Risico aandoeningen na TIA of herseninfarct

Laatst beoordeeld: 01-05-2019

Uitgangsvraag

  1. Wat is het risico op een nieuwe manifestatie van cardiovasculaire aandoeningen nadat patiënten een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt?
  2. Welke medicamenteuze interventies zijn na een TIA of herseninfarct geïndiceerd om de kans op een nieuwe cardiovasculaire gebeurtenis te verkleinen?

 

Subuitgangsvragen

Bloeddrukverlaging

2.1 Hoe kan hypertensie het beste worden vastgesteld?

2.2 Welk antihypertensivum verdient de voorkeur na een TIA, herseninfarct of hersenbloeding?

2.3 Naar welke waarden dient bij de medicamenteuze behandeling van hypertensie bij patiënten met een TIA, herseninfarct of hersenbloeding te worden gestreefd?

2.4 Wanneer dient gestart te worden met bloeddrukverlagende therapie na een TIA of herseninfarct?

 

Cholesterolverlaging

2.5 Wanneer is er een indicatie voor cholesterolverlagende medicatie na een TIA of herseninfarct?

2.6 Welke cholesterolverlagers kunnen worden voorgeschreven na een TIA of herseninfarct?

2.7 Welke streefwaarden moeten worden bereikt voor het (LDL-)cholesterolgehalte?

Aanbeveling

1. Wat is het risico op een nieuwe manifestatie van cardiovasculaire aandoeningen nadat patiënten een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt?

Er zijn voor deze uitgangsvraag geen aanbevelingen opgesteld.

 

2. Welke medicamenteuze interventies zijn na een TIA of herseninfarct geïndiceerd om de kans op een nieuwe cardiovasculaire gebeurtenis te verkleinen?

Bloeddrukverlaging

2.1 Hoe kan hypertensie het beste worden vastgesteld?

Bevestig bij voorkeur de bereikte bloeddrukwaarden met thuis of ambulant gemeten bloeddruk bij de behandeling van hypertensie bij patiënten met een TIA of herseninfarct. Eventueel kan als alternatief een automatische bloeddrukmeting in het ziekenhuis worden overwogen van 30 minuten (met interval van tenminste vijf minuten en weglaten van de eerste meting).

 

2.2 Welk antihypertensivum verdient de voorkeur na een herseninfarct?

Bepaal de aard van de antihypertensieve behandeling na een TIA, herseninfarct of hersenbloeding op grond van individuele patiëntkarakteristieken (zoals etnische afkomst, comorbiditeit en leeftijd). Voor combinatietherapie is er het meeste bewijs van effectiviteit voor een combinatie van een thiazidediureticum en een ACE-remmer (of angiotensine-receptorblokkers (ARB)). Een combinatie van een calciumantagonist en ACE-remmer (of ARB) lijkt daarbij een goed alternatief.

 

2.3 Naar welke waarden dient bij de medicamenteuze behandeling van hypertensie bij patienten met een TIA of herseninfarct te worden gestreefd?

Initieer of intensiveer bloeddrukverlagende therapie bij patiënten met hypertensie die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt met als doel de bloeddruk te verlagen tot lager dan 140 mmHg systolisch en lager dan 90 mmHg diastolisch, tenzij hiervoor een absolute contra-indicatie bestaat. Voor zowel het ambulante daggemiddelde als de thuis gemeten bloeddruk is de streefwaarde minimaal 135/85 mm Hg.

 

2.4 Wanneer dient gestart te worden met bloeddrukverlagende therapie na een TIA of herseninfarct/-bloeding?

Start behandeling met antihypertensiva na een TIA of herseninfarct als de patiënt medisch en neurologisch stabiel is, en orale of enterale toediening mogelijk is.

 

Bloeddrukken boven de 220/120 mmHg moeten worden gezien als een medisch noodgeval, en verlaging van de MAP met 15% met bij voorkeur labetalol is daarbij geïndiceerd. Dit komt overeen met het streven naar een maximale bloeddruk van 185/110 mmHg.

 

Cholesterolverlaging

2.5 Wanneer is er een indicatie voor cholesterolverlagende medicatie na een TIA of herseninfarct?

[Placeholder]

 

2.6 Welke cholesterolverlagers kunnen worden voorgeschreven na een TIA of herseninfarct?

Aanbevelingen over de keuze van het cholesterolverlagende middel worden gedaan in paragraaf 2.7.

 

2.7 Welke streefwaarden moeten worden bereikt voor het (LDL-)cholesterolgehalte?

Kies voor een statine bij patiënten met een TIA/herseninfarct en atherosclerose van de grote vaten of coronairlijden of perifeer arterieel vaatlijden of een lacunair infarct.

 

Streef bij deze patiënten met behulp van statines naar een LDL-cholesterolgehalte van <1,8 mmol/l (70 mg/dl in internationale literatuur).

 

Overweeg indien dat doel niet wordt gehaald om de statinebehandeling te intensiveren tot atorvastatine 80 mg of rosuvastatine 40 mg en/of ezitimibe 10 mg toe te voegen.

 

Schrijf geen statines voor aan patiënten met een TIA of herseninfarct met uitsluitend cardio-embolische oorzaak of zeldzame, andere oorzaken zoals een dissectie, tenzij deze patiënten door vasculaire risicofactoren in een groep met zodanig hoog cardiovasculair risico vallen dat op basis daarvan behandeling met statines geïndiceerd is. In dat geval wordt behandeling met statines van matige intensiteit (bijvoorbeeld simvastatine 20 tot 40 mg, atorvastatine 10 tot 20 mg, rosuvastatine 5 tot 10 mg) aanbevolen, waarbij een streefwaarde voor het LDL-cholesterol < 2,5 mmol/l dient te worden nagestreefd.

 

In de praktijk kan het moeilijk zijn de streefwaarde van < 1,8 mmol/l, respectievelijk <2,5 mmol/l te halen. Intensiveer de behandeling alleen bij gedocumenteerde therapietrouw.

 

Gezien het hoge uitgangsrisico van deze groep patiënten gelden deze aanbevelingen ook voor patiënten ouder dan 80 jaar, tenzij de levensverwachting sterk is gereduceerd.

Overwegingen

2.3 Naar welke waarden dient bij de medicamenteuze behandeling van hypertensie bij patienten met een TIA of herseninfarct te worden gestreefd?

Kenmerkend voor alle studies is dat het belangrijkste risicoreducerende effect bepaald wordt door verlaging van de bloeddruk: indien meer bloeddrukdaling wordt bereikt, wordt een grotere risicoreductie waargenomen met betrekking tot recidief herseninfarct en overige vasculaire aandoeningen. Vooralsnog is er geen bewijs dat bloeddrukbehandeling tot waarden lager dan 130/80 mmHg het risico op een recidief herseninfarct of overige vasculaire aandoening verder verlaagt. Hoewel er geen J-curve lijkt voor het optreden van (recidief) herseninfarct bij verdere bloeddrukverlaging zijn er uit andere grote onderzoeken aanwijzingen dat een lagere bloeddruk geassocieerd is met een grotere kans op cardiovasculaire complicaties.

 

2.4 Wanneer dient gestart te worden met bloeddrukverlagende therapie na een TIA of herseninfarct/-bloeding?

Omdat er geen gegevens bekend zijn over het beste moment om te starten met de behandeling van hypertensie na een TIA, is de werkgroep van mening dat het redelijk is om antihypertensieve medicatie pas te starten als patiënten medisch en neurologisch stabiel zijn, en orale of enterale toediening mogelijk is. Meer studies zijn nodig om te bepalen welke patiënten meest waarschijnlijk baat hebben bij vroege behandeling, en vooral of behandeling binnen 6 uur leidt tot betere uitkomsten.

 

Er lijken echter wel bovengrenzen aan de bloeddruk in de acute fase te bestaan. In de richtlijn Hypertensieve crisis wordt het herseninfarct met een bloeddruk >220/120 mmHg expliciet als zogenaamd hypertensief noodgeval genoemd. In deze richtlijn wordt geadviseerd om dan wel te starten met behandeling om het risico op hypertensieve complicaties in de acute fase van een herseninfarct te beperken. Bij deze behandeling wordt geadviseerd te streven naar een verlaging van de gemiddelde arteriële bloeddruk (MAP) met 15%, bij voorkeur met labetalol (Jauch, 2013). Hierbij moet wel opgemerkt worden dat deze grenswaarde voor de bloeddruk tot stand is gekomen op basis van consensus van een panel en dus expert opinion. Dit advies komt overigens overeen met het streven naar een maximale bloeddruk van 185/110 mmHg zoals ook als bovengrens bij de indicatiestelling voor de behandeling met intraveneuze trombolytica wordt aangehouden.

 

2.5 Wanneer is er een indicatie voor cholesterolverlagende medicatie na een TIA of herseninfarct?

[Placeholder]

 

2.7

De werkgroep stelt een streefwaarde-gerichte aanpak voor bij patiënten na een TIA of herseninfarct met een hoog risico op cardiovasculaire events. Bij patiënten met een aangetoonde atherosclerose (atherosclerose van de grote vaten of coronairlijden of perifeer arterieel vaatlijden in de voorgeschiedenis) of een vermoede relatie van de TIA/het herseninfarct met atherosclerose (bij patiënten met een lacunair infarct) bestaat er indicatie om met behulp van statines van hoge intensiteit te streven naar een LDL-cholesterolgehalte lager dan 1,8 mmol/l. Dit omdat het onderscheid tussen zogenaamde ‘large vessel’ en ‘small vessel disease’ in de verschillende trials niet altijd gemaakt is, naast het gegeven dat patiënten met een lacunair infarct vaak ook een hoog cardiovasculair risico hebben. Bij patiënten met vasculaire risicofactoren maar zonder bewezen atherosclerose van de grote vaten is het advies te behandelen met statines van matige intensiteit met een streefwaarde van een LDL-cholesterolgehalte <2,5 mmol/l. Bij overige oorzaken van een herseninfarct, zoals een dissectie, is er geen indicatie voor het behandelen met een statine.

Inleiding

Patiënten met een cerebrovasculaire aandoening hebben een sterk verhoogd risico op een nieuwe cardiovasculaire gebeurtenis of overlijden. Dit risico is vergelijkbaar met patiënten die een coronaire hartziekte hebben (Amarenco, 2006; LaRosa, 2006).  In het meest recente systematische onderzoek was het 1-jaars risico 11,1% (95% BI 9,0 tot 13,3) en het 5-jaars risico op een recidief herseninfarct of hersenbloeding 26,4% (95% BI 20,1 tot 32,8). Hierbij leek het cumulatieve risico na één respectievelijk vijf jaar in de loop van de jaren af te nemen (Mohan, 2011). Dit laatste zou wijzen op een afname door betere secunaire preventie in de laatste jaren.  Nederlands onderzoek suggereerde echter dat tot 10 jaar na een TIA of licht herseninfarct het risico constant blijft (Van Wijk, 2005).  Na een TIA is de incidentie van een herseninfarct binnen 90 dagen gemiddeld tussen de 7 en 14%; dit risico kan nauwkeuriger worden ingeschat door de ABCD2-score (Age, Blood pressure, Clinical features, Duration, Diabetes) (Johnston, 2007). Het relatieve risico blijkt groter bij een leeftijd >60 jaar (RR 1,5), een bloeddruk >140/90 mmHg (RR 1,6), en de aanwezigheid van diabetes (RR 1,7); voor ieder van deze drie factoren is het 95% BI ongeveer 1,2 tot 2,0 (Johnston, 2007). Deze cijfers suggereren dat het terugdringen van modificeerbare risicofactoren de recidiefkans op een herseninfarct kan verlagen.

Conclusies

1. Wat is het risico op een nieuwe manifestatie van cardiovasculaire aandoeningen nadat patiënten een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt?

 

 

Patiënten hebben na een TIA of herseninfarct een vergelijkbaar risico om te overlijden als patiënten met een coronaire hartziekte.

 

 

Na een TIA zijn leeftijd, hypertensie en diabetes sterk geassocieerd met het risico om opnieuw een herseninfarct te krijgen.

 

2. Welke medicamenteuze interventies zijn na een TIA of herseninfarct geïndiceerd om de kans op een nieuwe cardiovasculaire gebeurtenis te verkleinen?

Bloeddrukverlaging

2.1 Hoe kan hypertensie het beste worden vastgesteld?

 

Ambulante of thuis gemeten bloeddrukwaarden voorspellen het cardiovasculaire risico beter dan de bloeddruk die wordt gemeten in de spreekkamer.

 

2.2 Welk antihypertensivum verdient de voorkeur na een herseninfarct?

 

De keuze uit de diverse klassen antihypertensiva kan worden gemaakt op grond van individuele patiëntkarakteristieken (zoals etnische afkomst, comorbiditeit en leeftijd). Indien gekozen wordt voor combinatietherapie is er het meeste bewijs voor een combinatie van een thiazidediureticum met een ACE-remmer (of ARB); een combinatie van een calciumantagonist en ACE-remmer (of ARB) lijkt daarbij een goed alternatief.

 

2.3 Naar welke waarden dient bij de medicamenteuze behandeling van hypertensie bij patienten met een TIA of herseninfarct te worden gestreefd?

 

Voor patiënten die een TIA, herseninfarct of hersenbloeding hebben doorgemaakt is bewezen dat verlaging van de bloeddruk tot minstens 140/90 mmHg het risico op cardiovasculaire uitkomsten verlaagt. Er is onvoldoende bewijs dat verdere verlaging tot onder 130/80 mmHg het risico verder vermindert.

 

2.4 Wanneer dient gestart te worden met bloeddrukverlagende therapie na een TIA of herseninfarct/-bloeding?

 

Het is niet aangetoond dat verlaging van de bloeddruk in de acute fase van het herseninfarct leidt tot een vermindering van het risico op een recidief herseninfarct of vermindering van hart- en vaatziekten of verbetering van de functionele uitkomst.

 

 

Er is geen aanwijzing dat vroege behandeling met antihypertensiva leidt tot slechtere uitkomsten

 

 

Er zijn consistente aanwijzingen dat behandeling van hypertensie binnen 6 uur is geassocieerd met verbeterde functionele uitkomst.

 

 

Er zijn geen gegevens bekend over het beste moment om te starten met de behandeling van hypertensie na een TIA.

 

2.5 Wanneer is er een indicatie voor cholesterolverlagende medicatie na een TIA of herseninfarct?

[Placeholder]

 

2.6 Welke cholesterolverlagers kunnen worden voorgeschreven na een TIA of herseninfarct?

 

Ezetimibe geeft een 15-20% extra vermindering van het LDL-cholesterol, maar er is geen bewijs dat toevoeging van ezetimibe bij patiënten na een TIA of herseninfarct de recidiefkans of het risico op overige cardiovasculaire aandoeningen vermindert, terwijl dit bij patiënten met coronaire hartziekten wel recent is aangetoond.

 

2.7

 

Behandeling van patiënten na een TIA of herseninfarct met een statine van matige tot hoge intensiteit verlaagt het risico op overige cardiovasculaire aandoeningen met 20% (simvastatine 40 mg) tot 26% (atorvastatine 80 mg).

 

Bronnen (Amarenco, 2006)

 

 

Voor oudere patiënten is er beperkt bewijs dat intensieve behandeling met statines leidt tot risicoreductie op cardiovasculaire eindpunten, inclusief mortaliteit.

 

Samenvatting literatuur

1. Wat is het risico op een nieuwe manifestatie van cardiovasculaire aandoeningen nadat patiënten een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt?

Patiënten met een cerebrovasculaire aandoening hebben een 45% verhoogd risico op een nieuwe cardiovasculaire gebeurtenis of overlijden. Dit risico is vergelijkbaar met patiënten die een coronaire hartziekte hebben doorgemaakt (Xu, 2015). In het meest recente systematische onderzoek was het 1-jaars risico 11,1% (95% BI 9,0 tot 13,3) en het 5-jaars risico op recidief stroke 26,4% (95% BI 20,1 tot 32,8). Hierbij leek het cumulatieve risico na één respectievelijk vijf jaar in de loop van de jaren af te nemen (Mohan, 2011). Dit laatste zou wijzen op een afname door betere secunaire preventie in de laatste jaren. Nederlands onderzoek suggereerde echter dat tot 10 jaar na een TIA of licht herseninfarct het risico constant blijft (Van Wijk, 2005). Na een TIA is de incidentie van een herseninfarct binnen 90 dagen gemiddeld tussen de 7 en 14%; dit risico kan nauwkeuriger worden ingeschat door de ABCD2-score (Age, Blood pressure, Clinical features, Duration, Diabetes) (Johnston, 2007). Het relatieve risico blijkt groter bij een leeftijd >60 jaar (RR 1,5), een bloeddruk >140/90 mmHg (RR 1,6), en de aanwezigheid van diabetes (RR 1,7); voor ieder van deze drie factoren is het 95% BI ongeveer 1,2 tot 2,0 (Johnston, 2007). Deze cijfers suggereren dat het terugdringen van modificeerbare risicofactoren de recidiefkans op een herseninfarct kan verlagen.

 

2. Welke medicamenteuze interventies zijn na een TIA of herseninfarct geïndiceerd om de kans op een nieuwe cardiovasculaire gebeurtenis te verkleinen?

Bloeddrukverlaging

2.1 Hoe kan hypertensie het beste worden vastgesteld?

Hypertensie is de belangrijkste risicofactor voor zowel een eerste als een recidief herseninfarct of hersenbloeding (O’Donnell, 2010; PROGRESS Collaborative Group, 2001). Vanwege de variabiliteit van de bloeddruk moet de diagnose hypertensie gebaseerd zijn op tenminste twee metingen, die afhankelijk van de hoogte van de bloeddruk, verspreid zijn over meerdere visites: bij hoge bloeddrukwaarden dient dit interval kort te zijn (dagen), bij lagere bloeddrukwaarden kan een langer interval (weken tot maanden) gehanteerd worden (CBO, 2011). Intervallen langer dan twee tot drie maanden bij het controleren van de bloeddruk zijn geassocieerd met een hoger risico op hart- en vaatziekten en overlijden (Xu, 2015).

 

Het meten van de bloeddruk in de spreekkamer komt matig overeen met de 24-uurs ambulante bloeddrukmeting of thuisgemeten bloeddruk (Little BMJ, 2002). Vergeleken met de spreekkamermeting geven zowel de ambulante bloeddrukmeting als thuis gemeten bloeddruk een betere voorspelling van het risico op hart- en vaatziekten (Dolan, 2005; Kario, 2014). Daarbij is het verschil tussen tijdens het spreekuur en ambulante of thuis gemeten bloeddrukwaarden niet voorspellend voor cardiovasculaire uitkomsten (onder andere Verdecchia, 1997; Kario, 2014). Bovendien zijn er aanwijzingen dat overbehandeling kan worden beperkt omdat het witte-jas-effect ontbreekt. In een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek onder 419 patienten was bloeddrukbehandeling op basis van ambulante meting geassocieerd met een even grote vermindering van linkerventrikelhypertrofie als behandeling op basis van de spreekuurbloeddruk, maar met minder bloeddrukverlagende medicatie. Vanwege de additionele kosten was behandeling op basis van 24-uurs bloeddrukmeting echter niet goedkoper (Staessen, 1997). Twee latere onderzoeken lieten zien dat behandeling van bloeddruk op basis van thuisgemeten waarden leidt tot minder medicatie zonder verschil in hypertensieve orgaanschade in vergelijking met spreekuurbloeddruk en bovendien kosteneffectief is (Staessen, 2004; Verberk, 2007).

 

Als alternatief voor het gebruik van ambulant en thuis gemeten bloeddrukwaarden kan een automatische bloeddrukmeting in de spreekkamer worden overwogen: een 30-minuten meting van de bloeddruk met een interval van vijf minuten en weglaten van de 1ste meting lijkt goed te correleren met het ambulante daggemiddelde (Van der Wel, 2011). Belangrijk is dat de normaalwaarden voor zowel de ambulante bloeddrukmeting als thuis gemeten bloeddruk lager liggen. Bij een streefwaarde voor de spreekuurbloeddruk van <140/90 mm Hg is voor zowel het ambulante daggemiddelde als de thuis gemeten bloeddruk de normaalwaarde <135/85 mmHg (CBO, 2011). Voor aanvullende informatie over de indicaties van thuis- en ambulante bloeddrukmeting zie ook noot 14 van de CBO-richtlijn cardiovasculair risicomanagement.

 

2.2 Welk antihypertensivum verdient de voorkeur na een herseninfarct?

Onder de antihypertensiva die in gerandomiseerde onderzoeken bij patienten met een herseninfarct zijn onderzocht vallen beta-blokkers, renine-angiotensine-systeem(RAS)-blokkers (bestaande uit twee groepen antihypertensiva, namelijk de angiotensine-converterend-enzym(ACE)-remmers en angiotensine-receptorblokkers (ARB’s)), diuretica en calciumantagonisten. Het effect van bloeddrukverlaging op cardiovasculaire uitkomsten bij patiënten na een TIA of herseninfarct is in vijf studies onderzocht, waarvan één studie bij uitsluitend Chinese patiënten werd verricht (Post Stroke Antihypertensive Treatment Study; PATS). Deze laatste studie wordt verder buiten beschouwing gelaten.

 

Beta-blokkers: In de Dutch TIA trial werden in totaal 1473 patienten met een TIA of niet-invaliderend herseninfarct gerandomiseerd tussen atenolol 50 mg of placebo (Dutch TIA trial, 1993). Na een gemiddelde follow-up duur van 2,6 jaar was het risico op recidief herseninfarct niet significant verschillend (RR 0,82; 95% BI 0,57 tot 1,19) tussen atenolol en placebo. Ook het risico op gecombineerde cardiovasculaire uitkomsten was niet verschillend (RR 1,00; 95% BI 0,76 tot 1,33). In de groep die atenolol kreeg daalde de gemiddelde bloeddruk met 6/3 mmHg ten opzichte van placebo. In de met atenolol behandelde groep traden meer bijwerkingen op dan in de groep die placebo kreeg. In een multi-center studie in Zweden (TEST-studie) werden 720 hypertensive patienten binnen drie weken na een herseninfarct gerandomiseerd tussen atenolol 50 mg en placebo (Eriksson, 1995). Na een follow-up duur van 2,5 jaar was er geen verschil in het primaire eindpunt, overlijden door recidief herseninfarct (RR 1,80; 95% BI 0,54 tot 2,16) of (niet-fataal) recidief herseninfarct (RR 0,98; 95% BI 0,68 tot 1,40). Het verschil in bloeddruk tussen de twee groepen was 4/3 mmHg ten voordele van de met atenolol behandelde groep. De studie werd voortijdig afgebroken omdat de beoogde inclusie niet werd gehaald. Een meta-analyse van deze twee studies liet evenmin een verschil tussen atenolol en placebo zien met een RR van 0,95 (95% BI 0,76 tot 1,18) voor het risico op recidief herseninfarct en een RR van 1,01 (95% BI 0,84 tot 1,21) voor het risico op andere belangrijke cardiovasculaire gebeurtenissen (Lee, 2012).

 

RAS-blokkers en diuretica: In de Perindopril protection against recurrent stroke study (PROGRESS), werden 6105 patiënten gerandomiseerd die in de afgelopen vijf jaar een herseninfarct, TIA of hersenbloeding hadden doorgemaakt naar behandeling met perindopril met of zonder indapamide versus placebo. Behandeling met perindopril met of zonder indapamide leidde tot een gemiddelde bloeddrukverlaging van 9/4 mmHg bij een uitgangsbloeddruk van 147/86 mmHg in de actief behandelde groep vergeleken met placebo en resulteerde in een 28% risicoreductie op het primaire eindpunt recidief herseninfarct (95% BI 17 tot 38%). De absolute risicoreductie was 4%, de NNT voor vier jaar om een herseninfarct te voorkomen bedroeg 25 (PROGRESS Collaborative Group, 2001). Daarnaast daalde het risico op alle belangrijke vasculaire uitkomsten (naast herseninfarct, myocardinfarct en overlijden door een vasculaire oorzaak) met 26% (95% BI 16 tot 34%, NNT voor vier jaar: 20). Er was geen significant verschil in sterfte tussen de twee groepen, met een risicoreductie van 4% (95% BI -12 tot 18%) tussen de behandelde groep en placebo. Uit de subanalyse bleek dat alleen de gecombineerde behandeling van perindopril en indapamide effectief was met een relatieve risicoreductie van 43% (95% BI 30 tot 54%), terwijl de risicoreductie bij monotherapie met perindopril niet significant verschillend was ten opzichte van placebo (RR 5%; 95% BI -19% tot 23%).

 

RAS-blokkers: In de PROFESS-studie (Yusuf, 2008) werden 20.332 patiënten met een herseninfarct gerandomiseerd tussen de angiotensine-receptorblokker (ARB) telmisartan of placebo. Gedurende een gemiddelde follow-up duur van 30 maanden was de systolische bloeddruk 4 mmHg lager in de telmisartangroep in vergelijking met de met placebo behandelde groep. Behandeling met telmisartan leidde niet tot een significante vermindering van het risico op recidief herseninfarct (8,7% in de telmisartangroep en 9,2% in de placebogroep; RR 0,95; 95% BI 0,86 tot 1,04). Ook was er geen verschil in andere cardiovasculaire uitkomsten of sterfte. Op basis van een eerdere meta-analyse vóór het uitkomen van de PROFESS-studie naar secundaire preventie door bloeddrukverlaging bij in totaal 15.527 patiënten in totaal zeven studies was de reductie van het risico op een recidief herseninfarct 24% (relatief risico: 0,76; 95% BI 0,63 tot 0,92) (Zhang, 2006). Als een diureticum het hoofdbestanddeel vormde van de behandeling, was het RR op een recidief herseninfarct 0,63 (95% BI 0,55 tot 0,73). Voor RAS-blokkers werd geen risicoreductie aangetoond (RR 0,92; 95% BI 0,79 tot 1,09). In een recentere meta-analyse is het effect van ACE-remmers en ARB’s op het recidief risico en cardiovasculaire gebeurtenissen bij patiënten met een herseninfarct opnieuw onderzocht (Lee, 2012). Naast de hier besproken studies werden in de meta-analyse vijf andere grote onderzoeken geïncludeerd waaruit de subgroepen die een herseninfarct hadden doorgemaakt waren geselecteerd. De geaggregeerde data lieten ditmaal een bescheiden winst zien voor ACE-remmers en ARB’s bij het voorkomen van een recidief herseninfarct (RR 0,93; 95% BI 0,86 tot 0,99) en belangrijke cardiovasculaire aandoeningen (RR 0,91; 95% BI 0,87 tot 0,97).

 

Calciumantagonisten: De MOSES-studie vergeleek het effect van de calciumblokker nitrendipine en de ARB eprosartan bij 1405 hypertensieve patienten die in de laatste 24 maanden een TIA of herseninfarct hadden doorgemaakt (Schrader, 2005). Eindpunt was een aggregaat van cardiovasculaire en cerebrovasculaire gebeurtenissen. Behandeling met eprosartan leidde tot een lager risico op het gecombineerde eindpunt, wat vooral werd gedreven door het verschil in cardiovasculaire gebeurtenissen (RR 0,69; 95% BI 0,50 tot 0,97). De bereikte bloeddrukdaling was niet verschillend tussen beide groepen. De deelnemers en artsen waren op de hoogte van de studiemedicatie, maar de eindpunten van de studie werden geblindeerd onderzocht (PROBE-design). Tijdens het onderzoek kregen meer patiënten in de nitrendipine groep een ACE remmer of ARB, terwijl in de eprosartan groep meer patienten een calciumantagonist kregen. Zowel het PROBE-design als de medicatieverschillen tijdens het onderzoek kunnen van invloed zijn geweest op de uitkomsten. Daarnaast beperkt de verstreken tijd tussen het optreden van een TIA of herseninfarct en de start van de studie de toepasbaarheid van de onderzoeksuitkomsten.

 

Besluit

De studies naar het meest optimale bloeddrukverlagende geneesmiddel bij patiënten met een TIA of herseninfarct laten zien dat er geen bewijs is dat beta-blokkers het recidief risico op een herseninfarct of andere cardiovasculaire gebeurtenis bij deze patiënten gunstig beïnvloeden. Voor ACE-remmers en ARB’s is een significante, maar bescheiden vermindering van het risico op een recidief herseninfarct of belangrijke cardiovasculaire gebeurtenis aantoonbaar. Alleen voor diuretica in combinatie met een ACE-remmer of ARB is een belangrijke reductie van het recidief risico op een herseninfarct aangetoond. Voor calciumantagonisten is slechts beperkt bewijs beschikbaar: vergeleken met een ARB was geen verschil waarneembaar in het recidief risico in een onderzoek van matige kwaliteit. Daarnaast dient vermeld te worden dat bij de primaire preventie van een hersenbloeding of herseninfarct bij patiënten met hypertensie calciumantagonisten een iets betere bescherming lijken te geven met betrekking tot het risico op een herseninfarct dan ACE-remmers (Law, 2009; Verdecchia, 2005).

 

Hieruit wordt geconcludeerd dat behandeling met middelen die aangrijpen op het renine-angiotensine-systeem, de zogenaamde RAS-blokkers, een significante vermindering geven van de kans op recidief herseninfarct (Lee, 2012; PROGRESS collaborative group, 2001; Yusuf, 2008; Arima, 2006).

 

Verlaging van de bloeddruk na een herseninfarct vermindert de kans op een recidief TIA of herseninfarct vooral indien een diureticum onderdeel is van de behandeling (Zhang 2006; PROGRESS Collaborative Group, 2001).

 

Het is niet aangetoond dat behandeling met beta-blokkers na een TIA of herseninfarct leidt tot een vermindering van het risico op een recidief herseninfarct of andere cardiovasculaire gebeurtenis bij patiënten met een herseninfarct (Erikkson, 1995).

 

Na een TIA of herseninfarct geeft alleen het starten van een diureticum een bewezen reductie van de kans op een nieuw herseninfarct. Het behandelen met een ACE-remmer in combinatie met een diureticum geeft reductie van het risico op een recidief herseninfarct maar ook op vasculaire eindpunten. Voor calciumantagonisten bestaan onvoldoende gegevens met betrekking tot secundaire preventie na herseninfarct. Betablokkers lijken minder effectief voor het verlagen van de bloeddruk.

 

2.3 Naar welke waarden dient bij de medicamenteuze behandeling van hypertensie bij patienten met een TIA of herseninfarct te worden gestreefd?

In zowel de Dutch TIA trial als de TEST-studie was de bloeddruk voor aanvang van de studie relatief hoog met een uitgangswaarde van gemiddeld 158/91 mmHg voor de Dutch TIA trial en een uitgangsbloeddruk van 161/88 mmHg voor de TEST-studie. In beide studies was de bereikte bloeddrukdaling relatief gering en het uiteindelijke effect op uitkomsten niet significant. In PROFESS was de gemiddelde bloeddruk bij aanvang 144 mmHg in zowel de met telmisartan behandelde groep als in de placebogroep en werd gedurende het onderzoek een bloeddruk bereikt van gemiddeld 138 mmHg in de telmisartangroep en 141 mmHg in de placebogroep. In PROGRESS was de gemiddelde bloeddruk 147/86 mmHg bij aanvang van de studie. Deze daalde in de actief behandelde groep met 9/4 mmHg ten opzichte van placebo naar een waarde van ongeveer 132/79 mmHg in de behandelde groep tegen 141/83 mmHg in de placebogroep. In de MOSES-studie werden twee actieve behandelarmen vergeleken, die niet verschilden in effect op de bloeddruk. In deze studies, waarin specifiek gekeken is naar patiënten met een TIA of herseninfarct is een streefwaarde tussen de 130 en 140 mmHg voor de systolische bloeddruk en tussen de 80 en 90 mmHg voor de diastolische bloeddruk geassocieerd met positieve uitkomsten.

 

Overige overwegingen: grote observationele studies in hoog-risico-patiënten – waaronder een TIA of herseninfarct - laten zien dat er geen aanwijzingen zijn voor een toename van het risico op een herseninfarct bij lagere bloeddrukwaarden (de zogenaamde J-curve) (Arima, 2006). Voor het risico op coronaire hartziekten lijkt een J-curve echter wel te bestaan (Messerli, 2006; Bangalore, 2010). Daarnaast hebben enkele grote gerandomiseerde studies laten zien dat bij patiënten met een hoog risico op hart- en vaatziekten of diabetes mellitus bloeddrukbehandeling bij waarden onder de 140/90 mmHg niet leidt tot een verdere vermindering van cardiovasculaire gebeurtenissen en mogelijk schadelijk is (Yusuf, 2008; Haller, 2011; Parving, 2012). Voor patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt is dit niet uitgezocht, en ontbreekt specifiek bewijs dat bloeddrukbehandeling tot waarden <130/80 mmHg het risico op een recidief herseninfarct of andere hart- en vaatziekten vermindert.

 

2.4 Wanneer dient gestart te worden met bloeddrukverlagende therapie na een TIA of herseninfarct/-bloeding?

In de literauur zijn tegenstrijdige resultaten van vroege antihypertensive behandeling van patiënten met een herseninfarct beschreven.

 

Behandeling van hypertensie in de eerste vijf tot zeven dagen na een acuut herseninfarct lijkt geassocieerd met een slechtere neurologische uitkomst in een oudere studie met hoge doses intraveneuze nimodipine. De behandeling was niet primair gericht op bloeddrukverlaging, maar op neuroprotectie. In deze Intravenous Nimodipine West European Stroke Trial (INWEST) werd onderzocht of behandeling met intraveneus nimodipine in hoge dosering (nimodipine 1 mg/uur, 2 mg/uur of placebo gedurende vijf dagen) de functionele neurologische uitkomst zou verbeteren bij patiënten met een acuut herseninfarct. Het onderzoek werd vroegtijdig afgebroken na inclusie van 295 van de 600 patiënten vanwege aanwijzingen voor neurologische verslechtering in de groep die nimodipine kreeg toegediend (Ahmed, 2003). Dalingen van 10 tot 20% en ≥20% van de diastolische bloeddruk waren geassocieerd met een slechtere neurologische uitkomst of overlijden in de groep die de hoge dosis nimodipine kreeg, met odds ratio’s van 2,97 (95% BI 1,16 tot 7,63) en 4,36 (95% BI 1,63 tot 11,7). Voor lagere doseringen nimodipine en bloeddrukdalingen <10% was het verschil niet significant (INWEST, 2000).

 

In de Scandinavian Acute Stroke Trial (SCAST) werden 2029 patiënten met een acuut herseninfarct gerandomiseerd tussen behandeling met candesartan of placebo (Sandset, 2011). Gedurende de behandelperiode van zeven dagen was de bloeddruk bij patiënten die candesartan kregen 147/82 mmHg versus 152/84 mmHg in de placebogroep. Na zes maanden was het risico op het samengestelde eindpunt (vasculair overlijden, hartinfarct en herseninfarct of hersenbloeding) niet verschillend tussen beide groepen (gecorrigeerde hazard ratio 1,09; 95% BI 0,84 tot 1,41; p=0,52). Het hogere risico op een slechte functionele uitkomst (mRS, gecorrigeerde common odds ratio 1,17; 95% BI 1,00 tot 1,38) in de interventiegroep kan niet goed verklaard worden door een toename in vasculaire eindpunten of door bloeddrukverschil tussen beide groepen (Sandset, 2011). In een secundaire analyse leek het effect van de behandeling binnen 6 uur juist gunstig (Jusofic, 2016).

 

In de gerandomiseerde multicenter ENOS-studie werd behandeling met transcutaan glyceryl-trinitraat vergeleken met placebo bij 4011 patienten. De helft van hen continueerde de antihypertensieve behandeling met orale medicatie, de andere helft niet. Er werd geen effect van de acute interventie op de functionele uitkomst (mRS na 3 maanden) gevonden (geadjusteerde common odds ratio 1,01; 95% BI 0,91 tot 1,13; p=0,83). Ook hier waren aanwijzingen dat in de vooraf gedefinieerde subgroep van patiënten die binnen 6 uur werden behandeld, een gunstig effect van de behandeling op de primaire uitkomst bestond (geadjusteerde common odds ratio 0,55; 95% BI 0,36 tot 0,84; p=0,03).

 

In een Cochrane analyse van alle studies die acute antihypertensieve behandeling vergeleken met standaardbehandeling werd eveneens geen effect gevonden (OR 0,98; 95% BI 0,92 tot 1,05), maar wel in de groep die binnen zes uur werd behandeld (OR 0,86; 95% BI 0,76 tot 0,99).

 

Terzijde noemen we de de Express-studie (Rothwell, 2007). Hierin werd in twee opeenvolgende periodes gekeken naar het effect van snelle preventieve maatregelen (fase 2) - bestaande uit plaatjesremming, een statine en bloeddrukverlaging - vergeleken met standaardbehandeling (fase 1) bij patiënten na een TIA of klein herseninfarct. Het primaire eindpunt was het risico op een herseninfarct na 90 dagen. In fase 2 werd binnen één dag (interquartile range (IQR) nul tot drie dagen) gestart met secundaire preventie terwijl in fase 1 gemiddeld na 20 (IQR acht tot 53 dagen) met medicatie werd gestart. In de groep die snel behandeld werd was de kans op een herseninfarct 2,1% na 90 dagen, terwijl in de groep die minder snel behandeld werd het recidief risico 10,3% was (hazard ratio 0,20; 95% BI 0,08 tot 0,49). Deze studie laat zien dat een snelle, geïntegreerde aanpak bij patiënten na een TIA of klein herseninfarct geassocieerd is met betere uitkomsten. In de groep die snelle preventieve maatregelen kreeg had 60% minder dan 5 dagen additionele anti-hypertensiva in vergelijking met minder dan 10% in de conservatief behandelde groep. Voor het starten van plaatjesremming en cholesterolverlagende therapie waren de percentages vergelijkbaar.

 

Voor de behandeling van hypertensie bij patiënten met een hersenbloeding wordt verwezen naar de module ‘Bloeddrukverlaging bij hersenbloeding’.

 

2.5 Wanneer is er een indicatie voor cholesterolverlagende medicatie na een TIA of herseninfarct?

[Placeholder]

 

2.6 Welke cholesterolverlagers kunnen worden voorgeschreven na een TIA of herseninfarct?

De effectiviteit van HMG co-A reductase remmers (statines) bij patiënten met hart- en vaatziekten is aangetoond, ongeacht de initiële hoogte van het cholesterolgehalte. Gericht op patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt heeft een meta-analyse van 90.000 patiënten aangetoond dat hoe groter de LDL-cholesterolverlaging bereikt met statines, hoe lager het risico op een recidief herseninfarct (Baigent, 2005). Ook is aangetoond dat de opbrengst van behandeling met statines groter is naarmate er ernstigere atherosclerose is of het 10-jaarsrisico op ziekte of sterfte door een cardiovasculaire aandoening hoger is. Tot op heden is in de relevante onderzoeken geen voordeel van behandeling met andere cholesterolverlagende therapie (fibraten, nicotinezuur, omega-3-vetzuren, ’cholesterol ester transfer protein’ (CETP-)remmers) aangetoond en het voorschrijven hiervan wordt in de huidige richtlijnen dan ook niet geadviseerd. De IMPROVE-IT studie onderzocht bij meer dan 15.000 patiënten die een acuut coronair syndroom hadden doorgemaakt of ezetimibe 10 mg plus simvastatine 40 mg effectiever is in het voorkomen van een nieuwe cardiovasculaire gebeurtenis in vergelijking met simvastatine 40 mg alleen (Eisen, 2016). Behandeling met ezetimibe als comedicatie naast simvastatine gaf na zeven jaar een extra 15 tot 20% verlaging van het LDL-cholesterol met een bescheiden relatieve risicoreductie van 6,4% vergeleken met simvastatine alleen (p=0,016) Hierbij was er een significante reductie van het aantal primaire eindpunten (met name myocardinfarcten en herseninfarcten) en uit recentere publicaties ook een reductie van het aantal vervolg vasculaire events. In totaal moesten 50 hoogrisico-patiënten gedurende die periode met ezetimibe behandeld worden om één cardiovasculaire gebeurtenis te voorkomen.

 

2.7

In de Europese richtlijn voor cardiovasculair risicomanagement uit 2016 (2016 European Guidelines on cardiovascular disease prevention in clinical practice opgesteld door The Sixth Joint Task Force of the European Society of Cardiology and Other Societies on Cardiovascular Disease Prevention in Clinical Practice) wordt met zeer hoog-risico patiënten bedoeld: patiënten met atherosclerotische cardiovasculaire aandoeningen, zoals patiënten met een acuut coronair syndroom, een myocardinfarct in de voorgeschiedenis, (in)stabiele angina pectoris, een percutane coronaire interventie (PCI) of andere arteriële revascularisatie, perifeer arterieel vaatlijden of een TIA of herseninfarct waarbij een atherosclerotische oorzaak waarschijnlijk is (Piepoli, 2016). Deze laatste groep is wellicht gemakkelijker te omschrijven als die patiënten wiens TIA of herseninfarct ingedeeld kan worden in de large-vessel disease-categorie van de TOAST-criteria en waarbij bij aanvullende diagnostiek een significante (>50%) stenose of occlusie van één van de cerebropetale vaten gevonden is. Dit overziend geeft de werkgroep de voorkeur aan het verleggen van de streefwaarde van voorheen <2,5 mmol/l naar 1,8 mmol/l in deze goed gedefinieerde subgroepen.

 

Bij patiënten na een TIA of herseninfarct die vasculaire risicofactoren hebben, maar zonder bewezen atherosclerose van de grote vaten, blijft conform de Europese richtlijn uit 2016 de streefwaarde van het LDL-cholesterolgehalte 2,5 mmol/l.

 

De statines zijn in te delen in drie groepen: de statines atorvastatine en rosuvastatine staan in hun hogere doseringen (atorvastatine 40 tot 80 mg of rosuvastatine 20 tot 40 mg) bekend om hun hogere intensiteit, terwijl ze lager gedoseerd (atorvastatine 10 tot 20 mg, rosuvastatine 5 tot 10 mg) een behandeling met matige intensiteit vormen, evenals de simvastatine gedoseerd van 20 tot 40 mg. Behandeling met simvastatine 10 mg of pravastatine 10 tot 20 mg staat bekend als een behandeling van lage intensiteit. Voor de weergave van de gemiddelde daling van het LDL-cholesterol per statine, zie tabel 1. Helaas lukt het ondanks inspanningen van patiënten en zorgverleners niet altijd de geadviseerde streefwaarden te bereiken.

 

Tabel 1 Gemiddelde procentuele daling in het LDL-cholesterol bij het gebruik van verschillende statines (Besseling, 2014).

Klasse

Geneesmiddel

Statine

Gemiddelde

LDL-c daling

HMG-coA-reductaseremmers (statine)

pravastatine 20 mg 1dd

 

pravastatine 40 mg 1dd

24 %

 

39 %

 

simvastatine 20 mg 1dd

 

simvastatine 40 mg 1dd

32 %

 

37 %

 

atorvastatine 20 mg 1dd

 

atorvastatine 40 mg 1dd

 

atorvastatine 80 mg 1dd

43 %

 

49 %

 

55 %

 

rosuvastatine 10 mg 1dd

 

rosuvastatine 20 mg 1 dd

 

rosuvastatine 40 mg 1 dd

43 %

 

48 %

 

53 %

Cholesterol

absorptie-remmers

ezetemibe 10 mg 1dd

 

19 %

 

 

Intensievere statinebehandeling is geassocieerd met een iets grotere relatieve risicoreductie voor cardiovasculaire eindpunten bij patiënten met een TIA/herseninfarct. Direct vergelijkende studies, waarbij gekeken is naar het effect van intensieve versus minder intensieve statinebehandeling op cardiovasculaire eindpunten bij patiënten met een herseninfarct/TIA ontbreken. In een zogenaamde updated meta-analyse (voortbouwend op de eerdere genoemde grote, gepoolde studie) naar onderzoeken met meer versus minder intensieve statinebehandeling werd gevonden dat additionele verlaging van het LDL-cholesterolgehalte (tot rond 1-2 mmol/l) met statinebehandeling van hogere intensiteit het risico op ernstige cardiovasculaire gebeurtenissen significant verder verlaagde met een relatieve risicoreductie van 15% (95% BI 11% tot 18%; p<0,0001) (Baigent, 2010; CCT, 2010; CCT, 2012). In deze studie hing de relatieve risicoreductie per 1 mmol/l verlaging ook niet af van de hoogte van de baseline LDL-cholesterolmeting en was deze even hoog bij patiënten met relatief lage LDL-cholesterolgehaltes. Bij patiënten met coronaire hartziekten zorgt intensievere statinebehandeling ook voor een grotere risicoreductie op zowel cardiale als cerebrovasculaire eindpunten (Piepoli, 2016).

 

Of het zinvol is om patiënten na een TIA of herseninfarct en een LDL-cholesterolgehalte lager dan 1,8 mmol/l ook te behandelen is op basis van prospectieve data niet bekend, maar uit de gepoolde analyses blijkt dat zowel in hoog- als laag-risicopatiënten het risico op cardiovasculaire events, inclusief recidief TIA’s en herseninfarcten, lager is bij verdere verlaging van het LDL-gehalte. Er is bij patiënten met coronairlijden geen ondergrens van het LDL-cholesterol-gehalte bekend waaronder verdere LDL-verlaging tot geringere risicoreductie leidt (Baigent, 2005; CCT, 2010; CCT, 2012). De werkgroep kan geen uitspraak doen over het nut van behandelen met een statine van patiënten met een TIA of herseninfarct die geen statine gebruiken en een LDL-cholesterol lager dan 1,8 mmol/l hebben, hetgeen overigens zeldzaam is.

 

LDL-cholesterolverlaging met statinebehandeling verlaagt het risico op cardiovasculaire aandoeningen, waaronder een recidief herseninfarct, maar lijkt anderzijds te leiden tot een hoger risico op een hersenbloeding. In een prospectieve cohortstudie van bijna 800.000 patiënten werd een associatie tussen lagere LDL-cholesterolgehaltes en het risico op een hersenbloeding gevonden (RR 0,91; 95% BI 0,87 tot 0,95 voor elke mmol/l LDL-cholesterolverlaging) (Ebrahim, 2006). Een meta-analyse naar secundaire preventie van hersenbloedingen na een TIA of herseninfarct toonde een RR van 1,73 (95% BI 1,19 tot 2,50) voor een hersenbloeding bij gebruik van statines met een ‘number needed to harm’ van 108-130 na ongeveer vijf jaar behandeling (Vergouwen, 2008). In een recentere retrospectieve cohortstudie van 18.000 patiënten werd de associatie tussen statinegebruik en hersenbloedingen niet bevestigd (Hackam, 2012). Ook in een recente meta-analyse van alle gerandomiseerde klinische trials met statines voor cardiovasculaire aandoeningen werd geen verhoogd risico op hersenbloedingen gevonden (OR 1,08; 95% BI 0,88 tot 1,32). Echter, deze analyse was niet specifiek gedaan voor statinebehandeling na TIA of herseninfarct (McKinney, 2012). In een post-hoc studie van de bovengenoemde SPARCL-studie was intensieve behandeling met een LDL-cholesterolverlaging tot minder dan 1,8 mmol/l ook niet geassocieerd met een verhoogd risico op een hersenbloeding, vergeleken met niet-intensieve behandeling (Amarenco, 2007). Al met al lijkt het verhoogde risico op hersenbloedingen bij behandeling met statines niet bewezen en zal dit eventuele verhoogde risico teniet worden gedaan door de winst die behaald wordt door reductie van het risico op (fatale) herseninfarcten en coronaire hartziekten.

 

Over de effectiviteit en veiligheid van behandeling van patiënten ouder dan 80 jaar met matig tot hoge-intensiteit statines kan op grond van de beschikbare studies geen uitspraak worden gedaan. MIRACL (Olsson, 2007) en SAGE (Deedwania, 2007), beide secundaire cardiovasculaire preventiestudies, waarbij behandeld werd met atorvastatine 80 mg, vonden echter dat deze dosering veilig was bij patiënten ouder dan 65 jaar (met een bovengrens van 85 jaar). Ten aanzien van de effectiviteit van statines voor preventie van stroke bij ouderen is alleen bekend dat primaire preventie even effectief is als bij jongeren (Heart Protection Study, leeftijd tot 85 jaar) (Heart Protection Study Collaborative Group, 2002) waarbij de absolute risicoreductie groter is dan bij jongeren door het hogere uitgangsrisico bij ouderen, en het behandeleffect wordt waargenomen vanaf een behandelduur van twee jaar.

Referenties

  1. Ahmed N, Wahlgren NG. Effects of blood pressure lowering in the acute phase of total anterior circulation infarcts and other stroke subtypes. Cerebrovasc Dis. 2003;15(4):235-43.
  2. Amarenco P, Bogousslavsky J, Callahan A, III, et al. High-dose atorvastatin after stroke or transient ischemic attack. N Engl J Med. 2006;355:549-559.
  3. Amarenco P, Goldstein LB, Szarek M, et al. Effects of Intense Low-Density Lipoprotein Cholesterol Reduction in Patiënts With Stroke or Transient Ischemic Attack: The Stroke Prevention by Aggressive Reduction in Cholesterol Levels (SPARCL) Trial. Stroke. 2007;38:3198–3204.
  4. Arima H, Chalmers J, Woodward M, et al. Lower target blood pressures are safe and effective for the prevention of recurrent stroke: the PROGRESS trial. J Hypertens. 2006;24:1201-1208.
  5. Arquizan C, Touze E, Moulin T, et al. Blood Pressure, smoking and oral contraceptive control after cryptogenic stroke in young adults in the PFO-ASA Study. Cerebrovasc Dis. 2005;20:41-45.
  6. Baigent C, Keech A, Kearney PM, et al. Efficacy and safety of cholesterol-lowering treatment: prospective meta-analysis of data from 90,056 participants in 14 randomised trials of statins. Lancet. 2005;366:1267–1278.
  7. Bak S, Sindrup SH, Alslev T, et al. Cessation of smoking after first-ever stroke: a follow-up study. Stroke. 2002;33:2263-2269.
  8. Besseling J, Kindt I, Hof M, Kastelein JJ, Hutten BA, Hovingh GK. Severe heterozygous familial hypercholesterolemia and risk for cardiovascular disease: A study of a cohort of 14,000 mutation carriers. Atherosclerosis. 2014;233:219-223.
  9. Cholesterol Treatment Trialists' (CTT) Collaborators., Mihaylova B, Emberson J, Blackwell L, Keech A, Simes J, et al. The effects of lowering ldl cholesterol with statin therapy in people at low risk of vascular disease: Meta-analysis of individual data from 27 randomised trials. The Lancet. 2012;380:581-590
  10. Cholesterol Treatment Trialists’ (CTT) Collaboration, Baigent C, Blackwell L, Emberson J, Holland LE, Reith C, et al. Efficacy and safety of more intensive lowering of ldl cholesterol: A meta-analysis of data from 170?000 participants in 26 randomised trials. The Lancet. 2010;376:1670-1681
  11. Croquelois A, Bogousslavsky J. Risk awareness and knowledge of patiënts with stroke: results of a questionnaire survey 3 months after stroke. J Neurol Neurosurg Psychiatry. 2006;77:726-728.
  12. Deedwania P, Stone PH, Bairey Merz CN, et al. Effects of intensive versus moderate lipid-lowering therapy on myocardial ischemia in older patiënts with coronary heart disease: results of the Study Assessing Goals in the Elderly (SAGE). Circulation. 2007;115:700-707.
  13. Diener HC, Cunha L, Forbes C, et al. European Stroke Prevention Study. 2. Dipyridamole and acetylsalicylic acid in the secondary prevention of stroke. J Neurol Sci. 1996;143:1-13.
  14. Do Lee C, Folsom AR, Blair SN. Phsyical activity and stroke risk. Stroke. 2003;34:2475-2481.
  15. Ebrahim S, Sung J, Song Y-M, et al. Serum cholesterol, haemorrhagic stroke, ischaemic stroke, and myocardial infarction: Korean national health system prospective cohort study. BMJ 2006;333:22.
  16. Eisen A, Cannon CP, Blazing MA, Bohula EA, Park JG, Murphy SA, et al. The benefit of adding ezetimibe to statin therapy in patients with prior coronary artery bypass graft surgery and acute coronary syndrome in the improve-it trial. Eur Heart J. 2016;37:3576-3584.
  17. ESPRIT Study Group. Aspirin plus dipyridamole versus aspirin alone after cerebral ischaemia of arterial origin (ESPRIT): randomised controlled trial. Lancet. 2006;367:1665-1673.
  18. EUROASPIRE II Study Group. Lifestyle and risk factor management and use of drug therapies in coronary patiënts from 15 countries; principal results from EUROASPIRE II Euro Heart Survey Programme. Eur Heart J. 2001;22:554-572.
  19. Furie, Karen L., et al. Guidelines for the prevention of stroke in patients with stroke or transient ischemic attack a guideline for healthcare professionals from the American Heart Association/American Stroke Association. Stroke 42.1 2011:227-276.
  20. Girot M, Kowiak-Cordoliani MA, Deplanque D, et al. Secondary prevention after ischemic stroke. Evolution overtime in practice. J Neurol. 2005;252:14-20.
  21. Hackam DG, Austin PC, Huang A, et al. Statins and Intracerebral Hemorrhage: A Retrospective Cohort Study. Arch Neurol. 2012;69:39–45.
  22. Halkes PH, van GJ, Kappelle LJ, et al. Aspirin plus dipyridamole versus aspirin alone after cerebral ischaemia of arterial origin (ESPRIT): randomised controlled trial. Lancet. 2006;367:1665-1673.
  23. Heart Protection Study Collaborative Group. MRC/BHF Heart Protection Study of cholesterol lowering with simvastatin in 20,536 high-risk individuals: a randomised placebo-controlled trial. Lancet. 2002;360:7-22.
  24. Hillbom M, Juvela S, Numminen H. Alcohol intake and the risk of stroke. J Cardiovasc Risk. 1999;6:223-228.
  25. Jauch, Edward C., et al. Guidelines for the early management of patients with acute ischemic stroke a guideline for healthcare professionals from the American Heart Association/American Stroke Association. Stroke 44.3 2013: 870-947.
  26. Johnston SC, Rothwell PM, Nguyen-Huynh MN, et al. Validation and refinement of scores to predict very early stroke risk after transient ischaemic attack. Lancet. 2007;369:283-292.
  27. Kurth T, Gaziano JM, Berger K, et al. Body mass index and the risk of stroke in men. Arch Intern Med. 2002;162:2557-2562.
  28. Kurth T, Gaziano JM, Rexrode KM, et al. Prospective study of body mass index and risk of stroke in apparently healthy women. Circulation. 2005;111:1992-1998.
  29. Kurth T, Moore SC, Gaziano JM, et al. Healthy lifestyle and the risk of stroke in women. Arch Intern Med. 2006;166:1403-1409.
  30. Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en Nederlands Huisartsen Genootschap. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement. Van Zuiden Communications B.V. Alphen aan den Rijn, 2006.
  31. Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en Nederlandse Hartstichting. Richtlijn Beroerte. 2000.
  32. Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO. Richtlijn Behandeling van Tabakverslaving. Van Zuiden Communications B.V. Alphen aan den Rijn, 2004.
  33. LaRosa JC, Barter P, Fruchart JC, et al. Effects of high-dose atorvastatin on cerebrovascular events in patients with stable coronary disease in the TNT (treating to new targets) study. Am Coll Cardiol. 2006;48(9):1793-9.
  34. Lavallée PC, Meseguer E, Abboud H, et al. A transient ischaemic attack clinic with round-the-clock access (SOS-TIA): feasibility and effects. Lancet Neurol. 2007;6:953-960.
  35. Law MR, Morris JK, Wald NJ. Use of blood pressure lowering drugs in the prevention of cardiovascular disease: meta-analysis of 147 randomised trials in the context of expectations from prospective epidemiological studies. BMJ. 2009;338:b1665.
  36. Mancia G, De BG, Dominiczak A, et al. 2007 Guidelines for the Management of Arterial Hypertension: The Task Force for the Management of Arterial Hypertension of the European Society of Hypertension (ESH) and of the European Society of Cardiology (ESC). J Hypertens. 2007;25:1105-1187.
  37. McKinney JS, Kostis WJ. Statin therapy and the risk of intracerebral hemorrhage: a meta-analysis of 31 randomized controlled trials. Stroke. 2012;43:2149–2156.
  38. Mohan KM, Wolfe CD, Rudd AG, et al. Risk and cumulative risk of stroke recurrence: a systematic review and meta-analysis. Stroke. 2011;42(5):1489-94.
  39. Myint PK, Welch AA, Bingham SA, et al. Smoking predicts long-term mortality in stroke: The European Prospective Investigation into Cancer (EPIC)-Norfolk prospective population study. Prev Med. 2006;42:128-131.
  40. Olsson AG, Schwartz GG, Szarek M, et al. Effects of high-dose atorvastatin in patiënts > or =65 years of age with acute coronary syndrome (from the myocardial ischemia reduction with aggressive cholesterol lowering ([MIRACL] study). Am J Cardiol. 2007;99:632-635.
  41. Ong HT. Beta-blockers in hypertension and cardiovascular disease. BMJ. 2007;334:946-949.
  42. PATS Collaborating Group. Post-stroke antihypertensive treatment study. A preliminary result. Chin Med J (Engl). 1995;108(9):710-7.
  43. Piepoli MF, Hoes AW, Agewall S, Albus C, Brotons C, Catapano AL, et al. 2016 european guidelines on cardiovascular disease prevention in clinical practice: The sixth joint task force of the european society of cardiology and other societies on cardiovascular disease prevention in clinical practice (constituted by representatives of 10 societies and by invited experts)developed with the special contribution of the european association for cardiovascular prevention & rehabilitation (eacpr). Eur Heart J. 2016;37:2315-2381
  44. PROGRESS Collaborative Group.Randomised trial of a perindopril-based blood-pressure-lowering regimen among 6,105 individuals with previous stroke or transient ischaemic attack. Lancet. 2001;358:1033-1041.
  45. Redfern J, McKevitt C, Dundas R, et al. Behavioral risk factor prevalence and lifestyle change after stroke: a prospective study. Stroke. 2000;31:1877-1881.
  46. Richtlijn Hypertensieve Crisis. Nederlandse Vereniging van Internisten. https://www.internisten.nl/sites/internisten.nl/files/uploads/f4/X_/f4X_gKOSDhbKSiUhTlPGpg/richtlijn_2010_Hypertensieve-crisis.pdf
  47. Rothwell PM, Giles MF, Chandratheva A, et al., on behalf of the Early use of Existing Preventive Strategies for Stroke (EXPRESS) study. Effect of urgent treatment of transient ischaemic attack and minor stroke on early recurrent stroke (EXPRESS study): a prospective population-based sequential comparison. Lancet. 2007;370: 1432-1442.
  48. Saposnik G, Fonarow GC, Pan W, et al. Guideline-directed low-density lipoprotein management in high-risk patiënts with ischemic stroke: findings from get with the guidelines-stroke 2003 to 2012. Stroke. 2014;45(11):3343-51.
  49. Saposnik G, Goodman SG, Leiter LA, et al. Applying the evidence: do patiënts with stroke, coronary artery disease, or both achieve similar treatment goals? Stroke. 2009;40(4):1417-24.
  50. Sauerbeck LR, Khoury JC, Woo D, et al. Smoking cessation after stroke: education and its effect on behavior. J Neurosci Nurs. 2005;37:316-319, 325.
  51. Scholte op Reimer WJ, de Swart E, De Bacquer D, et al. Smoking behaviour in European patiënts with established coronary heart disease. Eur Heart J. 2006;27:35-41.
  52. Scholte op Reimer WJ, Dippel DW, Franke CL, et al. Quality of hospital and outpatiënt care after stroke or transient ischemic attack: insights from a stroke survey in the Netherlands. Stroke. 2006;37:1844-1849.
  53. van Wijk I, Kappelle LJ, van GJ, Koudstaal PJ, Franke CL, Vermeulen M, et al. Long-term survival and vascular event risk after transient ischaemic attack or minor ischaemic stroke: A cohort study. Lancet. 2005;365:2098-2104
  54. Vergouwen MDI, de Haan RJ, Vermeulen M, et al. Statin Treatment and the Occurrence of Hemorrhagic Stroke in Patiënts With a History of Cerebrovascular Disease. Stroke. 2008;39:497–502.
  55. Warlow C. Secondary prevention of stroke. Lancet. 1992;339:724-727.
  56. Zhang H, Thijs L, Staessen JA. Blood pressure lowering for primary and secondary prevention of stroke. Hypertension. 2006;48:187-195.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-05-2019

Laatst geautoriseerd : 15-12-2017

De ontwikkelingen op het gebied van de acute opvang, secundaire preventie en revalidatie volgen elkaar in steeds sneller tempo op. Daarom werd in 2018 een kerngroep van neurologen, revalidatiearts en huisarts geïnstalleerd om snel op nieuwe ontwikkelingen te kunnen inspelen. In 2018 werden de modules over plaatjesaggregatieremmers en Directe Orale Anticoagulantia geupdate en nieuwe modules over tenecteplase en endovasculaire behandeling ontwikkeld. In 2019 wordt opnieuw geprioriteerd welke wijzigingen nodig zijn.

 

Deze kerngroep vergadert tenminste tweemaal per jaar om op basis van eigen inzichten en/of signalen uit het veld te beoordelen of hernieuwde aanvulling en/of revisie van (onderdelen van) de richtlijn gewenst is. Andere disciplines namen zitting in een klankbordgroep en worden betrokken afhankelijk van het onderwerp van de te reviseren module.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Neurologie

Geautoriseerd door:
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Ergotherapie Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Neurofysiologie

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van Medisch Specialisten (www.kennisinstituut.nl) en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

 

Op sommige plaatsen in deze richtlijn wordt verwezen naar de richtlijn Beroerte uit 2008. Het hoofdstuk Verantwoording uit deze richtlijn is op te vragen bij de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.

 

In samenwerking met:

Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie

Nederlands Huisartsen Genootschap

Nederlands Instituut van Psychologen

Nederlandse Vereniging voor Logopedie & Foniatrie

Nederlandse Vereniging voor Klinische Neurofysiologie

Nederlandse Vereniging voor Spoedeisende Hulp Artsen

Verenso Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde

Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (Neuro/stroke verpleegkundigen en Ambulancezorg)

Nederlandse Vereniging voor Ergotherapie

Doel en doelgroep

Doel

Het doel van deze op wetenschappelijk bewijs gebaseerde (evidence based) richtlijn is het bieden van een basis voor optimale zorg voor patiënten met een herseninfarct of hersenbloeding. Daarnaast draagt de richtlijn bij aan afstemming van de zorg tussen de verschillende zorgverleners en aan het terugdringen van ongewenste praktijkvariatie.

 

Doelgroep

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met een herseninfarct of hersenbloeding.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2014 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met TIA, herseninfarct of hersenbloeding. De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende drie jaar aan de totstandkoming van de richtlijn.

 

De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

  • prof. dr. D.W.J. Dippel (voorzitter), neuroloog, Erasmus MC Rotterdam, namens de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN)
  • dr. H.B. van der Worp, neuroloog, UMC Utrecht, namens de NVN
  • dr. J. Hofmeijer, neuroloog, Rijnstate ziekenhuis Arnhem, namens de NVN
  • dr. R.M. van den Berg-Vos, neuroloog, OLVG West Amsterdam, namens de NVN
  • dr. E.J. van Dijk, neuroloog, Radboudumc Nijmegen, namens de NVN
  • M. Geurts, AIOS neurologie, UMC Utrecht, namens de NVN en de Vereniging Arts-Assistenten in opleiding tot Neuroloog (VAAN)
  • prof. Dr. W. Mess, neuroloog/klinisch neurofysioloog, Maastricht UMC, namens de NVN
  • dr. L.M.L. de Lau, neuroloog, Slotervaartziekenhuis Amsterdam, namens de NVN
  • M. Kouwenhoven, revalidatiearts, De Hoogstraat Utrecht, namens de Nederlandse Vereniging van Revalidatiearsten (VRA)
  • dr. B.J. Bouma, cardioloog, AMC Amsterdam, namens de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVvC)
  • prof. dr. G.J. de Borst, vaatchirurg, UMC Utrecht, namens de Nederlandse Verenging voor Vaatchirurgie (NVvV)/Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH)
  • dr. J.A.H.R. Claassen, klinisch geriater, Radboudumc Nijmegen, namens de Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG)
  • dr. M. van Eijk, specialist ouderengeneeskunde, LUMC Leiden, namens Verenso Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde
  • dr. B.J.H. van den Born, internist, AMC Amsterdam, namens de Nederlandse Internisten Vereniging (NIV)/ Internistisch Vasculair Genootschap (IVG)
  • dr. H.D. Boogaarts, neurochirurg, Radboudumc Nijmegen, namens de Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie (NVvN)
  • dr. W. van Zwam, radioloog, Maastricht UMC, namens de Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR)
  • I. Brummer, SEH-arts, Scheper ziekenhuis Emmen, namens de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA)
  • prof. dr. G. Kwakkel, hoogleraar neurorevalidatie, Vrije Universiteit Amsterdam, namens het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF)
  • A.F.E. Verburg, huisarts, namens het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)
  • K. Kanselaar, MANP, verpleegkundig specialist vasculaire neurologie Radboudumc Nijmegen, namens Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) afdeling Neuro & Revalidatie, werkgroep CVA
  • G.J. Deddens, Verpleegkundig Specialist Acute Zorg, namens V&VN afdeling Ambulancezorg
  • prof. dr. C.M. van Heugten, hoogleraar klinische neuropsychologie, Maastricht University, namens het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) sectie neuropsychologie.
  • dr. S.K. Schiemanck, revalidatiearts, Leiden UMC, namens de VRA
  • A. Harbers, klinisch linguist en logopediste, Klimmendaal, namens Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF)

 

Met medewerking van

  • dr. P.J. Nederkoorn, neuroloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
  • dr. E. Steultjens, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, namens Ergotherapie Nederland
  • E. van Gorp, namens de Patiëntenvereniging Hersenletsel.nl
  • dr. R.H. Wimmers, namens de Hartstichting
  • Ir. K. Idema, namens de Hart&Vaatgroep

 

Met ondersteuning van

  • dr. M. Molag, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten
  • dr. I. Mostovaya, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten
  • dr. M. A. Pols, senior adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. Tevens is navraag gedaan naar persoonlijke financiële belangen, belangen door persoonlijke relaties, belangen door middel van reputatiemanagement, belangen vanwege extern gefinancierd onderzoek, en belangen door kennisvalorisatie. De belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten, een overzicht vindt u hieronder.

 

Werkgroeplid

Functie

Persoonlijke financiele belangen

Persoonslijke relaties

Reputatiemanagement

Extern gefinancierd onderzoek

Kennisvalorisatie

Overige belangen

Berg-Vos

Neuroloog

Geen

Geen

Bestuurslid kennisnetwerk CVA

Geen

Geen

Geen

Boogaarts

Neurochirurg

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Born

Internist-vasculair geneeskundige

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Borst

Vaatchirurg

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Bouma

Cardioloog

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Brummer

SEH-arts

Geen

Geen

Lid richtlijnencommissie NVSHA

Geen

Geen

Geen

Claassen

Klinisch geriater (0,6 fte)
klinisch onderzoeker (0,4 fte)

Geen

Geen

Geen

Onderzoeksleider van 3 onderzoeksprojecten, (mede)gefinancierd door het onderzoeksfonds van Alzheimer Nederland (patiëntenvereniging), en 1 project gefinancierd door ISAO (Alzheimerfonds)

Geen

Mijn werkgever (Radboudumc) heeft financiele vergoedingen ontvangen van bedrijven (farmaceutische industrie) voor presentaties die ik op uitnodiging van die bedrijven heb gegeven, of voor symposia die ik voor die brdrijven heb (nede)georganiseerd. De vergoeding betrof steeds een vergoeding voor de gewerkte uren.
Ik heb geen persoonlijke vergoeding ontvangen voor deze werkzaamheden.

Geen overige belangen te melden.

Deddens

Verpleegkundige Specialist Acute Zorg en Ambulanceverpleegkundige

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Dippel

Neuroloog, hoogleraar acute behandeling neurovasculaire aandoeningen

Geen

Geen

Niet van toepassing

Het MR CLEAN onderzoek (www.mrclean-trial.org) wordt in geringe mate (10%) zonder voorwaarden gesteund door enkele medische industriën en importeurs. Deze staan vermeld op de website. Ik ben een van de hoofdonderzoekers van deze trial.

Geen

Geen

Geurts

AIOS neurologie

Geen

Geen

Geen

M. Geurts is studie-coordinator van de COOLing for Ischaemic Stroke Trial (COOLIST), dat wordt gefinancierd door de Nederlandse Hartstichting (2010B239).

Geen

Geen

Harbers

Logopediste & Klinisch Linguist

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Hofmeijer

Neuroloog

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Kanselaar-Martens

Verpleegkunde specialist Radboudumc

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Kwakkel

Hoogleraar Neurorevalidatie

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Schiemanck

Revalidatiearts

Tot 31-12-2014:

AMC ; Medisch Leidinggevende Neuroteam, AMC; Consulent Revalidatiegeneeskunde aan Zorgcentrum Berkenstede, Stichting Cordaan, Diemen, sinds 01-07-2006,

Heden: subafdelingshoofd Leids Universitair Medisch Centrum

Geen

Geen

Geen

* Onderzoeksproject ism Radboudumc Efficacy of functional electrical stimulation of the peroneal nerve with the Actigait system on walking efficiency and patient satisfaction in stroke patients suffering from a drop foot, 2007-2014; studie is afgerond; financiering door Otto Bock Healthcare

Geen

Geen

Spruit-Van Eijk

Specialist Ouderengeneeskunde en UD PHEG

Geen

Geen

Geen

2007 - 2012 GRAMPS studie gefinancierd door 2 grote zorginstanties de Zorgboog en SVRZ, zorgt in Zeeland

Geen

Geen

Van den Born

 internist

Geen

Geen

Bestuurslid van de Nederlandse Hypertensievereniging

Geen

Geen

Geen

Van Dijk

 Neuroloog

Geen

Geen

Bestuurslid Stafconvent Radboudumc: betaald
Bestuurslid Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN): betaald

Onderzoek naar effectiviteit en veiligheid DOACs in Nederland (gefinancierd door GGG-ZonMw / VWS): 110Keuro

Onderzoek naar oorzaak en prognose van TIAs en TNAs (gefinancierd door Hersenstichting Nederland): 150Keuro

Onderzoek naar toepassing van CT-angio en CT-perfusie bij acute herseninfarct (gefinancierd door STW - Toshiba): 837Keuro

Geen

Geen

Van Heugten

Psycholoog, hoogleraar Klinisch Neuropsychologie

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Verburg

Wetenschappelijk medewerker en
huisarts

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Zwam

Radioloog

Geen

Geen

Geen

Stuurgroeplid MrClean studie

Geen

Geen

 

Meelezers

Werkgroeplid

Functie

Persoonlijke financiele belangen

Persoonslijke relaties

Reputatiemanagement

Extern gefinancierd onderzoek

Kennisvalorisatie

Overige belangen

Idema

Beleidsadviseur (De Hart&Vaatgroep)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Kouwenhoven

Revalidatiearts

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Steultjens

ass. Lector Neurorevalidatie
Hogeschool v. Arnhem en Nijmegen

Geen

Geen

lid raad van advies Ergotherapie Nederland

Geen

eigen onderneming gericht op bijscholing aan ergotherapeuten m.b.t. twee specifieke methoden van diagnostiek en interventie ook toepasbaar bij cliënten na bereorte. Scholing is niet gericht op toepassing multi-disciplinaire richtlijnen

Geen

Van Gorp-Clion

Tot 1 juli 2014 Voorzitter, daarna bestuurslid

Geen

Doelgroep/ achterban van de patiëntenvereniging

Belangen van CVA-patiënten bij de patiëntenorganisatie

Geen

Geen

Geen

Wielemaker

Hoofd patiëntenzorg Hersenstichting Nederland

Geen

Geen

Geen

Geen deelname aan onderzoek. Ben zelf werkzaam bij een gezondheidsfonds, de Hersenstichting verleent wel subsidie aan wetenschappelijk onderzoek.

Geen

De Hersenstichting heeft een puur faciliterende rol als het gaat om ontwikkeling van bijvoorbeeld een zorgstandaard, zoals nu de zorgstandaard Traumatisch Hersenletsel. Zij heeft het zorgveld de opdracht gegeven een dergelijke zorgstandaard te ontwikkelen en stelt daarvoor de middelen ter beschikking. Meer informatie op www.zorgstandaardnah.nl

Wimmers

Teammanager Kennis & Trends, Hartstichting

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door het raadplegen van afgevaardigden van de patiëntenvereniging hersenletsel.nl, de Hartstichting en de Hart&Vaatgroep. Deze partijen werden ook uitgenodigd om tijdens de invitational conference de door hen ervaren knelpunten aan te dragen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan deze partijen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen volgens het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit (www.demedischspecialist.nl/richtlijnen). Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II) (www.agreetrust.org) dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is en op Richtlijnen voor richtlijnen voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen (www.zorginstituutnederland.nl).

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door vertegenwoordigers van Achmea en VGZ namens Zorgverzekeraars Nederland, het College voor Zorgverzekeringen (tegenwoordig Zorginstituut Nederland), de Inspectie voor de Gezondheidszorg, CVA Patiëntenvereniging Hersenletsel.nl, de Hart&Vaatgroep en de Hartstichting, via een invitational conference.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken, waarna de definitieve uitgangsvragen werden vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang als cruciaal, belangrijk en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep, voor zover mogelijk, wat zij voor een bepaalde uitkomstmaat een klinisch relevant verschil vond, dat wil zeggen wanneer de verbetering in uitkomst een verbetering voor de patiënt inhoudt.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen, via de websites van enkele grote organisaties, zoals de American Heart Association en de European Stroke Organization. Tevens werd in de tijdschriften Stroke en Int J Stroke gezocht naar richtlijnen. Vervolgens werd op de website van de Cochrane Library gezocht naar systematische reviews. Tot slot werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases (NLM Pubmed, Google Scholar, Embase, Cochrane Library). De zoektermen werden geformuleerd aan de hand van een searchvraag. De searchvraag werd vertaald in een PICO (patient, intervention, control, outcome). Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De werkgroepsleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in het hoofdstuk van desbetreffende uitgangsvraag.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij voldoende overeenkomsten tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

A) Voor interventievragen

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, matig, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van vertrouwen in de literatuurconclusie (zie http://www.guidelinedevelopment.org/handbook/).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is veel vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert als er verder onderzoek wordt gedaan.

Matig

  • er is matig vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert als er verder onderzoek wordt gedaan.

Laag

  • er is beperkt vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is waarschijnlijk dat de conclusie verandert als er verder onderzoek wordt gedaan.

Zeer laag

  • er is weinig vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de conclusie is zeer onzeker.

 

B) Voor vragen over waarde diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

Bij dit type vraagstelling kan GRADE (nog) niet gebruikt worden.

 

Formuleren van de conclusies

Voor vragen over waarde diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose is het wetenschappelijke bewijs samengevat in een of meerdere conclusies, waarbij het niveau van het meest relevante bewijs is weergegeven.

 

Bij interventievragen verwijst de conclusie niet naar één of meer artikelen, maar wordt deze getrokken op basis van alle studies samen (body of evidence). Hierbij maakten de werkgroepleden de balans op van elke interventie. Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen door de werkgroep en beschreven in de literatuursamenvatting.

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld onder het kopje Overwegingen.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen.

 

Randvoorwaarden (organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag.

 

Indicatorontwikkeling

Gelijktijdig met het ontwikkelen van de conceptrichtlijn werden er interne kwaliteitsindicatoren ontwikkeld binnen de clinical audit van de NVN om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken. Meer informatie over de methode van indicatorontwikkeling is op te vragen bij het Kennisinstituut van Medisch Specialisten (secretariaat@kennisinstituut.nl).

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader/vervolg onderzoek staat in de paragraaf Kennislacunes behorend bij elke module.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.