Slechthorendheid op de kinderleeftijd

Initiatief: VKGN Aantal modules: 13

Anamnese van slechthorenden op kinderleeftijd

Uitgangsvraag

Welke aspecten dienen bij het kind met slechthorendheid (en diens ouders) in de anamnese nagegaan te worden?

Aanbeveling

Bij een kind met slechthorendheid dient een gestructureerde anamnese te worden afgenomen.

 

In de anamnese dienen de volgende aspecten te worden uitgevraagd:

  • Informatie over de zwangerschap: koorts, huiduitslag, ziekte, medicatiegebruik, intoxicaties en vaccinatiestatus moeder, reisanamnese vlak vóór en tijdens de zwangerschap, groei van het kind.
  • Informatie over de perinatale periode: prematuriteit, dysmaturiteit, asfyxie, apnoe, acidose, kernicterus, meningitis of andere infecties, congenitale hartafwijkingen/ persisterende foetale circulatie, intracraniële bloeding, ototoxische medicatie.
  • Ontwikkelingsmijlpalen.
  • Aanwijzingen voor een auto-immuun aandoening, zoals plotseling ontstaan of progressief gehoorverlies in combinatie met gewrichts- en/of oogklachten.
  • Hoofdtrauma met bewustzijnsverlies met/zonder audiovestibulaire symptomen.
  • Aanwijzingen voor een metabole aandoening, zoals groeiretardatie, een grof uiterlijk of skeletproblemen.
  • Aanwijzingen voor ritmestoornissen, zoals syncope of breath holding spells.
  • Gebruik van ototoxische medicatie.
  • Tinnitus of vertigo, suggestief voor een tumor.
  • Aanwijzingen voor een mitochondriale aandoening, af te leiden uit een maternaal overervingspatroon, blootstelling aan aminoglycosiden, diabetes of een multisysteem ziekte.

 

In de familieanamnese dienen de volgende aspecten te worden uitgevraagd:

  • Consanguïniteit.
  • Gehoorverlies, door het tekenen van een 3-generatiestamboom met daarin bij de betreffende familieleden aangegeven het type doofheid, leeftijd waarop gehoorverlies is aangetoond, eventuele progressie, eventuele vestibulaire symptomen.
  • Ontwikkelingsachterstand.
  • Metabole aandoeningen.
  • Cardiale problematiek, hartritmestoornissen en plotseling overlijden.
  • Kenmerken die voorkomen bij bekende syndromen met gehoorverlies, zoals nierafwijkingen, schildklierproblemen of hals cysten/-fistels.
  • Pigmentatieafwijkingen van huid, haar en/of ogen.
  • Oogaandoeningen.
  • Aangeboren afwijkingen (bv. palatoschisis).

Overwegingen

Vanuit professioneel perspectief kan iedere kno-arts, kinderarts of klinisch geneticus een anamnese uitvoeren voor slechthorendheid, zoals hierboven gedefinieerd. Ondanks het ontbreken van wetenschappelijk bewijs voor welke vragen er in geval van vroeg kinderlijke doofheid niet mogen ontbreken in de anamnese, geeft de richtlijncommissie toch onderstaande aanbevelingen. Deze zijn gebaseerd op referenties, mogelijke (syndroom)diagnosen en ervaringen bekend bij auteur en werkgroepleden. Bewijsniveau ligt dan ook op dat van experts opinion.

 

Het lijkt voor de hand liggend maar toch nuttig om te vermelden dat een anamnese bij een slechthorend kind vaak een heteroanamnese is. De werkgroep is van mening dat daarom het spreken van beide ouders, bij voorkeur gelijktijdig, een meerwaarde heeft. Juist in gevallen van scheiding, relationele problemen binnen de familie, en familiaire vormen van slechthorendheid kan dit nuttige informatie opleveren.

 

Een ander aspect in de anamnese is het uitvragen hoe de slechthorendheid aan het licht is gekomen. Zijn er al (objectieve en correcte) metingen gedaan? Komt de patiënt op eigen initiatief of via verwijzing van een medisch specialist of zelfs rechtstreeks vanuit een screeningsprogramma? Het type gehoorverlies kan en moet gekarakteriseerd worden in ernst, graad, progressie. Hoewel dit uitvoerig onderzocht wordt tijdens audiologische onderzoekingen is het vragen naar deze aspecten soms ook verhelderend.

 

In de eerste plaats moet veel aandacht in de anamnese gaan naar het achterhalen van het tijdstip van het optreden van slechthorendheid. In het geval van congenitaal sensorineuraal gehoorverlies kan een hereditaire aanleg worden vermoed. Parving et al. (2001) definieerden duidelijke criteria voor erfelijke doofheid:

  1. een of beide ouders of grootouders slechthorend;
  2. twee of meer generaties aangedaan;
  3. stamboom suggereert bepaald type overerving;
  4. twee of meer slechthorende kinderen bij normaal horende ouders;
  5. een slechthorend kind met normaal horende ouders maar:
      • met een slechthorende neef of nicht, of
      • duidelijke X-linked of mitochondriale overerving of
      • duidelijk herkenbaar syndroom.

 

De anamnese naar syndromale doofheid vergt specifieke kennis van deze syndromen en dus expertise in het domein van erfelijke doofheid. Menig frequent voorkomende of erg specifieke syndromen zullen bekend zijn bij algemene KNO-artsen terwijl de ervaring met zeldzamere of aspecifieke syndromen naar verwachting gering zal zijn. Deze syndromen worden vaak na gerichte syndroomdiagnostiek, en zo mogelijk met behulp van moleculaire onderzoek, gediagnosticeerd. Inmiddels zijn meer dan 400 syndromale vormen van doofheid beschreven (Toriello et al. (2004)).

In dit handboek worden aandoeningen in onderstaande orgaansystemen beschreven in het kader van een syndroom waarvan ook slechthorendheid deel uit kan maken. Aldus zal bij de anamnese voor syndromale slechthorendheid expliciet hiernaar gevraagd moeten worden.

 

Syndromale slechthorendheid beschreven in verschillende hoofdstukken in Toriello et al. (2004) associeert slechthorendheid met afwijkingen van:

  1. uitwendige oorschelp en/of gehoorgang
  2. oog en visus
  3. musculoskeletaal stelsel
  4. nieren
  5. zenuwstelsel
  6. endocrien en metabool stelsel
  7. chromosomaal
  8. huid en haren
  9. oraal en dentaal
  10. variabel: Cardiaal/schisis/Glomus Tympanicum

 

Op te merken valt dat simultane aantasting van het vestibulair systeem niet als apart syndroom wordt erkend daar het eenzelfde orgaansysteem betreft. Kennis is vereist van motorische mijlpalen bij het groeiend kind om te kunnen inschatten of er een motorische ontwikkelingsachterstand is bijvoorbeeld ten gevolge van een  vestibulaire aandoening. Spraak- en taalachterstand moeten in kaart kunnen worden gebracht om eventueel gehoorverlies te herkennen

 

Verworven vroegkinderlijke slechthorendheid kent vele oorzaken. Bij een aantal van die oorzaken is de relatie duidelijk, bij een ander aantal is er slechts een statistische relatie vastgesteld met gehoorverlies. Veel van deze studies zijn te vinden in een review artikel van Picket et al. (1999).

Permanente slechthorendheid kan ontstaan door:

  1. Congenitale infecties met Toxoplasma gondii, Rubellavirus, Cytomegalovirus, Treponema pallidum (syfilis), Postnataal opgelopen meningitis.
  2. trauma (evt. geluidstrauma)
  3. ototoxiciteit (zowel prenataal als peri- en postnataal)
  4. kernicterus
  5. rhesus incompatibiliteit
  6. neonatale hypoxie
  7. neonataal antibiotica gebruik
  8. laag geboortegewicht (< 1500gram)
  9. lage Apgar score (<5 op 1 min en < 7 op 5 min)
  10. prematuriteit
  11. verblijf op NICU
  12. neonataal mechanische ventilatie (voor meer dan 5 dagen)
  13. niet-infectieuze zwangerschapsproblemen zoals diabetes mellitus, metabole aandoeningen, preeclampsie, placenta praevia, etc.

 

Een voorbeeld van een goed overzicht van vragen die in de anamnese bij het slechthorend kind moeten terugkomen is te vinden in het review artikel van Mac Ardle et al. (2010) en zijn nader gespecificeerd in de aanbeveling behorende bij deze uitgangsvraag.

In de bijlage is een voorbeeld van een gestandaardiseerde vragenlijst gegeven. Op dit moment zijn in verscheidene otogenetische centra verschillende vragenlijsten in gebruik, die onderling veel overeenkomst hebben.

Onderbouwing

Het vragen naar de medische voorgeschiedenis en ontstaan van het klachtenpatroon oftewel het afnemen van een anamnese bij een patiënt, of verwanten daarvan (heteroanamnese), heeft als doelstelling het verzamelen van nuttige informatie voor het stellen van een juiste diagnose en daarop aansluitend adviseren van een juiste behandeling voor de patiënt.

Tot op heden is er geen gestandaardiseerde anamnese voor slechthorendheid. Ook komt er geen specifieke vragenlijst voor vroegkinderlijke slechthorendheid uit de literatuur search.

Niveau  4

Geconcludeerd wordt dat geen wetenschappelijke standaardisatie van vragenlijsten is terug te vinden middels de alhier uitgevoerde literatuur search. Er blijken echter wel standaard vragenlijsten te bestaan voor experts die betrokken zijn bij management van vroeg kinderlijke doofheid.

 

D             Mening werkgroep

 

Niveau  4

Er zijn aanwijzingen dat anamnese en klinisch onderzoek richtinggevend moeten zijn bij etiologisch onderzoek naar slechthorendheid en het aanvragen van aanvullend onderzoek.

 

D             Billings et al.  (1999), Greinwald et al. (2002), Mafong et al. (2002)

Vanuit de literatuur search werden slechts vijf artikelen geselecteerd omdat zij een studie verrichtten naar vragenlijsten. Ze evalueren echter questionnaires die slechthorendheid zouden moeten detecteren in plaatsen waar gehoortesten niet direct beschikbaar zijn zoals bijvoorbeeld China en Kenia en andere minder ontwikkelde landen.

De resultaten van studies uit deze uitvoerige en systematische search zijn geenszins een leidraad voor het opstellen van richtlijnen voor anamnesevragen. Een juistere formulering is misschien dat een standaardisatie van de anamnese bij slechthorende patiënten nog niet bestudeerd is. Vele handboeken formuleren wel items die moeten worden nagevraagd bij slechthorendheid. Er zijn voor zover bekend geen wetenschappelijke publicaties met expliciete vragenlijsten voor aspecten die dienen te worden nagegaan in de anamnese bij een kind met slechthorendheid (en diens ouders. Wel stellen Billings et al. (1999), Greinwald et al. (2002), en Mafong et al. (2002) dat anamnese gecombineerd met klinisch onderzoek richtinggevend moet zijn voor het efficiënt aanvragen van aanvullend onderzoek om tot een juiste diagnose voor slechthorendheid te komen.

  1. Billings, K. R. and Mc. Kenna (1999). Causes of pediatric Hearing loss. Arch otolaryngol Head Neck Surg125:517-521.
  2. Greinwald, J. H. Jr., Hartnick, C. J. (2002). The Evaluation of Children With Sensorineural Hearing Loss. ArchOtolaryngol Head Neck Surgion 28, 84-87.
  3. MacArdle, B., Bitner-Glindzicz, M. (2010). Investigation of the child with permanent hearing impairment.Archives of disease in Childhood Education and Practice Edition 95, 14-23.
  4. Mafong, D., Shin, E., Lalwani, A., (2002). Use of Laboratory Evaluation and Radiologic Imaging in theDiagnosticEvaluation of Children With Sensorineural Hearing Loss.Laryngoscope 112, 1-7.
  5. Parving, A., & Davis A. (2001). In A. Martini, M. Mazzoli, D. Stephens & A. Read (red). Definitions Protocols and guidelines in genetic hearing impairment (Ch 10 pp40-44). London and Philadelphia: Whurr Publishers London.
  6. Pickett, B.P., Ahlstrom, K. (1999). Clinical evaluation of the hearing-impaired infant.Otolaryngol Clinical North America 32 (6), 1019-35.
  7. Toriello, H.V., Reardon, W., Gorlin, R.J. (2004). Hereditairy hearing loss and its syndromes (Third edition).New York – Oxford: Oxford University Press.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-01-2012

Laatst geautoriseerd  : 01-01-2012

Uiterlijk in 2016 bepaalt het bestuur van de VKGN of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De VKGN is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Vereniging Klinische Genetica Nederland
Geautoriseerd door:
  • Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie
  • Vereniging Klinische Genetica Nederland

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel

Een richtlijn bevat aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. In de conclusies wordt aangegeven wat de wetenschappelijke stand van zaken is. De aanbevelingen expliciteren optimaal professioneel handelen in de gezondheidszorg en zijn gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, aansluitende meningsvorming en overige overwegingen. Deze richtlijn geeft een leidraad voor etiologisch onderzoek van neonatale vastgestelde slechthorendheid. Het is van belang dat het etiologisch onderzoek in relatie tot de leeftijd van het kind en de setting wordt beschouwd.

 

Door het vaststellen van de oorzaak kan een uitspraak gedaan worden over het mogelijk beloop van slechthorendheid en eventuele noodzaak tot een aangepaste leeromgeving om het kind optimale kansen te geven in de maatschappij. Afhankelijk van de oorzaak kunnen mogelijke bijkomende verschijnselen worden gecontroleerd en/of behandeld.

Tevens is het etiologisch onderzoek essentieel voor genetic counseling en het vaststellen van de kans op een volgend kind met slechthorendheid.

 

Doelgroep

Deze richtlijn richt zich op kinderen waarbij slechthorendheid is vastgesteld bij de neonatale gehoorsscreening en hun ouders. 

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2009 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met etiologisch onderzoek naar slechthorendheid op de kinderleeftijd te maken hebben (zie hiervoor de samenstelling van de werkgroep).

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende 2009-2012 aan de totstandkoming van de richtlijn.

De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

  • Dr. R.J.C. Admiraal, vice voorzitter, KNO-arts, NVKNO
  • Drs. L.A. Bok, Kinderarts, NVK
  • Dr. E.H. Hoefsloot, staflid DNA-diagnostiek, VKGL
  • Dr. S.G. Kant, Klinisch Geneticus, VKGN
  • Dr. H.L.M. van Straaten, Neonatoloog, NVK
  • Dr. V. Topsakal, KNO-arts, NVKNO
  • Drs. N.N. Uilenburg, Manager Onderzoek en Ontwikkeling, NSDSK
  • Drs. M-J.H. van den Boogaard, voorzitter, Klinisch Geneticus, VKGN
  • Dr. M.F. van Dooren, Klinisch Geneticus, VKGN
  • Dr. G.A. van Zanten, Hoofd Audiologisch Centrum, NVA

 

Met ondersteuning van:

  • Drs. A. Hagemeijer, senior adviseur, afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit, Orde van Medisch Specialisten
  • Drs. M. Wessels, literatuurspecialist, afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit, Orde van Medisch Specialisten

 

In samenwerking met:

  • Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind (NSDSK)
  • Nederlandse Federatie van ouders van slechthorende kinderen en van kinderen met spraak-taalmoeilijkheden (FOSS)
  • Nederlandse Vereniging voor Slechthorenden (NVVS)

Belangenverklaringen

Verklaring omtrent mogelijke belangenverstrengeling en embargo met betrekking tot de richtlijnEtiologisch onderzoek naar slechthorendheid op de kinderleeftijd.

Werkgroeplid in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhield met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp

Naam

Belangenverklaring ingevuld

Belangen gemeld

Admiraal, R.

ja

nee

Boogaard, M.J. van den

ja

nee

Bok, L.

ja

nee

Dooren, M. van

ja

nee

Hoefsloot, L.

ja

nee

Kant, S.

ja

nee

Straaten, I. van

ja

nee

Topsakal, V.

ja

nee

Uilenburg, N.

ja

nee

Verduyn Lunel, F.

Ja

nee

Wit de-Fleer, H.

ja

nee

Zanten, B. van

ja

nee

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind (NSDSK), de Nederlandse Federatie van ouders van slechthorende kinderen en van kinderen met spraak-taalmoeilijkheden (FOSS) en de Nederlandse Vereniging voor Slechthorenden (NVVS) te vragen om te participeren in het richtlijnproces. Dit is vormgegeven door één vertegenwoordiger in de werkgroep. De betreffende vertegenwoordiger heeft op afstand geparticipeerd en kon gevraagd en ongevraagd feedback geven op de voorliggende teksten. Daarnaast is via de websites van de betrokken patiëntenverenigingen een oproep gedaan aan ouders van slechthorende kinderen om zich te melden voor deelname aan een focusgroep. Helaas heeft dit geresulteerd in een minimaal aantal aanmeldingen en is besloten om geen focusgroep te organiseren, een klein aantal ouders is telefonisch gesproken over ervaren knelpunten.

 

De conceptrichtlijn is voor commentaar voorgelegd aan de betrokken patientenverenigingen en aan de ouders die zich hadden aangemeld voor deelname aan de focusgroep.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

De richtlijn is verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van de VKGN: [www.vkgn.org] en van de Kwaliteitskoepel: [www.kwaliteitskoepel.nl].

Werkwijze

Knelpuntenanalyse

In het kader van deze richtlijnontwikkeling werd allereerst een knelpunt analyse verricht die inzicht geeft in de behoeften van betrokkenen. Bij deze analyse werden vooral knelpunten geconstateerd op het gebied van de kennis en expertise van de etiologie van slechthorendheid, de indicatiestelling voor de verschillende mogelijkheden van etiologische diagnostiek en problemen in de afstemming en taakverdeling tussen medisch specialisten. De knelpuntanalyse heeft geresulteerd in een rapport waarin een vijftal aanbevelingen zijn geformuleerd (Uphoff, 2010). Deze aanbevelingen hebben gediend als aandachtspunten voor de werkgroep, bij het ontwikkelen van de richtlijn.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Aan de hand van de knelpunten werden door de werkgroep uitgangsvragen geformuleerd. In deze richtlijn worden 12 uitgangsvragen besproken, die als basis dienen voor de geformuleerde aanbevelingen in de richtlijn. De uitgangsvragen zijn geformuleerd op basis van de literatuur en de eerdergenoemde knelpuntanalyse.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

Beoordeling van dit soort onderzoeken werd gedaan aan de hand van de EBRO methodiek. Individuele studies werden beschreven in evidence-tabellen. De studies werden individueel beoordeeld op onderzoeksopzet/design. Naar aanleiding van deze beoordeling werd het bewijsniveau van studies bepaald volgens de classificatie in tabel 2. Een samenvatting van de literatuur en het bewijsniveau van de relevante studies zijn in de richtlijntekst terug te vinden onder de kopjes ‘samenvatting van de literatuur’ en ‘conclusie’.

Tabel 2. EBRO indeling van de kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostische accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

 

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohort-onderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohortonderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohortonderzoek of patiënt-controleonderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 2: Niveau van bewijs van de conclusie

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

Eén onderzoek van niveau A2 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

Eén onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs nog andere aspecten van belang, zoals de expertise van de werkgroep leden, patiënten voorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische facetten. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen.

 

Indicatorontwikkeling

Gelijktijdig met het ontwikkelen van de conceptrichtlijn werden indicatoren ontwikkeld. Een indicator is een meetbaar kenmerk van de gezondheidszorg met een signaalfunctie voor (een aspect van) de kwaliteit van zorg. Indicatoren maken het de zorgverleners mogelijk om te meten of zij de gewenste zorg leveren en om onderwerpen voor verbeteringen te identificeren.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van de richtlijn ‘Etiologisch onderzoek naar slechthorendheid op de kinderleeftijd’ is systematisch gezocht naar onderzoeksbevindingen die nuttig konden zijn voor het beantwoorden van de uitgangsvragen. Een deel (of een onderdeel) van de uitgangsvragen is met het resultaat van deze zoekacties te beantwoorden, het overgrote deel echter niet. Door gebruik te maken van de Evidence Based Systematiek is duidelijk geworden, of liever gezegd bevestigd, dat er op het terrein van het etiologisch onderzoek naar slechthorendheid nog lacunes in de beschikbare kennis bestaan. De werkgroep is van mening dat (vervolg)onderzoek wenselijk is, om in de toekomst een duidelijker antwoord te kunnen verschaffen. Om deze reden heeft de werkgroep aangegeven op welke vlakken nader onderzoek gewenst is.

Daarbij dient men zich te realiseren dat de mogelijkheden en inzichten betreffende het etiologisch onderzoek bij slechthorendheid veranderen in de tijd. Met name de moleculaire diagnostiek is sterk in ontwikkeling, er lijken mogelijkheden voor behandeling van CMV op komst, de kennis betreffende het beoordelen van beeldvormende technieken neemt toe,  en  er zijn voortschrijdende ontwikkelingen met betrekking tot hoorapparatuur voor slechthorendheid en cochleaire implantatie voor doofheid. Hierdoor zijn verrichte studies niet meer toepasbaar voor dit moment, en is men op dit moment sterk afhankelijk van de meningen van experts.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de besturen van de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen verstuurd voor autorisatie. 

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Lichamelijk en dysmorfologisch onderzoek