatief dossier (met name voor wat betreft eigenaarschap en toegankelijkheid van informatie). In een later stadium zal hieraan aandacht besteed worden.

 

Autorisatie

Deze richtlijn is voor commentaar voorgelegd aan alle betrokken verenigingen en

organisaties. Het ontvangen commentaar is door de werkgroep gewogen en waar mogelijk

verwerkt. Hierna is de aangepaste richtlijn ter autorisatie aangeboden. De volgende

verenigingen en organisaties hebben de richtlijn geautoriseerd dan wel hun instemming met

de inhoud van de richtlijn uitgesproken:

-          Landelijke Vereniging van Operatieassistenten

-          Nederlandse Orthopaedische Vereniging

-          Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers

-          Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

-          Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

-          Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd- Halsgebied

-          Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica

-          Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie

-          Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

-          Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

-          Nederlandse Vereniging voor Radiologie

-          Nederlandse Vereniging voor Urologie

-          Nederlandse vereniging voor Ziekenhuisapothekers

-          Stichting Kind en Ziekenhuis

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.