Erfelijk en familiair ovariumcarcinoom

Initiatief: IKNL Aantal modules: 51

Erfelijk en familiair ovariumcarcinoom - Genetisch onderzoek naar mutaties

Welke erfelijke tumorsyndromen kunnen ten grondslag liggen aan erfelijk ovariumcarcinoom en welk onderzoek is dan geïndiceerd?

Erfelijke borst- en eierstokkanker; BRCA1 en BRCA2
Om DNA-onderzoek naar veranderingen in de BRCA-genen mogelijk te maken, is een bloedafname veelal noodzakelijk. Het is ook mogelijk om mutatieanalyse te verrichten op DNA geïsoleerd uit paraffinemateriaal, indien dit van voldoende kwaliteit is. DNA geïsoleerd uit bloed heeft wel de voorkeur. Indien een mutatie in de familie al bekend is, dan is beperkt weefselonderzoek op paraffinemateriaal bij een overleden patiënt naar aanwezigheid van de familiaire mutatie vaak mogelijk. Indien de mutatie niet bekend is in de familie, is het voor het erfelijkheidsonderzoek belangrijk om bij een (pre)terminale patiënte DNA veilig te stellen voor toekomstige diagnostiek. Hiervoor kan contact opgenomen worden met de afdeling klinische genetica.

Lynch syndroom
Onderzoek naar het Lynch syndroom wordt veelal gestart met tumorweefselonderzoek, genaamd microsatelliet instabilliteitsonderzoek (MSI-onderzoek). Dit is het meest frequent onderzocht en gevalideerd bij colorectaal carcinoom. Als colorectaal carcinoom niet in de familie is voorgekomen, dan is MSI-onderzoek ook op andere Lynch geassocieerde carcinomen mogelijk. Deze test wordt dan gecombineerd met immunohistochemische kleuring van de mismatch repair eiwitten die betrokken zijn bij het Lynch syndroom, te weten: MLH1, MSH2, MSH6, PMS2. Indien de MSI-test of het immunohistochemische onderzoek afwijkend is, is er reden om (gericht aan de hand van de immunohistochemische bevindingen) mutatieanalyse van het betreffende mismatch repair gen te starten.
MSI is niet specifiek voor Lynch syndroom.In een studie van ongeselecteerde ovariumcarcinomen bleek 10-12% van de tumoren microsatelliet instabiliteit te vertonen. Sereuze ovariumcarcinomen waren hierbij ondervertegenwoordigd (circa 30%) [Murphy 2010, Pal 2012 (1)]. Het is niet bekend, hoe frequent deze bevinding in tumorweefsel duidt op Lynch syndroom. Soms, als weefselonderzoek niet mogelijk is, worden alle vier bovengenoemde genen tegelijk onderzocht en daarnaast het EPCAM gen.


De indicatie voor MSI-onderzoek wordt gesteld op basis van de gereviseerde Bethesda-criteria [Umar 2004 (2)]. Voor de patiënt met ovariumcarcinoom geldt dat aan de gereviseerde Bethesda-criteria wordt voldaan, indien naast het ovariumcarcinoom:

  1. synchroon of metachroon een Lynch syndroom geassocieerd carcinoom* ontstaan is bij patiënt zelf, of
  2. colorectaal carcinoom bij een eerstegraads familielid voorkomt, waarbij of het ovariumcarcinoom of het coloncarcinoom gediagnostiseerd is < 50 jaar, of
  3. colorectaal carcinoom of Lynch syndroom geassocieerd carcinoom* bij twee of meer verwanten voorkomen ongeacht de leeftijd.

* Met Lynch syndroom geassocieerde carcinomen zijn: colorectaal carcinoom, endometriumcarcinoom, maagcarcinoom, ovariumcarcinoom, pancreascarcinoom, urinewegcarcinomen, galgangcarcinoom, hersentumor, talgkliertumor en dunnedarmcarcinoom.

Peutz-Jeghers syndroom

Indien er vanwege persoonlijke kenmerken of de familiegeschiedenis reden is het Peutz-Jeghers syndroom te overwegen, kan bloed afgenomen worden om mutatieanalyse van het tumorsuppressorgen STK11 te verrichten. Kenmerken die aan Peutz-Jeghers syndroom moeten doen denken zijn kleine gepigmenteerde vlekken op de lippen, om en in de mond, in het gelaat en rond de anus bij kinderen. De vlekken ontstaan op kinderleeftijd en vervagen vaak op volwassen leeftijd. Dragers ontwikkelen vaak poliepen in maag en darmen, die problemen kunnen geven zoals recidiverende darmobstructies, bloedverlies en buikpijn. Peutz-Jeghers syndroom wordt verder gekenmerkt door de ontwikkeling van hamartomen in de tractus gastrointestinalis en een sterk verhoogd risico op diverse maligniteiten, naast ovariumcarcinoom, maag-darmkanker, cervixcarcinoom (adenoma malignum) en mammacarcinoom [Weissman 2012 (3)].

Algemeen
Indien de sleutelpersoon met kanker in de familie overleden is, dan is het ook mogelijk om bij eerstegraads verwanten die 50% kans hebben om drager te zijn, DNA-onderzoek te verrichten. De meeste laboratoria beperken dit tot in totaal drie niet-aangedane eerstegraads verwanten. Op deze manier kan met vrij grote zekerheid worden vastgesteld of de overleden persoon een erfelijke vorm van kanker heeft gehad. Soms worden er bij DNA-onderzoek varianten gevonden waarvan de consequenties (nog) niet duidelijk zijn, zogenaamde Variants of Unknows Significance (VUS). In een dergelijk geval is het niet mogelijk om gezonde familieleden een presymptomatisch DNA-onderzoek aan te bieden, tenzij er in de toekomst bewijs komt dat de VUS pathogeen is.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  :

Laatst geautoriseerd  : 15-06-2015

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Integraal Kankercentrum Nederland

Methode ontwikkeling

Evidence based

Volgende:
Reproductieve vraagstukken