Waar gaat deze richtlijn over?

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven de beste werkwijze is voor alle hulpverleners die ECT uitvoeren. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

    • Indicaties voor ECT
    • Contra-indicaties voor ECT
    • Technische uitvoering van ECT
    • Vervolgbehandeling na ECT
    • Registratie en accreditatie van ECT

 

Voor wie is deze richtlijn bedoeld?

Deze richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die ECT uitvoeren. Ook patiënten kunnen de richtlijn gebruiken bij het overleg met hun hulpverleners.

 

Voor patiënten

Elektroconvulsietherapie (ECT) is een kunstmatig opgewekte epileptische aanval, of toeval. Deze toeval ontstaat door het toedienen van een korte stroomstoot via elektroden op het hoofd. De stroom beïnvloedt de hersenen. De patiënt krijgt bij deze behandeling een lichte volledige verdoving. ECT wordt vaak in een kuur gegeven. De patiënt krijgt dan over een langere periode meestal twee behandelingen per week.

ECT wordt bij verschillende psychiatrische ziektes toegepast. Vooral mensen met een ernstige depressie bij wie medicijnen niet helpen, kunnen zich beter gaan voelen door ECT. Zij kunnen soms zelfs helemaal herstellen. De behandeling kan ook helpen bij patiënten met schizofrenie of een manie waarbij medicijnen niet goed werken.

 

Meer informatie over elektroconvulsietherapie is te vinden op de website van de psychiaters:

http://www.nvvp.net/website/patinteninformatie/aandoeningen-/electroconvulsieve-therapie-ect/algemeen

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers vanuit de psychiaters, anesthesiologen en verpleegkundigen. Patiënten en hun naasten zijn betrokken bij het maken van de richtlijn. Zij hebben in een panelbijeenkomst kunnen vertellen over hun ervaringen met ECT.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-02-2010

Laatst geautoriseerd : 01-02-2010

Uiterlijk in 2014 bepaalt de NVvP of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen als nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven een herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

Algemene gegevens

De richtlijn is tot stand gekomen met ondersteuning en begeleiding van Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en het Trimbos-instituut en met financiële steun van de NVvP.

 

Aanleiding voor de richtlijn

Deze richtlijn Elektroconvulsietherapie (ECT) is een herziening van een richtlijn, uitgegeven door het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) in 2000. Het bestuur heeft de opdracht tot een herziening van deze richtlijn gegeven en op voordracht van de Commissie Kwaliteitszorg (CKZ) de voorzitter en de leden van de werkgroep benoemd. In tegenstelling tot de vorige versie, is de herziening een multidisciplinaire richtlijn. Hiertoe zijn de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), V&VN vakcommissie ggz verpleegkundigen en Beroepsvereniging voor Recovery Verpleegkundigen (BRV) uitgenodigd vertegenwoordigers af te vaardigen voor de werkgroep.

 

Definities

In de specifieke inleiding is weergegeven welke definities door de werk­groep zijn gebruikt. Daar waar de werkgroep in deze richtlijn ‘hij' schrijft, wordt in het algemeen ook ‘zij' bedoeld. Daar waar de richtlijn ‘patiënt' schrijft, erkent de werkgroep dat de term ‘cliënt' in de geestelijke gezond­heidszorg veel wordt gebruikt. Omwille van de eenheid binnen deze richt­lijn en binnen alle ggz-richtlijnen is echter de term patiënt aangehouden.

 

Probleemomschrijving en uitgangsvragen

Een multidisciplinaire richtlijn geeft in het algemeen ‘aanbevelingen voor de praktijk’. Dat betekent dat praktijkproblemen zo veel mogelijk het uit­gangspunt zijn van de teksten in de richtlijn. Dat betekent ook dat méér aandacht wordt gegeven aan hóe die praktijkproblemen worden opgelost dan aan de vraag door wie die problemen worden aangepakt of opgelost. De richtlijn is een document waarin staat hoe optimale zorg er ‘inhoude­lijk' uit ziet. In de richtlijn komen dus de bijdragen van de verschillende beroepsgroepen aan de orde. De uitgangsvragen zijn zo gebaseerd op knel­punten die in de praktijk worden ervaren.

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De aanbevelingen in de richtlijn berusten waar mogelijk op de resultaten van gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. De beschikbare resultaten van dat wetenschappelijk onderzoek zijn door de werkgroep vastgelegd en geïnterpreteerd. Aansluitend zijn de aanbevelingen geformuleerd, gericht op het expliciteren van goed handelen. De richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van alle hulpverleners en instellingen die ECT uitvoeren. De richtlijn biedt aanknopingspunten voor zorgorganisatie, bijvoorbeeld transmurale afspraken of lokale protocollen, en bevat aanbevelingen voor implementatie. De richtlijn bevat daarnaast een weergave van de visie van patiënten op de zorg.

De richtlijn sluit zo veel mogelijk aan bij de beschikbare internationale richtlijnen op het gebied van ECT.

 

Doelgroep

De richtlijn is primair bedoeld voor hulpverleners die betrokken zijn bij de uitvoering van ECT. Te denken valt aan psychiaters, anesthesiologen en verpleegkundigen. Ook patiënten kunnen de richtlijn gebruiken bij het overleg met hulpverleners.

Samenstelling werkgroep

De multidisciplinaire richtlijn Elektroconvulsietherapie is op initiatief en onder auspiciën van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie tot stand gebracht door de werkgroep Elektroconvulsietherapie, waarin de deelnemende verenigingen en organisaties hebben samengewerkt. Methodologische en organisatorische ondersteuning en begeleiding werden verzorgd door het Trimbos-instituut en het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO.

 

Werkgroep

Voorzitter

Dr. W.W. van den Broek, psychiater, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam.

 

Leden

Dr. T.K. Birkenhager, psychiater, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam.

Mw. drs. D. de Boer, verpleegkundige, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden.

Drs. J.P. Burggraaf, anesthesioloog, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden.

Mw. B. van Gemert, verpleegkundige, Parnassia psycho-medisch centrum, Den Haag.

Drs. T.H.N. Groenland, anesthesioloog, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam.

Dr. K.H. Kho, psychiater, PsyQ, Den Haag.

Dr. M.L. Stek, psychiater, GGZ Buitenamstel Geestgonden, Amsterdam.

Dr. B. Verwey, psychiater, Alysis zorggroep, ziekenhuis Rijnstate, Arnhem.

Mw. dr. I.M. van Vliet, psychiater, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden.

Drs. J.A. van Waarde, psychiater, Alysis zorggroep, ziekenhuis Rijnstate, Arnhem.

Drs. J. Wijkstra, psychiater, Universitair Medisch Centrum Utrecht.

 

Redactiecommissie

Dr. T.K. Birkenhager

Dr. W.W. van den Broek

Drs. J.A. van Waarde

Drs. J. Wijkstra

Drs. E.R. Fischer

Drs. J.W. Hagemeijer

 

Adviseurs

Mw. drs. E.R. Fischer, wetenschappelijk medewerker Trimbos-instituut, Utrecht.

Mw. drs. J.W. Hagemeijer, adviseur Kwaliteitsinstituut voor de Gezond-heidszorg CBO, Utrecht.

Belangenverklaringen

Bij het samenstellen van de werkgroep is zo veel mogelijk rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen, ‘scholen' en academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk van financiële of zakelijke belangen gehandeld en waren gemandateerd door hun vereniging.

Inbreng patiëntenperspectief

Aan de totstandkoming van deze richtlijn is medewerking verleend door een focusgroep bestaande uit patiënten en hun direct betrokkenen. Tijdens de ontwikkeling van de richtlijn is een panelbijeenkomst georganiseerd bestaande uit patiënten en naasten met ervaring met de ECT-behandeling. Tijdens deze bijeenkomst zijn belangrijke aspecten rondom de zorg van ECT geïnventariseerd. De aangereikte overwegingen zijn verwerkt in de richtlijn en zijn meegewogen in de samenstelling van de aanbevelingen.

 

Verslag bijeenkomst ten behoeve van inventariseren patiëntenperspectief richtlijn ECT

Hierna volgen de belangrijkste conclusies uit de bijeenkomst die tot doel had te inventariseren wat de ervaringen van patiënten zijn en wat zij belangrijk vinden bij een ECT-behandeling. De bijeenkomst heeft plaatsgevonden op vrijdag 27 juni 2008 van 11.00 tot 13.30 uur op het Trimbos-instituut. Aanwezig waren vier patiënten, twee echtgenoten, één begeleidend hulpverlener, de voorzitter van de werkgroep (dr. W.W. van den Broek, psychiater) en een richtlijnadviseur (mw. drs. E. Fischer).

 

Vanuit het perspectief van de patiënt en diens omgeving worden de volgende aspecten als belangrijk ervaren:

  • Patiënten willen weten wat de effectiviteit is van ECT. Ze zien tijdens opname regelmatig mensen terug bij wie ECT niet gewerkt heeft, de succesvol behandelden zien ze niet. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • Patiënten zijn vaak bang voor ECT, weten niet goed wat het is en heb¬ben een verkeerd (One flew over the cuckoo's nestachtig) beeld van de behandeling. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • Voorlichting aan familie is erg belangrijk. Wat kan de omgeving verwachten, hoe moeten ze met de patiënt omgaan, wat kan wel en wat kan niet? Met name voorafgaand aan de behandeling is het belangrijk de familie goed te informeren. Vaak is de patiënt in dit stadium te ziek om de informatie te willen of te kunnen opslaan. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • De informatiebehoefte verschilt per patiënt. Stem dit af op de behoefte van de patiënt. Een mevrouw gaf aan dat ze het allemaal niet wil weten omdat ze het een eng idee vindt, een ander wil daarentegen juist alles weten. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • Disciplines die niet direct betrokken zijn bij de uitvoering van de ECT- behandeling weten er vaak erg weinig van. Dit wordt als erg vervelend ervaren, bijvoorbeeld bij somatische comorbiditeit. (Verwerkt in de richtlijn bij de randvoorwaarden, bijlage 1.)
  • Patiënten voelen zich vaak gestigmatiseerd. 'Als je ECT hebt gehad, dan ben je pas echt gek.' Hoe hiermee om te gaan is een belangrijk punt voor de nazorg. (Verwerkt in de module over vervolgbehandeling.)
  • ECT moet gewoner worden. Gelijkwaardiger als behandelvorm. Ook in de communicatie met de patiënt moet het niet worden gebracht als laatste redmiddel. Patiënten hebben nu vaak het idee dat ze zijn uitbehandeld als ze aan ECT beginnen. Veel patiënten weten ook niet dat je na een eerste reeks ECT nog een keer ECT 'mag'. (Verwerkt in de module bij indicatiestelling en de module over vervolgbehandeling.)
  • Wachtlijsten worden als een groot probleem ervaren. (Verwerkt in de richtlijn bij de randvoorwaarden, bijlage 1.)
  • De meeste patiënten herkennen zelf de signalen van een terugval, maar omdat dit niet voor iedereen het geval is, is het belangrijk om de behandeling goed te evalueren. Daarbij is het soms lastig te herkennen of het beter gaat met de patiënt, omdat het niet van de ene op de andere dag beter gaat; het is een stijgende lijn. Patiënten moeten soms worden gewezen op signalen die verbetering aangeven. De familie kan hier ook een rol in spelen. De lijst met signalen kan zowel worden gebruikt bij terugval als bij herstel. (Verwerkt in de modules over evaluatie en voorlichting.)
  • Geheugenproblemen zijn een breed ervaren bijwerking. Het is prettig om (van te voren) praktische tips te krijgen hoe hiermee om te gaan. Daarnaast is informatie over het verloop van de geheugenproblemen gewenst. (Verwerkt in de module over voorlichting.)
  • Patiënten ervaren de zorg rondom een behandeling als heel prettig. Iedereen gaf aan dat ze erg goed worden begeleid tijdens een behandeling. Patiënten hebben soms angst voor de behandeling en vinden het prettig om gerustgesteld te worden, hoewel dit de angst niet altijd wegneemt. (Verwerkt in de richtlijn bij de randvoorwaarden, bijlage 1.)
  • Praktische zaken als toiletbezoek vooraf en iets eten achteraf zijn zaken die belangrijk zijn voor een patiënt. Dit moet in het protocol staan en dient te worden nageleefd. (Verwerkt in de richtlijn bij de randvoorwaarden, bijlage 1.)
  • Patiënten dienen te weten dat ECT gecombineerd met medicatie een optie is en dat ze daar zelf in mee mogen denken. (Verwerkt in de module over farmacologisch beleid.)
  • ECT is meer dan een technisch trucje, de behandelaar moet ook oog houden voor wat er bij de patiënt leeft. (Verwerkt in de module over voorlichting.)

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Het bestuur van de NVvP autoriseert uiteindelijk de definitieve versie van de richtlijn en heeft ook de verenigingen die hebben meegewerkt aan de totstandkoming van deze richtlijn uitgenodigd om tot autorisatie over te gaan. De NVvP brengt middels een artikel in het verenigingsblad De Psychiater deze herziene richtlijn onder de aandacht van haar leden. Naast het plaatsen op de website van de NVvP, wordt de richtlijn ook in een gedrukte versie uitgebracht. Ook zendt zij deze versie naar de andere autoriserende verenigingen met het verzoek deze versie onder hun leden te verspreiden. Omdat ECT wordt toegepast in instellingen die daarvoor over speciale faciliteiten moeten beschikken, zendt de wen, namens het bestuur van de NVvP, de richtlijn ook aan alle raden van bestuur van instellingen waar ECT wordt toegepast.

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende één jaar (vijf telefonische vergaderingen en drie bijeenkomsten) aan de totstandkoming van de conceptrichtlijn. De werkgroepleden verrichtten op systematische wijze literatuuronderzoek en beoordeelden de kwaliteit en inhoud van de aldus verkregen literatuur. Vervolgens schreven de werkgroepleden een paragraaf of hoofdstuk voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens telefonische vergaderingen en bijeenkomsten lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken.

Een redactiecommissie heeft de teksten uiteindelijk tot een samenhangend geheel geredigeerd.

De uiteindelijke teksten vormen samen de conceptrichtlijn. Deze heeft van medio december 2008 tot medio februari 2009 op de website van het Trimbos-instituut, het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie gestaan om beroepsverenigingen en professionals in de gelegenheid te stellen commentaar te leveren. De commentaren zijn door de werkgroep beoordeeld en waar van toepassing in de richtlijn verwerkt.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is, voor zover mogelijk, gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Relevante artikelen werden gezocht door het verrichten van systematische zoekacties. Er werd gezocht in de databases van Medline (PubMed), Embase, PsycINFO en Cochrane. De resultaten zijn ingeperkt door te limiteren op taal. De onderzoeken die gepubliceerd zijn in het Nederlands, Engels en Duits zijn meegenomen in de beoordeling. Tevens werden artikelen verkregen uit referentielijsten van opgevraagde literatuur. Ook werden andere richtlijnen aangaande ECT geraadpleegd. 

De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. De hierbij gebruikte indelingen staan in de tabellen 1.1 en 1.2. Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld.

 

Tabel 1.1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Tabel 1.2: Niveaus van conclusie

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

Eén onderzoek van niveau A2 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Eén onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.

Bron: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, EBRO Handleiding voor werkgroepleden, januari 2006.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.