Elektroconvulsietherapie

Initiatief: NVvP Aantal modules: 44

Katatonie indicatie toepassen ECT

Uitgangsvraag

Zijn de ziektebeelden katatonie en neuroleptisch maligne syndroom een indicatie voor het toepassen van ECT?

Aanbeveling

De werkgroep is van mening dat voor de behandeling geen onderscheid gemaakt hoeft te worden tussen katatonie en het neuroleptisch maligne syndroom.

 

De werkgroep is van mening dat bij gevallen van (verdenking op) katatonie een proefbehandeling met lorazepam gegeven kan worden (1-2 mg lorazepam, liefst intraveneus toegediend; beoordeling effect op katatone verschijnselen binnen tien minuten). Indien dit geen verbetering geeft van de katatone verschijnselen dan kan, afhankelijk van de toestand van de patiënt, overwogen worden onverwijld een behandeling met ECT te starten.

 

De werkgroep is van mening dat, indien ECT geïndiceerd is voor maligne katatonie, afhankelijk van de ernst van de katatonie ECT dagelijks kan worden toegepast, totdat de symptomen significant verminderd zijn.

Overwegingen

In de praktijk is het moeilijk om de verschillende vormen van katatonie zoals besproken in de literatuur te onderscheiden. De behandeling van katatonie op korte termijn is voor alle vormen identiek en afhankelijk van de ernst, niet van het onderliggend lijden. Ook in de literatuur wordt gepleit om het NMS te beschouwen als een verschijningsvorm van katatonie (Hawkins e.a., 1995). Omdat NMS en katatonie in de praktijk vaak niet van elkaar te onderscheiden zijn, en de behandeling van NMS en maligne katatonie niet van elkaar verschilt (Van den Broek e.a., 2005), is de werkgroep van mening dat dezelfde aanbevelingen kunnen worden gehanteerd. Het behandelalgoritme waarbij eerst een (proef)behandeling met lorazepam wordt gegeven en eventueel aansluitend ECT is namelijk bij beide potentieel levensbedreigende ziektebeelden gelijk.

Bij de behandeling van dergelijke zieke patiënten is het van groot belang om, in overleg met meestal internist, anesthesioloog en/of intensivist, optimale medische en verpleegkundige zorg te bieden (zowel voor, tijdens als na de ECT), die in ieder geval gericht is op bewaking van de vitale lichaamsfuncties (bewaking van hartritme, bloeddruk, zuurstofsaturatie en temperatuur), bewaken van de nierfunctie en elektrolytenbalans, het optimaliseren van de voedingstoestand, geven van tromboseprofylaxe en antidecubitus maatregelen (Van den Broek e.a., 2005).

Onderbouwing

Niveau 3

Er zijn aanwijzingen dat ECT effectief is bij alle vormen van katatonie wanneer de behandeling van eerste keuze, namelijk benzodiazepinen (meest beschreven lorazepam), niet binnen 48 uur effectief blijkt.

 

C : Hawkins e.a., 1995; Bush e.a., 1996; Davis e.a., 1991; Trollor & Sachdev, 1999

Er zijn meerdere casuïstische mededelingen gedaan waarin ECT als uitermate effectief werd beschreven bij katatonie. Eén onderzoek volgde prospectief 11 patiënten met katatone schizofrenie na een behandeling met bifrontotemporale ECT. In 10 van de 11 patiënten (91%) bleken benzodia- zepinen voor ECT niet effectief; alle patiënten voldeden na gemiddeld tien ECT-sessies aan het criterium van ‘responder’, echter 7 van de behandelde patiënten (64%) recidiveerden binnen een halfjaar (Suzuki e.a., 2004).

In een groot literatuuronderzoek werden de gevalsbeschrijvingen van 178 patiënten geanalyseerd (Hawkins e.a., 1995): in de meeste gevallen werd de katatonie effectief behandeld met een benzodiazepine, meestal lorazepam (73 van 104 behandelde patiënten). ECT werd geadviseerd als deze aanpak niet hielp of als er een snelle respons nodig was, en ECT was dan effectief bij 47 van 55 patiënten (85%). Er zijn ook enige aanwijzingen dat soms een gecombineerde behandeling met ECT en lorazepam synergistisch kan werken, waarbij lorazepam vóór ECT niet effectief was, maar na ECT wel bij eenzelfde of een lagere dosis (Petrides e.a., 1997).

In een ander onderzoek toonde retrospectief statusonderzoek het verdwijnen van katatone verschijnselen na gemiddeld 12 sessies (meestal) bifrontotemporale ECT bij 26 uit 28 (93%) katatone patiënten. Dit betrof patiënten met ‘major depression' (in 8 patiënten), bipolaire stoornis (in 5 patiënten), schizofrenie (in 5 patiënten), schizoaffectieve stoornis (in 2 pa-tiënten) en ‘organic mental disorder' (in 2 patiënten) (Rohland e.a., 1993).

Er zijn overigens ook enkele gevalsbeschrijvingen waarin ECT bij katatone en neurologisch gecompromitteerde patiënten minder effectief zou zijn (Swartz e.a., 2003).

Ten aanzien van de plaats van ECT in de behandeling van katatonie werd in een prospectief onderzoek bij 28 patiënten het volgende gevonden: de effectiviteit van lorazepam (oraal, intramusculair, intraveneus; 4-8 mg per dag) op katatone symptomen, waarbij de meeste patiënten dramatisch verbeterden na de eerste paar giften, voorspelde een positieve respons op verdere behandeling met lorazepam bij 21 van de 23 (90%) patiënten; van de overige 5 niet-responsieve patiënten herstelden 4 met ECT (Bush e.a., 1996). Deze auteurs bevelen aan direct ECT te geven als lorazepam binnen enkele dagen niet effectief is, of als de katatonie ‘ernstig' is. Het advies om na 48 uur niet-effectieve medicamenteuze behandeling over te gaan op ECT, wordt gesteund door een ander literatuuronderzoek, waarbij bleek dat 26 van 31 (84%) medicamenteus voorbehandelde katatone patiënten effectief met ECT konden worden behandeld, naast 13% met een slecht en 3% met een twijfelachtig resultaat (Scheftner & Shulman, 1992).

In de literatuur wordt door sommige auteurs NMS als subcategorie binnen de groep van katatonie beschouwd, waarbij de behandeling met ECT uitermate effectief en soms levensreddend is. In een omvangrijk literatuuronderzoek werden van 734 gepubliceerde patiënten, 665 NMs-casus nader geanalyseerd.

Hierbij bleek ECT effectief en veilig bij 24 van de 29 (83%) met ECT behandelde patiënten; de mortaliteit bij patiënten met NMS daalde van 21% onbehandeld tot 10% bij zowel de groep die behandeld werd met ECT als met medicatie (amantadine, bromocriptine, L-dopa en dantroleen) (Davis e.a., 1991). In een ander literatuuronderzoek bleek ECT bij 45 patiënten effectief na gemiddeld zes sessies, ook als de medicamenteuze behandeling van het NMS had gefaald (Trollor & Sachdev, 1999).

Bij het literatuuronderzoek werden respectievelijk 223, 125 en 76 artikelen gevonden betreffende de zoekvragen naar katatonie, neuroleptisch maligne syndroom (NMS) en delier. Zoals verwacht, gezien de lage prevalentie van deze ziektebeelden en de nog minder frequente toepassing van ECT hierbij, werden geen prospectieve, gerandomiseerde, dubbelblinde onderzoeken aangetroffen. De meeste artikelen deden casuïstische mededelingen of gaven overzichten daarvan. Daarbij speelt waarschijnlijk het probleem van publicatiebias, waarbij er een voorkeur is om succesvolle behandelingen te publiceren, in tegenstelling tot niet-succesvolle behandelingen.

Bij de beoordeling van de gevonden literatuur valt op dat meestal de behandeling van katatone symptomatologie wordt beschreven, ongeacht het onderliggende psychiatrische syndroom of somatisch lijden (schizofrenie, katatone subtype; katatone symptomatologie bij ernstige depressies of bij manie; maligne katatonie met ontregeling van het autonome zenuwstelsel; neuroleptisch maligne syndroom; katatone verschijnselen bij delier). In de beschrijving van de literatuur, conclusies en aanbevelingen worden alle vormen van katatonie bedoeld tenzij anders aangegeven.

Ten behoeve van deze richtlijn werden de omvangrijkste reviews (in totaal vier onderzoeken) onderzocht, waarbij gekeken werd naar beschrijvingen van de behandeling van katatone verschijnselen met ECT, de effectiviteit daarvan, ook in vergelijking met medicamenteuze behandelingen, en onderbouwde adviezen. Er werd één prospectief onderzoek over ECT bij katatone schizofrenie gevonden (Suzuki e.a., 2004). De overige gevonden artikelen werden niet geschikt bevonden ter beantwoording van de uitgangsvraag, omdat ze alleen een enkele casus beschreven of niet het onderwerp betroffen.

  1. American Psychiatrie Association (1999). Practice guideline for the treatment of patients with delirium. American Psychiatric Association. The American Journal of Psychiatry, 156 (Suppl. 5), 1-20.
  2. Broek, W.W. van den, Leentjens, A.F.G., van Vliet, I.M., e.a. (Red.). (2005). Handboek Elektroconvulsietherapie. Assen: Koninklijke Van Gorkum.
  3. Bush, G., Fink, M., Petrides, G., e.a. (1996). Catatonie: II. Treatment with lorazepam and electroconvulsive therapy. Acta Psychiatrica Scandinavia, 93, 137-143.
  4. Davis, J.M., Janicak, P.G., Sakkas, P., e.a. (1991). Electroconvulsive therapy in the treatment of the neuroleptic malignant syndrome. Convulsive Therapy, 7, 111-120.
  5. Dubovsky, S.L. (1986). Using electroconvulsive therapy for patients with neurological disease. Hospital & Community Psychiatry, 37, 819-825.
  6. Fink, M. (1999). ECT in delirious states. The Journal of ECT, 15, 175-177.
  7. Hawkins, J.M., Archer, K.J., Strakowski, S.M., e.a. (1995). Somatic treatment of catatonia. International Journal of Psychiatry in Medicine, 25, 345-369.
  8. Kupka, R.W., & Smeets, R.M.W. (1992). De rol van elektroconvulsietherapie bij de behandeling van het neuroleptisch maligne syndroom. Tijdschrift voor Psychiatrie, 34, 94-99.
  9. Levin, T., Petrides, G., Weiner, J., e.a. (2002). Intractable delirium associated with ziconotide successfully treated with electroconvulsive therapy. Psychosomatics, 43, 63-66.
  10. Mast, R.C. van der, Huyse, F.J., Droogleever-Fortuijn, H.A., e.a. (2004). Richtlijn Delirium. Amsterdam: Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie.
  11. Petrides, G., Divadeenam, K.M., Bush, G., e.a. (1997). Synergism of lorazepam and electroconvulsive therapy in the treatment of catatonia. Biological Psychiatry, 42, 375-381.
  12. Rohland, B.M., Carroll, B.T., & Jacoby, R.G. (1993). ECT in the treatment of the catatonic syndrome. Journal of Affective Disorders, 29, 255-261.
  13. Scheftner, W.A., & Shulman, R.B. (1992). Treatment choice in neuroleptic malignant syndrome. Convulsive Therapy, 8, 267-279.
  14. Stromgren, L.S. (1997). ECT in acute delirium and related clinical states. Convulsive Therapy, 13, 10-17.
  15. Suzuki, K., Awata, S., & Matsuoka, H. (2004). One-year outcome after response to ECT in middle-aged and elderly patients with intractable catatonic schizophrenia. The Journal of ECT, 20, 99-106.
  16. Swartz, C.M., Acosta, D., & Bashir, A. (2003). Diminished ECT response in catatonia due to chronic neurologic condition. The Journal of ECT, 19, 110-114.
  17. Trollor, J.N., & Sachdev, P.S. (1999). Electroconvulsive treatment of neuroleptic malignant syndrome: a review and report of cases. The Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, 33, 650-659.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 01-02-2010

Laatst geautoriseerd  : 01-02-2010

Uiterlijk in 2014 bepaalt de NVvP of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen als nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven een herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

Algemene gegevens

De richtlijn is tot stand gekomen met ondersteuning en begeleiding van Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en het Trimbos-instituut en met financiële steun van de NVvP.

 

Aanleiding voor de richtlijn

Deze richtlijn Elektroconvulsietherapie (ECT) is een herziening van een richtlijn, uitgegeven door het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) in 2000. Het bestuur heeft de opdracht tot een herziening van deze richtlijn gegeven en op voordracht van de Commissie Kwaliteitszorg (CKZ) de voorzitter en de leden van de werkgroep benoemd. In tegenstelling tot de vorige versie, is de herziening een multidisciplinaire richtlijn. Hiertoe zijn de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), V&VN vakcommissie ggz verpleegkundigen en Beroepsvereniging voor Recovery Verpleegkundigen (BRV) uitgenodigd vertegenwoordigers af te vaardigen voor de werkgroep.

 

Definities

In de specifieke inleiding is weergegeven welke definities door de werk­groep zijn gebruikt. Daar waar de werkgroep in deze richtlijn ‘hij' schrijft, wordt in het algemeen ook ‘zij' bedoeld. Daar waar de richtlijn ‘patiënt' schrijft, erkent de werkgroep dat de term ‘cliënt' in de geestelijke gezond­heidszorg veel wordt gebruikt. Omwille van de eenheid binnen deze richt­lijn en binnen alle ggz-richtlijnen is echter de term patiënt aangehouden.

 

Probleemomschrijving en uitgangsvragen

Een multidisciplinaire richtlijn geeft in het algemeen ‘aanbevelingen voor de praktijk’. Dat betekent dat praktijkproblemen zo veel mogelijk het uit­gangspunt zijn van de teksten in de richtlijn. Dat betekent ook dat méér aandacht wordt gegeven aan hóe die praktijkproblemen worden opgelost dan aan de vraag door wie die problemen worden aangepakt of opgelost. De richtlijn is een document waarin staat hoe optimale zorg er ‘inhoude­lijk' uit ziet. In de richtlijn komen dus de bijdragen van de verschillende beroepsgroepen aan de orde. De uitgangsvragen zijn zo gebaseerd op knel­punten die in de praktijk worden ervaren.

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De aanbevelingen in de richtlijn berusten waar mogelijk op de resultaten van gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. De beschikbare resultaten van dat wetenschappelijk onderzoek zijn door de werkgroep vastgelegd en geïnterpreteerd. Aansluitend zijn de aanbevelingen geformuleerd, gericht op het expliciteren van goed handelen. De richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van alle hulpverleners en instellingen die ECT uitvoeren. De richtlijn biedt aanknopingspunten voor zorgorganisatie, bijvoorbeeld transmurale afspraken of lokale protocollen, en bevat aanbevelingen voor implementatie. De richtlijn bevat daarnaast een weergave van de visie van patiënten op de zorg.

De richtlijn sluit zo veel mogelijk aan bij de beschikbare internationale richtlijnen op het gebied van ECT.

 

Doelgroep

De richtlijn is primair bedoeld voor hulpverleners die betrokken zijn bij de uitvoering van ECT. Te denken valt aan psychiaters, anesthesiologen en verpleegkundigen. Ook patiënten kunnen de richtlijn gebruiken bij het overleg met hulpverleners.

Samenstelling werkgroep

De multidisciplinaire richtlijn Elektroconvulsietherapie is op initiatief en onder auspiciën van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie tot stand gebracht door de werkgroep Elektroconvulsietherapie, waarin de deelnemende verenigingen en organisaties hebben samengewerkt. Methodologische en organisatorische ondersteuning en begeleiding werden verzorgd door het Trimbos-instituut en het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO.

 

Werkgroep

Voorzitter

Dr. W.W. van den Broek, psychiater, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam.

 

Leden

Dr. T.K. Birkenhager, psychiater, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam.

Mw. drs. D. de Boer, verpleegkundige, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden.

Drs. J.P. Burggraaf, anesthesioloog, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden.

Mw. B. van Gemert, verpleegkundige, Parnassia psycho-medisch centrum, Den Haag.

Drs. T.H.N. Groenland, anesthesioloog, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam.

Dr. K.H. Kho, psychiater, PsyQ, Den Haag.

Dr. M.L. Stek, psychiater, GGZ Buitenamstel Geestgonden, Amsterdam.

Dr. B. Verwey, psychiater, Alysis zorggroep, ziekenhuis Rijnstate, Arnhem.

Mw. dr. I.M. van Vliet, psychiater, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden.

Drs. J.A. van Waarde, psychiater, Alysis zorggroep, ziekenhuis Rijnstate, Arnhem.

Drs. J. Wijkstra, psychiater, Universitair Medisch Centrum Utrecht.

 

Redactiecommissie

Dr. T.K. Birkenhager

Dr. W.W. van den Broek

Drs. J.A. van Waarde

Drs. J. Wijkstra

Drs. E.R. Fischer

Drs. J.W. Hagemeijer

 

Adviseurs

Mw. drs. E.R. Fischer, wetenschappelijk medewerker Trimbos-instituut, Utrecht.

Mw. drs. J.W. Hagemeijer, adviseur Kwaliteitsinstituut voor de Gezond-heidszorg CBO, Utrecht.

Belangenverklaringen

Bij het samenstellen van de werkgroep is zo veel mogelijk rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen, ‘scholen' en academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk van financiële of zakelijke belangen gehandeld en waren gemandateerd door hun vereniging.

Inbreng patiëntenperspectief

Aan de totstandkoming van deze richtlijn is medewerking verleend door een focusgroep bestaande uit patiënten en hun direct betrokkenen. Tijdens de ontwikkeling van de richtlijn is een panelbijeenkomst georganiseerd bestaande uit patiënten en naasten met ervaring met de ECT-behandeling. Tijdens deze bijeenkomst zijn belangrijke aspecten rondom de zorg van ECT geïnventariseerd. De aangereikte overwegingen zijn verwerkt in de richtlijn en zijn meegewogen in de samenstelling van de aanbevelingen.

 

Verslag bijeenkomst ten behoeve van inventariseren patiëntenperspectief richtlijn ECT

Hierna volgen de belangrijkste conclusies uit de bijeenkomst die tot doel had te inventariseren wat de ervaringen van patiënten zijn en wat zij belangrijk vinden bij een ECT-behandeling. De bijeenkomst heeft plaatsgevonden op vrijdag 27 juni 2008 van 11.00 tot 13.30 uur op het Trimbos-instituut. Aanwezig waren vier patiënten, twee echtgenoten, één begeleidend hulpverlener, de voorzitter van de werkgroep (dr. W.W. van den Broek, psychiater) en een richtlijnadviseur (mw. drs. E. Fischer).

 

Vanuit het perspectief van de patiënt en diens omgeving worden de volgende aspecten als belangrijk ervaren:

  • Patiënten willen weten wat de effectiviteit is van ECT. Ze zien tijdens opname regelmatig mensen terug bij wie ECT niet gewerkt heeft, de succesvol behandelden zien ze niet. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • Patiënten zijn vaak bang voor ECT, weten niet goed wat het is en heb¬ben een verkeerd (One flew over the cuckoo's nestachtig) beeld van de behandeling. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • Voorlichting aan familie is erg belangrijk. Wat kan de omgeving verwachten, hoe moeten ze met de patiënt omgaan, wat kan wel en wat kan niet? Met name voorafgaand aan de behandeling is het belangrijk de familie goed te informeren. Vaak is de patiënt in dit stadium te ziek om de informatie te willen of te kunnen opslaan. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • De informatiebehoefte verschilt per patiënt. Stem dit af op de behoefte van de patiënt. Een mevrouw gaf aan dat ze het allemaal niet wil weten omdat ze het een eng idee vindt, een ander wil daarentegen juist alles weten. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • Disciplines die niet direct betrokken zijn bij de uitvoering van de ECT- behandeling weten er vaak erg weinig van. Dit wordt als erg vervelend ervaren, bijvoorbeeld bij somatische comorbiditeit. (Verwerkt in de richtlijn bij de randvoorwaarden, bijlage 1.)
  • Patiënten voelen zich vaak gestigmatiseerd. 'Als je ECT hebt gehad, dan ben je pas echt gek.' Hoe hiermee om te gaan is een belangrijk punt voor de nazorg. (Verwerkt in de module over vervolgbehandeling.)
  • ECT moet gewoner worden. Gelijkwaardiger als behandelvorm. Ook in de communicatie met de patiënt moet het niet worden gebracht als laatste redmiddel. Patiënten hebben nu vaak het idee dat ze zijn uitbehandeld als ze aan ECT beginnen. Veel patiënten weten ook niet dat je na een eerste reeks ECT nog een keer ECT 'mag'. (Verwerkt in de module bij indicatiestelling en de module over vervolgbehandeling.)
  • Wachtlijsten worden als een groot probleem ervaren. (Verwerkt in de richtlijn bij de randvoorwaarden, bijlage 1.)
  • De meeste patiënten herkennen zelf de signalen van een terugval, maar omdat dit niet voor iedereen het geval is, is het belangrijk om de behandeling goed te evalueren. Daarbij is het soms lastig te herkennen of het beter gaat met de patiënt, omdat het niet van de ene op de andere dag beter gaat; het is een stijgende lijn. Patiënten moeten soms worden gewezen op signalen die verbetering aangeven. De familie kan hier ook een rol in spelen. De lijst met signalen kan zowel worden gebruikt bij terugval als bij herstel. (Verwerkt in de modules over evaluatie en voorlichting.)
  • Geheugenproblemen zijn een breed ervaren bijwerking. Het is prettig om (van te voren) praktische tips te krijgen hoe hiermee om te gaan. Daarnaast is informatie over het verloop van de geheugenproblemen gewenst. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • Patiënten ervaren de zorg rondom een behandeling als heel prettig. Iedereen gaf aan dat ze erg goed worden begeleid tijdens een behandeling. Patiënten hebben soms angst voor de behandeling en vinden het prettig om gerustgesteld te worden, hoewel dit de angst niet altijd wegneemt. (Verwerkt in de richtlijn bij de randvoorwaarden, bijlage 1.)
  • Praktische zaken als toiletbezoek vooraf en iets eten achteraf zijn zaken die belangrijk zijn voor een patiënt. Dit moet in het protocol staan en dient te worden nageleefd. (Verwerkt in de richtlijn bij de randvoorwaarden, bijlage 1.)
  • Patiënten dienen te weten dat ECT gecombineerd met medicatie een optie is en dat ze daar zelf in mee mogen denken. (Verwerkt in de module over farmacologisch beleid.)
  • ECT is meer dan een technisch trucje, de behandelaar moet ook oog houden voor wat er bij de patiënt leeft. (Verwerkt in de module over voorlichting.)

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Het bestuur van de NVvP autoriseert uiteindelijk de definitieve versie van de richtlijn en heeft ook de verenigingen die hebben meegewerkt aan de totstandkoming van deze richtlijn uitgenodigd om tot autorisatie over te gaan. De NVvP brengt middels een artikel in het verenigingsblad De Psychiater deze herziene richtlijn onder de aandacht van haar leden. Naast het plaatsen op de website van de NVvP, wordt de richtlijn ook in een gedrukte versie uitgebracht. Ook zendt zij deze versie naar de andere autoriserende verenigingen met het verzoek deze versie onder hun leden te verspreiden. Omdat ECT wordt toegepast in instellingen die daarvoor over speciale faciliteiten moeten beschikken, zendt de wen, namens het bestuur van de NVvP, de richtlijn ook aan alle raden van bestuur van instellingen waar ECT wordt toegepast.

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende één jaar (vijf telefonische vergaderingen en drie bijeenkomsten) aan de totstandkoming van de conceptrichtlijn. De werkgroepleden verrichtten op systematische wijze literatuuronderzoek en beoordeelden de kwaliteit en inhoud van de aldus verkregen literatuur. Vervolgens schreven de werkgroepleden een paragraaf of hoofdstuk voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens telefonische vergaderingen en bijeenkomsten lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken.

Een redactiecommissie heeft de teksten uiteindelijk tot een samenhangend geheel geredigeerd.

De uiteindelijke teksten vormen samen de conceptrichtlijn. Deze heeft van medio december 2008 tot medio februari 2009 op de website van het Trimbos-instituut, het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie gestaan om beroepsverenigingen en professionals in de gelegenheid te stellen commentaar te leveren. De commentaren zijn door de werkgroep beoordeeld en waar van toepassing in de richtlijn verwerkt.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is, voor zover mogelijk, gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht in de databases van Medline (PubMed), Embase, PsycINFO en Cochrane. De resultaten zijn ingeperkt door te limiteren op taal. De onderzoeken die gepubliceerd zijn in het Nederlands, Engels en Duits zijn meegenomen in de beoordeling. Tevens werden artikelen verkregen uit referentielijsten van opgevraagde literatuur. Ook werden andere richtlijnen aangaande ECT geraadpleegd. 

De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. De hierbij gebruikte indelingen staan in de tabellen 1.1 en 1.2. Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld.

 

Tabel 1.1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 1.2: Niveaus van conclusie

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

Eén onderzoek van niveau A2 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Eén onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.

Bron: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, EBRO Handleiding voor werkgroepleden, januari 2006.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.

Volgende:
Contra-indicaties voor ECT