Haemoptoe

Initiatief: NVALT Aantal modules: 7

Diagnostiek matig ernstige haemoptoe

Uitgangsvraag

Welke diagnostiek dient te worden verricht in geval van matig-ernstige haemoptoë?

 

Deelvragen

  • ­Dient een CT-Thorax verricht te worden?
  • ­Dient ook altijd een bronchoscopie verricht te worden?
  • ­Dient de bronchoscopie voor of na de CT-thorax verricht te worden?

Aanbeveling

Beoordeel de mate van haemoptoë bij een patiënt primair middels anamnese en lichamelijk onderzoek. Beoordeel vervolgens bij lichamelijk onderzoek primair de respiratoire en haemodynamische situatie. Hierbij dient de “ABCDE” benadering* gevolgd te worden.

*zie tekst lichamelijk onderzoek

 

Richt de anamnese op de oorzaak van haemoptoë. Overweeg ook andere bloedinglokalisatie (KNO, gastro-intestinaal).

 

Verricht laboratoriumonderzoek en een X-thorax bij iedere patiënt met haemoptoë.

 

Vervaardig een CT-scan met coupes van maximaal 1 mm en intraveneus contrast*, tenzij de diagnose op basis van X-thorax duidelijk is.

*contrast in systemische circulate; op indicatie eventueel een ‘’dual bolus’’, met ook contrast in pulmonale circulatie.

 

Verricht een CT-thorax voorafgaand aan een (eventuele) de bronchoscopie.

 

Verricht een flexibele bronchoscopie tenzij:

  • verklarende diagnose of lokalisatie verkregen op grond van de CT-scan;
  • de CT-scan afwijkingen laat zien die niet geëvalueerd dienen te worden middels bronchoscopie.

Overwegingen

Anamnese:

De initiële speciële anamnese is gericht op inschatting van de ernst van de haemoptoë, uitsluiten van andere bloedinglokalisatie (KNO, gastro-intestinaal) en daarna een meer gedetailleerde anamnese (zie hoofdstuk 4).

 

Lichamelijk onderzoek:

Voor beoordeling in de acute fase kan de ABCDE benadering worden gevolgd, in overeenstemming met reanimatie richtlijnen: “ABCDE”, airway-breathing-circulation-disability (bewustzijn)-enviroment approach, (The Resuscitation council (UK), 2010).

Daarna volgt een volledig lichamelijk onderzoek met onder andere voedingsstatus, lymfeklieren en een volledig cardiovasculair onderzoek. Tenslotte wordt ook de huid en membranen naar tekenen van blauwe plekken, rash, bleekheid, telangiectasieën en gingivitis onderzocht.

 

Het lichamelijk onderzoek kan soms belangrijke aanwijzingen geven over de diagnose, bijvoorbeeld een zadelneus met rhinitis bij Granulomatose met Polyangiitis, een stridor bij een hoge luchtwegobstructie dan wel corpus alienum (kinderen!), orale en/of genitale ulcera bij M. Behcet en trommelstokvingers bij longkanker, bronchiectasieën of een interstitiële longziekte.

 

Laboratorium onderzoek:

Zie tabel 3, hoofdstuk 4.

Eventueel aanvullend: arterieel bloedgas, kruisserum.

 

X thorax:

Zie hoofdstuk 4.

 

CT Thorax:

Zie hoofdstuk 4.

 

Bronchoscopie:

Bronchoscopie geeft net als de CT scan informatie over de kant van de bloeding in 73 tot 93% van de gevallen (Hsiao et al., 2001; Revel et al, 2002; Khalil et al, 2007 en Sakr et al., 2010). De lokalisatie is met name van belang voor de eventuele interventie radiologie. In tegenstelling tot de CT is echter slechts in 2,5 tot 8% identificatie van de oorzaak van de bloeding mogelijk (Revel et al., 2002 en Khalil et al., 2007). Wel heeft de bronchoscopie voordelen ten opzichte van de CT, bij patiënten die actief bloeden, namelijk de mogelijkheid om eventueel direct te tamponeren (zie verder) en bij patiënten met bilaterale afwijkingen bij beeldvormend onderzoek. De bronchoscopie wordt in het algemeen als complementair aan de CT beschouwd. Zowel Soares Pires et al., (2011) als Tsoumakidou et al., (2006) kwamen tot een diagnostische waarde van de bronchoscopie in respectievelijk 45 en 46% van de patiënten en in de combinatie van CT met bronchoscopie tot 85 en 87%. Voorts werd in 21% van de gevallen waarbij een X-thorax en CT-thorax niet conclusief bleken, bij bronchoscopie wel een oorzaak gevonden voor de haemoptoë. De richtlijn van de ‘American College of Chest Physiscians’ geeft aan dat bij zowel massale als niet massale haemoptoë er een indicatie is voor een bronchoscopie (Ernst et al., 2003). Alleen bij een bekende diagnose (bijvoorbeeld CF of bronchiectasieën) lijkt bronchoscopie niet geïndiceerd aangezien deze niet bijdraagt aan therapie of diagnose en tijd tot een eventueel noodzakelijke bronchialis embolisatie uitstelt (Hurt et al., 2012).

 

Er lijkt bij de diagnostiek van matig ernstige haemoptoë geen indicatie voor een starre bronchoscopie te bestaan. Ook de mogelijkheid om endobronchiale interventies te plegen, zoals electro cauterisatie, laser- of argonplasma coagulatie, kan heel vaak prima via de flexibele bronchoscoop. De starre bronchoscopie wordt nauwelijks meer door longartsen verricht (zie hoofdstuk 4), alleen nog door daarin ervaren artsen of in gespecialiseerde centra.

 

Timing:

Ten aanzien van de timing van de bronchoscopie heerst controverse. In het algemeen wordt gesteld dat een bronchoscopie direct verricht dient te worden als de patiënt klinisch snel achteruit gaat; als de patiënt volledig stabiel is, dan kan een bronchoscopie ook in een latere fase, maar wel binnen afzienbare tijd verricht worden. Vroege, vergeleken bij uitgestelde bronchoscopie, geeft een significant hogere kans op het visualiseren van de kant van de bloeding. Dit kan essentieel zijn bij de behandeling van massale haemoptoë. Echter de timing van de procedure veranderde de therapeutische beslissingen of de klinische uitkomst bij niet-massale haemoptoë niet volgens artikelen van Dweik et al., (1999), Saumench et al., (1989) en Jean-Baptiste (2005). De werkgroep is van mening dat een bronchoscopie verricht dient te worden na de CT-thorax, die eveneens vaak informatie geeft over de lokalisatie van de bloeding.

 

Onderbouwing

Matig-ernstige haemoptoë stelt de arts voor dilemma’s, zowel diagnostisch als therapeutisch. De hoeveelheid bloedverlies wordt makkelijk overschat of onderschat. Daarnaast is het natuurlijke beloop van haemoptoë moeilijk te voorspellen.

 

Matig-ernstige haemoptoë (acute haemoptoë, stabiele patiënt) is die situatie waarbij er geen respiratoire of haemodynamische instabiliteit is. Dit geeft tijd om aanvullend onderzoek te verrichten naar oorzaak en locatie om dan zo nodig gerichte behandeling te kunnen starten.

 

De uitdaging voor de arts is het vaststellen van de oorzaak van de bloeding, de plaats van het bloedverlies en het controleren en behandelen van de bloeding alsmede eventuele onderliggende oorzaak.

 

De literatuursearch leverde 281 referenties op.

Wat opvalt is dat veel diagnostiek literatuur is geschreven voor de patiënt met haemoptoë in het algemeen; er zijn geen specifieke studies gevonden gericht op uitsluitend patiënten met milde, matig-ernstige of massale haemoptoë. Deze categorieën kwamen in de meeste studies allemaal voor. Er zijn echter geen relevante vergelijkende studies gevonden welke gebruikt kunnen worden voor het beantwoorden van deze vraagstellingen.

Geconstateerd wordt dat er geen relevante evidence based conclusies kunnen worden getrokken. Uiteindelijk wordt er in de werkgroep een destillatie gemaakt uit de vele artikelen en reviews en op basis van eigen ervaringen door middel van consensus in de werkgroep een voorstel geformuleerd voor de beste ‘flow chart’ voor diagnostiek bij matig ernstige haemoptoë.

 

Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden is er een systematische literatuuranalyse verricht in de databases Medline (OVID), Embase en Cochrane, met de relevante zoektermen, zie bijlage 2 zoekstrategie.

 

  1. Dweik, R.A., & Stoller, J.K. (1999). Role of bronchoscopy in massive hemoptysis. Clin Chest Med, 20(1), 89-105.
  2. Hsiao, E.I., Kirsch, C.M., Kagawa, F.T., Wehner, J.H., Jensen, W.A., & Baxter, R.B. (2001). Utility of fiberoptic bronchoscopy before bronchial artery embolization for massive hemoptysis. Am J Roentgenol, 177 (4), 861-867.
  3. Hurt, K., & Bilton, D (2012). Haemoptysis: diagnosis and treatment. Acute Med, 11 (1), 39-45.
  4. Jean-Baptiste, E. (2005). Management of hemoptysis in the emergency department. Hospital Physician, 53-59.
  5. Khalil, A., Soussan, M., Mangiapan, G., Fartoukh, M., Parrot, A., & Carette, M.F (2007). Utility of high-resolution chest CT scan in the emergency management of haemoptysis in the intensive care unit: severity, localization and aetiology. The British Journal of Radiology, 80, 21-25.
  6. Revel, M.P., Fournier, L.S., Hennebicque, A.S., Cuenod, C.A., Meyer, G., Reynaud, P., & Frija, G (2002). Can CT replace bronchoscopy in the detection of the site and cause of bleeding in patiënts with large or massive hemoptysis? Am J Roentgenol, 179 (5), 1217-24.
  7. Sakr, L., & Dutau, H. (2010). Massive hemoptysis: An update on the role of bronchoscopy in diagnosis and management. Respiration, 80, 38-58.
  8. Saumench, J., Escarrabill, J., Padró, L., Montañá, J., Clariana, A., & Cantó, A. (1989). Value of fiberoptic bronchoscopy and angiography for diagnosis of the bleeding site in hemoptysis. Ann Thorac Surg, 48 (2), 272-274.
  9. Soares Pires F, Teixeira N, Coelho F, & Damas C. (2011).Hemoptysis--etiology, evaluation and treatment in a university hospital. Rev Port Pneumol, 17 (1), 7-14. English, Portuguese. PMID:21251478.
  10. The Resuscitation council UK. (2010). The resuscitation guidelines.www.resus.org.uk.
  11. Tsoumakidou, M., Chrysofakis, G., Tsiligianni, I., Maltezakis, G., Siafakas, N.M., & Tzanakis, N. (2006). A prospective analysis of 184 hemoptysis cases: diagnostic impact of chest X-ray, computed tomography, bronchoscopy. Respiration,73 (6), 808-14. PMID:16446530

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 04-10-2013

Laatst geautoriseerd  : 04-10-2013

Uiterlijk in 2018 bepaalt de Commissie Richtlijnen binnen de NVALT of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn om een herzieningstraject te starten.

De NVALT is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

 

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Haemoptoë kan een uiting zijn van een relatief onschuldige aandoening, zoals een longontsteking, maar kan ook een uiting zijn van een ernstige aandoening. De vraag is wanneer welke diagnostische testen gebruikt dienen te worden om de oorzaak van haemoptoë te achterhalen. CT-scan en bronchoscopie zijn voor de hand liggende diagnostische hulpmiddelen en waarschijnlijk meestal noodzakelijk, maar soms kan wellicht worden volstaan met een thoraxfoto.

Wanneer de diagnose gesteld is, dient de oorzaak gevonden te worden om tot behandeling (van de onderliggende aandoening) over te kunnen gaan.

Haemoptoë stelt de arts dus voor dilemma’s, zowel diagnostisch als therapeutisch. De hoeveelheid bloedverlies wordt makkelijk overschat. Er is echter ook een risico op onderschatting wanneer een groot deel van het bloed in de long (onderkwab) loopt, hetgeen dus niet opgehoest wordt. Dit kan een aanzienlijke hoeveelheid zijn.

De uitdaging voor de arts is niet alleen het inschatten van de ernst, maar (vooral) ook het vaststellen van de plaats van de bloeding, de oorzaak van het bloedverlies en het behandelen van de bloeding en onderliggende oorzaak.

De initiële anamnese is gericht op inschatting van de ernst van de haemoptoë, het uitsluiten van andere bloedinglokalisatie (KNO, gastro-intestinaal) en de oorzaak. Primair dienen de respiratoire en haemodynamische situatie beoordeeld te worden bij lichamelijk onderzoek. Bij differentiaal diagnostisch dient gedacht te worden aan neoplasmata, bronchiectasieën, infecties, cardiovasculaire oorzaken, vasculitiden en overige, waaronder coagulopthieën.

De richtlijn biedt een flowchart voor de diagnostiek en behandeling van haemoptoë.

Doelgroep

Deze richtlijn is geschreven voor longartsen, SEH-artsen en radiologen.

 

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2011 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van relevante specialismen die betrokken zijn bij de diagnostiek van en zorg voor patiënten met haemoptoë (zie hiervoor de samenstelling van de werkgroep).

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende twee jaar aan de totstandkoming van de richtlijn en is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn

­   Dr. J.J. Mager, St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein / Utrecht, longarts en voorzitter, NVALT

­   Dr. G.P. Bootsma, Atrium Medisch Centrum Heerlen, longarts, NVALT

­   Dr. D.J. Slebos, Universitair Medisch Centrum Groningen, longarts, NVALT

­   Drs. M.F. Verhagen, St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein / Utrecht, spoedeisende hulp arts, NVSHA

­   Dr. J.A. Vos, St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein / Utrecht, interventieradioloog, NVvR

 

Met ondersteuning van:

­   Mevr. dr. M.L. Molag, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten

 

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. Een overzicht vindt u hieronder:

Werkgroeplid

Belangen afgelopen vijf jaar en/of gedurende looptijd van het project ja /nee

Zo ja, welke

Dr. J.J. Mager

nee

 n.v.t.

Dr. G.P. Bootsma

nee

 n.v.t.

Dr. D.J. Slebos

nee

 n.v.t.

Drs. M.F. Verhagen

nee

 n.v.t.

Dr. J. A. Vos

nee

 n.v.t.

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door een literatuursearch te doen op dit onderwerp. Deze search leverde helaas geen geschikte referenties op.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

De richtlijn is/wordt digitaal verspreid onder alle relevante beroepsgroepen. Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van de NVALT, www.nvalt.nl, en via de website van de Kwaliteitskoepel, www.kwaliteitskoepel.nl.

 

 

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen in het rapport ‘Richtlijnen 2.0’ van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad WOK. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten. De uitdaging voor de arts is niet alleen het inschatten van de ernst, maar (vooral) ook het vaststellen van de plaats van de bloeding, de oorzaak van het bloedverlies en het behandelen van de bloeding en onderliggende oorzaak.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken, waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse studies via Artsennet en Guidelines International Network en naar systematische reviews in Medline (OVID). Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen.

In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van op voorhand opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in het hoofdstuk van desbetreffende uitgangsvraag.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten. Aangezien de meeste publicaties beschrijvingen van patiëntenseries betreft en de weinige vergelijkende studies van slechte kwaliteit bleken, werden aan deze richtlijn geen evidence tabellen toegevoegd.

Samenvatten van de literatuur

De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Onder het kopje literatuur is alleen kwalitatief goede literatuur samengevat, bij de overwegingen is de uitgebreide literatuur, die (o.a.) een beschrijving geeft van de dagelijkse praktijk, opgenomen.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

Voor vragen over waarde diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose.

De bewijskracht van de conclusies is bepaald volgens de EBRO-methode.

Formuleren van de conclusies

Voor vragen over waarde diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose is het wetenschappelijke bewijs (voor zover beschikbaar in het geval van deze richtlijn) samengevat in één of meerdere conclusies, waarbij het niveau van het meest relevante bewijs is weergegeven, zie tabel 2.2 en 2.2.

 

Tabel 2.2 EBRO bewijsniveaus van diagnostische accuratessestudies en studies naar schade, etiologie of prognose

Bewijs niveau

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1

Meta-analyse van min. 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2- niveau.

A2

Onderzoek t.o.v. een referentietest (‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van resultaten, met voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Onderzoek t.o.v. een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiëntcontrole onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

 

D

Expert opinion.

 

Tabel 2.3 Niveau van bewijskracht van de conclusie op basis van de aan de conclusie ten grondslag liggende literatuur voor diagnostisch accuratesse onderzoek of prognose, etiologie of bijwerkingen.

Niveau

Conclusie gebaseerd op

Hoog (‘high’) (1)

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2 en er geen twijfel bestaat dat het resultaat wijzigt als er meer onderzoek wordt gedaan.

Matig (‘moderate’) (2)

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

Laag (‘low’) (3)

1 onderzoek van niveau B of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau C

Zeer laag (‘very low’) (4)

1 onderzoek van niveau C of D

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs nog andere aspecten van belang, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische facetten. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen.

 

Indicatorontwikkeling

Tijdens de ontwikkeling van de richtlijn ‘Haemoptoë’ is systematisch gezocht naar onderzoeksbevindingen die nuttig konden zijn voor het beantwoorden van de uitgangsvragen. Een deel (of een onderdeel) van de uitgangsvragen is met het resultaat van deze zoekacties te beantwoorden, een groot deel echter niet. Door gebruik te maken van de evidence-based methodiek (EBRO) is duidelijk geworden, of liever gezegd bevestigd, dat op het terrein van haemoptoë nog lacunes in de beschikbare ‘evidence’ bestaan. De publicaties betreffen vooral documentatie van patiëntenseries; er zijn slechts enkele vergelijkende studies verricht. In de meeste ziekenhuizen hebben longartsen, SEH-artsen en in enkele centra ook de interventieradiologen, echter ruime ervaring en expertise met betrekking tot de diagnostiek en behandeling van haemoptoë, zoals ook bleek tijdens het Bronkhorst Colloquium in 2012.

Wegens deze grote lacunes in kennis werd door de werkgroep geen indicatorenset ontwikkeld.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van de richtlijn ‘Haemoptoë’ is systematisch gezocht naar onderzoeksbevindingen die nuttig konden zijn voor het beantwoorden van de uitgangsvragen. Een deel (of een onderdeel) van de uitgangsvragen is met het resultaat van deze zoekacties te beantwoorden, een groot deel echter niet. Door gebruik te maken van de evidence-based methodiek (EBRO) is duidelijk geworden, of liever gezegd bevestigd, dat op het terrein van haemoptoë nog lacunes in de beschikbare ‘evidence’ bestaan. De publicaties betreffen vooral documentatie van patiëntenseries; er zijn slechts enkele vergelijkende studies verricht. In de meeste ziekenhuizen hebben longartsen, SEH-artsen en in enkele centra ook de interventieradiologen, echter ruime ervaring en expertise met betrekking tot de diagnostiek en behandeling van haemoptoë, zoals ook bleek tijdens het Bronkhorst Colloquium in 2012. De werkgroep adviseert om een landelijke registratie van de diagnostiek en behandeling (en uitkomst) van haemoptoë op te zetten, om inzicht te krijgen wat (in Nederland) de diagnostische bevindingen zijn in geval van haemoptoë en de uitkomsten van de behandeling. In tweede instantie zou dan eventueel een landelijke studie kunnen worden opgezet, om verschillende diagnostische protocollen met elkaar te vergelijken.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.

 

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

 

 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Niet radiologische behandeling haemoptoe