Risicogroepen voor postoperatieve complicaties na CEA
Uitgangsvraag
Aanbeveling
Wijs patiënten met een hogere leeftijd, diabetes mellitus, hartaandoeningen, COPD, (chronische) nierinsufficiëntie, postoperatieve hypertensie, een contralaterale carotisstenose en/of een contralaterale carotisocclusie aan als risicogroep voor het krijgen van een ernstige postoperatieve complicatie na CEA.
Overweeg deze risicogroep postoperatief op te nemen op een afdeling met extra monitoring (zoals een stroke-unit, medium care, of intensive care).
Overweeg peri-operatieve transcraniële doppler (TCD) metingen toe te passen bij patiënten uit de hierboven genoemde risicogroep, die een carotisendarteriëctomie (CEA) ondergaan. Voer TCD- metingen uit tijdens de ingreep, twee uur postoperatief, en indien mogelijk ook na 24 uur.
Overwegingen
De incidentie van CHS varieerde flink tussen de studies (tussen de 0,18 en 16,0%). De variaties in de incidentie zal ook deels veroorzaakt worden door de verschillende definities van CHS die gehanteerd worden in de studies. Ook verschilden bij de studies de definities van postoperatieve hypertensie. Bij vijf van de zes studies werd wel gebruik gemaakt van een grens aan de hand van de systolische bloeddruk (SBD), deze varieerde tussen ≥140mmHg en ≥180mmHg. Ondanks de verschillen in definities, lieten de studies wel zien dat postoperatieve hypertensie een significante verhoogde kans geeft op CHS.
Het gebruik van TCD voor de detectie van CHS is door zijn lage kosten, de mogelijkheid om bedside en herhaaldelijk onderzoek uit te voeren, en de directe documentatie van substantiële toename in bloedstroomsnelheden de meest geschikte modaliteit voor het aantonen van hyperperfusie.
In de huidige literatuurstudie zijn ook studies geïncludeerd waarin een deel van de patiënten niet- symptomatische patiënten zijn die een CEA hebben ondergaan. Met toepassing van de huidige richtlijn zullen deze patiënten in de Nederlandse praktijk over het algemeen niet geopereerd worden. Studies met uitsluitend niet-symptomatische patiënten waren wel geëxcludeerd.
Eén van de geïncludeerde studies (Westvik et al., 2006) onderzocht ziekenhuisfactoren die geassocieerd zijn met betere uitkomsten na een CEA. Daarin wordt onder andere beschreven dat de aanwezigheid van een intensivist op een intensive care geassocieerd is met verminderde 30-dagen mortaliteit. Ook alle geïnterviewde vaatchirurgen in de beter presenterende centra (zie hiervoor submodule Postoperatieve monitoring na CEA op basis van 'best practices') gaven aan dat patiënten postoperatief werden opgenomen op een intensive care of een post anaesthesia care unit (PACU). Vaatchirurgen benadrukten hierbij het belang van een goede samenwerking tussen de intensivist of anesthesioloog en de vaatchirurg.
Deze literatuurstudie is ook terug te vinden in het SKMS-rapport “Carotisstenose: optimalisatie van tijd tot operatie en postoperatieve monitoring”.
Onderbouwing
De winst die er voor een patiënt te behalen valt uit een CEA, hangt af van de balans tussen het natuurlijk beloop (risico op het krijgen van een invaliderend recidief herseninfarct) versus het krijgen van een nieuw (invaliderend) herseninfarct door de interventie zelf. Op dit moment ondergaan in Nederland vrijwel alleen patiënten met een symptomatische carotisstenose een CEA. Het percentage postoperatieve complicaties na CEA in Nederland is laag en vergelijkbaar met andere landen (Bennett, Scarborough, and Shortell 2015; Vikatmaa et al. 2012). In Nederland overlijdt 1,1% van de patiënten binnen 30 dagen na carotisinterventie. Ruim 3 procent krijgt postoperatief een stroke; 38% van deze patiënten kan daarna niet meer zelfstandig functioneren (modified Rankin Scale score van 3 of hoger) (Karthaus et al, 2018).
|
|
Patiënten met postoperatieve hypertensie hebben een verhoogd risico op het krijgen van een cerebraal hyperperfusiesyndroom (CHS) na CEA.
Bronnen: Ascher, 2003; Dalman, 1999; Fassaert, 201; Pennekamp, 2012 (1); Pennekamp, 2012 (2); Tan, 2021; Wang, 2017 |
|
|
Postoperatieve toename van de gemiddelde ‘middle cerebral artery flow velocity’ MCAV, gemeten met TCD, bleek een voorspeller te zijn voor de ontwikkeling van CHS.
Bronnen: Andereggen, 2018; Dalman, 1999; Fujimoto, 2004; Li, 2022; Pennekamp, 2012 |
|
|
Patiënten met een contralaterale carotisstenose (≥70%) of een contralaterale carotisocclusie hebben een verhoogd risico op het krijgen van een recidief neurologisch event na CEA.
Bronnen: Halm, 2005; Halm, 2009; Khattar, 2016; Fitzpatrick, 2005; Ricotta, 2014; Rockman, 1997 |
|
|
Patiënten met hogere leeftijd, diabetes mellitus, hartaandoeningen, (chronische) nierinsufficiëntie en/of COPD hebben een verhoogd risico op overlijden binnen 30 dagen na CEA.
Bronnen: Adegbala, 2017; Ahari, 1999; Arhuidese, 2018; Asher, 2005; Aziz, 2016; Bekelis, 2013; Brown, 2013; Dardik, 2000; Dorigo, 2011; Fry, 2018; Karthaus, 2018; Khatri, 2012; Kragsterman, 2004; McGirt, 2005; Parr, 2018; Schneider, 2012; Tu, 2003 |
Wat zijn risicofactoren voor het ontstaan van een cerebraal hyperperfusiesyndroom na CEA?
Tussen de 22 geïncludeerde studies varieerde de incidentie van CHS tussen de 0,18 en 19,0%. In totaal werden 81 potentieel voorspellende risicofactoren geïdentificeerd, waarvan postoperatieve hypertensie als belangrijkste factor werd gevonden.
Postoperatieve hypertensie werd door zeven studies beschreven, waarvan zes een significante associatie vonden met CHS (Dalman et al. 1999; Fassaert et al. 2019; Pennekamp, Immink, et al. 2012; Pennekamp, Tromp, et al. 2012; Tan et al. 2021); Wang et al. 2017) . Een meta-analyse toonde een pooled OR van 4.76 (95% BI 3.45-6.57) met een grote heterogeniteit (I2 = 73%) (figuur 1). Een mogelijke verklaring hiervoor is de verschillende definities die werden gebruikt voor postoperatieve hypertensie en CHS (tabel 1).
Postoperatieve transcraniële Doppler (TCD) monitoring was onderzocht in negen studies, waarbij in vijf studies postoperatieve verhoogde flow-snelheid van ≥ 100% in de ipsilaterale arteria cerebri media (MCAV) t.o.v. eerdere meting significant geassocieerd was met het ontstaan van CHS (Fujimoto et al. 2004; Pennekamp, Tromp et al. 2012; Dalman et al. 1999; Andereggen et al. 2018; Li et al. 2022). In één studie werd naast TCD regionale zuurstofsaturatie (rSO2), gemeten met nabij- infraroodspectroscopie (NIRS), gebruikt als aanvullende techniek. NIRS meet de zuurstofverzadiging in het hersenweefsel via sensoren op het hoofd en weerspiegelt daarmee veranderingen in cerebrale perfusie. Een postoperatieve rSO2-stijging van ≥3% had een NPV van 100% (Pennekamp et al., 2012).
Figuur 1. Forest plot van de associatie tussen postoperatieve hypertensie en het ontwikkelen van CHS
Tabel 1. Criteria voor postoperatieve hypertensie van studies geïncludeerd in meta analyse
|
Studies |
Used criteria for postoperative hypertension |
|
Ascher 2003 |
SBP > 160 mmHg |
|
Dalman 1999 |
SBP > 140 mmHg, or above the threshold systolic pressure determined by TCD |
|
Fassaert 2019 |
SBP > 180mmHg, or a SBP exceeding individual BP restriction in patients with an intra-operative MCAVmean > 100% requiring medical antihypertensive treatment. |
|
Pennekamp 2012-1 |
SBP > 160 mmHg or BP of 20% above the preoperative BP |
|
Pennekamp 2012-2 |
SBP > 160mmHg or BP of 20% above the preoperative BP |
|
Wang 2017 |
Hypertension was defined by the need to use medication (threshold not further defined) |
|
Tan 2020 |
SBP > 160 mmHg or cerebral hemorrhage |
SBP = systolic blood pressure, BP = blood pressure
Wat zijn risicofactoren voor het krijgen van een postoperatief neurologisch event na CEA?
Tussen de 37 geïncludeerde studies varieerde de incidentie van een postoperatief ischemisch event binnen 30 dagen tussen de 0,4 en 12,1%. Opvallend was het verschil tussen de studies in het percentage symptomatische en asymptomatische patiënten met een carotisstenose (4-100%). In totaal werden 89 potentieel voorspellende factoren geïdentificeerd.
Een contralaterale stenose ≥ 70% (Halm et al., 2005, 2009; Khattar et al., 2016) en een carotisocclusie (Fitzpatrick et al., 2005; Halm et al., 2005, 2009; Ricotta et al., 2014; Rockman et al., 1997; Capoccia et al., 2015; Domenig et al., 2003) waren geassocieerd met een postoperatief event (gepoolde OR 1.31 [95% BI 1.04-1.66], respectievelijk 1.80 [95% BI 1.44-2.24]).
Figuur 2. Forest plot van de associatie tussen contralaterale stenose ≥ 70% en het krijgen van een postoperatief neurologisch event
Figuur 3. Forest plot van de associatie tussen contralaterale occlusie en het krijgen van een postoperatief neurologisch event
Daarnaast werd in veertien studies een hogere kans op postoperatieve stroke gevonden, wanneer de patiënten preoperatief symptomatisch waren geweest (Brown et al., 2013; Halm et al., 2005, 2009; Kragsterman et al., 2004; McGirt et al., 2005; Patel et al., 2018; Rockman et al., 1997; Schneider et al., 2017; Tu et al., 2003; Bekelis et al., 2013; Capoccia et al., 2015; Domenig et al., 2003; Golledge et al., 1996; Jackson et al., 2012). In Nederland worden nauwelijks asymptomische patiënten behandeld, dus deze factor is in de Nederlandse situatie niet van toepassing. Een grote multicenter studie heeft ook nog gekeken naar ziekenhuisfactoren. Deze vond dat zeven of meer bedden op de intensive care unit, een intensive care unit toegewijd aan chirurgische patiënten en het hebben en toepassen van een protocol geassocieerd waren met lagere kans op een perioperatieve stroke (Westvik et al., 2006).
Wat zijn risicofactoren voor het overlijden binnen 30 dagen na CEA?
Uit een uitgebreide analyse van 37 studies is gebleken dat er verschillende risicofactoren een significante invloed hebben op de 30-dagen mortaliteit na CEA. In totaal zijn er 45 verschillende risicofactoren geïdentificeerd. De incidentie van 30-dagen mortaliteit varieert sterk tussen de verschillende studies, met waarden die variëren van 0,25% tot 2,6%. Het percentage van symptomatische patiënten voorafgaand aan de ingreep varieerde eveneens aanzienlijk tussen de studies, van 4% tot 100%.
Verschillende risicofactoren zijn consistent naar voren gekomen als significant geassocieerd met een verhoogd risico op 30-dagen mortaliteit. Oudere leeftijd wordt in meerdere studies geassocieerd met een hoger risico op 30-dagen mortaliteit (Bekelis et al., 2013; Karthaus et al., 2018; Schneider et al., 2012). Khatri et al. (2012) vond een verhoogd risico bij patiënten van 70 jaar en ouder (OR 1.4, p = 0.008).
Dertien studies onderzochten diabetes mellitus als potentiële risicofactor voor 30-dagen mortaliteit na CEA, waarvan vijf studies een significante associatie met 30-dagen mortaliteit vonden (Ahari et al., 1999; Dardik et al., 2000; Dorigo et al., 2011; Kragsterman et al., 2004; Tu et al., 2003). Daarnaast vonden Adegbala et al. (2017) en Parr et al. (2018) een significante associatie tussen diabetes mellitus (met chronische complicaties) en 30-dagen mortaliteit.
De aanwezigheid van hart- en vaatziekten verhoogt het risico op 30-dagen mortaliteit. Studies van Ahari et al. (1999), Dardik et al. (2000) en Kragsterman et al. (2004) vonden een verhoogde kans op mortaliteit bij patiënten met cardiale ziekten in de voorgeschiedenis. Bekelis et al. (2013) en Fry et al. (2018) vonden congestief hartfalen als risicofactor, maar zes andere studies (Adegbala et al., 2017; Ahari et al., 1999; Arhuidese et al., 2018; Aziz et al., 2016; McGirt et al., 2005; Tu et al., 2003) ondersteunen deze bevinding niet.
Co-morbiditeit, in het bijzonder een diagnose COPD, werd onderzocht in zeven studies (Adegbala et al., 2017; Arhuidese et al., 2018; Aziz et al., 2016; Bekelis et al., 2013; Brown et al., 2013; Dardik et al., 2000; Tu et al., 2003), waarvan er drie een associatie vonden met 30-dagen mortaliteit (Bekelis et al., 2013; Brown et al., 2013; Tu et al., 2003). Twee andere studies keken ook naar chronische longziekten als risicofactor, maar konden hiermee geen associatie vinden (Ahari et al., 1999; Kragsterman et al., 2004).
Chronische nierinsufficiëntie is onderzocht in vijf studies, waarvan alleen Fry et al. (2018) een associatie met 30-dagen mortaliteit heeft kunnen aantonen (Aziz et al., 2016; Dardik et al., 2000; Fry et al., 2018; Kragsterman et al., 2004; McGirt et al., 2005). Ook is er gekeken naar of patiënten dialysebehoeftig waren; hiervan vonden Bekelis et al. (2013) en Brown et al. (2013) dat dialysepatiënten een hogere kans hadden om te overlijden na CEA. Serumcreatininespiegels als maat voor de ernst van chronische nierinsufficiëntie werden onderzocht in vier studies. In één van deze studies, uitgevoerd door Ascher et al. (2005), werd een significante associatie gevonden tussen een serumcreatininewaarde van 3 mg/dl of hoger, hetgeen overeenkomt met een waarde van rond de 265 umol/l (de eenheid die in Nederland wordt gehanteerd), en een verhoogde 30-dagen mortaliteit (Ahari et al., 1999; Ascher et al., 2005; Aziz et al., 2016; Karthaus et al., 2018).
Aanvullende uitkomstmaat: Voorspellende factoren voor de gecombineerde uitkomstmaat postoperatief neurologisch event en/of overlijden binnen 30 dagen
Initieel hebben we een search in Pubmed uitgevoerd, waar we naast bovenstaande uitkomsten ook de gecombineerde uitkomstmaat postoperatief neurologisch event en/of overlijden binnen 30 dagen onderzoek (‘stroke and/or death’). Uit deze review kwam naar voren dat risicofactoren op deze gecombineerde uitkomstmaat overeenkwamen met de risicofactoren door de individuele uitkomstmaten (d.w.z. postoperatief neurologisch event en overlijden binnen 30 dagen). Gezien deze gecombineerd voor verdieping is opgesteld, is er gekozen deze niet in de uitgebreidere review uit te werken.
In de PubMed en Embase database is met relevante zoektermen gezocht naar voorspellende factoren voor de volgende complicaties na CEA: a) cerebraal hyperperfusiesyndroom (CHS); b) postoperatief neurologisch event; c) overlijden binnen 30 dagen na CEA; d) postoperatief neurologisch event en/of overlijden (gecombineerde uitkomstmaat). De uitgevoerde literatuursearch werd opgezet met een bibliothecaris. De geselecteerde studies werden verder geanalyseerd met een ‘risk of bias’ analyse met behulp van de QUIPS-tool. Meer informatie over de methodiek is terug te vinden in bijlage Methodiek 'zoeken en selecteren'. De search is initieel uitgevoerd in september 2019 en geüpdatet in mei 2024.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 25-06-2026
Beoordeeld op geldigheid : 25-06-2026
Algemene gegevens
De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd niet ondersteund door het Kennisinstituut en werd gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). In dit SKMS project werd aangegeven dat er een richtlijnmodule moest worden aangeboden aan de Richtlijnendatabase.
De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2017 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met een carotisstenose.
Samenstelling werkgroep
- drs L.S. (Laurien) Kuhrij, arts‐onderzoeker, Amsterdam UMC (locatie AMC), namens de NVN
- drs L. (Laura) Hogenboom, masterstudent, Universiteit van Amsterdam, namens de NVN
- dr P.J. (Paul) Nederkoorn, neuroloog, klinisch epidemioloog, Amsterdam UMC (locatie AMC), namens de NVN
- prof dr R.M. (Renske) van den Berg‐Vos, neuroloog, OLVG te Amsterdam en Amsterdam UMC (locatie AMC), namens de NVN
- prof dr G.J. (Gert Jan) de Borst, vaatchirurg, UMC Utrecht, namens de NVvV
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Tabel 1 Gemelde (neven)functies en belangen werkgroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Datum |
Restrictie |
|
R. vd Berg-Vos |
Neuroloog OLVG |
Bijzonder hoogleraar UVA/Amsterdam UMC |
Geen |
Geen |
Onderzoek met gelden van ZonMW, SKMS
(NB beiden niet het onderwerp van deze module) |
geen |
geen |
02-04-2024 |
geen |
|
B. Bouma |
Cardioloog |
Lid tuchtcollege |
Geen |
Geen |
Ja |
Geen |
Nee |
17-12-2024 |
Geen
|
|
Gert-Jan de Borst |
Voorzitter Raad van Bestuur, Reinier de Graaf Gasthuis |
Bijzonder hoogleraar UVA/Amsterdam UMC, associate editor EJVES RvC Antonius Groep Sneek RvT NIVEL RvT St Antonius ziekenhuis Nieuwegein
|
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Nee |
21-05-2026 |
Geen |
|
Laura Hogenboom |
PhD Student Amsterdam UMC |
Geen |
Geen |
Geen |
Ja, Blooms,RCT persoonlijk doseren ocrelizumab (clinicalTrials.gov ID NCT05296161) 1. ZonMw- BLOOMS: RCT persoonlijk doseren ocrelizumab (ClinicalTrials.gov ID NCT05296161 (pl nee) 2. TreatMeds - BLOOMS: RCT persoonlijk doseren ocrelizumab (ClinicalTrials.gov ID NCT05296161 (pl nee)
(niet onderwerp van deze richtlijn) |
Geen |
Nee |
15-04-2026 |
Geen restrictie |
|
Laurien Kuhrij |
Ten tijde van het opstellen van het SKMS rapport: arts-onderzoeker bij het Amsterdam UMC, locatie AMC (betaald) Momenteel medisch adviseur bij Nederlandse Zorgautoriteit (betaald) |
Co-promotor van twee promovendi verbonden aan het Amsterdam UMC (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Meer een verdere toelichting: Momenteel ben ik medisch adviseur bij de Nederlandse Zorgautoriteit. In die rol ben ik formeel toezichthouder. Echter ten tijde van het opstellen van het rapport (en dus ten tijde van de data-analyses) was ik dit niet, en zo was er toen daarbij geen belangenverstrengeling. |
14-04-2026 |
Geen restrictie |
|
Paul Nederkoorn |
Neuroloog |
Geen |
Geen |
nvt |
Co-principal investigator ‘Second European Carotid Surgery Trial (ECST-2)’ Funding: ZonMw
Co-principal investigator ‘Carotid Artery Stenting during Endovascular treatment of acute ischemic Stroke (CASES)’ Funding: BENEFIT
(beide niet onderwerp van deze mopdule) |
nvt |
nvt |
12-05-2026 |
Geen restrictie |
Inbreng patiëntenperspectief
De werkgroep besteedde aandacht aan het patiëntenperspectief door deelnam aan het cluster cerebrovasculaire ziekte waarin deze module werd ondergebracht. De richtlijnmodule werd ter commentaar voorgelegd aan Hersenletsel.nl, Harteraad, de Hersenstichting en hersenletsel alliantie.
Ze gaven aan geen aanvullende commentaren te hebben en in te stemmen met de inhoud van deze module.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerde de werkgroep conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Risicogroepen voor onstaan cerebraal hyperperfusiesyndroom na carotis endarteriëctomie |
Geen financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het overgrote deel (±90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht. |
Carotisstenose: optimalisatie van tijd tot operatie en postoperatieve monitoring
SKMS project 49449124
Dit project omvatte twee onderdelen:
1. Een analyse van wachttijden tot behandeling van carotisstenose middels carotischirurgie, en voorspellers voor onwenselijke vertraging, bij patiënten die recent een TIA of herseninfarct doorgemaakt hebben. In de nieuwe richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding staat de aanbeveling de operatie binnen 2 ipv 3 weken uit te voeren, en deze wordt uitgevraagd in de kwaliteitsregistratie carotischirurgie (Dutch Audit for Carotid Interventions(DACI)). De IGZ Basisset resultaten uit 2015 toonden dat slechts een kwart van de patiënten na twee weken geopereerd werd.
2. Ontwikkeling van een Addendum postoperatieve monitoring bij carotischirurgie bij de richtlijn. De meest gevreesde complicaties na carotischirurgie zijn een recidief herseninfarct, overlijden en een (potentieel dodelijk) hyperperfusiesyndroom. Dit deel werd onderbouwd met een systematosche literatuuranalyse naar risicofactoren.


